|
1. Fysische geografie
Het
grootste deel van de republiek wordt ingenomen door de bergketen van de
Libanon; de oostelijke helling loopt steil af naar de Bekaa (of Baka-)vallei,
een plateauvormig, plaatselijk ruim 900 m boven de zeespiegel gelegen
slenkgebied (noordelijkste uitloper van de Grote Afrikaanse Slenk) van
130 km lengte en gemiddeld 15 km breed. Deze vallei vormt de scheiding
tussen de Libanon en de Anti Libanon. Tussen de Libanon en de
Middellandse Zee ligt een smalle vruchtbare strook. De belangrijkste
rivieren zijn al-Litani en al-Asi (eertijds Leontes resp. Orontes), die
beide in het noorden van de Bekaavallei ontspringen.
Libanon heeft een mediterraan klimaat. Het Libanongebergte doet echter
de invloed van de Middellandse Zee naar het oosten toe afnemen: op de
oosthellingen van het gebergte en in de Bekaavallei kunnen de winters
koud (-5 °C) en de zomers zeer warm (boven 35°C) zijn. De neerslag
verschilt plaatselijk (jaargemiddelde in de kustvlakte tot 800 mm, in
het oosten 400 mm; boven in de westhellingen bedraagt het jaarlijks
gemiddelde zelfs 1500 mm).
De plantenwereld is gekenmerkt door o.a. een opvallend mediterraan
karakter. De Libanonceder (Cedrus libani) is de nationale boom. De
dierenwereld bestaat voor een zeer belangrijk deel uit woestijnsoorten,
die in alle groepen voorkomen (tot woestijnslakken toe). Door de ligging
aan de kust van de oostelijke Middellandse Zee is Libanon een
belangrijke pleisterplaats voor trekvogels uit het noorden. Ten tijde
van de burgeroorlog kon van natuurbescherming nauwelijks sprake zijn.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Ondanks
de uiterlijke verschillen (Libanon is in de loop der eeuwen vele malen
toevluchtsoord geweest voor sekten en groeperingen, zie § 5) zien de
Libanezen zichzelf vrijwel unaniem als Arabieren (81%); daarnaast zijn
er Palestijnen (9%), Armeniërs (5%), Syriërs (3%), Koerden (1%), Grieken
(0,5%) en Turken (0,5%). De bevolkingsgroei bedroeg tussen 1985 en 1993
gemiddeld 2,3% per jaar. Mede door de burgeroorlog verlieten veel
Libanezen het land, waardoor de totale bevolking tussen 1974 en 1989
afnam van 3,1 naar 2,9 miljoen. Ca. 11 miljoen (!) Libanezen wonen in
het buitenland (vooral Noord- en Zuid-Amerika; in Brazilië alleen al 5
miljoen). Meer dan de helft van de bevolking is jonger dan 21 jaar. De
kuststrook is het dichtstbevolkt. 86% woont in de steden. De grote
steden, die het afgelopen decennium sterk gegroeid zijn, zijn Beiroet
(1,5 miljoen inwoners), Tripoli, Zahleh, Saida (Sidon) en Sur (Tyrus).
2.2 Taal
Arabisch is de officiële taal; daarnaast worden Frans en Engels in de
handel en in het onderwijs gebruikt. De christen-elite bezigt Frans als
voertaal; er bestaat ook een mengeling van Frans en Arabisch, het zgn. 'Franbanais'.
2.3 Religie
Er is geen staatsgodsdienst. De numerieke meerderheid van de christenen
ten opzichte van de islamieten (55%; 45% in 1932) is veranderd in een
minderheid (40%; 60% in 1988). Het politieke evenwicht is altijd
afhankelijk geweest van het evenwicht tussen christenen en islamieten,
die overigens samen 17 in de grondwet erkende 'kerkgenootschappen'
kennen. Verder is er een zeer kleine joodse gemeenschap. De grootste
christelijke groepering is die van de maronieten (21%); 9% van de
bevolking is Grieks-orthodox.
Daarnaast bestaan kleinere christelijke groeperingen: met Rome
geünieerde melkieten, Syrisch-katholieken en Chaldeeën, alsmede
rooms-katholieken van de Latijnse ritus; Armeense christenen,
Syrisch-orthodoxen (jakobieten) en protestanten. Wat de islam betreft
zijn de sji'ieten (30%) in de meerderheid. De Druzen vormen een aparte
religieuze groepering (7%).
Over het algemeen hadden de christenen in het land de beste posities,
ook in het leger; zij zijn vaak zeer behoudend in hun politieke
opvattingen en staan soms niet geheel afwijzend tegenover Israël. De
minder geprivilegieerde islamitische meerderheid wil politieke
hervormingen, voelt zich cultureel-religieus meer verwant met de rest
van de Arabische wereld en staat vijandig tegenover het zionisme.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens
de grondwet (uit 1926 en nadien herhaaldelijk gewijzigd) is Libanon een
onafhankelijke, soevereine republiek. Libanezen van 21 jaar en ouder
hebben stemrecht. De wetgevende macht berust bij de voor vier jaar
gekozen Nationale Vergadering, waarin 128 in openbare verkiezingen voor
vier jaar gekozen leden zitting hebben.
De uitvoerende macht berust bij de president en de ministerraad. Hij
wordt door de Nationale Vergadering gekozen voor zes jaar en is niet
onmiddellijk herkiesbaar. Weliswaar benoemt hij de minister-president,
maar zijn volmachten zijn met de laatste grondwetswijziging van 1990,
waarmee de Tweede Republiek een aanvang nam, aanzienlijk gereduceerd. De
kamerzetels en openbare ambten werden in het verleden volgens het
Nationale Pact van 1943 tussen maronieten en islamieten verdeeld in een
verhouding van 6:5. Deze verhouding was al lange tijd niet meer in
overeenstemming met de werkelijkheid, hetgeen een van de oorzaken van de
burgeroorlog van 1975 was. Het Akkoord van Taif van 1989 voorzag in een
gelijke zetelverdeling tussen islamieten en christenen in het parlement
(64:64).
3.2 Rechtswezen
Het juridische systeem functioneert sinds 1975 niet meer. Door de
vrijwel totale afwezigheid van centraal staatsgezag viert de
criminaliteit sedertdien hoogtij.
3.3 Administratieve indeling
Bestuurlijk is Libanon ingedeeld in vijf provincies (moehafazat), die
samen weer uit 24 districten bestaan. De facto is het land opgesplitst
in talloze invloedssferen van de verschillende machtsblokken (zie § 5).
Het Akkoord van Taif voorziet in een administratieve decentralisering en
een vergroting van de bevoegdheden van de gouverneurs en burgemeesters.
3.4 Aansluiting bij internationale organisaties
Libanon is lid van de Verenigde Naties, een aantal suborganisaties van
de VN en van de Arabische Liga.
3.5 Partijwezen
De meeste partijen berusten op religieus-wereldbeschouwelijke grondslag
en zijn gegroepeerd rondom een leidinggevende persoon. De belangrijkste
politieke partijen zijn de falangisten of de Kata'ibpartij (christelijk-nationalistisch,
pro-Westers), de Forces Libanaises (FL; oorspronkelijk een christelijke
militie, maar in 1992 als politieke partij gelegaliseerd), Amal
(oorspronkelijk een sji'itische militie), de Vooruitstrevende
Socialistische Partij (PSP; Druzen), Blok voor Redding en Verandering
(links-liberale intellectuelen, niet geloofsgebonden) en Hezbollah (de
politieke arm van de sji'itische, op Iran georiënteerde militie).
3.6 Defensie
Een nationaal leger is in opbouw (het bestaande leger raakte tijdens de
burgeroorlog geheel ontwricht); het is de bedoeling dat het leger op den
duur de veiligheidstaken van de uit Syriërs bestaande Arabische
Vredesmacht en van UNIFIL zal overnemen. Ondanks enige hervormingen is
het traditionele islamitische wantrouwen ten aanzien van het
(vrijwilligers)leger - waarin christenen vóór de burgeroorlog 80% van
het officierskorps uitmaakten - gebleven. Nog steeds hebben maronieten
er de meeste macht (de hoogste legercommandant bijv. is altijd een
maroniet). Het huidige leger is verdeeld in een zestal christelijke
brigades en vier moslimbrigades en 8000 man veiligheidstroepen. Het
wordt bijgestaan door 30.000 man Syrische strijdkrachten. Het leger
wordt in getalsterkte overschreden door de diverse partijmilities (de
christelijke Libanese strijdkrachten 35.000 man, de druzische PSP 7000,
de sj'itische Amal-militie 10.000). Het wapenbezit onder de bevolking is
enorm.
4. Economie
4.1 Algemeen
Libanon kent een vrije-marktsysteem, de staatsbemoeienis in het
economisch leven is vrijwel nihil. Tot 1975 werd de Libanese economie in
belangrijke mate bepaald door de gunstige ligging en de toeristische
aantrekkelijkheid van het land. Daarbij was Beiroet het financiële
centrum van het Midden-Oosten. De infrastructuur werd echter door de
burgeroorlog grotendeels vernietigd en het economisch leven kwam voor
een groot deel stil te liggen. Het telecommunicatiesysteem werd volledig
verstoord, toeristen kwamen niet meer naar Libanon, internationale
bedrijven trokken zich uit het land terug en het vertrouwen in Beiroet
als financieel centrum verdween. Sinds het einde van de burgeroorlog
herstelt de economie zich evenwel in rap tempo: het bnp stijgt jaarlijks
met 7 à 8%. Bouwpromotoren dragen daar voor een niet onaanzienlijk deel
toe bij. De wederopbouw is begroot op $ 18 miljard voor tien jaar. De
premier en zakenman Elias Hrawi heeft het vertrouwen in zijn land kunnen
herstellen. Verwacht wordt dat het bnp tot 2002 zal verdubbelen (in 1991
nog $ 1420 per inwoner). De munt is alvast sinds 1993 stabiel.
4.2 Landbouw, visserij en bosbouw
De kuststrook wordt intensief bebouwd (citrusvruchten, bananen,
groenten). Olijven komen vooral voor op de westelijke hellingen van het
Libanongebergte, naast appels, vijgen en amandelen. Graangewassen
(tarwe, gierst), uien, suikerbieten, aardappelen, tabak, hennep en
druiven worden o.a. in de Bekaavallei verbouwd. Katoen wordt geteeld bij
Tripoli. Er is wijnbouw in Chaurah en Zahleh. Veeteeltproducten worden
voor 80% lokaal geconsumeerd. Vlees, afgezien van schapenvlees, moet
worden ingevoerd. Door de burgeroorlog is de landbouwopbrengst drastisch
teruggelopen, behalve die van fruit. Met hulp van Saoedi-Arabië en de
FAO wordt naar herstel van landbouwgronden en verbetering van het
inkomen van boeren gestreefd. Bossen (de beroemde ceders) zijn er
nauwelijks meer: nog maar 7% is bebost (voor de oorlog nog 15% van het
land). De visserij is uitsluitend voor lokale consumptie. Veel Libanese
vissers vissen met behulp van dynamiet.
4.3 Grondstoffen
Libanon heeft weinig bodemschatten. Er wordt wat ijzererts, zout en
fosfaat gewonnen.
4.4 Industrie
Van de industriële capaciteit is 60% door de burgeroorlog buiten werking
gesteld. Vóór 1975 was Libanon een van de meest geïndustrialiseerde
landen van het Midden-Oosten. Belangrijk zijn de lichte industrieën in
de textiel- en voedingsmiddelensector. Daarnaast zijn er grote
cementindustrieën en bedrijven ter verwerking van delfstoffen, waaronder
twee grote aardolieraffinaderijen, in Tripoli en Saïda (Sidon), die
werken met geïmporteerde aardolie. De aardoliepijpleidingen naar Tripoli
en Sidon zijn in 1981 en 1982 om politieke en commerciële redenen
gesloten; olie werd nog per tanker aangevoerd. Na 1975 hebben veel
industriële ondernemingen zich uit Beiroet teruggegrokken. Het tekort
aan energie vormt een hindernis voor de industriële ontwikkeling. Van de
ondernemingen zetelt 60% in Beiroet en voorsteden en nog 10% in de
omgeving daarvan. Door de wederopbouw zijn 500.000 nieuwe woningen
nodig: de aannemerij is bijgevolg een 'booming sector'.
4.5 Handel
De
handel (o.m. de doorvoer) is door de politieke crisis en de onveiligheid
sterk teruggelopen. De uitvoer dekt geenszins de invoer. De
belangrijkste exportproducten zijn edelmetalen, juwelen, levensmiddelen
en chemicaliën. Meer dan 90% van de Libanese export gaat naar de
Arabische landen, vooral Saoedi-Arabië, Jordanië en Syrië. Behalve uit
deze landen wordt o.a. uit de Verenigde Staten, Groot-Brittannië,
Frankrijk en Italië ingevoerd. De belangrijkste invoerproducten zijn
machines, halffabrikaten, voertuigen, aardolie, staal- en
levensmiddelen.
Een grote verscheidenheid van consumptiegoederen (ook luxeartikelen)
wordt dagelijks door de lucht aangevoerd. Vooral de waarde van de import
van consumptieartikelen (voedsel, kleding, farmaceutische producten) is
enorm gestegen, waardoor Libanon sinds 1983 tekorten op de
betalingsbalans kent. Voor de industrie moeten onbewerkt materiaal (o.a.
ruwe aardolie) en machines uit het buitenland worden betrokken. Het
tekort op de handelsbalans wordt de laatste jaren maar voor amper 10%
gedekt door ontvangsten uit de dienstensector, royalties van
oliemaatschappijen, overmakingen van Libanese emigranten en 'bijdragen'
uit het buitenland (Arabische landen) aan de strijdende partijen.
Van economische planning komt in Libanon in de praktijk, alweer door de
politieke situatie, weinig terecht. Het land ontvangt van de Arabische
landen grote financiële steun voor wederopbouw, vooral in Zuid-Libanon.
In het kader van de samenwerkingsovereenkomst met de EG (1978) werd
Libanon voor de eerstkomende jaren financiële steun aangeboden, deels in
de vorm van schenkingen (via de Europese investeringsbank).
4.6 Bankwezen en financiën
Door de politieke crisis sinds 1975 is Beiroet als financieel centrum
voor het Midden-Oosten sterk achteruitgegaan. Er zijn bijna 100 banken
in Libanon. Alle buitenlandse en veel binnenlandse banken hebben hun
werkzaamheden verplaatst van Beiroet naar rustiger gebieden of naar het
buitenland (Cyprus, Parijs). De bankaire infrastructuur (Libanese
knowhow, dienstbetoon, enz.) is nog steeds aanwezig; op het gebied van
goud- en kapitaalbewegingen kent het land vrijwel geen restricties. In
het begin van de jaren tachtig daalde de bankactiviteit met ongeveer
eenderde. Het Libanese bankwezen kreeg steeds meer te maken met
competitie uit Europa en de Golfstaten. Door de snel groeiende
schuldenlast, loonstijgingen en inflatie daalde de waarde van de
Libanese pond na 1984 dramatisch. Het is de enige valuta ter wereld die
voor meer dan 100% door goud gedekt is.
4.7 Verkeer
Het dichte wegennet (6075 km; 90% geasfalteerd) wordt volop hersteld en
uitgebreid. Gedeelten van de spoorlijn aan de kust worden alleen voor
goederenvervoer gebruikt, de rest van het spoorwegnet is buiten gebruik
gesteld. Gepland is een kusttrein van 205 km, waarvan 170 km van Sur via
Beiroet naar Tripoli, dubbelsporig en geëlektrificeerd. De betekenis van
Beiroet als belangrijkste haven van het Midden-Oosten en knooppunt van
internationale luchtvaartlijnen is ten gevolge van de politieke crisis
afgenomen. De luchthaven van Beiroet wordt hersteld en moet jaarlijks
zes miljoen passagiers kunnen verwerken. Momenteel zijn het er nog maar
1,3 miljoen, vooral zakenlieden.
5. Geschiedenis
5.1 Onder buitenlands bestuur
Het gebied van Libanon maakte deel uit van de verschillende grote rijken
die in de oudheid na elkaar de heerschappij in het Nabije Oosten
uitoefenden. Diverse onafhankelijke stadstaten (Tyrus, Sidon, Byblos)
kwamen hier omstreeks 1000 v.C. tot ontwikkeling. Een uit Constantinopel
gevluchte christelijke sekte, de monotheleten, stichtte in de 6de eeuw
n.C. een kolonie op het Libanongebergte. In de 7de-11de eeuw vestigden
zich in Zuid-Libanon islamitische ketters, die de sekte der Druzen
stichtten. Ook werd Libanon het woongebied van de vermoedelijk van
monotheleten afstammende christelijke maronieten.
Toen na de verdrijving van de Byzantijnse keizer Justinianus II uit
Libanon (694) de christenen de krachtige steun van Constantinopel gingen
missen, kwam het spoedig tot hevige twisten tussen de Druzen en de
maronieten. Politiek behoorde Libanon sindsdien achtereenvolgens tot de
rijken van de Omajjaden, Abbasiden, Fatimiden en Mamelukkensultans, tot
de Osmaanse sultan Selim I het veroverde (1516/1517). Hoewel deze de
voormalige emirs van Libanon hun privileges liet behouden en slechts een
kleine schatting hief, braken telkens opstanden uit, o.a. in 1584, ten
tijde van sultan Moerad III. Deze zond een strafexpeditie, die grote
delen van het land verwoestte.
De emir Fachr al-Din (1586-1630) wist door intriges, bondgenootschappen
(o.a. met Toscane) en militaire middelen tijdelijk de onafhankelijkheid
van Libanon en een deel van Palestina te bewerkstelligen, wat het land
vooruitgang en de christenen grotere bewegingsvrijheid bracht. Sultan
Moerad IV maakte daaraan echter ten slotte een eind. Daarna was Libanon
tot het midden van de 19de eeuw herhaaldelijk het toneel van
burgeroorlogen, zowel tussen de emirs onderling als tussen de
verschillende sekten.
Dit noopte dan ook de Osmaanse regering tot het opnieuw verscherpen van
haar controle (1840). Het land kwam nu onder bestuur van een Druze en
een maroniet, onder oppertoezicht van de pasja's van Saïda en Beiroet.
De Osmanen trachtten hun invloed te versterken door het zaaien van
tweedracht tussen maronieten en Druzen, hetgeen ten slotte uitliep op
een massamoord van de maronieten (1860). Dit leidde tot interventie van
het Westen, waarna Libanon (het Libanongebergte) een autonoom district
van het Turkse Rijk werd.
Zijn natuurlijke havens, Beiroet, Saïda (Sidon) en Tripoli, bleven
echter onder direct Turks bestuur. Tussen 1864 en 1914 genoot Libanon
rust en een betrekkelijke welvaart. Veel Droezen trokken weg en het
aantal christenen steeg tot een graad van overbevolking, zodat velen
emigreerden. Met de Eerste Wereldoorlog eindigde de welvaart. De Turkse
bezettingstroepen schuimden het land af, dat aan hongersnood ten prooi
viel.
In 1920 werd Libanon een Frans mandaatgebied en werden zijn huidige
grenzen vastgesteld. Bij het Libanongebergte werden gevoegd de
kuststrook, het zuiden en de Bekaavallei. Onder Frans bewind maakte het
tot 1936 een periode door van een betrekkelijk vreedzame politieke
ontwikkeling en geleidelijke economische groei. Er heerste in
demografisch zowel als in politiek opzicht een zeker evenwicht tussen
christenen van alle gezindten en islamieten (orthodoxe en heterodoxe).
Het vooral onder de islamieten verbreide nationalisme (arabisme) was
voor Frankrijk tijdens de Volksfrontregering van Léon Blum aanleiding om
een constitutionele hervorming in de richting van een grotere Libanese
onafhankelijkheid te entameren.
Een in 1936 met dit doel gesloten Frans-Libanees verdrag werd na de val
van de regering-Blum door de Franse Kamer niet geratificeerd. De Duitse
overwinning op Frankrijk in de zomer van 1940 maakte van Libanon een 'Vichy-gebied'.
Medio 1941 werd het door Britse en Vrije Franse troepen bezet. Namens de
Vrije Franse regering van
generaal De Gaulle kondigde de Franse bevelhebber in het
Midden-Oosten, generaal Catroux, de onafhankelijkheid van Libanon af.
Toch bleef de Franse controle op het bestuur grotendeels bestaan. De
Frans-Libanese spanning leidde in nov. 1943 zelfs tot de arrestatie van
de Libanese president en andere regeringsleiders. Onder Britse en
Amerikaanse druk moest Frankrijk in 1946 het veld ruimen.
5.2 Een zelfstandige natie
Libanon was inmiddels mede-oprichter geworden van de Arabische Liga
(maart 1945) en deed vervolgens in 1948 mee aan de oorlog tegen Israël.
In de jaren tot 1958 groeide in Libanon de Amerikaanse invloed, werd de
verhouding met het buurland Syrië slechter en namen intern de spanningen
toe tussen aanhangers van het arabisme en diegenen die een neutraal
Libanon voorstonden. Deze spanningen groeiden in 1952 uit tot een
politieke crisis, welke het aftreden van president al-Khoery (sinds 1943
staatshoofd) tot gevolg had. Zijn opvolger werd Camille Chamoun, volgens
traditie een maronitisch christen.
De Suez-crisis in 1956 verscherpte de tegenstelling tussen de aanhangers
van het arabisme, die in
de Egyptische president Nasser de aanvoerder zagen van een Arabisch
reveil, en de voorstanders van de 'Libanon op zichzelf'-gedachte. In
1958 bereikten de interne spanningen een climax naar aanleiding van de
voor dat jaar uitgeschreven verkiezingen. Gewapende botsingen tussen
voor- en tegenstanders van president Chamoun namen al spoedig het
karakter van een burgeroorlog aan, zij het op beperkte schaal. Na de val
van het 'ancien régime' in Irak op 14 juli 1958 landden op verzoek van
president Chamoun Amerikaanse mariniers in Libanon. De politieke crisis
werd ten slotte opgelost toen de verschillende partijen in de herfst van
het jaar overeenkwamen een nationale regering en als president de
Libanese opperbevelhebber generaal Foead Chehab te aanvaarden. Toen
werden ook de Amerikaanse mariniers teruggetrokken.
In de jaren zestig sloot Libanon verschillende handelsakkoorden met de
Sovjet-Unie en andere communistische landen, alsmede met verscheidene
Afrikaanse staten. Ook zocht het toenadering tot het Egypte van Nasser.
Met het buurland Syrië bleven wrijvingen, vooral van economische aard,
bestaan. In sept. 1964 volgde Charles Helou de aftredende Foead Chehab
als president op. In de herfst van 1965 begon een periode van een
voortdurend gespannen verhouding met Israël doordat Palestijnse
bevrijdingsbewegingen Libanon als uitvalsbasis kozen. Israël
beantwoordde hun activiteiten met vergeldingsacties.
In aug. 1970 werd Soelayman Franjiya (Frangié) president. De onmacht van
de regering tegenover Israëls militair optreden bracht het land ten
slotte in een ernstige politieke crisis. Nieuwe kabinetten wisselden
elkaar in snel tempo af, maar zagen geen kans te voorkomen dat de
traditioneel in Libanon aanwezige partijmilities het heft in eigen hand
gingen nemen; de regering zag zich na 1973 geplaatst tegenover een golf
van geweld. Tussen Palestijnen en partijmilities vonden zware gevechten
plaats; daarnaast was, als gevolg van de scherpe sociale tegenstelling
tussen christenen (m.n. de maronieten, die een sociaal bevoorrechte
positie innemen) en islamieten, steeds veelvuldiger sprake van bloedige
strijd tussen de milities van de rechtse, christelijke falangisten van
P. Gemayel en die van diverse islamitische groeperingen.
De laatsten werden gesteund door Palestijnse verzetsstrijders en
verenigden zich in 1975 in een progressief front (waarbij zich ook
niet-maronitische christenen aansloten). De vruchteloze tussenkomst van
het (eveneens verdeelde) leger maakte de situatie nog
onoverzichtelijker. Hoewel steeds nieuwe wapenstilstanden werden
gesloten, laaide de strijd telkens weer op.
5.3 Burgeroorlog
Een falangistische aanval op een bus met Palestijnen werd in april 1975
de aanleiding voor het uitbreken van een burgeroorlog. Vanuit Beiroet,
waarvan het zakencentrum grotendeels verwoest werd, breidden de
gevechten zich uit over het hele land. Het Progressieve Front (van
Druzen, soennieten en sj'ieten) gesteund door Palestijnen, eiste
ingrijpende staatsrechtelijke en sociaal-economische hervormingen en
vond tegenover zich de overwegend maronitische Kataeb (falangisten) en
de Nationale Liberale Partij van Chamoun.
Nadat het Libanese leger grotendeels uiteen was gevallen en de milities
van het Progressieve Front en de PLO de overhand leken te krijgen, riep
president Frangié de hulp van Syrië in. De Syrische interventie (mei
1976) leidde tot de bloedige verovering van het Palestijnse kamp Tel
Zaatar (aug. 1976) en de verkiezing van een nieuwe president (Elias
Sarkis), die zijn ambt evenwel pas kon aanvaarden nadat Frangié in sept.
1976 was afgetreden. Op een topconferentie van de Arabische Liga in okt.
1976 in Riaad besloot men symbolische Saoedische, Jemenitische en
Soedanese eenheden aan de Syrische troepenmacht toe te voegen en deze
Arabische Overredingsmacht te noemen. Tevens werd een bestand
afgekondigd dat een eind moest maken aan de burgeroorlog. Dit bestand
werd sindsdien herhaalde malen gebroken.
In Zuid-Libanon duurden de gevechten tussen Palestijnen enerzijds en
Israël en het door Israël gesteunde legertje van majoor Saad Haddad
anderzijds voort. Na een Palestijnse actie in Israël voerde het
Israëlische leger in maart 1978 een grote 'schoonmaakoperatie' in
Zuid-Libanon uit. Drie maanden hield Israël het gebied ten zuiden van de
Litani bezet. Onder internationale druk moest Israël het gebied in juni
overdragen aan de VN-troepenmacht UNIFIL (United Nations Interim Force
in Lebanon). In een 'veiligheidszone' bleven Israël en de militie van
Haddad echter aanwezig.
Inmiddels keerden de voornaamste maronitische milities zich tegen de
blijvende Syrische aanwezigheid in Libanon. Toen zij hun gebied wilden
uitbreiden kwam het in het najaar van 1978 tot hevige gevechten langs de
'groene lijn' die christelijk Oost-Beiroet van het islamitische
westelijke stadsdeel scheidde. De falangisten van Pierre Gemayel raakten
ondertussen ook in conflict met de Marada-militie van de pro-Syrische
oud-president S. Frangié, wiens zoon Tony in juni 1978 door de
falangisten was vermoord.
Omstreeks 1980 slaagde de falangistische militieleider Basjir Gemayel
erin de grootste christelijke strijdgroepen samen te voegen tot de
Forces Libanaises (Libanese Strijdkrachten). Terwijl Syrië (mede ten
gevolge van de Egyptisch-Israëlische vrede van 1979) steeds meer de
zijde van de Palestijnen koos, kwam het steeds vaker tot botsingen
tussen de diverse partijen. In toenemde mate namen ook sji'itische
strijdgroepen (de Amal-militie van Nabih Berri en de fundamentalistische
Hezbollah - Partij van God - aan de gevechten deel).
In het voorjaar van 1981 namen de Palestijns-Israëlische confrontaties
in Zuid-Libanon toe. Toen Syrië raketten installeerde in de Bekaavallei,
dreigde een nieuwe oorlog uit te breken. Door bemiddeling van de
Amerikaanse diplomaat Ph. Habib werd op 24 juli 1981 een informeel
bestand bereikt dat bijna een jaar zou stand houden.
5.4 Vrede voor Galilea
Naar aanleiding van een Palestijnse moordaanslag op de Israëlische
ambassadeur in Londen begon Israël op 6 juni 1982 de militaire operatie
'Vrede voor Galilea', die al spoedig zou uitmonden in een grote oorlog
tegen de Palestijnen in Libanon. Behalve uitschakeling van de PLO
beoogde Israël het verwijderen van de Syriërs uit Libanon en het
installeren van een pro-Israëlische regering. Na de uitschakeling van de
Syrische raketten in de Bekaavallei begon Israël samen met de Forces
Libanaises het beleg van het door de PLO en islamitische milities
beheerste West-Beiroet.
Tijdens het beleg en de zware Israëlische bombardementen op West-Beiroet
vielen volgens de Verenigde Naties 7000 doden, overwegend onder de
burgerbevolking. In augustus bereikte de Amerikaanse bemiddelaar Habib
een akkoord over de aftocht van de meer dan 10!000 PLO-strijders uit
Beiroet onder toezicht van een internationale troepenmacht (MNF)
bestaande uit Amerikaanse, Britse, Franse en Italiaanse militairen. Nog
tijdens het beleg van West-Beiroet koos het Libanese parlement onder
Israëlische hoede de falangistische militieleider Basjir Gemayel tot
president (23 aug. 1982).
Deze kwam op 14 sept. echter bij een bomaanslag om het leven, waarop
zijn broer Amin Gemayel tot president gekozen werd. Na de moord op
Basjir trokken in strijd met het door de Amerikanen bereikte akkoord
Israëlische troepen West-Beiroet binnen. Christelijke milities kregen
van Israël toestemming de Palestijnse kampen Sabra en Chatila op wapens
te doorzoeken, hetgeen tussen 16 en 18 sept. uitliep op massamoorden.
Door Amerikaanse bemiddeling bereikten Libanese en Israëlische
diplomaten op 17 mei 1983 een akkoord over Israëlische terugtrekking uit
Libanon en een vredesverdrag. Het akkoord zou echter nooit uitgevoerd
worden, daar Syrië eraan weigerde mee te werken. In sept. 1983 besloot
Israël zich uit veiligheidsoverwegingen terug te trekken uit het gebied
ten noorden van de Awali; het zuiden bleef als 'veiligheidszone' bezet
door Israël en met dit land samenwerkende christelijke milities. Bij de
strijd die daarop ontbrandde tussen Droezen en sji'ieten (gesteund door
Syrië) enerzijds en de Forces Libanaises anderzijds, raakten al snel de
Amerikaanse eenheden van MNF betrokken. Op 23 okt. 1983 kwamen meer dan
300 Amerikaanse en Franse militairen om bij sji'itische aanslagen op hun
hoofdkwartier in Beiroet. Enkele maanden later besloot de MNF Libanon te
verlaten (febr. 1984).
Pogingen van Syrië een oplossing aan Libanon op te leggen (het 'akkoord
van de milities' in Damascus, dec. 1985) werden door de Forces
Libanaises van Samir Geagea doorkruist.
Ondertussen hadden pro-Syrische Palestijnse groepen de PLO-aanhangers
van
Jasir Arafat, in een hevige inter-Palestijnse strijd in dec. 1983,
uit Tripoli verdreven. Toen PLO-strijders geleidelijk naar Libanon
terugkeerden werden zij in de kampen bestookt door de pro-Syrische
Amal-beweging (de 'kampen-oorlog' 1985-1987). De Amal raakte echter ook
slaags met de fundamentalistische pro-Iraanse Hezbollah-beweging.
Sji'itische fundamentalisten, die snel aanhang wonnen, keerden zich
vooral tegen Israël en Westerse invloeden in Libanon. Enkele tientallen
buitenlanders werden door ondergrondse sji'itische organisaties
ontvoerd.
Op 1 juni 1987 kwam premier Rashid Karameh bij een aanslag om. Toen in
sept. 1988 de ambtstermijn van president Amin Gemayel afliep, bleek het
parlement niet in staat een opvolger te kiezen. Gemayel wees daarop zijn
christelijke opperbevelhebber generaal Michel Aoun aan als leider van
een overgangsregering. Deze werd echter door de islamieten die
vasthielden aan de islamitische interim-premier Selim al-Hoss niet als
wettig geaccepteerd. De hieruit voortvloeiende constitutionele crisis
leidde tot een nieuwe ronde in de burgeroorlog. Vooral toen Aoun de
bevrijdingsstrijd tegen de Syriërs proclameerde, laaiden de gevechten
weer op.
Bemiddelingspogingen van de Arabische Liga resulteerden in een
bijeenkomst van het Libanese parlement in Taif (Saoedi-Arabië), waar op
22 okt. 1989 een Nationaal Handvest werd opgesteld dat voorzag in een
gelijke machtsverdeling tussen islamieten en christenen. Kort daarop
koos het parlement René Moeawad tot president. Deze kwam echter op 22
nov. 1989 bij een bomaanslag om het leven, waarop het parlement de
pro-Syrische Elias Hrawi tot staatshoofd koos. De christelijke generaal
Aoun weigerde echter het akkoord van Taif en de nieuwe president te
accepteren zolang de Syriërs in Libanon aanwezig waren.
Begin 1990 ontbrandde in christelijk Oost-Beiroet een hevige
machtsstrijd tussen de troepen van generaal Aoun en de Forces Libanaises
van Samir Geagea, die aanvankelijk door Aoun gewonnen werd. In het
najaar kondigde president Hrawi met Syrische steun een blokkade van de
door Aoun beheerste enclave af. Op 13 okt. vluchtte Aoun na een korte
maar hevige Syrisch-Libanese aanval naar de Franse ambassade. Daardoor
kon kort daarop de stad Beiroet herenigd worden.
De nieuw gevormde regering van Omar Karameh begon met herstel van orde
en rust en kwam met de milities overeen dat zij de hoofdstad zouden
verlaten. Het Libanese parlement werd overeenkomstig de akkoorden van
Taif uitgebreid tot 108 zetels, waarvan christenen en islamieten een
gelijk aantal zouden bezetten. Diverse milities beloofden hun wapens te
zullen inleveren in ruil voor deelname aan de regering. Palestijnse
organisaties en de sji'itische Hezbollah weigerden echter vooralsnog aan
de uitvoering van het veiligheidsplan mee te werken. Niettemin wist
president Hrawi met Syrische hulp het centrale gezag verder te
versterken.
Eind mei 1991 sloot hij in Damascus met Syrië een verdrag betreffende
politieke en militaire samenwerking. Vanaf de zomer van 1991 tot juni
1992 werden, na bemiddeling door o.a. de Verenigde Naties, de nog
levende door sji'itische organisaties ontvoerde westerlingen
vrijgelaten. Vanaf oktober 1991 nam Libanon deel aan de
vredesconferentie over het Midden-Oosten in Madrid en volgde daarbij de
Syrische koers. Op 16 juli 1992 aanvaardde het parlement een nieuwe
kieswet, waarbij het aantal zetels werd uitgebreid tot 128, met evenveel
zetels
voor
christenen en moslims.
In en
rond de door Israël ingestelde 'veiligheidszone' in Zuid-Libanon kwam
het herhaaldelijk tot gevechten tussen de sji'itische Hezbollah en
radicale Palestijnse groepen enerzijds en het door Israël gesteunde
South Lebanese Army (SLA) en het Israëlische leger anderzijds. In juli
1993 kwamen de partijen, na bemiddeling van de Amerikaanse minister van
Buitenlandse
Zaken Warren Christopher, een bestand overeen. In de bilaterale
vredesonderhandelingen met Israël volgde Libanon vrijwel geheel de
Syrische koers.
Ondanks de rivaliteit tussen premier Hariri, een soennitische moslim,
president Elias Hrawi, een maronitische christen en parlementsvoorzitter
Nabih Berri, een sji'itische moslim, herstelde de economie zich in 1994
redelijk, zij het dat naar schatting 30% van de Libanezen onder de
armoedegrens leefde. Het liberale beleid van de regering-Hariri gaf in
1995 en 1996 aanleiding tot sociale onrust.
De radicale sji'itische beweging Hezbollah intensiveerde in april 1996
haar strijd met raketvaanvallen op Noord-Israël. Israël reageerde met
een groot luchtoffensief tegen heel Zuid-Libanon, de operatie Druiven
der Gramschap (11-17 april), maar het beoogde doel - Libanon te dwingen
Hezbollah te ontwapenen - werd niet gerealiseerd. Het in april tussen
Israël en Hezbollah gesloten staakt-het-vuren betekende slechts een
beperking van de strijd tot de 'veiligheidszone' in Zuid-Libanon. Sinds
1998 is Emile Lahoud - zie foto de president van Libanon.
Telefoongids Libanon
Postcodes
Libanon
|