header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Libanon

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 


 

 

Libanon  (al-Jumhuriya al-Lubnaniyah), republiek in Zuidwest-AziŽ, aan de Middellandse Zee, 10.452 km2, met (1995) 3.930.000 inw. (376 inw. per km2); hoofdstad: Beiroet. De munteenheid is het Libanese pond, onderverdeeld in 100 piasters. Nationale feestdag is 22 november, Onafhankelijksdag.

Kartenansicht Libanon

1. Fysische geografie
Het grootste deel van de republiek wordt ingenomen door de bergketen van de Libanon; de oostelijke helling loopt steil af naar de Bekaa (of Baka-)vallei, een plateauvormig, plaatselijk ruim 900 m boven de zeespiegel gelegen slenkgebied (noordelijkste uitloper van de Grote Afrikaanse Slenk) van 130 km lengte en gemiddeld 15 km breed. Deze vallei vormt de scheiding tussen de Libanon en de Anti Libanon. Tussen de Libanon en de Middellandse Zee ligt een smalle vruchtbare strook. De belangrijkste rivieren zijn al-Litani en al-Asi (eertijds Leontes resp. Orontes), die beide in het noorden van de Bekaavallei ontspringen.
Libanon heeft een mediterraan klimaat. Het Libanongebergte doet echter de invloed van de Middellandse Zee naar het oosten toe afnemen: op de oosthellingen van het gebergte en in de Bekaavallei kunnen de winters koud (-5 įC) en de zomers zeer warm (boven 35įC) zijn. De neerslag verschilt plaatselijk (jaargemiddelde in de kustvlakte tot 800 mm, in het oosten 400 mm; boven in de westhellingen bedraagt het jaarlijks gemiddelde zelfs 1500 mm).
De plantenwereld is gekenmerkt door o.a. een opvallend mediterraan karakter. De Libanonceder (Cedrus libani) is de nationale boom. De dierenwereld bestaat voor een zeer belangrijk deel uit woestijnsoorten, die in alle groepen voorkomen (tot woestijnslakken toe). Door de ligging aan de kust van de oostelijke Middellandse Zee is Libanon een belangrijke pleisterplaats voor trekvogels uit het noorden. Ten tijde van de burgeroorlog kon van natuurbescherming nauwelijks sprake zijn.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Ondanks de uiterlijke verschillen (Libanon is in de loop der eeuwen vele malen toevluchtsoord geweest voor sekten en groeperingen, zie ß 5) zien de Libanezen zichzelf vrijwel unaniem als Arabieren (81%); daarnaast zijn er Palestijnen (9%), ArmeniŽrs (5%), SyriŽrs (3%), Koerden (1%), Grieken (0,5%) en Turken (0,5%). De bevolkingsgroei bedroeg tussen 1985 en 1993 gemiddeld 2,3% per jaar. Mede door de burgeroorlog verlieten veel Libanezen het land, waardoor de totale bevolking tussen 1974 en 1989 afnam van 3,1 naar 2,9 miljoen. Ca. 11 miljoen (!) Libanezen wonen in het buitenland (vooral Noord- en Zuid-Amerika; in BraziliŽ alleen al 5 miljoen). Meer dan de helft van de bevolking is jonger dan 21 jaar. De kuststrook is het dichtstbevolkt. 86% woont in de steden. De grote steden, die het afgelopen decennium sterk gegroeid zijn, zijn Beiroet (1,5 miljoen inwoners), Tripoli, Zahleh, Saida (Sidon) en Sur (Tyrus).
2.2 Taal
Arabisch is de officiŽle taal; daarnaast worden Frans en Engels in de handel en in het onderwijs gebruikt. De christen-elite bezigt Frans als voertaal; er bestaat ook een mengeling van Frans en Arabisch, het zgn. 'Franbanais'.
2.3 Religie
Er is geen staatsgodsdienst. De numerieke meerderheid van de christenen ten opzichte van de islamieten (55%; 45% in 1932) is veranderd in een minderheid (40%; 60% in 1988). Het politieke evenwicht is altijd afhankelijk geweest van het evenwicht tussen christenen en islamieten, die overigens samen 17 in de grondwet erkende 'kerkgenootschappen' kennen. Verder is er een zeer kleine joodse gemeenschap. De grootste christelijke groepering is die van de maronieten (21%); 9% van de bevolking is Grieks-orthodox.
Daarnaast bestaan kleinere christelijke groeperingen: met Rome geŁnieerde melkieten, Syrisch-katholieken en ChaldeeŽn, alsmede rooms-katholieken van de Latijnse ritus; Armeense christenen, Syrisch-orthodoxen (jakobieten) en protestanten. Wat de islam betreft zijn de sji'ieten (30%) in de meerderheid. De Druzen vormen een aparte religieuze groepering (7%).
Over het algemeen hadden de christenen in het land de beste posities, ook in het leger; zij zijn vaak zeer behoudend in hun politieke opvattingen en staan soms niet geheel afwijzend tegenover IsraŽl. De minder geprivilegieerde islamitische meerderheid wil politieke hervormingen, voelt zich cultureel-religieus meer verwant met de rest van de Arabische wereld en staat vijandig tegenover het zionisme.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet (uit 1926 en nadien herhaaldelijk gewijzigd) is Libanon een onafhankelijke, soevereine republiek. Libanezen van 21 jaar en ouder hebben stemrecht. De wetgevende macht berust bij de voor vier jaar gekozen Nationale Vergadering, waarin 128 in openbare verkiezingen voor vier jaar gekozen leden zitting hebben.
De uitvoerende macht berust bij de president en de ministerraad. Hij wordt door de Nationale Vergadering gekozen voor zes jaar en is niet onmiddellijk herkiesbaar. Weliswaar benoemt hij de minister-president, maar zijn volmachten zijn met de laatste grondwetswijziging van 1990, waarmee de Tweede Republiek een aanvang nam, aanzienlijk gereduceerd. De kamerzetels en openbare ambten werden in het verleden volgens het Nationale Pact van 1943 tussen maronieten en islamieten verdeeld in een verhouding van 6:5. Deze verhouding was al lange tijd niet meer in overeenstemming met de werkelijkheid, hetgeen een van de oorzaken van de burgeroorlog van 1975 was. Het Akkoord van Taif van 1989 voorzag in een gelijke zetelverdeling tussen islamieten en christenen in het parlement (64:64).
3.2 Rechtswezen
Het juridische systeem functioneert sinds 1975 niet meer. Door de vrijwel totale afwezigheid van centraal staatsgezag viert de criminaliteit sedertdien hoogtij.
3.3 Administratieve indeling
Bestuurlijk is Libanon ingedeeld in vijf provincies (moehafazat), die samen weer uit 24 districten bestaan. De facto is het land opgesplitst in talloze invloedssferen van de verschillende machtsblokken (zie ß 5). Het Akkoord van Taif voorziet in een administratieve decentralisering en een vergroting van de bevoegdheden van de gouverneurs en burgemeesters.
3.4 Aansluiting bij internationale organisaties
Libanon is lid van de Verenigde Naties, een aantal suborganisaties van de VN en van de Arabische Liga.
3.5 Partijwezen
De meeste partijen berusten op religieus-wereldbeschouwelijke grondslag en zijn gegroepeerd rondom een leidinggevende persoon. De belangrijkste politieke partijen zijn de falangisten of de Kata'ibpartij (christelijk-nationalistisch, pro-Westers), de Forces Libanaises (FL; oorspronkelijk een christelijke militie, maar in 1992 als politieke partij gelegaliseerd), Amal (oorspronkelijk een sji'itische militie), de Vooruitstrevende Socialistische Partij (PSP; Druzen), Blok voor Redding en Verandering (links-liberale intellectuelen, niet geloofsgebonden) en Hezbollah (de politieke arm van de sji'itische, op Iran georiŽnteerde militie).
3.6 Defensie
Een nationaal leger is in opbouw (het bestaande leger raakte tijdens de burgeroorlog geheel ontwricht); het is de bedoeling dat het leger op den duur de veiligheidstaken van de uit SyriŽrs bestaande Arabische Vredesmacht en van UNIFIL zal overnemen. Ondanks enige hervormingen is het traditionele islamitische wantrouwen ten aanzien van het (vrijwilligers)leger - waarin christenen vůůr de burgeroorlog 80% van het officierskorps uitmaakten - gebleven. Nog steeds hebben maronieten er de meeste macht (de hoogste legercommandant bijv. is altijd een maroniet). Het huidige leger is verdeeld in een zestal christelijke brigades en vier moslimbrigades en 8000 man veiligheidstroepen. Het wordt bijgestaan door 30.000 man Syrische strijdkrachten. Het leger wordt in getalsterkte overschreden door de diverse partijmilities (de christelijke Libanese strijdkrachten 35.000 man, de druzische PSP 7000, de sj'itische Amal-militie 10.000). Het wapenbezit onder de bevolking is enorm.

4. Economie
4.1 Algemeen
Libanon kent een vrije-marktsysteem, de staatsbemoeienis in het economisch leven is vrijwel nihil. Tot 1975 werd de Libanese economie in belangrijke mate bepaald door de gunstige ligging en de toeristische aantrekkelijkheid van het land. Daarbij was Beiroet het financiŽle centrum van het Midden-Oosten. De infrastructuur werd echter door de burgeroorlog grotendeels vernietigd en het economisch leven kwam voor een groot deel stil te liggen. Het telecommunicatiesysteem werd volledig verstoord, toeristen kwamen niet meer naar Libanon, internationale bedrijven trokken zich uit het land terug en het vertrouwen in Beiroet als financieel centrum verdween. Sinds het einde van de burgeroorlog herstelt de economie zich evenwel in rap tempo: het bnp stijgt jaarlijks met 7 ŗ 8%. Bouwpromotoren dragen daar voor een niet onaanzienlijk deel toe bij. De wederopbouw is begroot op $ 18 miljard voor tien jaar. De premier en zakenman Elias Hrawi heeft het vertrouwen in zijn land kunnen herstellen. Verwacht wordt dat het bnp tot 2002 zal verdubbelen (in 1991 nog $ 1420 per inwoner). De munt is alvast sinds 1993 stabiel.
4.2 Landbouw, visserij en bosbouw
De kuststrook wordt intensief bebouwd (citrusvruchten, bananen, groenten). Olijven komen vooral voor op de westelijke hellingen van het Libanongebergte, naast appels, vijgen en amandelen. Graangewassen (tarwe, gierst), uien, suikerbieten, aardappelen, tabak, hennep en druiven worden o.a. in de Bekaavallei verbouwd. Katoen wordt geteeld bij Tripoli. Er is wijnbouw in Chaurah en Zahleh. Veeteeltproducten worden voor 80% lokaal geconsumeerd. Vlees, afgezien van schapenvlees, moet worden ingevoerd. Door de burgeroorlog is de landbouwopbrengst drastisch teruggelopen, behalve die van fruit. Met hulp van Saoedi-ArabiŽ en de FAO wordt naar herstel van landbouwgronden en verbetering van het inkomen van boeren gestreefd. Bossen (de beroemde ceders) zijn er nauwelijks meer: nog maar 7% is bebost (voor de oorlog nog 15% van het land). De visserij is uitsluitend voor lokale consumptie. Veel Libanese vissers vissen met behulp van dynamiet.
4.3 Grondstoffen
Libanon heeft weinig bodemschatten. Er wordt wat ijzererts, zout en fosfaat gewonnen.
4.4 Industrie
Van de industriŽle capaciteit is 60% door de burgeroorlog buiten werking gesteld. Vůůr 1975 was Libanon een van de meest geÔndustrialiseerde landen van het Midden-Oosten. Belangrijk zijn de lichte industrieŽn in de textiel- en voedingsmiddelensector. Daarnaast zijn er grote cementindustrieŽn en bedrijven ter verwerking van delfstoffen, waaronder twee grote aardolieraffinaderijen, in Tripoli en SaÔda (Sidon), die werken met geÔmporteerde aardolie. De aardoliepijpleidingen naar Tripoli en Sidon zijn in 1981 en 1982 om politieke en commerciŽle redenen gesloten; olie werd nog per tanker aangevoerd. Na 1975 hebben veel industriŽle ondernemingen zich uit Beiroet teruggegrokken. Het tekort aan energie vormt een hindernis voor de industriŽle ontwikkeling. Van de ondernemingen zetelt 60% in Beiroet en voorsteden en nog 10% in de omgeving daarvan. Door de wederopbouw zijn 500.000 nieuwe woningen nodig: de aannemerij is bijgevolg een 'booming sector'.
4.5 Handel
De handel (o.m. de doorvoer) is door de politieke crisis en de onveiligheid sterk teruggelopen. De uitvoer dekt geenszins de invoer. De belangrijkste exportproducten zijn edelmetalen, juwelen, levensmiddelen en chemicaliŽn. Meer dan 90% van de Libanese export gaat naar de Arabische landen, vooral Saoedi-ArabiŽ, JordaniŽ en SyriŽ. Behalve uit deze landen wordt o.a. uit de Verenigde Staten, Groot-BrittanniŽ, Frankrijk en ItaliŽ ingevoerd. De belangrijkste invoerproducten zijn machines, halffabrikaten, voertuigen, aardolie, staal- en levensmiddelen.
Een grote verscheidenheid van consumptiegoederen (ook luxeartikelen) wordt dagelijks door de lucht aangevoerd. Vooral de waarde van de import van consumptieartikelen (voedsel, kleding, farmaceutische producten) is enorm gestegen, waardoor Libanon sinds 1983 tekorten op de betalingsbalans kent. Voor de industrie moeten onbewerkt materiaal (o.a. ruwe aardolie) en machines uit het buitenland worden betrokken. Het tekort op de handelsbalans wordt de laatste jaren maar voor amper 10% gedekt door ontvangsten uit de dienstensector, royalties van oliemaatschappijen, overmakingen van Libanese emigranten en 'bijdragen' uit het buitenland (Arabische landen) aan de strijdende partijen.
Van economische planning komt in Libanon in de praktijk, alweer door de politieke situatie, weinig terecht. Het land ontvangt van de Arabische landen grote financiŽle steun voor wederopbouw, vooral in Zuid-Libanon. In het kader van de samenwerkingsovereenkomst met de EG (1978) werd Libanon voor de eerstkomende jaren financiŽle steun aangeboden, deels in de vorm van schenkingen (via de Europese investeringsbank).
4.6 Bankwezen en financiŽn
Door de politieke crisis sinds 1975 is Beiroet als financieel centrum voor het Midden-Oosten sterk achteruitgegaan. Er zijn bijna 100 banken in Libanon. Alle buitenlandse en veel binnenlandse banken hebben hun werkzaamheden verplaatst van Beiroet naar rustiger gebieden of naar het buitenland (Cyprus, Parijs). De bankaire infrastructuur (Libanese knowhow, dienstbetoon, enz.) is nog steeds aanwezig; op het gebied van goud- en kapitaalbewegingen kent het land vrijwel geen restricties. In het begin van de jaren tachtig daalde de bankactiviteit met ongeveer eenderde. Het Libanese bankwezen kreeg steeds meer te maken met competitie uit Europa en de Golfstaten. Door de snel groeiende schuldenlast, loonstijgingen en inflatie daalde de waarde van de Libanese pond na 1984 dramatisch. Het is de enige valuta ter wereld die voor meer dan 100% door goud gedekt is.
4.7 Verkeer
Het dichte wegennet (6075 km; 90% geasfalteerd) wordt volop hersteld en uitgebreid. Gedeelten van de spoorlijn aan de kust worden alleen voor goederenvervoer gebruikt, de rest van het spoorwegnet is buiten gebruik gesteld. Gepland is een kusttrein van 205 km, waarvan 170 km van Sur via Beiroet naar Tripoli, dubbelsporig en geŽlektrificeerd. De betekenis van Beiroet als belangrijkste haven van het Midden-Oosten en knooppunt van internationale luchtvaartlijnen is ten gevolge van de politieke crisis afgenomen. De luchthaven van Beiroet wordt hersteld en moet jaarlijks zes miljoen passagiers kunnen verwerken. Momenteel zijn het er nog maar 1,3 miljoen, vooral zakenlieden.

5. Geschiedenis
5.1 Onder buitenlands bestuur
Het gebied van Libanon maakte deel uit van de verschillende grote rijken die in de oudheid na elkaar de heerschappij in het Nabije Oosten uitoefenden. Diverse onafhankelijke stadstaten (Tyrus, Sidon, Byblos) kwamen hier omstreeks 1000 v.C. tot ontwikkeling. Een uit Constantinopel gevluchte christelijke sekte, de monotheleten, stichtte in de 6de eeuw n.C. een kolonie op het Libanongebergte. In de 7de-11de eeuw vestigden zich in Zuid-Libanon islamitische ketters, die de sekte der Druzen stichtten. Ook werd Libanon het woongebied van de vermoedelijk van monotheleten afstammende christelijke maronieten.
Toen na de verdrijving van de Byzantijnse keizer Justinianus II uit Libanon (694) de christenen de krachtige steun van Constantinopel gingen missen, kwam het spoedig tot hevige twisten tussen de Druzen en de maronieten. Politiek behoorde Libanon sindsdien achtereenvolgens tot de rijken van de Omajjaden, Abbasiden, Fatimiden en Mamelukkensultans, tot de Osmaanse sultan Selim I het veroverde (1516/1517). Hoewel deze de voormalige emirs van Libanon hun privileges liet behouden en slechts een kleine schatting hief, braken telkens opstanden uit, o.a. in 1584, ten tijde van sultan Moerad III. Deze zond een strafexpeditie, die grote delen van het land verwoestte.
De emir Fachr al-Din (1586-1630) wist door intriges, bondgenootschappen (o.a. met Toscane) en militaire middelen tijdelijk de onafhankelijkheid van Libanon en een deel van Palestina te bewerkstelligen, wat het land vooruitgang en de christenen grotere bewegingsvrijheid bracht. Sultan Moerad IV maakte daaraan echter ten slotte een eind. Daarna was Libanon tot het midden van de 19de eeuw herhaaldelijk het toneel van burgeroorlogen, zowel tussen de emirs onderling als tussen de verschillende sekten.
Dit noopte dan ook de Osmaanse regering tot het opnieuw verscherpen van haar controle (1840). Het land kwam nu onder bestuur van een Druze en een maroniet, onder oppertoezicht van de pasja's van SaÔda en Beiroet. De Osmanen trachtten hun invloed te versterken door het zaaien van tweedracht tussen maronieten en Druzen, hetgeen ten slotte uitliep op een massamoord van de maronieten (1860). Dit leidde tot interventie van het Westen, waarna Libanon (het Libanongebergte) een autonoom district van het Turkse Rijk werd.
Zijn natuurlijke havens, Beiroet, SaÔda (Sidon) en Tripoli, bleven echter onder direct Turks bestuur. Tussen 1864 en 1914 genoot Libanon rust en een betrekkelijke welvaart. Veel Droezen trokken weg en het aantal christenen steeg tot een graad van overbevolking, zodat velen emigreerden. Met de Eerste Wereldoorlog eindigde de welvaart. De Turkse bezettingstroepen schuimden het land af, dat aan hongersnood ten prooi viel.
In 1920 werd Libanon een Frans mandaatgebied en werden zijn huidige grenzen vastgesteld. Bij het Libanongebergte werden gevoegd de kuststrook, het zuiden en de Bekaavallei. Onder Frans bewind maakte het tot 1936 een periode door van een betrekkelijk vreedzame politieke ontwikkeling en geleidelijke economische groei. Er heerste in demografisch zowel als in politiek opzicht een zeker evenwicht tussen christenen van alle gezindten en islamieten (orthodoxe en heterodoxe). Het vooral onder de islamieten verbreide nationalisme (arabisme) was voor Frankrijk tijdens de Volksfrontregering van Lťon Blum aanleiding om een constitutionele hervorming in de richting van een grotere Libanese onafhankelijkheid te entameren.
Een in 1936 met dit doel gesloten Frans-Libanees verdrag werd na de val van de regering-Blum door de Franse Kamer niet geratificeerd. De Duitse overwinning op Frankrijk in de zomer van 1940 maakte van Libanon een 'Vichy-gebied'. Medio 1941 werd het door Britse en Vrije Franse troepen bezet. Namens de Vrije Franse regering van generaal De Gaulle kondigde de Franse bevelhebber in het Midden-Oosten, generaal Catroux, de onafhankelijkheid van Libanon af. Toch bleef de Franse controle op het bestuur grotendeels bestaan. De Frans-Libanese spanning leidde in nov. 1943 zelfs tot de arrestatie van de Libanese president en andere regeringsleiders. Onder Britse en Amerikaanse druk moest Frankrijk in 1946 het veld ruimen.
5.2 Een zelfstandige natie
Libanon was inmiddels mede-oprichter geworden van de Arabische Liga (maart 1945) en deed vervolgens in 1948 mee aan de oorlog tegen IsraŽl. In de jaren tot 1958 groeide in Libanon de Amerikaanse invloed, werd de verhouding met het buurland SyriŽ slechter en namen intern de spanningen toe tussen aanhangers van het arabisme en diegenen die een neutraal Libanon voorstonden. Deze spanningen groeiden in 1952 uit tot een politieke crisis, welke het aftreden van president al-Khoery (sinds 1943 staatshoofd) tot gevolg had. Zijn opvolger werd Camille Chamoun, volgens traditie een maronitisch christen.
De Suez-crisis in 1956 verscherpte de tegenstelling tussen de aanhangers van het arabisme, die in de Egyptische president Nasser de aanvoerder zagen van een Arabisch reveil, en de voorstanders van de 'Libanon op zichzelf'-gedachte. In 1958 bereikten de interne spanningen een climax naar aanleiding van de voor dat jaar uitgeschreven verkiezingen. Gewapende botsingen tussen voor- en tegenstanders van president Chamoun namen al spoedig het karakter van een burgeroorlog aan, zij het op beperkte schaal. Na de val van het 'ancien rťgime' in Irak op 14 juli 1958 landden op verzoek van president Chamoun Amerikaanse mariniers in Libanon. De politieke crisis werd ten slotte opgelost toen de verschillende partijen in de herfst van het jaar overeenkwamen een nationale regering en als president de Libanese opperbevelhebber generaal Foead Chehab te aanvaarden. Toen werden ook de Amerikaanse mariniers teruggetrokken.
In de jaren zestig sloot Libanon verschillende handelsakkoorden met de Sovjet-Unie en andere communistische landen, alsmede met verscheidene Afrikaanse staten. Ook zocht het toenadering tot het Egypte van Nasser. Met het buurland SyriŽ bleven wrijvingen, vooral van economische aard, bestaan. In sept. 1964 volgde Charles Helou de aftredende Foead Chehab als president op. In de herfst van 1965 begon een periode van een voortdurend gespannen verhouding met IsraŽl doordat Palestijnse bevrijdingsbewegingen Libanon als uitvalsbasis kozen. IsraŽl beantwoordde hun activiteiten met vergeldingsacties.
In aug. 1970 werd Soelayman Franjiya (Frangiť) president. De onmacht van de regering tegenover IsraŽls militair optreden bracht het land ten slotte in een ernstige politieke crisis. Nieuwe kabinetten wisselden elkaar in snel tempo af, maar zagen geen kans te voorkomen dat de traditioneel in Libanon aanwezige partijmilities het heft in eigen hand gingen nemen; de regering zag zich na 1973 geplaatst tegenover een golf van geweld. Tussen Palestijnen en partijmilities vonden zware gevechten plaats; daarnaast was, als gevolg van de scherpe sociale tegenstelling tussen christenen (m.n. de maronieten, die een sociaal bevoorrechte positie innemen) en islamieten, steeds veelvuldiger sprake van bloedige strijd tussen de milities van de rechtse, christelijke falangisten van P. Gemayel en die van diverse islamitische groeperingen.
De laatsten werden gesteund door Palestijnse verzetsstrijders en verenigden zich in 1975 in een progressief front (waarbij zich ook niet-maronitische christenen aansloten). De vruchteloze tussenkomst van het (eveneens verdeelde) leger maakte de situatie nog onoverzichtelijker. Hoewel steeds nieuwe wapenstilstanden werden gesloten, laaide de strijd telkens weer op.
5.3 Burgeroorlog
Een falangistische aanval op een bus met Palestijnen werd in april 1975 de aanleiding voor het uitbreken van een burgeroorlog. Vanuit Beiroet, waarvan het zakencentrum grotendeels verwoest werd, breidden de gevechten zich uit over het hele land. Het Progressieve Front (van Druzen, soennieten en sj'ieten) gesteund door Palestijnen, eiste ingrijpende staatsrechtelijke en sociaal-economische hervormingen en vond tegenover zich de overwegend maronitische Kataeb (falangisten) en de Nationale Liberale Partij van Chamoun.
Nadat het Libanese leger grotendeels uiteen was gevallen en de milities van het Progressieve Front en de PLO de overhand leken te krijgen, riep president Frangiť de hulp van SyriŽ in. De Syrische interventie (mei 1976) leidde tot de bloedige verovering van het Palestijnse kamp Tel Zaatar (aug. 1976) en de verkiezing van een nieuwe president (Elias Sarkis), die zijn ambt evenwel pas kon aanvaarden nadat Frangiť in sept. 1976 was afgetreden. Op een topconferentie van de Arabische Liga in okt. 1976 in Riaad besloot men symbolische Saoedische, Jemenitische en Soedanese eenheden aan de Syrische troepenmacht toe te voegen en deze Arabische Overredingsmacht te noemen. Tevens werd een bestand afgekondigd dat een eind moest maken aan de burgeroorlog. Dit bestand werd sindsdien herhaalde malen gebroken.
In Zuid-Libanon duurden de gevechten tussen Palestijnen enerzijds en IsraŽl en het door IsraŽl gesteunde legertje van majoor Saad Haddad anderzijds voort. Na een Palestijnse actie in IsraŽl voerde het IsraŽlische leger in maart 1978 een grote 'schoonmaakoperatie' in Zuid-Libanon uit. Drie maanden hield IsraŽl het gebied ten zuiden van de Litani bezet. Onder internationale druk moest IsraŽl het gebied in juni overdragen aan de VN-troepenmacht UNIFIL (United Nations Interim Force in Lebanon). In een 'veiligheidszone' bleven IsraŽl en de militie van Haddad echter aanwezig.
Inmiddels keerden de voornaamste maronitische milities zich tegen de blijvende Syrische aanwezigheid in Libanon. Toen zij hun gebied wilden uitbreiden kwam het in het najaar van 1978 tot hevige gevechten langs de 'groene lijn' die christelijk Oost-Beiroet van het islamitische westelijke stadsdeel scheidde. De falangisten van Pierre Gemayel raakten ondertussen ook in conflict met de Marada-militie van de pro-Syrische oud-president S. Frangiť, wiens zoon Tony in juni 1978 door de falangisten was vermoord.
Omstreeks 1980 slaagde de falangistische militieleider Basjir Gemayel erin de grootste christelijke strijdgroepen samen te voegen tot de Forces Libanaises (Libanese Strijdkrachten). Terwijl SyriŽ (mede ten gevolge van de Egyptisch-IsraŽlische vrede van 1979) steeds meer de zijde van de Palestijnen koos, kwam het steeds vaker tot botsingen tussen de diverse partijen. In toenemde mate namen ook sji'itische strijdgroepen (de Amal-militie van Nabih Berri en de fundamentalistische Hezbollah - Partij van God - aan de gevechten deel).
In het voorjaar van 1981 namen de Palestijns-IsraŽlische confrontaties in Zuid-Libanon toe. Toen SyriŽ raketten installeerde in de Bekaavallei, dreigde een nieuwe oorlog uit te breken. Door bemiddeling van de Amerikaanse diplomaat Ph. Habib werd op 24 juli 1981 een informeel bestand bereikt dat bijna een jaar zou stand houden.
5.4 Vrede voor Galilea
Naar aanleiding van een Palestijnse moordaanslag op de IsraŽlische ambassadeur in Londen begon IsraŽl op 6 juni 1982 de militaire operatie 'Vrede voor Galilea', die al spoedig zou uitmonden in een grote oorlog tegen de Palestijnen in Libanon. Behalve uitschakeling van de PLO beoogde IsraŽl het verwijderen van de SyriŽrs uit Libanon en het installeren van een pro-IsraŽlische regering. Na de uitschakeling van de Syrische raketten in de Bekaavallei begon IsraŽl samen met de Forces Libanaises het beleg van het door de PLO en islamitische milities beheerste West-Beiroet.
Tijdens het beleg en de zware IsraŽlische bombardementen op West-Beiroet vielen volgens de Verenigde Naties 7000 doden, overwegend onder de burgerbevolking. In augustus bereikte de Amerikaanse bemiddelaar Habib een akkoord over de aftocht van de meer dan 10!000 PLO-strijders uit Beiroet onder toezicht van een internationale troepenmacht (MNF) bestaande uit Amerikaanse, Britse, Franse en Italiaanse militairen. Nog tijdens het beleg van West-Beiroet koos het Libanese parlement onder IsraŽlische hoede de falangistische militieleider Basjir Gemayel tot president (23 aug. 1982).
Deze kwam op 14 sept. echter bij een bomaanslag om het leven, waarop zijn broer Amin Gemayel tot president gekozen werd. Na de moord op Basjir trokken in strijd met het door de Amerikanen bereikte akkoord IsraŽlische troepen West-Beiroet binnen. Christelijke milities kregen van IsraŽl toestemming de Palestijnse kampen Sabra en Chatila op wapens te doorzoeken, hetgeen tussen 16 en 18 sept. uitliep op massamoorden.
Door Amerikaanse bemiddeling bereikten Libanese en IsraŽlische diplomaten op 17 mei 1983 een akkoord over IsraŽlische terugtrekking uit Libanon en een vredesverdrag. Het akkoord zou echter nooit uitgevoerd worden, daar SyriŽ eraan weigerde mee te werken. In sept. 1983 besloot IsraŽl zich uit veiligheidsoverwegingen terug te trekken uit het gebied ten noorden van de Awali; het zuiden bleef als 'veiligheidszone' bezet door IsraŽl en met dit land samenwerkende christelijke milities. Bij de strijd die daarop ontbrandde tussen Droezen en sji'ieten (gesteund door SyriŽ) enerzijds en de Forces Libanaises anderzijds, raakten al snel de Amerikaanse eenheden van MNF betrokken. Op 23 okt. 1983 kwamen meer dan 300 Amerikaanse en Franse militairen om bij sji'itische aanslagen op hun hoofdkwartier in Beiroet. Enkele maanden later besloot de MNF Libanon te verlaten (febr. 1984).
Pogingen van SyriŽ een oplossing aan Libanon op te leggen (het 'akkoord van de milities' in Damascus, dec. 1985) werden door de Forces Libanaises van Samir Geagea doorkruist.
Ondertussen hadden pro-Syrische Palestijnse groepen de PLO-aanhangers van Jasir Arafat, in een hevige inter-Palestijnse strijd in dec. 1983, uit Tripoli verdreven. Toen PLO-strijders geleidelijk naar Libanon terugkeerden werden zij in de kampen bestookt door de pro-Syrische Amal-beweging (de 'kampen-oorlog' 1985-1987). De Amal raakte echter ook slaags met de fundamentalistische pro-Iraanse Hezbollah-beweging. Sji'itische fundamentalisten, die snel aanhang wonnen, keerden zich vooral tegen IsraŽl en Westerse invloeden in Libanon. Enkele tientallen buitenlanders werden door ondergrondse sji'itische organisaties ontvoerd.
Op 1 juni 1987 kwam premier Rashid Karameh bij een aanslag om. Toen in sept. 1988 de ambtstermijn van president Amin Gemayel afliep, bleek het parlement niet in staat een opvolger te kiezen. Gemayel wees daarop zijn christelijke opperbevelhebber generaal Michel Aoun aan als leider van een overgangsregering. Deze werd echter door de islamieten die vasthielden aan de islamitische interim-premier Selim al-Hoss niet als wettig geaccepteerd. De hieruit voortvloeiende constitutionele crisis leidde tot een nieuwe ronde in de burgeroorlog. Vooral toen Aoun de bevrijdingsstrijd tegen de SyriŽrs proclameerde, laaiden de gevechten weer op.
Bemiddelingspogingen van de Arabische Liga resulteerden in een bijeenkomst van het Libanese parlement in Taif (Saoedi-ArabiŽ), waar op 22 okt. 1989 een Nationaal Handvest werd opgesteld dat voorzag in een gelijke machtsverdeling tussen islamieten en christenen. Kort daarop koos het parlement Renť Moeawad tot president. Deze kwam echter op 22 nov. 1989 bij een bomaanslag om het leven, waarop het parlement de pro-Syrische Elias Hrawi tot staatshoofd koos. De christelijke generaal Aoun weigerde echter het akkoord van Taif en de nieuwe president te accepteren zolang de SyriŽrs in Libanon aanwezig waren.
Begin 1990 ontbrandde in christelijk Oost-Beiroet een hevige machtsstrijd tussen de troepen van generaal Aoun en de Forces Libanaises van Samir Geagea, die aanvankelijk door Aoun gewonnen werd. In het najaar kondigde president Hrawi met Syrische steun een blokkade van de door Aoun beheerste enclave af. Op 13 okt. vluchtte Aoun na een korte maar hevige Syrisch-Libanese aanval naar de Franse ambassade. Daardoor kon kort daarop de stad Beiroet herenigd worden.
De nieuw gevormde regering van Omar Karameh begon met herstel van orde en rust en kwam met de milities overeen dat zij de hoofdstad zouden verlaten. Het Libanese parlement werd overeenkomstig de akkoorden van Taif uitgebreid tot 108 zetels, waarvan christenen en islamieten een gelijk aantal zouden bezetten. Diverse milities beloofden hun wapens te zullen inleveren in ruil voor deelname aan de regering. Palestijnse organisaties en de sji'itische Hezbollah weigerden echter vooralsnog aan de uitvoering van het veiligheidsplan mee te werken. Niettemin wist president Hrawi met Syrische hulp het centrale gezag verder te versterken.
Eind mei 1991 sloot hij in Damascus met SyriŽ een verdrag betreffende politieke en militaire samenwerking. Vanaf de zomer van 1991 tot juni 1992 werden, na bemiddeling door o.a. de Verenigde Naties, de nog levende door sji'itische organisaties ontvoerde westerlingen vrijgelaten. Vanaf oktober 1991 nam Libanon deel aan de vredesconferentie over het Midden-Oosten in Madrid en volgde daarbij de Syrische koers. Op 16 juli 1992 aanvaardde het parlement een nieuwe kieswet, waarbij het aantal zetels werd uitgebreid tot 128, met evenveel zetels
voor christenen en moslims.
In en rond de door IsraŽl ingestelde 'veiligheidszone' in Zuid-Libanon kwam het herhaaldelijk tot gevechten tussen de sji'itische Hezbollah en radicale Palestijnse groepen enerzijds en het door IsraŽl gesteunde South Lebanese Army (SLA) en het IsraŽlische leger anderzijds. In juli 1993 kwamen de partijen, na bemiddeling van de Amerikaanse minister van President Emile LahoudBuitenlandse Zaken Warren Christopher, een bestand overeen. In de bilaterale vredesonderhandelingen met IsraŽl volgde Libanon vrijwel geheel de Syrische koers.
Ondanks de rivaliteit tussen premier Hariri, een soennitische moslim, president Elias Hrawi, een maronitische christen en parlementsvoorzitter Nabih Berri, een sji'itische moslim, herstelde de economie zich in 1994 redelijk, zij het dat naar schatting 30% van de Libanezen onder de armoedegrens leefde. Het liberale beleid van de regering-Hariri gaf in 1995 en 1996 aanleiding tot sociale onrust.
De radicale sji'itische beweging Hezbollah intensiveerde in april 1996 haar strijd met raketvaanvallen op Noord-IsraŽl. IsraŽl reageerde met een groot luchtoffensief tegen heel Zuid-Libanon, de operatie Druiven der Gramschap (11-17 april), maar het beoogde doel - Libanon te dwingen Hezbollah te ontwapenen - werd niet gerealiseerd. Het in april tussen IsraŽl en Hezbollah gesloten staakt-het-vuren betekende slechts een beperking van de strijd tot de 'veiligheidszone' in Zuid-Libanon. Sinds 1998 is Emile Lahoud - zie foto de president van Libanon.

Telefoongids Libanon
Postcodes Libanon

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009