Luchtverontreiniging kunnen we omvatten als een door
menselijke activiteit of natuurverschijnselen in de
samenstelling van de atmosfeer teweeggebrachte veranderingen.
Daardoor kan schade worden toegebracht aan de gezondheid van
mens, dier en plant, aan materialen en cultuurgoederen en kunnen
zelfs klimaatveranderingen worden veroorzaakt. Het
luchtverontreinigingsprobleem hangt samen met de sterk
toegenomen verstedelijking en industrialisatie, de exponentieel
toegenomen energiebehoefte voor productie, transport en comfort,
alsook de intensieve veeteelt.
Zowel
ten aanzien van de bron als van de aard van de verontreiniging
zijn globaal drie categorieën te onderscheiden:
1. verbranding van o.m. zwavelhoudende fossiele
brandstoffen ten behoeve van woningverwarming en
energieopwekking;
2. gemotoriseerd verkeer (uitlaatgassen);
3. industriële activiteiten, o.m. in de chemische en
metallurgische nijverheid.
Veel voorkomende bestanddelen zijn zwaveldioxide, rook, roet,
vliegas, nitreuze gassen (hoge vlamtemperaturen, verkeer),
koolmonoxide, aldehyden en lood (verkeer), koolwaterstoffen
(aardolieraffinaderijen), zuren, fluoriden (keramiek-,
kunstmest-, aluminiumfabricage), stankstoffen en organische
peroxiden.
Kooldioxide, op zichzelf een onschadelijk gas, is
verantwoordelijk voor het broeikaseffect, met een stijging van
de zeespiegel als mogelijk gevolg. De lang inert geachte
chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's) interageren via
fotochemische processen met de beschermende ozonlaag , waardoor
het leven op aarde in toenemende mate aan ultravoilette straling
wordt blootgesteld. Vanwege het grensoverschrijdend karakter van
luchtverontreiniging is een internationale aanpak noodzakelijk.
Reeds in 1306 werd in Londen een verbod uitgevaardigd kolen te
stoken wegens de rookoverlast en in 1661 verscheen: Fumi fugium
or The inconvenience of the aer and smoake over London
dissipated, door John Evelyn. Bijzondere meteorologische
omstandigheden, waardoor rook in de Belgische Maasvallei bleef
hangen, waren in 1930 oorzaak van een catastrofale vorm van
luchtverontreiniging; in de eerste week van december werden
duizenden mensen ziek en stierven ca. 60 personen. Vergelijkbare
omstandigheden deden zich voor in 1948 in de Verenigde Staten in
Donora (Pa.) en op 9 dec. 1952 in Londen; het aantal doden was
ca. 4000. Sedert de jaren veertig is ernstige
luchtverontreiniging een regelmatig voorkomend euvel geworden in
vele bevolkingscentra van Amerika; de eerste wettelijke
maatregelen tegen de fotochemische smog in Los Angeles dateren
van 1948. Sedert de jaren zestig werden ook de bevolkingscentra
in andere industrieel hoog ontwikkelde gebieden (West-Europa,
Japan) in toenemende mate met het verschijnsel geconfronteerd.
Ook in de miljoenensteden in andere landen komt op grote schaal
luchtverontreiniging voor: o.a. Mexico-City, São Paulo, Athene,
Caïro.
Bij de natuurlijke vormen van luchtverontreiniging zijn
vermeldenswaard: vulkanische verschijnselen, bos- en
heidebranden, gisting en rotten van organisch materiaal, het
verspreiden van stuifmeel, van stofzand of van zeezout door de
wind.
Bij
een gegeven lozing van verontreinigende stoffen in de atmosfeer
(emissie) worden de nabij het grondniveau bereikte concentraties
(immissies) hoofdzakelijk bepaald door meteorologische en
topografische factoren. De verspreiding van luchtverontreiniging
in de vorm van gassen en kleine deeltjes hangt af van de
verticale luchtbeweging, wind en turbulentie. Naarmate de
onregelmatige luchtbewegingen krachtiger zijn, zijn de
optredende diffusie en verspreiding sterker, met als gevolg een
snelle verlaging van de concentratie met toenemende afstand tot
de bron.
Zulks is in toenemende mate het geval al naar gelang:
1. de stabiliteit van de atmosfeer geringer is;
2. de windsnelheid groter is;
3. het terrein waarboven de diffusie plaatsvindt, een
grotere ruwheid vertoont. Ook de wijze van lozing is bepalend.
Uitersten van een scala aan mogelijkheden zijn:
a. een hoog boven de grond gelegen puntbron, zoals de
mond van een geïsoleerde fabrieksschoorsteen;
b. een laag gelegen oppervlaktebron, zoals een grote
stad, waarin diffuus op vele plaatsen verontreiniging in de
atmosfeer wordt gebracht, o.a. door het verkeer. Bij de hoge
puntbron is sterke turbulentie (als gevolg van onstabiliteit van
de atmosfeer ter plaatse) ongunstig, omdat daardoor de
verontreiniging relatief snel uit het niveau van de puntbron
naar het aardoppervlak wordt gevoerd. Geringe turbulentie is in
dat geval gunstig. Krachtige wind is altijd gunstig, zowel door
menging van de verontreiniging met grote hoeveelheden lucht, als
door het ontstaan van verticale bewegingen ten gevolge van het
ruwe oppervlak.
In de atmosfeer daalt zowel luchtdruk als luchttemperatuur met
toenemende hoogte. In een neutrale atmosfeer bedraagt de
temperatuursdaling zowat 1 °C per 100 m. In een stabiele
atmosfeer is deze daling minder, hetgeen verticale beweging, in
casu stijging van warmte en daling van koude luchtmassa's,
tegenwerkt. In een onstabiele atmosfeer is daarentegen het
verticale temperatuursverschil sterker, hetgeen beweging en
verspreiding bevordert.
Stagnaties in de verticale luchtbeweging treden regelmatig doch
gewoonlijk kortstondig op, zoals in de vroege ochtend, wanneer
de luchtlagen dicht aan het aardoppervlak kouder zijn dan die
erboven. Indien een dergelijk temperatuurverloop in de atmosfeer
(inversie - zie tekening) met laaghangend inversieplafond enkele
dagen aanhoudt, zoals bij geringe windsnelheid in herfst en
winter wel voorkomt, kan cumulatie van verontreinigingen
(vorming van smog) optreden met soms ernstige gevolgen. Door de
inwerking van zonlicht op stikstofoxiden (NO + NO2) en
organische verbindingen kunnen bij het aardoppervlak organische
peroxiden zoals peroxiacylnitraat (PAN) en verhoogde
concentraties aan o.a.ozon ontstaan (fotochemische smog).
Relatief grote deeltjes vallen onder invloed van de
zwaartekracht vlak bij de emissiebron neer, hoewel ze door wind
of plaatselijke turbulenties verder meegesleurd kunnen worden.
Dit zelfreinigend proces verloopt via droge of natte depositie.
De rechtstreekse inwerking of afzetting van de vuilende stoffen
op bodem, planten of materialen wordt droge depositie genoemd;
bij natte depositie vindt de afzetting na absorptie in wolken of
in regendruppels plaats.
De op grondniveau aanwezige maximale (immissie)concentraties
zijn omgekeerd evenredig aan het kwadraat van de hoogte waarop
de as van de pluim zich bevindt (de schoorsteenhoogte,
vermeerderd met de verhoging die de pluim ondergaat). Thermische
pluimstijging treedt op indien de ontsnappende gassen warmer
zijn dan de omgevende lucht; kinetische pluimstijging is het
gevolg van de beduidende verticale snelheid (8 à 15 m/s),
waarmee de gassen veelal de schoorsteenmond verlaten.
Beïnvloeding van de gezondheid van de mens vindt o.m. plaats
door inademing (inhalatie) van deeltjes, gassen en dampen. Niet
alleen hoge concentraties gedurende korte tijd, maar ook lage
concentraties gedurende lange tijd (enkele decennia) kunnen een
nadelige invloed op de gezondheid uitoefenen. Bestaande
aandoeningen, zoals chronische bronchitis of astma, kunnen
erdoor verergeren. Als schadelijk zijn aan te merken:
zwaveldioxide, zwavelzuur, roet, andere zwevende deeltjes,
koolmonoxide, stifstofoxiden, sommige koolwaterstoffen, ozon,
organische peroxiden, fluorverbindingen, diverse zware metalen
(o.m. lood) en hun verbindingen en kankerverwekkende asbeststof.
De gezondheid van dieren wordt vnl. beïnvloed via de voeding
door opname van deeltjes die op gewassen zijn neergeslagen of
via oplossing in het bodemvocht in de planten terecht zijn
gekomen. Indien gras besmet is met fluoriden, kan het vee bot-
en gebitaandoeningen (fluorosis) krijgen en minder melk gaan
geven.
Bij planten varieert de gevoeligheid naar soort, groeifase en
klimaatfactoren, afhankelijk van de aard van de verontreiniging
en de expositieduur. Schade aan blad, bloem of oogst kan o.m.
worden veroorzaakt door fluorwaterstof, ozon, alsmede door
organische peroxiden. In België wordt rechtstreekse inwerking op
planten (plantenschade) genoteerd voor fluorwaterstof, ozon,
zwaveldioxide, chloorwaterstofzuur en ammoniakgas. Zure
depositie doet zich voor tot op honderden en zelfs duizenden
kilometers van de bron, o.m. op neerslagrijke heuvels en
berghellingen. Emissies uit West-Europa zijn mede
verantwoordelijk voor de in Scandinavië beruchte zure regen.
Deze verhoogt er de zuurgraad van de daar veelal kalkarme
oppervlaktewateren en bodem in zo sterke mate dat sommige
planten- en diersoorten (vissen) in hun bestaan bedreigd worden
(verzuring).
Metalen corroderen vrij snel door zure bestanddelen in de lucht,
waardoor ook sommige soorten cement en natuurlijke
kalkgesteenten kunnen worden geërodeerd. Uiteindelijk heeft dit
economische gevolgen. Verontreiniging door giftige zware metalen
in het zwevend en neervallend stof kunnen bij de mens tot
verhoogde opname en gezondheidseffecten leiden. Naast verhoogde
rechtstreekse opname via inademing krijgt men vooral te maken
met een verhoogde inname via het voedsel. De zware metalen
accumuleren immers in de bodem en in de voedingsgewassen.
Om een
statistisch verantwoorde schatting te kunnen maken van de
plaatselijke luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van
continu metende apparatuur of van meettechnieken, waarmee
telkens over korte of lange tijd (minuten tot weken) monsters
worden genomen. De meest algemeen verspreide verontreinigende
stoffen, m.n. zwaveldioxide, stikstofoxiden, zwevend stof, ozon,
totaal koolwaterstoffen en koolmonoxide, worden in automatische
meetnetten gemeten. Landelijk of in een bepaalde regio
opgestelde meetapparatuur stuurt de resultaten over
telefoonlijnen doorlopend aan een centraal verwerkingscentrum.
Op die wijze wordt de luchtkwaliteit permanent gevolgd en kan er
bij het overschrijden van kritische drempels onmiddellijk worden
ingegrepen op de belangrijkste emissiebronnen, die dan van
vervuilende brandstof (zware stookolie, steenkool) op zuiver
aardgas moeten overschakelen. Het is mogelijk om de
karakteristieken (zoals hoogte en debiet) van de emissiebronnen
met behulp van wiskundige verspreidingsmodellen om te werken tot
omgevingsconcentraties. Het vergelijken van berekende en gemeten
luchtkwaliteit leidt tot de optimalisatie van deze modellen,
waardoor het mogelijk wordt ten behoeve van het beleid,
saneringsscenario's uit te testen, door het invoeren van
fictieve gereduceerde emissiecijfers.
Moeilijker meetbaar is de overlast veroorzaakt door
stankstoffen, o.m. afkomstig van de intensieve veehouderij of
van industriële activiteiten. Mercaptanen kunnen ook vrijkomen
bij het raffineren van aardolie of de productie van
sulfaatcellulose. Toepassing van geëigende procedures en van
constructieve maatregelen, waarbij mogelijk lekkende
verbindingen (flenzen, kranen, enz.) hetzij worden vermeden,
hetzij extra worden ingesloten, werden reeds eerder met succes
toegepast in een methylaminefabriek te Gent. Berucht wegens het
optreden van geurhinder zijn in Vlaanderen de vilbeluiken (in
Nederland: destructiebedrijven), alsmede de vetsmelterijen. Maar
ook de meer aangename geur van koffie- of cichoreibranderijen of
chocoladefabrieken wordt door de omgeving niet altijd in dank
afgenomen.
Een objectieve bepaling van geurhinder gebeurt meestal via een
panel proefpersonen, die individueel in een ‘snuifkar’ aan een
geurende luchtstroom worden blootgesteld. Deze laatste wordt
vooraf min of meer sterk verdund; aldus wordt de drempel
bepaald, beneden welke de gemiddelde proefpersoon de geur niet
langer waarneemt.
In een andere methode wordt de lucht gezogen over een adsorbens,
waarop de geurcomponenten min of meer volledig worden
vastgehouden. Na thermische desorptie of na elutie met een
oplosmiddel kunnen deze componenten geïdentificeerd worden via
gaschromatografie en massaspectrometrie.
Het optreden van geurhinder kan voorkomen worden door
preventieve maatregelen (vers verwerken van slachtafval, koel en
ingesloten bewaren), door behandelen van afvallucht door wassen,
adsorptie op actieve kool, naverbranding of biofilters, door
verspreiding of verdunning en door maskeren.
Bij
het voorkomen van de luchtverontreiniging moet er worden van
uitgegaan dat deze zoveel mogelijk aan de bron moet worden
weerhouden. Verspreiding via hoge schoorstenen leidt tot
verschuiving en globalisering van het probleem. De schadelijke
stoffen worden dan wel meer verdund, maar ook over langere
afstand getransporteerd, zodat ze hun schadelijke werking over
grotere en meer afgelegen gebieden uitoefenen en o.m. tot
milieuverzuring leiden.
Luchtverontreiniging en de gevolgen ervan kunnen worden
voorkomen door geschikte industriële gaszuiveringstechnieken en
een gerichte planologie, zoals rekening houden met
meteorologische omstandigheden bij het situeren van industrieën
ten opzichte van woongebieden, en omgekeerd, massale aanwending
van ‘schone’ brandstoffen (zoals aardgas), betere stook- en
verbrandingstechnieken, reinigingsinstallaties voor het
elimineren van deeltjes en gassen en schonere auto's. Op enkele
punten zijn de emissies van zwaveldioxide sterk gedaald.
Voorbeelden zijn de productie van zwaveldioxide door het
verstoken van fossiele brandstoffen bij de chemische industrie
en bij raffinaderijen.
De belangrijkste zuiveringstechnieken zijn
ondermeer :
a. het afscheiden van stofdeeltjes door bezinking
(stofkamers en -stofkanalen), centrifugaalkracht (cycloonafscheiders),
interceptie, inertie en diffusie (doekfilters), elektrostatische
oplading en aantrekking (zie elektrostatisch filter) of botsing
op waterdruppeltjes (natte stofvangers);
b. het uitwassen van oplosbare gassen en dampen, o.m.
SO3, SO2, NO2 of HCl met een geschikte wasvloeistof;
c. de adsorptie van o.m. oplosmiddelen op actieve kool;
d. de thermische of katalytische naverbranding;
e. de verwijdering van NO via thermische of katalytische
reacties met ammoniak of ureum.
Op te merken valt dat bepaalde technieken neerkomen op
faseoverdracht en de afgescheiden onzuiverheden omzetten in de
vorm van vliegas, waswaters, sulfo gips, of andere reststromen,
die dan nog verdere behandeling en/of verwijdering behoeven.
|