|
De
vlinder wordt in alle stadia van zijn levenscyclus bedreigd door een
groot aantal insecteneters. Voor veel gewervelde dieren en met name
de vogels, vormen vlinders en rupsen een voedzame en daarom zeer
aantrekkelijke prooi. In de broedtijd, als de oudervogels hun
hongerige, krijsende jongen moeten voeren, slepen ze dagelijks
honderden rupsen naar het nest.
Vleermuizen hebben het voorzien op de nachtvlinders, die in de
avondschemering geurende bloemen opzoeken om daar nectar te komen
drinken en die al rondvliegend proberen geschikte
huwelijkskandidaten te vinden. Vleermuizen sporen hun prooi in het
duister op met behulp van echolocatie. Ze stoten met hoge frequentie
geluiden uit en met de hulp van de weerkaatsing kunnen ze perfect
hun prooi lokaliseren.
Om de eieren aan het zicht van eierrovers te onttrekken zet het
vlindervrouwtje die meestal af tegen de onderkant van de bladeren
van de waardplant. Ze worden met een soort lijmstof aan de plant
vastgekleefd.
Rupsen vormen dan weer een gewaardeerd hapje voor tal van
insecteneters. Om aan al die gevaren te ontkomen hebben rupsen een
groot scala van trucjes tot hun beschikking. Velen hebben
schutkleuren zodat ze niet opvallen tegen de achtergrond,
bijvoorbeeld de spanrupsen.
Als een rups eenmaal pop is geworden kan hij zich niet meer
verplaatsen. Hij heeft dan namelijk geen poten of vleugels. Dat
maakt het diertje extra kwetsbaar. Een cocon is een veel gebruikte
manier om rond de pop een beschermend omhulsel aan te brengen.
Sommige cocons bestaan helemaal uit zijdedraad. Andere coconspinners
verwerken grond, schors of bladeren in de cocon om maar zo goed
mogelijk gecamoufleerd te zijn.
Een groot aantal rupsen leeft van giftige planten. Dat plantengif
hebben ze in hun lichaam opgeslagen en houden dat ook als ze na de
verpopping vlinder zijn geworden. Dergelijke giftige, oneetbare
vlinders hebben bijna altijd een opvallend kleurrijke tekening op de
vleugels. |
|
|
|
|
|