|
Vlinders behoren
tot de gevleugelde insecten. Die kunnen op hun beurt weer
onderscheiden worden in twee grote groepen. Ten eerste zijn dat de
insecten met een onvolkomen gedaanteverwisseling. Bij deze
insecten lijkt een larve die net uit het ei gekropen is al sprekend
op het volwassen insect. Hij is alleen veel kleiner en bovendien
heeft hij in het larvale stadium nog geen vleugels. Bij elke
vervelling groeit de larven bij zijn laatste vervelling krijgt hij
vleugels. Dan is hij volwassen. Een duidelijk popstadium is er niet.
Een dergelijke levenscyclus zien we bijvoorbeeld bij sprinkhanen,
wandelende takken en libellen.
De tweede groep is die van de insecten met een volkomen
gedaanteverwisseling. Bij deze dieren kruipt uit het ei een
larf. Die larf lijkt in geen enkel opzicht op het volwassen stadium
van het insect. Denk maar eens aan de made, die uitgroeit tot een
vlieg en natuurlijk de rups, die uiteindelijk een vlinder zal
worden. Zo'n larf vervelt een aantal keren en groeit daarbij uit tot
een steeds grotere larf. Bij de laatste vervelling verandert hij in
een pop. Dat is het stadium waarin het insect de zogenaamde
metamorfose ondergaat, de gedaanteverwisseling van larf tot een
volwassen, gevleugeld insect. Kevers, wespen, vliegen en ook de
vlinders behoren tot deze groep van insecten.
Het
leven van vlinders is van korte duur. De meeste worden niet ouder
dan twee tot drie weken. In die korte tijd moeten ze zorgen voor
nakomelingen. De eerste stap is natuurlijk het zoeken van een
soortgenoot. Dat is bij vlinders niet altijd zo eenvoudig. Er zijn
namelijk wereldwijd zo'n 160.000 verschillende soorten vlinders, die
vaak erg op elkaar lijken. Bij nachtvlinders zit een vrouwtje stil
tussen de planten en laat een geurstof los, waarmee ze van heinde en
ver mannetjes weet aan te trekken. Dagvlinders herkennen mekaar in
eerste instantie door het uiterlijk. Ze zoeken elkaar vooral op
plaatsen die opvallen in hun leefgebied, zoals een heuveltop, een
alleenstaande boom of een open plek in het bos.
Na de paring gaan mannetjes op zoek naar andere vrouwtjes, terwijl
vrouwtjes op hun beurt speuren naar planten om daar hun eitjes op te
leggen. De eitjes verkleuren vaak als het tijd is voor het rupsje om
geboren te worden.
De rupsen kruipen uit de vlindereieren en vormen een onmisbare
schakel in de levenscyclus van de vlinder. Ze zijn het stadium
waarin de groei plaatsvindt. De rups is een echte vreetmachine.
De meeste rupsen vervellen zo'n vier tot vijf keer. Bij de laatste
vervelling komt niet een grotere rups, maar een pop tevoorschijn. In
die pop vindt dan de gedaanteverwisseling plaats. De rups verandert
na een leven van eten en groeien in een vlinder, die helemaal
ingesteld is op voortplanting. Wanneer de metamorfose is voltooid,
barst de pop open en kruipt de vlinder naar buiten. De vleugels zijn
in eerste instantie klein en nog wat verfrommeld. Die worden groter
en groter tot ze hun definitieve afmetingen hebben bereikt. Als de
vlinder eenmaal kan vliegen, gaat hij op zoek naar soortgenoten en
begint de hele cyclus weer van voren af aan. |
|
|
|
|
|