header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

LibiŽ

 

Terug naar overzicht Afrika >>

 


 

LibiŽ, ook gespeld Libye (officieel: al-Jamahiriyah al-'Arabiyah al-Libiyah ash-Sha 'biyah al-Ishtiraliyah = Grote Socialistische Libisch-Arabische Republiek van de Massa), islamitisch-socialistische volksrepubliek in Noord-Afrika, aan de Middellandse Zee, 1.795.540 km2, met (1995) 5.222.000 inw. (3 inw. per km2); hoofdstad: Tripoli [aardrijkskunde]2. De munteenheid is de Libische dinar, onderverdeeld in 1000 dirhams. Nationale feestdag is 1 september, de dag van de revolutie (1969).

Libya [Map courtesy of www.theodora.com/maps used with permission]

1. Fysische geografie
Ruim 90% van de totale oppervlakte bestaat uit woestijn- en halfwoestijngebied; bijna een derde van de oostelijke provincies (het vroegere Cyrenaica) en ca. een vijfde deel van de zuidelijke (het vroegere Fezzan) bestaan uit zandzeeŽn. De enige uitzonderingen op het patroon van enorme aride en semi-aride bekkens zijn de smalle kuststroken in het noordoosten en het noordwesten. In het zuiden stijgt het woestijngebied terrasvormig tot het bergland van Tibesti (dat doorloopt in Tsjaad). De Libische Woestijn, in het oosten, zet zich voort in Egypte. Rivieren en meren ontbreken; de wadi-beddingen zijn doorgaans droog.
LibiŽ heeft een woestijnklimaat met dagtemperaturen van soms meer dan 45 įC; slechts in de kuststreek valt voldoende neerslag om, samen met het grondwater, enige landbouw mogelijk te maken. In het zuiden en midden en langs de Golf van Sirte valt vrijwel geen regen. Bepalend is de ghibli, een warme woestijnwind uit het zuiden die de temperatuur in enkele uren met meer dan 17 įC kan doen oplopen.
De plantengroei en dierenwereld zijn die van de Saharawoestijn; aan de kust echter hebben beide een mediterraan karakter. Het grote wild van de woestijnzone (vnl. gazellen) is sterk gedecimeerd.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding

De bevolking bestaat grotendeels uit Arabieren en (vnl. in westelijk TripolitaniŽ) gearabiseerde Berbers. In het zuidoosten leven enkele negroÔde stammen, zoals de Tiboes. 25% van de bevolking zijn (half)nomaden die voor het merendeel van veeteelt leven. Bijna 85% van de bevolking woont in de steden. In de periode 1990-1995 bedroeg de bevolkingsaanwas 3,5% per jaar. De gemiddelde leeftijdsverwachting is 63 jaar.
In de kuststrook is 90% van de bevolking geconcentreerd. Hier liggen de grote steden: Tripoli (1991: 1, 3 miljoen inw.), Bengasi, Az-Zawiyah, Al-Khoms en Misurata.
2.2 Taal
OfficiŽle taal is het Arabisch; verspreid levende Berbervolken, zoals de Toeareg, spreken een Berbertaal (bijv. Tamasjek). Engels wordt wel gebruikt in handel en diplomatie.
2.3 Religie
De soennitische islam is staatsgodsdienst (97% van de bevolking); de Berbers zijn vnl. ibadieten. In de zuidelijke oasen is de invloed van de Sanoesijja-orde of Sanusi-orde groot. Protestanten en rooms-katholieken vormen zeer kleine minderheden (ca. 40!000 rooms-katholieken in 1993).

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
De grondwet, die in 1976 door het Algemene Volkscongres werd aangenomen, geeft het kader aan waarbinnen de directe volksregering tot uiting moet komen. Een systeem van Volkscongressen structureert de beraadslagingen, waaraan iedere Libische staatsburger vanaf 18 jaar kan deelnemen. Per Volkscongres is een uitvoerend orgaan ingesteld: de Volkscomitťs (te vergelijken met ministeries) die verantwoording afleggen aan hun Volkscongres. Tussen wetgevende en uitvoerende macht is geen institutionele scheiding aangebracht. De eenheidspartij Arabische Socialistische Unie levert praktisch alle leden van de volksvertegenwoordiging (het Algemeen Volkscongres, ca. 27000 leden); staatshoofd is de gekozen secretaris-generaal van het Algemeen Volkscongres. Daarnaast functioneert de 'leider van de revolutie'. De vakbonden volgen de door het leiderschap uitgezette politieke lijn. Sinds 1963 hebben ook vrouwen kiesrecht. De oppositie tegen het bewind is verboden, maar vanaf 1995 opereert de radicale Strijdbare Islamitische Groep gewapenderhand tegen het regime (onlusten in Benghazi o.a.).
In 1975 is (voor het eerst) dienstplicht ingesteld; duur van de diensttijd varieert. Officieel omvat de krijgsmacht 70!000 man. Daarnaast bestaat er een Volkswacht.
3.2 Administratieve indeling
Bestuurlijk is het land ingedeeld in drie provincies en tien gouvernoraten.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
LibiŽ is lid van o.m. de Verenigde Naties, de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, de Arabische Liga, de OPEC, de Islamitische Conferentie Organisatie en de Unie van de Arabische Maghreb (1988).

4. Economie
4.1 Inleiding
De aardoliewinning heeft in de jaren zestig van LibiŽ een welvarend land gemaakt. Bij de wet is geregeld dat 15% van de staatsinkomsten uit de aardolie in reserve wordt gehouden en dat 70% van de rest wordt besteed aan de ontwikkeling van het land. De regering streeft naar de opbouw van een maatschappij waarin de bevolking in zware industrie en een meer extensieve landbouw ook een bestaan kan vinden als de aardolievoorraden zijn uitgeput. Een groot probleem blijft echter het feit dat slechts een minderheid van de totale bevolking economisch actief is en grotendeels niet of nauwelijks geschoold. Het aantal niet-Libische arbeidskrachten wordt geschat op enkele honderdduizenden (Egyptenaren, Pakistani en Europese buitenlanders). Het islam-socialisme heeft de staat een steeds vastere greep op de economie gegeven. Meerderheidsaandelen in vele sectoren zijn in handen van de staat; alle oliemaatschappijen worden door de staat gecontroleerd, door meerderheidsaandelen of volledige nationalisatie; de buitenlandse banken zijn genationaliseerd. De handelsblokkade door de Verenigde Naties weerhoudt het land van verdere bloei.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
Van de LibiŽrs leeft ca. 13% van de landbouw. Grote investeringen zijn voorzien in het tienjarenplan waarmee in mei 1973 de 'groene revolutie' werd uitgeroepen. Ontginning van woestijngronden en irrigatieprojecten moeten het arsenaal aan bebouwbare grond vergroten, moderne landbouwtechnieken moeten de productie opvoeren. De landbouw levert slechts 8% van het bruto nationaal product. Slechts 2% van het grondgebied kan in cultuur gebracht worden. Een groot project, GMMR, beoogt in de jaren negentig door aanvoer van water van onder de Sahara het landbouwareaal uit te breiden. Ongeveer de helft van het voedsel moet worden geÔmporteerd. Belangrijke producten zijn gerst, tarwe, tomaten, groente, fruit, olijven en dadels. In grote delen van het land is (nomadische) veehouderij het middel van bestaan; huiden en vellen worden geŽxporteerd. Het vlees (vooral kippen) is voor eigen consumptie, maar ook moet vlees worden ingevoerd. De bosbouw omvat vnl. aanplant op grote schaal van Eucalyptus-, Acacia- en dennenbomen om erosie tegen te gaan. De visserij is met 8370 ton per jaar nauwelijks ontwikkeld.
4.3 Bodemschatten en energievoorziening
Aardolie en aardgas stellen de andere bodemvondsten veruit in de schaduw; deze sector geeft echter slechts aan ruim 1, 5% van de beroepsbevolking werkgelegenheid. Ruwe olie levert 40% van het bruto nationaal product en 90% van de exportinkomsten. De bewezen oliereserves zijn met vier miljard ton voldoende voor de komende vijftig jaar. De Libische olie is van relatief hoge kwaliteit. De meeste olievelden bevinden zich in de omgeving van Sirte. De laatste jaren is men ook begonnen met offshore exploitatie (het Bouri-veld). Ook worden er grote hoeveelheden aardgas gewonnen. Onder leiding van de Libyan National Oil Corporation is aardolieverwerkende industrie opgezet: aardolieraffinage in Zavia, Tobroek en Zueitina, (petro)chemische bedrijven in Bengasi, Brega en Ganzoer. De bodem bevat voorts gips, zwavel, ijzererts, kalksteen en leem. LibiŽ voorziet in zijn energiebehoeften door (warmte)krachtcentrales in de steden en dieselaggregaten in het binnenland. Er is een kerncentrale gepland bij Sirte.
4.4 Industrie
De regering tracht de industriŽle bedrijvigheid, van oudsher geconcentreerd in TripolitaniŽ, over het land te verspreiden en door diversificatie in de eigen levensbehoeften te gaan voorzien. De Libische industrie richt zich thans vnl. op voedingsmiddelen (inclusief tabak en frisdranken) voor binnenlandse consumptie. VerwerkingsindustrieŽn voor kleding, zeep, glas, kunstmest, cement en ijzer zijn in ontwikkeling en de aardolieverwerkende industrie biedt goede vooruitzichten.
4.5 Handel
Veel levensbehoeften moeten worden ingevoerd; de aardolie-export (90% van de totale export) kan de handelsbalans niet herstellen, vanwege de boycot. De import bedraagt $ 4620 miljoen; de export slechts $ 8 miljoen. Dalende olie-inkomsten zorgden in de jaren tachtig voor tekorten, waarop LibiŽ zijn reserves moest aanspreken en bezuinigingen afkondigde. ItaliŽ, Duitsland en Spanje zijn de belangrijkste handelspartners, maar ook Frankrijk en Turkije doen veel zaken met LibiŽ, dat uit die landen o.m. vrachtwagens, machines, ijzer, staal, voedingsmiddelen en levend vee importeert.
Aan de eigen ontwikkelingsplanning worden grote bedragen besteed; deviezenoverschotten worden ook in het buitenland (Fiat in ItaliŽ) en in minder fortuinlijke ontwikkelingslanden belegd. LibiŽ doet veelvuldig schenkingen aan revolutionaire bewegingen en islamgezinde regimes. Het land levert voorts belangrijke bijdragen aan internationale organisaties als suborganisaties van de Verenigde Naties, het Arabisch ontwikkelingsfonds en ontwikkelingsbanken voor Afrika en AziŽ. Sinds de boycot zijn de buitenlandse tegoeden bevroren.
4.6 Bankwezen
Centrale bank is de Central Bank of Libya, die vijf concurrerende handelsbanken geheel of gedeeltelijk in bezit heeft. Speciale banken opereren op het terrein van landbouw en van de buitenlandse beleggingen (Libyan Arab Foreign Bank).
4.7 Verkeer
De belangrijkste wegen lopen langs de Middellandse-Zeekust; door de Sahara is een hoofdroute, die leidt naar Tsjaad en Niger, begaanbaar. Bijna alle steden en dorpen (ook oasen) zijn met motorvoertuigen bereikbaar. Het wegennet is 23!430 km lang. Gepland is een 170 km lange spoorlijn langs de kust. De grootste havensteden zijn Tripoli, Bengasi, Port Brega en Tobroek. Pijpleidingen verbinden de olievelden met de oliehavens: Marsa el-Brega, Marsa Hariga, Tobroek, Zueitina, Ras Loenoef. Luchtverkeer richt zich vnl. op Tripoli en Bengasi, maar er is een aantal kleinere luchthavens (o.a. Misurata en Sebha) en een 20-tal landingsbanen voor oliemaatschappijen. Sinds de internationale boycot is het vliegverkeer grotendeels lam gelegd.

5. Geschiedenis
LibiŽ (Gr.: LibuŤ, Lat.: Libya) was in de oudheid de benaming voor geheel (noordelijk) Afrika, in engere zin ook voor het gebied ten westen van Egypte. Omstreeks 800 v.C. stichtten Fenicische zeevaarders enkele handelsposten aan de Libische kust, waar zich echter pas in het begin van de 5de eeuw v.C. Fenicische kolonisten blijvend vestigden. Het gedeelte van het land waar zich de voornaamste drie steden, Oea, Sabratha en Leptis bevonden, werd door de Grieken TripolitaniŽ genoemd. Een belangrijk contactpunt tussen de Griekse, de Egyptische en de Fenicische cultuur vormde het orakel van Zeus-Ammon in de oase van Siwa, o.m. bezocht door Alexander de Grote.
Tot 201 v.C. behoorde LibiŽ aan Carthago, daarna tot 146 v.C. tot het Numidische Rijk, waarna het een deel werd van de Romeinse provincie Africa. Onder Diocletianus (284-305) werd LibiŽ in een oostelijk en een westelijk deel verdeeld; resp. Libya inferior of Marmarica en het meer ontwikkelde Libya superior of Cyrenaica. In 644 werd LibiŽ voor de islam gewonnen. Het land behoorde van 801 tot 909 tot de Noord-Afrikaanse staat der Aghlabiden, daarna tot ca. 1000 tot het sji'ietische rijk der Fatimiden. Hierna maakte LibiŽ bijna drie eeuwen lang deel uit van de Berberse rijken der Almoraviden en Almohaden.
Na 1269 behoorde het westelijk deel, Cyrenaica met TripolitaniŽ, tot het Tunesische rijk der Hafsiden, terwijl Marmarica achtereenvolgens onder de suzereiniteit der Ajjoebiden en Mamelukken stond en geleidelijk in Egypte geÔntegreerd werd. In de 16de eeuw had het land veel van aanvallen van Europeanen te lijden: van 1530 tot 1551 was de stad Tripoli in handen van de Maltezer ridders. Daarna werd LibiŽ door de legers van de Osmaanse sultans veroverd.
Na verloop van tijd moesten de Turken de werkelijke macht afstaan aan de inheemse gezaghebbers, de 'deis', die gedurende de 17de en 18de eeuw van hun zeesteden ware roofnesten maakten voor de Barbarijse zeerovers. Als gevolg daarvan werd de hoofdstad Tripoli in 1665 en 1728 door Franse strafexpedities volledig verwoest. Nadat Algerije Frans was geworden (1830), moesten TunesiŽ en TripolitaniŽ zich wel weer dichter bij het Ottomaanse rijk aansluiten. In 1835 zette de sultan de familie Karamanli, die sedert 1714 regeerde, als deis van Tripoli af en organiseerde het land zo goed mogelijk als Turkse provincie.
Nadat de Italianen in 1902 van de Fransen een verklaring hadden weten te verkrijgen, dat dezen hun de vrije hand lieten in TripolitaniŽ (in ruil voor een soortgelijke verklaring hunnerzijds ten aanzien van Marokko) en Marokko in de zomer van 1911 inderdaad een Frans protectoraat geworden was, verklaarde ItaliŽ op 25 sept. van dat jaar de Turkse sultan de oorlog. Italiaanse legers landden in oktober te Tripoli, Bengasi en Homs en lijfden op 5 nov. het gebied in.
Krachtens de Vrede van Lausanne (1912) vestigde ItaliŽ zijn gezag over Cyrenaica, TripolitaniŽ en Fezzan. De drie gebieden, tussen welker bevolkingen weinig affiniteit bestond, werden tot ťťn Italiaanse kolonie LibiŽ verenigd. Het verzet tegen het Italiaanse bewind kwam vnl. van de militante Islamitische Broederschap, alsmede van de mystieke orde der Senoessijja, die haar bolwerk in Cyrenaica had. Pas in de jaren dertig gelukte het maarschalk Graziani om Cyrenaica te pacificeren. In 1942 bezetten Britse troepen Cyrenaica en TripolitaniŽ, terwijl Vrije Franse eenheden zich in Fezzan legerden. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog kwam LibiŽ onder voogdij van de Verenigde Naties. Op 24 dec. 1951 werd het land onafhankelijk, onder het koningschap van de leider van de Senoessijja, Mohammed al-Idriss. In april 1953 trad het land als achtste lid toe tot de Arabische Liga.
LibiŽ kampte sinds zijn onafhankelijkheid met ernstige politieke, economische en financiŽle moeilijkheden. De inzichten van de Egyptische president Nasser betreffende het zgn. Arabische socialisme deden ook bij velen in LibiŽ ontevredenheid ontstaan over de monarchie en de handelingen van de vaak conservatieve ministers en raadgevers van de koning. Van de Verenigde Staten en Groot-BrittanniŽ ontving LibiŽ financiŽle steun, maar het moest in ruil hiervoor de vestiging van Amerikaanse en Britse militaire bases op zijn grondgebied accepteren. Militaire hulp ontving het voorts van Turkije. Met de Sovjet-Unie werden diplomatieke betrekkingen aangeknoopt.
Een grote verandering in de economische situatie voltrok zich na 1959, toen werd ontdekt dat LibiŽ de rijkste aardolievoorraden van het Afrikaanse continent herbergde. Een ontwikkelingsprogram kwam op gang, maar het verzet tegen de regering en de koning van de zijde van radicale elementen nam nog voortdurend toe. Vanaf 1964 haalde LibiŽ de banden met de drie Maghreb-landen TunesiŽ, Algerije en Marokko steeds nauwer aan. Na de Juni-oorlog met IsraŽl in 1967 stelde LibiŽ tot september van dat jaar een olie-embargo in tegen de Verenigde Staten en Engeland.
De in het leger, vooral onder de jongere officieren, bestaande ontevredenheid over het conservatief en corrupt geachte bewind van de koning leidde op 1 sept. 1969 tot een staatsgreep van een groep jonge officieren onder leiding van kolonel Kaddafi. Zij riepen de republiek uit en verklaarden dat LibiŽ zich in zijn interne en externe politiek meer dan voorheen door de doelstellingen van het arabisme zou laten leiden. De in LibiŽ werkende buitenlanders werden zoveel mogelijk vervangen door LibiŽrs en andere Arabieren. Nog in LibiŽ wonende Italianen en joden (ca. 25!000) werden aangemoedigd het land zo snel mogelijk te verlaten. De ontruiming van de Amerikaanse en Britse bases, waarover al vůůr de staatsgreep een akkoord was bereikt, werd in 1970 voltooid.
Kaddafi propageerde Arabische eenheid onder islamitische vlag; hij zag zijn plannen in die richting echter doorkruist door zijn eigen impulsieve, ondiplomatieke uitspraken en initiatieven, die de betrekkingen met andere staten, Arabische zowel als niet-Arabische, ongunstig beÔnvloedden. Op 17 april 1971 kwam weliswaar, vooral door Kaddafi's inspanningen, een Federatie van Arabische Republieken (FAR), bestaande uit LibiŽ, Egypte en SyriŽ tot stand, maar gevolgen voor de politieke praktijk bleven uit. Van een door Kaddafi en president Sadat van Egypte aangekondigde volledige Libisch-Egyptische unie was na de Oktoberoorlog (1973), waaraan LibiŽ weigerde deel te nemen wegens de beperkte oorlogsdoeleinden van Egypte en SyriŽ, geen sprake meer en in aug. 1974 kwam het tot een complete breuk tussen Tripoli en CaÔro.
Van de samensmelting van LibiŽ en TunesiŽ tot een Islamitische Arabische Republiek, in jan. 1974 door Kaddafi en president Bourguiba aangekondigd, en van andere plannen tot fusie met buurlanden werd niets meer vernomen. Verrassend was - tegen de achtergrond van Kaddafi's herhaaldelijk geuite kritiek op de Sovjet-Unie en het communisme in het algemeen - de Libische toenadering tot de Sovjet-Unie sedert 1974, terwijl de verhouding tot het Westen verder verslechterde. De relatie met het buurland Egypte bereikte een dieptepunt na de Jeruzalem-reis van de Egyptische president Sadat in nov. 1977.
In de tweede helft van de jaren zeventig wierp LibiŽ zich steeds nadrukkelijker op als steunpilaar van, behalve de PLO, ook andere links-extremistische bewegingen en (terreur)organisaties overal in de wereld, die door Kaddafi van geld werden voorzien, opleidingscentra in LibiŽ konden vestigen en aan de leden waarvan veelvuldig asiel werd verleend. Kaddafi's ook op dit terrein onberekenbare optreden, alsmede het feit dat ook het regime van Idi Amin in Oeganda door hem openlijk werd gesteund, bleef evenwel een werkelijke voortrekkersrol voor LibiŽ binnen de links-extremistische beweging in de wereld in de weg staan: zo kwam het in 1979 tot een ernstig conflict met de PLO.
Binnenslands nam in 1978 en 1979 het verzet tegen de steeds groter wordende invloed van de Volkscomitťs toe, m.n. bij de middenklasse en de studenten, maar ook bij de islamitische geestelijkheid. Daarnaast heerste er grote ontevredenheid over de economische situatie, m.n. over het tekort aan levensmiddelen. Daarop werden op grote schaal zuiveringen uitgevoerd in kringen van handelaren en intellectuelen. In de eerste helft van 1980 voerden in het buitenland studerende LibiŽrs, daartoe aangezet door de regering, moordaanslagen uit op Libische ballingen, wat tot een serie diplomatieke incidenten heeft geleid. Kaddafi deed in 1979 afstand van zijn officiŽle regeringsfuncties (sedert 1969 had hij ze in wisselende combinaties bekleed). Hij bleef echter de belangrijkste man in LibiŽ. In 1980 greep LibiŽ militair in in de burgeroorlog in Tsjaad en begin 1981 werd een fusie tussen beide staten aangekondigd.
Al snel raakte Kaddafi echter in conflict met de regering-Habrť, die de macht in Tsjaad had overgenomen. Niet alleen hield LibiŽ sinds 1973 de Aouzoustrook bezet, nu steunde het ook de rebellen van G. Oueddei. De regering van Tsjaad riep in 1983 Franse hulp in, waardoor de Libische betrokkenheid beperkt bleef tot het gebied ten noorden van de 16de breedtegraad. In 1987 werden de Libische troepen vrijwel volledig uit Tsjaad verdreven.
Terwijl in 1983 een vriendschapsverdrag met de Sovjet-Unie was gesloten, verslechterden de betrekkingen met de Verenigde Staten verder. Washington ontkende de Libische aanspraken op de Golf van Sirte, waardoor het enige malen tot luchtgevechten kwam boven de Middellandse Zee. Ook beschuldigden de Verenigde Staten LibiŽ van steun aan het internationaal terrorisme. In april 1984 verbrak Groot-BrittanniŽ de betrekkingen met Tripoli nadat een Libische diplomaat in Londen een agent had doodgeschoten. Op 15 april 1986 voerde, na een bomaanslag in Berlijn, de Amerikaanse luchtmacht een bombardement uit op Tripoli en Bengasi, waarbij tientallen doden vielen. De Verenigde Staten riepen op het Libische bewind internationaal te isoleren.
In december 1988 stortte een Amerikaanse Boeing-747 neer bij het Schotse plaatsje Lockerbie. Onderzoek wees uit dat twee LibiŽrs door middel van een bom de aanslag moesten hebben gepleegd. Ook de bomaanslag op een Franse DC-10 boven Niger werd aan LibiŽ toegeschreven. LibiŽ weigerde de verdachten over te dragen aan de Westerse justitie. Als straf hiervoor legden de Verenigde Naties LibiŽ sancties op, waaronder een verbod op luchtverkeer naar het buitenland.
De betrekkingen met de buurlanden Egypte en TunesiŽ waren inmiddels op een dieptepunt gekomen, o.a. door de massale uitwijzing van gastarbeiders.
Sinds eind jaren tachtig poogt Kaddafi door een matiging van zijn buitenlandse beleid het Libische isolement te doorbreken. In juni 1989 werden de betrekkingen met Egypte hersteld.
LibiŽ en Tsjaad tekenden in april 1994 een overeenkomst waarin LibiŽ zich verplichtte de uraniumrijke Aozou-strook aan Tsjaad terug te geven. Kaddaffi kondigde in sept. 1994 maatregelen aan om de bloeiende zwarte markt te bestrijden, voorlopig echter zonder veel resultaat. In juni 1995 brak een opstand uit in verschillende steden in het noordoosten, waarbij doden vielen en honderden arrestaties werden verricht.
In de steden Benghazi en Derna kwam het in 1996 tot botsingen tussen het leger en radicale moslims die zich verzetten tegen het bewind van Kaddaffi. Ook in juli kwam het in Tripoli tijdens een voetbalwedstrijd tot een demonstratie tegen Kaddaffi, waarbij tientallen doden vielen.
De Verenigde Staten verscherpten de sancties tegen LibiŽ en namen een wet aan om buitenlandse bedrijven te kunnen straffen die meer dan $ 40 miljoen in de Libische energiesector investeerden. Vooral Frankrijk en ItaliŽ, die grote oliebelangen hebben in LibiŽ, protesteerden fel tegen deze Amerikaanse maatregel.

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009