|
1. Fysische geografie
Letland
grenst in het noorden aan Estland, in het oosten aan de Russische
Federatie, in het zuiden aan Litouwen en in het westen aan de Oostzee en
de Golf van Riga, die vanuit het noordwesten diep het land binnendringt.
Het landschap wordt sterk bepaald door glaciale afzettingen; het maakt
hierdoor en door de vele duinen een vrij geaccidenteerde indruk. De
laagvlakten worden omringd door de morenen e.d. van de Koerlandse
Heuvels in het westen, de Baltische Rug in het zuidoosten en de heuvels
van Widzeme in het noordoosten, waar de hoogste punt van het land ligt:
Gajzinjkaln, 311 m. De afwatering vindt vnl. plaats via de grootste
rivier, de Westelijke Dvina. Door het glaciale reliëf, dat de afvloeiing
belemmert, en de tamelijk hoge neerslag zijn hier en daar moerassen en
meren ontstaan, die 10 resp. 1,6% van de oppervlakte beslaan. Het
klimaat gaat van west naar oost over van maritiem naar continentaal.
2. Bevolking
De bevolking bestaat voor 56, 6% uit Letten, een tot het Oost-Europide
of Baltische ras behorend volk. Sinds 1940 is hun aandeel afgenomen door
deportatie enerzijds en immigratie van Russen, Oekraïners en Wit-Russen
anderzijds; thans is 30% van de bevolking van Russische afkomst. Hun
aantal loopt sinds de onafhankelijkheid bestendig terug. De
belangrijkste steden zijn Riga, Daugavpils, Liepaja, Jurmala, Jelgava en
Ventspils.
In 1993 woonde 69% van de bevolking in de steden. Letland kent sinds
1991 een negatieve bevolkingsgroei: in 1993 -1, 9%. Het geboorte- en
sterftecijfer bedroeg in 1994 10,5 resp. 16,5 op elke 1000 inw.
Officiële taal is het Lets; er wordt ook veel Russisch gesproken. Voor
1939 was 55% van de bevolking protestants (luthers), 25% rooms-katholiek
en 9% Russisch-orthodox. In 1994 gaven veel minder mensen aan een
bepaalde kerk aan te hangen: 12% luthers, 19% rooms-katholiek en 4%
Russisch-orthodox. Van de 5% joden die er voor de Tweede Wereldoorlog
nog leefden, is nog maar een kleine gemeenschap van 5000 zielen over
(0,2%).
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
In
1993 werd de grondwet van 1922 weer van kracht. De door het parlement
voor een ambtstermijn van drie jaar gekozen president draagt geen
politieke verantwoordelijkheid en heeft slechts representatieve
functies. De uitvoerende macht berust bij de regering, aangevoerd door
een minister-president. Zij is verantwoording verschuldigd aan het
wetgevende parlement. De Saeima bestaat uit één Kamer met 100 direct,
voor drie jaar gekozen afgevaardigden. Stemrecht is er sinds 1994 voor
alle in Letland levende personen vanaf 18 jaar die afstammen van Letten
die op 1940 in Letland woonden. Letse minderheden die daarna in het land
zijn komen wonen, zijn daardoor niet langer stemgerechtigd, tenzij ze
over een redelijke kennis van het Lets beschikken en hun oude
staatsburgerschap opgeven. Vooral de grote groep Russen is hiermee
benadeeld. De OVSE en de VN dringen er bij Letland op aan ook
niet-Letten burgerrechten te geven.
3.2 Administratieve indeling
Letland is verdeeld in 26 landelijke districten, 60 steden en 7 grote
gemeenten.
3.3 Lidmaatschap internationale organisaties
Letland is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties van
de VN, de Oostzee-Raad, de Baltische Raad, de Organisatie voor
Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Raad van Europa. Sinds
1994 is Letland geassocieerd lid van de Europese Unie (EU) en de
West-Europese Unie (WEU). Met de NAVO heeft het een Partnership for
Peace-overeenkomst.
3.4 Politieke partijen
Na twee vrije parlementsverkiezingen (in 1993 en 1995) kan nog niet van
een uitgekristalliseerd en functionerend partijleven in Letland
gesproken worden. Het aantal protestpartijen is nog groot. Grootste
partijen waren in 1995 de links-populistische Democratische Partij
Saimnieks, die voortkomt uit de Democratische Centrumpartij, de
liberaal-conservatieve Letlands Weg en de rechts-populistische
Volksbeweging voor Letland van de rechts-radicale Duitser J. Siegerist.
4. Economie
De Letse economie heeft een grote ommekeer gekend, die inmiddels zijn
eerste vruchten afwerpt. De staatsgeleide economie, gestuurd vanuit
Moskou, is vervangen door een zelfstandige, vrije en op de (wereld)markt
gerichte staatshuishouding. De aanvankelijke gierende inflatie is
inmiddels beteugeld; het bnp per inwoner kwam in 1994 al op $ 2290. De
verdeling der werkzamen onder de bevolking is bijzonder evenwichtig: 20%
van de bevolking werkt in de landbouw, 10% in de bosbouw, 29% in de
industrie en 52% in de dienstverlening. De werkloosheid bedraagt (1995)
slechts 6,3%. Een duidelijke groeisector is de bouw, met een aandeel van
7,7% in het bnp.
Ruim 2, 5 miljoen hectaren worden gebruikt voor de landbouw, waarvan
tweederde voor akkerbouw, de rest voor weilanden. Er worden vooral graan
en voedergewassen verbouwd. De veeteelt steunt vooral op runderen en
varkens. Visvangst wordt niet alleen voor de eigen kust, maar ook in de
Canadese wateren met succes bedreven.
Een belangrijke economische factor is de bosbouw: 42% van het land
bestaat uit wouden, jaarlijks wordt 8,3 miljoen m3 hout omgezet. Aan
bodemschatten bezit Letland slechts turf, bouwmateriaal (kalksteen,
zand, leem, gips, grind), afgezien van het reeds genoemde hout en nog
enig barnsteen.
De industrie, geconcentreerd rond de steden Riga, Liepaja en Daugavpils,
produceert vooral elektrotechnische machines en apparatuur,
levensmiddelen en automobielen. Hoewel het land drie waterkracht- en
twee warmtekrachtcentrales kent, moet 47% van de energiebehoefte
ingevoerd worden. De handelsbalans is mede hierdoor passief; de import
bestaat voor eenvijfde uit minerale brandstoffen. Uitgevoerd worden met
name hout en houtproducten, textiel, landbouwproducten en elektronica.
De belangrijkste handelspartners zijn het GOS en de Europese Unie, met
name Duitsland.
Het spoorwegnet is (1990) 2397 km lang, het wegennet 20!600 km, waarvan
het merendeel verhard is. Riga is de grootste containerhaven van het
Balticum, Ventspils komt op de tweede plaats. Het ligt in de bedoeling
de voormalige Sovjet-marinebasis Liepaja te veranderen in een
koopvaardijhaven. Riga bezit een internationale luchthaven; een eigen
luchtvaartmaatschappij is niet opgericht.
5. Geschiedenis
Het
grondgebied van het huidige Letland was oorspronkelijk bevolkt door
Baltische stammen van de Liven, Latgallen, Zjemgallen en Koeren, die hun
onafhankelijke positie tot het einde van de 12de eeuw wisten te
behouden. Kort voor 1200 begonnen evenwel de Duitse ridders het land te
veroveren. De inheemse bevolking werd met geweld onderworpen, gekerstend
en ondergeschikt gemaakt aan een dunne bovenlaag van Duitse kolonisten,
geestelijken, edelen en burgers. Staatkundig werd het gebied ingedeeld
in twee aparte gewesten, Koerland en Lijfland.
Toen in de 16de eeuw de Reformatie in deze streken was ingevoerd, werd
Koerland een geseculariseerd hertogdom onder de Poolse leenhoogheid en
handhaafde zich als zodanig tot 1795, terwijl Lijfland tot 1629 bij
Polen en vervolgens tot 1721 bij Zweden werd gevoegd; in laatstgenoemd
jaar werd het bij Rusland ingelijfd. De Russische heerschappij in beide
gewesten was aanvankelijk mild, omdat de voorrechten van de standen en
de gewestelijke autonomie werden gerespecteerd. Pas in de tweede helft
van de 19de eeuw ging men het zelfbestuur beknotten en de bevolking
russificeren. Intussen verscherpte zich de tegenstelling tussen de
Duitstalige elite en de massa van de inheemse bevolking, die zich sinds
de afschaffing van de lijfeigenschap (1817) cultureel en politiek begon
te emanciperen.
In de Eerste Wereldoorlog profiteerden de Letten van de anti-Duitse
stemming in Rusland, maar tegen het eind van de oorlog was geheel
Letland door de Duitsers bezet. Er ontwikkelde zich in het land grote
activiteit; de van oorsprong Duitse adel wilde aansluiting bij
Duitsland, de volksbeweging zocht toenadering tot de geallieerden. Op 11
nov. 1918 riep een Letse volksraad onder leiding van Karlis Ulmanis,
voorzitter van de Boerenbond, te Riga de onafhankelijkheid van Letland
uit, dat een republiek werd. In jan. 1919 vielen daarop de Russen het
land binnen en vestigden er een sovjetbewind, dat echter onmiddellijk
werd bestreden door de burgerlijke elementen, gesteund door Duitse
vrijscharen. Letten en Duitsers bleven ook onderling oorlog voeren tot
de geallieerden de terugtrekking van de Duitse troepen gelastten; de
Letten wisten hierop zelf de Russen te verdrijven.
In 1920 kwam er een einde aan de heerschappij van het Duitse element
over de eigenlijke Letten door de onteigening van het grootgrondbezit.
Aanvankelijk kende Letland een democratisch bewind, maar de voortdurende
angst voor het communisme en voor Duitsland (vooral na 1933) gaf de
reactie, die steeds meer een fascistisch karakter kreeg, de wind in de
zeilen. In mei 1934 voerde minister-president Ulmanis een staatsgreep
uit, stelde de grondwet buiten werking en ging over tot vervolging van
linkse partijen. In datzelfde jaar sloot Letland zich aan bij het
Baltisch Pact. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd Letland
door de Sovjet-Unie eerst gedwongen tot een 'verdrag van wederzijdse
bijstand' (5 okt. 1939), vervolgens bezet (17 juni 1940), waarna in aug.
1940 inlijving volgde. De Duitse troepen veroverden het gebied in de
zomer van 1941; in maart 1942 kreeg het zelfbestuur. De Russen
heroverden Letland eind 1944 en sindsdien maakt het deel uit van de
Sovjet-Unie.
Onder het communistische regime, dat de etnische samenstelling van
Letland door (gedwongen) migratie en russificatie merkbaar heeft
veranderd, bleef de herinnering aan een eigen staat niettemin
voortleven. Midden jaren tachtig leidde dit tot een opleven van
nationale aspiraties en tot een streven om zich zo veel mogelijk los te
maken van de rest van de Sovjet-Unie. Eind 1988 werd het Lets als
officiële staatstaal heringevoerd. Na verkiezingen in maart 1990
verklaarde op 4 mei 1990 Letland zich onafhankelijk van de Sovjet-Unie.
Grensposten werden opgericht.
Troepen van het Sovjet-Russische ministerie van Binnenlandse Zaken
vielen in voorjaar en zomer 1991 herhaaldelijk de door Moskou als
illegaal beschouwde grensposten aan de Litouws-Letse en
Litouws-Wit-Russische grens aan. Uiteindelijk stemde Moskou nog in 1991
toe in de onafhankelijkheid van Letland. De nieuwe staat bleek zeer
afhankelijk van de Russische Federatie en kwam in een zeer diepe
economische crisis. In juni 1993 werden verkiezingen gehouden voor de
Saeima, de wetgevende vergadering. Het centrum-rechtse Letlands Weg
kreeg ruim een derde van de 100 zetels. President werd Guntis Ulmanis.
Op het gebied van de buitenlandse politiek richtte Letland zich op
integratie in Europa. De verhouding met de Sovjet-Unie en, na 1993, met
de Russische Federatie was aanvankelijk gespannen als gevolg van de
onduidelijke wettelijke positie van de grote Russische minderheid en de
aanwezigheid van Russische legereenheden. In 1994 werd een wet op het
staatsburgerschap aangenomen die een bevredigdende regeling voor de
Russen bevatte. Tevens werd overeenstemming bereikt over de
terugtrekking van de Russische troepen.
De overgang naar een vrije-markteconomie verliep stroef, waarbij de
weerstand tegen buitenlandse investeringen een rol speelde. In jan. 1995
trad een vrijhandelsakkoord in werking met de EU, dat in mei werd
omgezet in een associatie-akkoord. Hierdoor werd de toegang van Letse
producten tot de Europese markt aanzienlijk verruimd. In juni 1996 werd
een vrijhandelsakkoord getekend voor landbouwproducten van Baltische
herkomst.
President Ulmanis werd diezelfde maand door het parlement herkozen voor
een tweede termijn van drie jaar. Bij de parlementsverkiezingen van okt.
1995 wonnen links- en rechts-extremisten bijna de helft van de zetels.
Telefoongids Letland
Postcodes
Letland
|