|
1. Fysische geografie
Lesotho bestaat voor tweederde uit hoogland. In het oosten, in de
Drakensberge, bereikt dit een hoogte van 3820 m boven zeeniveau. Het
midden van het land wordt ingenomen door een basaltplateau van 3000-3500
m (Malutibergen), waarop verschillende rivieren ontspringen, waaronder
de Oranjerivier. Het klimaat is droog en streng.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
bevolking bestaat vnl. uit Afrikanen, die grotendeels tot het Sotho-volk,
een zuidelijke Bantoetalige groepering, behoren. De ca. 3000 Europeanen
en enige honderden Aziaten zijn vnl. werkzaam in het bestuur, de handel
en de missie. Tweederde van de totale bevolking woont in het vruchtbare
westelijke laagland en de rivierdalen (ca. 12% van het totale
grondgebied). 22% woont in de steden. De bevolkingstoename bedroeg in de
periode 1985-1993 2,6%. Geboorte- en sterftecijfer bedroegen in die
periode respectievelijk 39 per 1000 en 11,2 per 1000. De gemiddelde
levensverwachting is 56 jaar voor mannen en 61 jaar voor vrouwen.
2.2 Taal
Officiële talen zijn het Sesotho en het Engels. Het Engels wordt het
meest als handelstaal en in het onderwijs gebruikt.
2.3 Religie
Ca. 74% van de bevolking is christen (daarvan 44% rooms-katholiek en 30%
protestants); een minderheid hangt de traditionele stamreligie aan; er
is een kleine islamitische gemeenschap.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting en bestuur
Lesotho is sinds de onafhankelijkheid in 1966 een koninkrijk. Volgens de
grondwet van 1993 wordt de uitvoerende macht gevormd door het kabinet,
bestaande uit een minister-president en ten minste zeven ministers. De
Nationale Vergadering en de Senaat vormen samen het parlement. De
Nationale Vergadering bestaat uit 65 gekozen leden; de Senaat wordt
gevormd door 22 stamhoofden of 'chiefs' en 11 benoemde leden. De koning
heeft alleen ceremoniële en representatieve functies. Administratief is
het land verdeeld in tien districten. Elk district is verdeeld in 'wards',
die worden geregeerd door stamhoofden. Volgens traditioneel recht kan de
koning worden afgezet door een meerderheidsbeslissing in de raad van
stamhoofden.
Lesotho kent geen officiële strijdkrachten.
3.2 Lidmaatschap van internationale organisaties
Lesotho is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties vam
de VN, het Gemenebest, de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) en de
Southern African Development (SADC); voorts is het land geassocieerd lid
van de EU [politiek] (Lomé-conventie) en de Algemene Overeenkomst inzake
Tarieven en Handel (GATT). Met de Republiek van Zuid-Afrika bestaat een
tolunie.
3.3 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
De organisatiegraad in politiek opzicht is vrij hoog. De belangrijkste
politieke partijen zijn de Basotho National Party (opgericht in 1958;
conservatief; steunend op de stamhoofden en de [rooms-katholieke]
plattelandsbevolking) en de Basuto Congress Party (opgericht in 1952;
radicaal Panafrikaans; ca. 75!000 leden). Belangrijkste vakbond is de
Construction and Allied Workers' Union of Leshoto (CAWULE), die
belangrijk heeft bijgedragen aan de terugkeer naar een democratische
burgerregering.
4. Economie
4.1 Algemeen
De economie is sterk afhankelijk van de Republiek van Zuid-Afrika. Het
chronisch tekort op de handels- en betalingsbalans wordt slechts ten
dele opgeheven door het inkomen uit de trekarbeid. Ontwikkelingsgelden
moeten het tekort aanzuiveren. Grote economische problemen zijn o.a. de
afwezigheid van natuurlijke hulpbronnen (behalve water), bodemerosie, de
snelle bevolkingstoename en het chronisch tekort aan arbeidsplaatsen,
waardoor ca. 50% van de werkende mannelijke en 10% van de vrouwelijke
bevolking gedwongen is in de Republiek van Zuid-Afrika hun
levensonderhoud te verdienen. In het midden van de jaren negentig
bestond ongeveer 42% van het bnp uit inkomsten van de ruim 100!000
trekarbeiders. De langdurige droogte in de eerste helft van de jaren
tachtig verergerde de economische problemen.
4.2 Landbouw, veeteelt, bosbouw en visserij
Bijna 80% van de bevolking leeft op het platteland. De bevolkingsdruk
heeft de landbouw schade toegebracht. Door de uitbreiding van
woongebieden is landbouwgrond verloren gegaan. Dit verlies en de
voortgaande versnippering van het grondbezit hebben geleid tot een
daling van de productie. Het aandeel van de landbouw in het nationaal
product liep terug van ca. 50% in 1974 tot ca. 14% twintig jaar later.
De landbouwproductie is in hoofdzaak bestemd voor binnenlands gebruik,
toch moet nog een kwart van het voedsel worden ingevoerd. Het
grondgebruik is op communale wijze ingericht; door de geringe
bruikbaarheid van de bodem heeft dit hier echter mede geleid tot
beheersingsproblemen in de vruchtbare gebieden, zoals overbevolking,
bodemuitputting en erosie door overbeweiding. Sorghum, maïs, tarwe en
peulvruchten zijn de voornaamste gewassen. Uitdunning van de veestapel
is noodzakelijk om verdere overbeweiding tegen te gaan. Bomen (vnl.
eucalyptus) zijn geplant om verdere bodemverschraling te voorkomen.
Herbebossing is hoofddoel in de bosbouw. De visserij heeft alleen
plaatselijke betekenis.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
In de jaren tachtig liep de diamantproductie terug als reactie op een
afnemende vraag op de wereldmarkt; de enige diamantmijn werd in 1982
gesloten. Voor de energievoorziening is de waterkracht van belang. Het
Madibamatso-project in de gelijknamige rivier komt vnl. het
industriegebied rond Witwatersrand in Zuid-Afrika ten goede, terwijl de
Serabolengdam de (weinige) hoofdstedelijke industrie van energie moet
voorzien. Tijdens de jaren tachtig is een begin gemaakt met het
ambitieuze Highland Water Scheme, een project dat in 2025 voltooid zal
moeten zijn. De kosten, die op ca. $ 4 miljard geraamd worden, worden
mede opgebracht door de Wereldbank en de EU. Het project zal water aan
Zuid-Afrika gaan leveren (industriegebied rond Johannesburg) en volledig
gaan voorzien in de elektriciteitsbehoefte van Lesotho. Nu is het land
voor zijn elektriciteitsvoorziening nog voor 90% afhankelijk van
Zuid-Afrika.
4.4 Industrie
Op industrieel gebied zijn de buitenlandse investeringen gering
gebleven, ondanks de zeer lage lonen en de gunstige
vestigingsvoorwaarden. De industriële sector bood in 1991 werk aan
11!432 mensen en leverde een aandeel van 46% in het bnp. Ongeveer
tweederde van Lesotho's export is afkomstig uit deze sector.
Staatsinstellingen als de Lesotho National Development Corporation
hebben de taak om de kleine en middelgrote ondernemingen in de eigen
industrie te stimuleren. De bouw-, textiel- en souvenirbedrijfjes
genieten daarbij prioriteit.
4.5 Handel
Voor de in- en uitvoer is Lesotho grotendeels op Zuid-Afrika aangewezen.
Ingevoerd worden maïs en andere voedingsproducten en kapitaalgoederen
zoals machines. Uitgevoerd worden m.n. mohair en wolproducten, naar
Zuid-Afrika, maar ook naar Noord-Amerika en de Europese Unie.
4.6 Ontwikkelingssamenwerking en planning
Om de economie in de gewenste richting te sturen, werkt de regering met
vijfjarenplannen, die echter lang niet altijd de gewenste uitwerking
hebben. Het eerste vijfjarenplan (1970-1975) legde prioriteiten bij de
wegenbouw en de landbouw. Het ontwikkelingsplan 1976-1980 was gericht op
productieverhoging en verruiming van de werkgelegenheid met 30!000
banen. Het derde plan (1980-1985) beoogde Lesotho minder afhankelijk te
maken van Zuid-Afrika door exploratie en exploitatie van natuurlijke
hulpbronnen, m.n. water. Het vierde plan (1986-1991) was gericht op
verdere ontwikkeling van de infrastructuur. Ontwikkelingshulp ontving
Lesotho m.n. van Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Canada en de
West-Europese landen; daarnaast ook van het Ontwikkelingsprogramma van
de Verenigde Naties en het Wereldvoedselprogramma. Het laatste plan
stond onder toezicht van het IMF en kon merendeels gerealiseerd worden.
4.7 Bankwezen
In 1972 werd de Lesotho Bank opgericht. Voorts opereren in de agrarische
sector een Landbouwontwikkelingsfonds en een staatskrediet-instelling.
In 1980 werd de Lesotho Agricultural Development Bank opgericht.
4.8 Verkeer en telecommunicatie
Het binnenlands verkeer bedient zich in het moeilijk toegankelijke
bergland vaak nog van paard, ezel of muildier. Verkeerswegen bevinden
zich vnl. in het westen (van Butha-Buthe over Maseru naar Outhing), waar
ook busverbindingen zijn. Recentelijk is het wegennet, overeenkomstig
het vierde vijfjarenplan en met financiële hulp van onder meer de EU en
de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, aanzienlijk uitgebreid, tot 5324 km.
Vanuit Maseru is er een spoorwegverbinding (2,6 km) over de grens, die
aansluit op de spoorlijn Durban-Bloemfontein in Zuid-Afrika. Het
binnenlands luchtverkeer wordt sinds 1971 verzorgd door de Lesotho
Airways. Dagelijks is er vanuit Zuid-Afrika een luchtverbinding tussen
Maseru en Johannesburg. Daarnaast worden rechtstreekse vluchten
onderhouden op Harare (Zimbabwe), Maputo (Mozambique) en de Seychellen.
In 1985 werd een nieuw vliegveld in gebruik genomen. Daarnaast zijn er
31 landingsplaatsen, waarvan 14 regelmatig gebruikt worden. In datzelfde
jaar werd een telecommunicatiesysteem voltooid dat rechtstreeks
automatisch telex- en telefoonverkeer mogelijk maakt.
5. Geschiedenis
Basutoland, zoals Lesotho tot 4 okt. 1966 heette, is ontstaan in 1818
toen het opperhoofd van de Basoeto, Moshesh (of Moshoeshoe I),
verschillende stammen die door de Matabele en de Zoeloe waren
verstrooid, wist te verenigen tot het volk van de Sotho. Van 1856 tot
1868 is Moshesh verschillende malen in oorlog geweest met de Boeren van
Oranje Vrystaat. In het laatstgenoemde jaar werd het gebied door
Groot-Brittannië geannexeerd en in 1870 werden de grenzen vastgelegd.
Nadat Basutoland een tijd lang deel had uitgemaakt van de Kaapkolonie,
werd het in 1884 een Brits kroonprotectoraat. In 1965 werd intern
zelfbestuur toegekend en werd Constantine Bereng Seeiso als paramount
chief geïnstalleerd.
Op 4 okt. 1966 werd Basutoland een onafhankelijk koninkrijk onder de
naam Lesotho en werd de paramount chief koning Moshoeshoe II. Er
ontstond al spoedig een conflict tussen de koning en premier Leboea
Jonathan van de regerende Basotho National Party over de bevoegdheden
van het staatshoofd; nadat Jonathan begin 1970 de (vermoedelijk door de
koning gesteunde) oppositie had uitgeschakeld en de grondwet buiten
werking had gesteld, verbleef Moshoeshoe enige maanden in ballingschap
in Nederland, van waaruit hij weer mocht terugkeren op voorwaarde dat
hij zich niet meer actief met de politiek zou bezighouden.
In 1973 is een interim Nationale Assemblee benoemd die tot taak kreeg
een nieuwe grondwet op te stellen. Het autoritaire bewind van premier
Jonathan stuit op steeds meer kritiek. Het regime is zeer afhankelijk
van Zuid-Afrika, maar in de laatste jaren heeft het zich in toenemende
mate kritisch opgesteld tegenover de apartheidspolitiek en het
buitenlandse beleid van Pretoria.
In 1986 werd premier Jonathan tijdens een coup van het leger zonder
bloedvergieten afgezet en de wetgevende macht werd overgedragen aan
koning Moshoeshoe II. Deze machtsovername werd gesteund door de
Zuid-Afrikaanse autoriteiten. De feitelijke macht kwam in handen te
liggen van een militaire raad onder leiding van generaal-majoor Justin
Metsing Lekhanya. Verschil van mening over de relatie met Zuid-Afrika
bemoeilijkte de samenwerking tussen de koning en de militaire raad. De
raad streefde naar goede betrekkingen met de Zuid-Afrikaanse regering,
Moshoeshoe II uitte regelmatig zijn sympathie voor het ANC.
Lekhanya nam in 1990 'tijdelijk' de macht over van de koning met als
doel politieke en economische hervormingen door te voeren. In december
1990 werd de oudste zoon van koning Moshoeshoe tot koning Letsie III
gekroond.
Bij een onbloedige staatsgreep op 30 april 1991 werd Lekhanya afgezet
door kolonel Elias Ramaema. Na twee jaar ballingschap in
Groot-Brittannië keerde ex-koning Moshoeshoe II op 20 juli 1992 naar
Lesotho terug. Ondertussen had zijn zoon, Letsie III, aangekondigd
afstand te willen doen van de troon ten gunste van zijn vader. De
regering liet echter weten dat Moshoeshoe II alleen als burger zou
kunnen terugkeren en Letsie III bleef koning.
Een nieuwe grondwet, die voor de verkiezingen van kracht zou worden, zou
de bevoegdheden van de monarch sterk beperken. De nieuwe grondwet trad
in 1993 in werking. Bij verkiezingen in maart won de Basotho Congress
Party. Haar leider, Nesu Mokhehle, werd premier van de nieuwe regering.
In 1994 trok koning Letsie III alle macht naar zich toe door het
parlement naar huis te sturen, de regering te ontslaan en de grondwet op
te schorten. Onder internationale druk moest hij vervolgens aftreden ten
gunste van zijn vader Moshoeshoe. Toen deze in 1996 verongelukte, volgde
Letsie hem op. Lesotho is economisch volledig afhankelijk van
Zuid-Afrika, waarbinnen het een enclave vormt.
|