|
1. Landschap en klimaat
De tot 80 km brede kuststrook is vlak, met uitzondering van een drietal
kapen: Cape Mount (350 m), Cape Mesurado (100 m) en Cape Palmas (35 m),
en wordt verder gekenmerkt door de aanwezigheid van lagunes,
getijdekreken en mangrovemoerassen. De kustvlakte gaat vrij plotseling
over in een tot 300 m hoog, met dichte oerwouden begroeid gebied, dit
weer in een tot 700 m hoge plateauzone, waar de begroeiing minder dicht
is. In het uiterste noorden, bij de grens met Guinee, wordt het land
bergachtig; de hoogste top in het Nimbagebergte, dat zich in Guinee
voortzet, is Mount Nimba (1768 m).
De belangrijkste rivieren zijn (van west naar oost): de Morro, die zich
verenigt met de Gbeya en daarna Mano heet, de Lofa, de St. Paul, de St.
John, de Cestos en de Cavally. Liberia heeft een tropisch, regenrijk
moesson-klimaat. De jaarlijkse hoeveelheid neerslag bedraagt in de
kuststreek gemiddeld 300-500 cm. Meer landinwaarts neemt dit af tot ca.
200 cm. Gedurende de eerste maanden van de droge tijd waait de droge,
uit de Sahara afkomstige harmattan.
De dierenwereld is vnl. die van het West-Afrikaanse oerwoud en is rijk
aan apen, bosantilopen (bosbok en duikers, waaronder zeldzame soorten
als Jentinks en de zebraduiker), buffel, olifant, luipaard, enz. Het
dwergnijlpaard, een bedreigde soort, komt nog hier en daar voor. Het
Mount Nimba-reservaat bevindt zich op de grens van Liberia, Ivoorkust en
Guinea. Kaalslag van het bos en gebrek aan toepassing van de
desbetreffende wetten zijn de belangrijkste bedreigende factoren voor de
natuurbescherming.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
meerderheid van de bevolking behoort tot een van de zestien Afrikaanse
stammen in Liberia: 51% behoort tot de Mandegroep (met Kpelle en Gio),
de Guineagroep (met Bassa, Kru, Grebo en Kran) vormt 38% van de
bevolking, 8% behoort tot Atlantische kuststammen (met Kissi en Gola) en
3% van de bevolking stamt af van in de negentiende eeuw naar Liberia
teruggekeerde, vrijgelaten Amerikaanse negerslaven, die lange tijd een
bevoorrechte positie innamen, de Americo-Liberianen. 44% van de
bevolking woont in verstedelijkte gebieden. Als gevolg van de
burgeroorlog zijn honderdduizenden Liberianen naar het buitenland
gevlucht en nog eens honderdduizenden van hun woonplaats verdreven om
elders, in veiliger omstreken, te gaan wonen. Ca. 200.000 mensen zijn in
de burgeroorlog gedood (1996). In de periode 1985-1993 bedroeg de
jaarlijkse bevolkingsgroei 0,9%. De gemiddelde levensverwachting was in
1993 53 jaar.
2.2 Taal
Engels is de officiële taal, maar wordt door slechts 20% van de
bevolking gesproken. De inheemse stammen hebben elk hun eigen taal of
dialect.
2.3 Religie
Liberia is officieel een christelijke staat met godsdienstvrijheid. Een
groot deel van de bevolking hangt (tevens) animistische godsdiensten aan
(ca. 50 à 60%), 10 à 40% is christen, vnl. protestants, en ongeveer 20%
behoort tot de islam.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting en bestuur
De eerste grondwet (naar Amerikaans model) dateert van 1847. Ook de
nieuwe grondwet van 1984 (gewijzigd in 1988) is opgesteld naar het
voorbeeld van het Amerikaanse presidentiële systeem. De uitvoerende
macht berust bij de president (gekozen voor zes jaar), die de ministers
benoemt, het kabinet leidt en opperbevelhebber van de strijdkrachten is.
De wetgevende macht berust bij de Senaat en het Huis van Afgevaardigden.
Het kiesrecht geldt voor alle Liberianen van 18 jaar en ouder. Sinds het
begin van de burgeroorlog in 1989 is de grondwet echter een dode letter.
De voor de oorlog politiek actieve partijen spelen thans geen rol meer.
Parlementsverkiezingen worden keer op keer uitgesteld.
3.2 Administratieve indeling
Het land is administratief verdeeld in elf 'counties' en vier 'territories'.
3.3 Lidmaatschap internationale organisaties
Liberia is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties van
de VN, alsmede van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en van de
Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten. Via het Verdrag van
Lomé is het geassocieerd lid van de EU.
4. Economie
4.1 Algemeen
De Liberiaanse economie wordt door de zgn. 'open door policy' van de
regering vrijwel geheel gedomineerd door het buitenlandse bedrijfsleven.
De rubber- en mijnbouwindustrie, het bankwezen, de bouwsector en de
spoorwegen zijn in handen van buitenlandse, vnl. Amerikaanse
maatschappijen. Vrijwel de gehele handel is in handen van
niet-Liberianen, onder wie veel Libanezen. De meeste buitenlandse
maatschappijen hebben speciale concessies. De Firestone Plantation
Company en een dozijn andere concessionarissen leveren het grootste
aandeel aan het bruto nationaal product. Het bnp per hoofd van de
bevolking is, in verhouding met de buurlanden, met US $ 200 betrekkelijk
laag. De inkomensverdeling is echter zeer ongelijk.
In de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig kende het land een
respectabele groei. Halverwege de jaren zeventig liep de groei terug en
wist deze vaak maar nauwelijks gelijke tred te houden met de
bevolkingsgroei. Deze daling van de groei van het bnp zette zich voort
in de jaren tachtig, voornamelijk ten gevolge van een vermindering van
de exportinkomsten. De coup in 1980 veroorzaakte kapitaalvlucht en
vermindering van buitenlandse investeringen. Dit leidde tot een ernstige
liquiditeitscrisis, welke men probeerde op te lossen door uitvoering van
een Economisch Herstel Programma. Door de burgeroorlog in 1989 is het
land sterk achterop geraakt.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
Liberia is nog steeds een agrarisch land (69% van de beroepsbevolking is
in deze sector werkzaam). Het merendeel van de landbouwgrond wordt
gebruikt voor de verbouw van producten voor het directe levensonderhoud,
vooral rijst. Belangrijke voedingsmiddelen zijn voorts cassave, bananen,
palmolie, zoete aardappelen en aardnoten. Door het gebruik van de 'slash
and burn'-methode in de landbouw is de gemiddelde opbrengst per hectare
relatief laag. Het belangrijkste agrarische exportproduct is rubber (ca.
25% van de totale uitvoer), in de omgeving van Monrovia en Harper door
de Amerikaanse Firestone Company, de Liberian Agricultural Comp. en
Goodrich geproduceerd; 30% van de rubberproductie komt voor rekening van
ca. 5000 kleine boeren.
Verslechtering van de situatie op de wereldmarkt heeft vooral voor deze
groep tot inkomensvermindering geleid. Stijgende concurrentie van
rubberproducenten in Zuidoost-Azië leidde tot sluiting van vooral de
kleinere plantages. Andere uitvoerproducten zijn koffie, cacao,
palmpitten, diamant, hout en ananas. De veeteelt is weinig ontwikkeld
door tekort aan grasland en de verwoestende werking van de
tseetseevlieg. De bossen leveren diverse soorten hardhout. Sinds 1971
voert Liberia een actief bosbouwbeleid en worden gekapte bossen opnieuw
beplant. Het belang van de visserij neemt toe, met name in verband met
de noodzakelijke proteïnenvoorziening van de bevolking in het
binnenland. Door de oorlog is de vangst gehalveerd.
4.3 Mijnbouw
De mijnbouw, van vnl. zeer hoogwaardig ijzererts, vormt met de
rubberproductie de basis van de Liberiaanse economie. In 1992 vormde
ijzererts 51% van de totale exportopbrengst. Toch verminderen de
inkomsten uit de ijzerertswinning ten gevolge van een daling van de
internationale vraag. De belangrijkste maatschappijen zijn de
Liberian-American-Swedish Minerals Company (die ca. 50% produceert), de
Duitse Bong Mining Company (30%), de National Iron Ore Company en de
Liberian Mining Company. Er worden diamanten gedolven in het gebied van
de benedenloop van de Loffa River.
4.4 Industrie
In het totaal van de economische activiteiten speelt de industrie een
geringe rol (zij levert 22% van het bnp en minder dan 10% van de
beroepsbevolking is erin werkzaam). Pogingen om buitenlands kapitaal aan
te trekken en het aandeel van de industrie in de nationale economie te
vergroten, zijn mislukt. Ook hier speelt de burgeroorlog het land
parten. Factoren die hierbij een rol spelen, zijn terughoudendheid bij
potentiële investeerders, het ontbreken van nationaal kapitaal en een te
kleine binnenlandse markt. Er is vrijwel geen zware industrie; de
industriële activiteiten zijn beperkt tot de voedingsmiddelenindustrie.
4.5 Energievoorziening
Hout en houtskool zijn de belangrijkste energieleveranciers voor het
merendeel van de bevolking. Aardolie wordt geïmporteerd.
Elektriciteitsvoorziening is er alleen in de grote steden, deze wordt
voor een groot deel door waterkracht geleverd. Ongeveer de helft van de
thermische capaciteit is in handen van particuliere
mijnbouwmaatschappijen en fabrieken.
4.6 Handel
Liberia heeft met zijn export van ruwe grondstoffen naar industrielanden
en de invoer van consumptiegoederen, aardolie en kapitaal de typische
structuur van een ontwikkelingsland. De belangrijkste handelspartners
zijn de Verenigde Staten en de EU, vooral Duitsland.
4.7 Ontwikkelingssamenwerking
Ontwikkelingshulp werd vnl. ontvangen van de Verenigde Staten en
Duitsland. Sinds de oorlog ligt de hulp stil, op humanitaire
interventies na.
4.8 Bankwezen
Centrale bank is sinds 1974 de National Bank of Liberia. Overige banken
zijn sinds 1989 niet meer actief.
4.9 Transport en verkeer
De Liberiaanse handelsvloot is, dankzij de soepele
registratievoorwaarden die het land biedt, de grootste ter wereld.
Recentelijk is de omvang van de vloot echter afgenomen. Stond in 1982
nog een brutotonnage van ruim 81 miljoen in Monrovia geregistreerd, in
1995 was dit teruggelopen tot 60 miljoen. Het ca. 500 km lange
spoorwegnet, geëxploiteerd door de mijnbouwmaatschappijen, wordt
uitsluitend gebruikt voor goederenvervoer. Het wegennet is ca. 10!000 km
lang. Het merendeel ligt er evenwel momenteel verwoest bij. De
belangrijkste autoweg is die van Monrovia naar de Guineese grens. De
vijf havens van het land zijn Monrovia (vrijhaven), Buchanan (uitvoer
van ijzererts), Harper, Greenville en Robertsport. De nationale
luchtvaartmaatschappij is Air Liberia, de internationale luchthaven
Robertsville Airport, 56 km van Monrovia. Sinds 1989 is deze evenwel
gesloten.
5. Geschiedenis
De westkust van Liberia, die reeds aan Fenicische en Carthaagse
zeevaarders bekend was en waar in de 14de en 15de eeuw nederzettingen
gesticht werden door Franse handelaars, kwam in de belangstelling, toen
in 1821 het gebied van Kaap Mesurado als kolonisatiegebied werd gekocht
door een in de Verenigde Staten opgerichte vennootschap tot bevordering
van kolonisatie door vrijgelaten negerslaven. De eerste vrijgelaten
slaven kwamen aan land in 1822; een blanke Amerikaan, Jehudi Ashmun, die
de leider werd van de organisatie ter plaatse, was de eigenlijke
stichter van Liberia.
In 1824 bedacht Curly, die Ashmun assisteerde bij het beheer, de namen
Liberia (v. Lat. liber = vrij) en Monrovia (naar de Amerikaanse
president Monroe), dat de hoofdstad werd. In het betrokken gebied werden
ook andere kolonies gesticht, die later werden samengevoegd. Gouverneur
Roberts, die in 1841 aan het bewind kwam en het gebied van Liberia sterk
uitbreidde onder voortdurende strijd met de inheemse bevolking, riep op
26 juli 1847 de onafhankelijkheid van Liberia uit en werd de eerste
president. De Europese staten erkenden meteen de nieuwe staat, de
Verenigde Staten pas in 1862. Lange tijd bestond er een grote
tegenstelling tussen de leidende groep van de uit Amerika afkomstige
negers en hun afstammelingen enerzijds en de autochtone bevolking, die
dikwijls in opstand kwam, anderzijds.
De eerste tijd van haar bestaan kende de republiek ernstige financiële
moeilijkheden. Na een staatsbankroet in 1909 kwam de Amerikaanse
regering tussenbeide en sindsdien was Liberia financieel en economisch
in grote mate afhankelijk van de Verenigde Staten. De wrijvingen die
hierdoor veroorzaakt werden, brachten in 1930 een diplomatieke breuk
teweeg tussen de beide staten; in 1935 werden de betrekkingen weer
genormaliseerd, nadat met de Verenigde Staten een financiële regeling
getroffen was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Liberia van groot
belang voor de geallieerden wegens zijn rubberplantages; in 1944
verklaarde het de oorlog aan de Asmogendheden.
President W.V.S. Tubman, die in 1943 aan het bewind kwam en een actieve
internationale en Afrikaanse politiek voerde, werd in 1971 opgevolgd
door W.R. Tolbert. In april 1980 pleegde sergeant Samuel K. Doe een
militaire staatsgreep met het doel een eind te maken aan het corruptieve
bewind van Tolbert, die bovendien lange tijd politieke oppositie
onmogelijk had gemaakt. Tolbert kwam hierbij om het leven en Doe werd
staatshoofd en premier. Doe liet een nieuwe grondwet ontwerpen en
beloofde terugkeer naar een burgerregering in 1986 door middel van
verkiezingen. Gaandeweg verstevigde hij zijn eigen machtspositie en die
van de stam waartoe hij behoorde, de Krahn-stam. Doe toonde zich een
zeer gewelddadig leider. Er waren in de loop van de jaren tachtig
verschillende couppogingen, die alle door hem op brute en bloedige wijze
werden neergeslagen. Met name na de militaire staatsgreep in 1985, onder
leiding van voormalig legerleider T. Quiwonkpa, richtte Doe een ware
slachting aan onder de burgers.
In januari 1986 werd Doe na frauduleuze verkiezingen geïnaugureerd als
president. In 1990 verminderden de Verenigde Staten hun hulp; ook de
Wereldbank en het IMF trokken zich uit Liberia terug uit protest tegen
de enorme financiële chaos en corruptie. In december 1989 begon een
opstand tegen het bewind van Doe in het noordoosten van het land onder
leiding van Charles Taylor en Prince Johnson. De rebellen wisten een
groot deel van het land onder controle te krijgen. Doordat de
belangrijkste toevoerkanalen voor de noodzakelijke eerste
levensbehoeften werden vernietigd of afgesloten, ontstond grote
hongersnood onder de bevolking.
Onder druk van het buitenland (met name de Verenigde Staten en de ECOWAS,
de Economische Samenwerking van West-Afrikaanse Staten) besloten Doe en
de inmiddels van Taylors rebellenleger afgescheiden Johnson met elkaar
te gaan praten. Tijdens dit gesprek ontstond een vuurgevecht waarbij Doe
de dood vond. Taylor, Johnson, D. Nimley, leider van het regeringsleger
en A. Saywer, een in ballingschap levend Liberiaans advocaat, claimden
vervolgens aanspraak op het presidentschap.
Een vredesmacht van ECOWAS (ECOMOG) wist alle rebellentroepen in
november uit de hoofdstad Monrovia te verdrijven. Eerst op 31 oktober
1991 werd een vredesakkoord getekend, dat echter niet werd
gerespecteerd. Taylors NPFL raakte slaags met het vanuit Sierra Leone
opererende ULIMO. De strijd werd tot in Monrovia uitgevochten ten koste
van vele doden. In februari 1993 kwamen de regering en het ULIMO overeen
de door ULIMO veroverde gebieden onder het gezag van de interim-regering
te stellen. In juli werd onder auspiciën van ECOWAS een vredesakkoord
getekend tussen de NPFL en het ULIMO; het werd mede-ondertekend door de
interim-regering.
De ontwapening van de strijdende partijen, overeengekomen in het
vredesverdrag van 1993 kwam, na een hoopvol begin, in 1994 tot een
einde. De sterke onderlinge verdeeldheid van de rebellen, die ook elkaar
bestreden, maakte een langdurige vrede tot een utopie. In sept. 1994
braken in diverse delen van het land weer hevige gevechten uit.
Een nieuw vredesakkoord van aug. 1995 stortte in april 1996 ineen toen
volgelingen van Charles Taylors NPFL en die van Kromahs ULIMO-K in
Monrovia het hoofdkwartier van een derde militieleider, Roosevelt
Johnson, bestormden. Bij de gevechten in het tot totale anarchie
vervallen Monrovia vielen zeker 1500 doden. In aug. 1996 werd in de
Nigeriaanse hoofdstad Abuja een nieuw bestand bereikt, dat door de
belangrijkste militieleiders werd getekend.
|