header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Luxemburg

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

 

 

Luxemburg, Groothertogdom (Grand-Duché de Luxembourg), inheemse naam: Grousherzogdem Letzeburg, groothertogdom in West-Europa, 2586 km2, met (1996) 406.600 inw. (157 inw. per km2); hoofdstad: Luxemburg [aardrijkskunde]3. Munteenheid is de Luxemburgse franc, onderverdeeld in 100 centimes. Nationale feestdag is 23 juni.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
General View of Luxembourg CityHet landschap valt uiteen in twee streken. De Oesling (828 km2) ten noorden van de lijn Redange-Diekirch is een onderdeel van het Ardennen-Eifelmassief. Het massief is er, behalve in het noorden, waar het tot 559 m hoog is, sterk versneden door de diepe valleien van de Sauer (Sûre), Clerf, Wiltz en Our; de plateauresten overschrijden er de 400 m. Het centrale en het zuidelijke deel, Gutland of Le Bon Pays (1758 km2), vormen een onderdeel van het Lotharingse cuestalandschap, dat tot het Bekken van Parijs behoort. De hoogte varieert van 200 tot 350 m. Het laagste punt (129 m) ligt aan de samenvloeiing van de Sauer, de belangrijkste rivier van Luxemburg, en de Moezel.
1.2 Klimaat
Luxemburg heeft, evenals het gebied ten oosten van Samber en Maas in België, een continentaal klimaat, dat nog enigszins de matigende invloed van de zeelucht ondergaat, maar toch sterk aansluit bij het meer continentale klimaat van Zuid-Duitsland. De gemiddelde jaartemperatuur schommelt tussen ongeveer 7 °C in de Oesling en 9 °C in Gutland (geringere hoogteligging). De gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid neerslag bedraagt 740 mm.
1.3 Plantengroei
De Oesling en Gutland zijn van nature grotendeels begroeid met beuken. De beukenbossen zijn echter grotendeels gedegradeerd of werden door culturen vervangen. Gutland vertoont botanisch vrij veel verscheidenheid. Bepaalde delen zijn vergelijkbaar met het Belgische Lotharings district. Op mergelbodems bestaat het natuurlijke bos uit eiken en haagbeuken. Een groot deel van Gutland wordt echter door 'Gres de Luxembourg' ingenomen, vergelijkbaar met de Belgische Ardennen. Voorts komen grove den en fijnspar voor door aanplanting.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld omvat elementen van de fauna van de West-Europese laagvlakte. De meeste zoogdieren van deze laagvlakte zijn er vertegenwoordigd, evenals enkele ingevoerde soorten als de moeflon en het damhert. Ook werd de aanwezigheid van de wasbeer vastgesteld. Van de vogels is het aantal water- en moerasvogels beperkt wegens de geringe oppervlakte van de geschikte biotopen. Alleen de wilde eend, winter- en zomertaling, kievit en blauwe reiger komen regelmatig voor. Het korhoen schijnt verdwenen te zijn. Alle vissoorten van de snelstromende wateren, zoals beekforel, vlagzalm, barbeel, molenaar en neusvis, komen voor, alsook enkele elementen van traagstromende wateren, als snoek, brasem, rietvoorn en karper. Ten gevolge van de kunstwerken in Rijn en Moezel en de verontreiniging van deze rivieren komen migrerende soorten, zoals zalm en zeeforel, niet meer voor. Vrijwel alle inlandse vogels zijn beschermd.

2. Bevolking
2.1 Spreiding
De bevolking is ongelijk over het land verdeeld. In Oesling is de bevolkingsdichtheid (25 à 50 inw. per km2) veel lager dan het landelijke gemiddelde. In Gutland worden hogere concentraties vastgesteld met twee zwaartepunten, resp. rond de stad Luxemburg en in het industriegebied van Esch-sur-Alzette in het zuidwesten. Het inwonertal neemt traag toe. De toeneming is volledig toe te schrijven aan immigratieoverschot. Een derde van de totale bevolking bestaat uit buitenlandsers: EU-ambtenaren, in en rond de hoofdstad, en gastarbeiders in de zuidelijke industriekern (10% van de bevolking zijn Portugezen, 5% Italianen). Een vijfde van de bevolking woont in de hoofdstad.
2.2 Taal
Het algemeen verspreide Letzeburgesch, een Duits dialect, is sinds 1985 de officiële taal. Het Duits is de schrijftaal voor handel en pers, het Frans wordt gebruikt als ambtelijke taal.
2.3 Religie
Ca. 95% van de bevolking is rooms-katholiek. Sinds 1870 is het Groothertogdom een bisdom. De protestantse Kerk van Luxemburg (luthers) dateert van 1894 en telt slechts ongeveer 1500 leden.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
The Petrusse Valley in the heart of the capitalLuxemburg is een constitutionele parlementaire monarchie. De huidige grondwet is van 1868 (gewijzigd in 1919, 1948, 1956, 1972, 1983, 1988 en 1989). De functie van het staatshoofd - groothertog genoemd - is erfelijk in de mannelijke linie; bij ontstentenis van mannelijke opvolgers is vrouwelijke erfopvolging mogelijk. De wetgevende macht wordt naast de door de groothertog benoemde 21 leden van de Raad van State (Conseil d'Etat) hoofdzakelijk uitgeoefend door de Chambre des Députés (Kamer van Volksvertegenwoordigers), bestaande uit 60 leden (één per 5500 inw.), die rechtstreeks worden gekozen voor vijf jaar, volgens het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging. Actief kiesrecht hebben alle Luxemburgers die ouder zijn dan 18 jaar; om gekozen te worden moet men 21 jaar zijn. Er is opkomstplicht. De uitvoerende macht berust bij de groothertog, die grote invloed op het politieke bestel heeft of kan doen gelden. Niettemin is voor iedere akte van hem het contraseign van een verantwoordelijke minister nodig. Aan het hoofd van de regering staat de minister-president. De Raad van State geeft advies over alle door de groothertog voorgelegde problemen van administratieve aard. Op het wetgevende vlak fungeert de Conseil als een soort Tweede Kamer, o.m. door een verplicht advies te geven over alle wetsontwerpen en -voorstellen en amendementen.
3.2 Administratieve indeling
Luxemburg telt drie administratieve districten (Luxemburg, Diekirch en Grevenmacher), die zijn onderverdeeld in 12 kantons en 118 gemeenten.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Luxemburg is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties van de VN, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Op het Europese vlak is Luxemburg lid van de Europese Unie (EU), de Raad van Europa en de West-Europese Unie (WEU). Kleinschaliger zijn de Benelux en de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (BLEU).
3.4 Politieke partijen en vakbewegingen
De belangrijkste politieke partijen zijn de Parti chrétien-social (christen-democraten), de Parti ouvrier socialiste luxembourgeois (socialisten) en de Parti démocratique (liberalen). De grootste vakbond is de Confédération Générale du Travail du Luxembourg. 60% van de werkenemers is bij een vakbond aangesloten.

4. Economie
4.1 Algemeen
Het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking is met $ 39.850 een van de hoogste ter wereld. Het bruto nationaal product (bnp) steeg tussen 1984 en 1994 met gemiddeld 3, 4% per jaar. Naar bedrijfstak is het bnp tegen marktprijzen voor 1% van de landbouw, voor 25% van de industrie (inclusief de bouwnijverheid) en voor 69% van diensten en van de overheid afkomstig (1994). De financiële sector maakt Luxemburg sinds de jaren zeventig tot een van de leidende financiële centra ter wereld. 70% van de actieve bevolking is werkzaam in de dienstensector, 28% in de industrie en 3% in de landbouw. Ca. 40% van de werknemers is buitenlander, de meesten komen dagelijks de grens over.
4.2 Landbouw
Sinds de Tweede Wereldoorlog is de landbouw sterk gerationaliseerd. Het aantal landbouwbedrijven is sinds 1950 gedaald met ca. 60%. De gemiddelde bedrijfsoppervlakte van de landbouwondernemingen is gestegen en bedroeg in 1995 46 ha. Ca. 56% van de landbouwgronden wordt in eigendom geëxploiteerd. Veeteelt (koeien en varkens) is de belangrijkste vorm van landbouw. Daarnaast worden voedergranen, gerst en aardappelen geproduceerd. Langs de Moezelvallei is wijnteelt. Ca. 34% van de oppervlakte van het land is met bos bedekt.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
De uit de 17de eeuw daterende ontginning van ijzererts uit de Bajociencuesta in het uiterste zuiden (kanton Esch) is vanaf 1950 sterk teruggelopen wegens het afnemend ijzergehalte, het hoge fosforgehalte (0,7%) en de zwakke concurrentiepositie ten opzichte van rijkere ertslagen. De productie stopte in 1981 en momenteel wordt ijzererts geïmporteerd. Er zijn nog enkele steengroeven. Voor zijn energievoorziening is het Groothertogdom voor 95% van het buitenland afhankelijk. De eigen elektriciteitsproductie (waterkracht) voorziet in de resterende 5% van het binnenlandse energieverbruik.
4.4 Industrie
Aan de ijzer- en staalindustrie in het zuidwesten van Gutland dankt het land grotendeels zijn bestaansmogelijkheden. Wel is de staalproductie ten gevolge van de wereldstaalcrisis sinds de tweede helft van de jaren zeventig sterk teruggelopen: 2, 6 miljoen ton in 1995, tegen 6,5 miljoen ton in 1974. Overige industriële ondernemingen zijn: kunststof- en chemische industrie, farmaceutische en metaalverwerkende industrie. Er zijn industriële bedrijven van enkele multinationale ondernemingen, zoals Goodyear, Du Pont en General Motors gevestigd, die tezamen ruim 25% van de totale industriële productie van de uitvoer van het land voor hun rekening nemen.
4.5 Handel
Sinds 1921 vormt Luxemburg een monetaire en economische unie met België, waardoor de tolbarrières tussen beide landen geleidelijk verdwenen (zie Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, BLEU). De handelsbalans vertoont een voortdurend tekort (60, 6 miljard F. in 1994, 24,7 miljard F. in 1983), slechts ten dele gecorrigeerd door de groei van bankwezen en toerisme. Vrijwel de gehele handel vindt plaats met andere EU-landen, waarbij Duitsland en België de belangrijkste partners zijn. Ingevoerd worden vooral afgewerkte producten, ertsen en steenkool. De uitvoer bestaat voor iets meer dan een derde uit staalproducten. Producten van rubber- en plasticindustrie nemen 14% van de totale uitvoer voor hun rekening.
4.6 Bankwezen en financiën
Het monetaire statuut van Luxemburg wordt geregeld door het Protocol van monetaire associatie tussen België en Luxemburg van 29 jan. 1963 en door de Wet van 15 maart 1979. De Belgische frank is wettelijk betaalmiddel in het Groothertogdom. Daarnaast mag het Groothertogdom eigen muntstukken en bankbiljetten uitgeven voor een bepaald bedrag. Dat geld wordt uitgegeven door de Schatkist door bemiddeling van de Caisse d'Épargne de l'État. Daarnaast mag ook de Banque Internationale bankbiljetten van 100 F uitgeven tot een bepaald maximum.
De bank- en financiële functie van Luxemburg, bevorderd door een gunstiger fiscaal regime dan in de grotere buurstaten alsmede door een streng, door de wet gegarandeerd bankgeheim en de afwezigheid van een controlerende centrale bank (zie belastingparadijs), worden ook nog gestimuleerd door de rol van de stad Luxemburg als hoofdstad van de EGKS en als vestigingsplaats van andere EU-instellingen. In 1996 waren er 222 banken, die ruim 20.000 personen werk boden en de belangrijkste bijdrage leveren aan het bnp. Het merendeel van de banken is juridisch buitenlands.
4.7 Verkeer
In het goederenverkeer spelen de (staats)spoorwegen (270 km) een overwegende rol. Het wegennet is 5220 km lang. Voor het goederenvervoer te water is de haven van Mertert aan de gekanaliseerde Moezel belangrijk. Het internationale luchtverkeer geschiedt via de luchthaven Luxemburg-Findel.

5. Toeristische gegevens
Esch-sur-SûreHet toerisme is een belangrijke factor in de economie van Luxemburg. De toeristische trekpleister vormt het gebied ten zuiden van de Sauer aan de grens met Duitsland, het zgn. Klein Zwitserland. Het behoort tot het Duits-Luxemburgse natuurpark. Kenmerkend zijn de rotsen, vooral in het Müllerdal, met kloven (Schluffen) en de opmerkelijke plantengroei. Andere bezienswaardigheden op natuurgebied zijn de schilderachtige valleien van de Esch, Moezel, Sauer, Our en Wiltz. De toeristisch interessante steden zijn, behalve de hoofdstad Luxemburg, Clervaux, Diekirch, Echternach, Remich, Vianden en Wiltz. Een bekende badplaats is Mondorf-les-Bains.
Uit de middeleeuwen zijn enkele burchten of belangrijke resten daarvan bewaard, o.a. te Beaufort, Bourscheid, Clervaux, Larochette, Vianden. De belangrijkste musea zijn de Musées de l'État (archeologische, natuurhistorische, historische, kunst- en volkskundige afdelingen) en het Musée Pescatore (17de- tot 19de-eeuwse Belgische, Franse en Hollandse schilderkunst) in de stad Luxemburg. Voorts zijn er het Maison Victor Hugo en een volkskundig museum te Vianden, het wijnbouwmuseum A Possen te Bech-Kleinmacher en een aantal oorlogsmusea (Tweede Wereldoorlog), o.a. te Clervaux, Esch-sur-Alzette, Ettelbruck, Wiltz, en streekmusea te Mersch, Nospelt en Rumelange.

6. Geschiedenis
Het Groothertogdom Luxemburg vond zijn oorsprong in het gelijknamige hertogdom (zie Luxemburg [geschiedenis]), dat in 1795, als departement Wouden, door Frankrijk werd geannexeerd. Na de val van Napoleon (1814) werd op Luxemburg aanspraak gemaakt door Pruisen, dat echter alleen de streek van Bitburg en Kronenburg ontving. In 1815 werd Luxemburg door het Congres van Wenen aan de Nederlandse koning Willem I persoonlijk toegekend en verheven tot Groothertogdom, tevens deel uitmakend van de Duitse Bond. Het werd volgens de Nederlandse Grondwet van 1815 bestuurd als een provincie en was in de Staten-Generaal vertegenwoordigd. In 1830 sloot Luxemburg zich aan bij de Belgische Revolutie. Het Verdrag der XXIV Artikelen bracht in 1839 een verdeling tot stand van het Groothertogdom, waarvan het westelijke grotere deel als Belgische provincie Luxemburg (zie Luxemburg [aardrijkskunde] 1) werd afgescheiden.
Voortaan territoriaal van Nederland gescheiden, kreeg Luxemburg een eigen bestuur, aanvankelijk onder H. Hassenpflug, die degenen die de revolutie hadden gesteund, vervolgde. Willem II (1840-1849) stond in 1841 een eigen grondwet toe, die evenwel aan zijn absoluut gezag nog weinig afbreuk deed. Teneinde de door de afscheiding van België zorgelijke economische toestand te verbeteren, bewerkte hij de toetreding van het Groothertogdom tot de Zollverein (1842). De revolutionaire dreiging in 1848 gaf aanleiding tot woelingen, als gevolg waarvan een nieuwe grondwet, sterk op de Belgische van 1831 geïnspireerd, werd uitgevaardigd, die in 1856 echter buiten werking werd gesteld.
De opheffing van de Duitse Bond (1866) en het feit dat Luxemburg niet werd uitgenodigd om tot de nieuwe Noord-Duitse Bond toe te treden, wijzigden grondig de internationale situatie van het Groothertogdom (zie Luxemburgse kwestie). Vanaf die jaren was Luxemburg deelgenoot in de economische groei van Duitsland. Vooral de ijzerindustrie ontwikkelde zich krachtig. Staatkundig kende het land, waar prins Hendrik zijn broer Willem III als stadhouder van 1850 tot zijn dood (1879) vertegenwoordigde, rustige jaren, die ook onder het langdurig bewind van minister Eyschen (1888-1915) voortduurden. In 1868 was weer een liberale grondwet ingevoerd.
Nadat de zoons van Willem III waren overleden, namen de particularistische Luxemburgers de gelegenheid te baat om, door zich te beroepen op de Salische wet, een einde te maken aan de personele unie met Nederland. Krachtens het Nassaus familieverdrag van 1783 volgde na Willems dood in 1890 de in 1866 onttroonde hertog Adolf van Nassau hem als groothertog van Luxemburg op (1890-1905). Deze werd opgevolgd door zijn zoon Willem IV (1905-1912) en, na opheffing van de Salische wet bij gebrek aan mannelijke erfgenamen, diens dochter Maria Adelheid (1912-1919).
Onder hun regering kwam een uitgebreide sociale wetgeving tot stand. Sedert 1881 was lager onderwijs verplicht gesteld. Het bleek een werkzaam instrument voor een politiek van verfransing, bewust gevoerd teneinde het land, economisch nauw met Duitsland verbonden, te beschermen tegen dreigende verduitsing, met de gevaren die deze voor zijn onafhankelijkheid kon meebrengen.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Luxemburg, tegen de bepalingen van het Londense verdrag dat in 1867 de Luxemburgse kwestie had geregeld in, door Duitse troepen bezet, die het als doorgangsgebied naar het Franse front gebruikten. De liberalen en socialisten beschuldigden Maria Adelheid van te grote meegaandheid met de bezetter. Toen op 9 jan. 1919 in de hoofdstad wanordelijkheden uitbraken, deed Maria Adelheid afstand ten gunste van haar zuster Charlotte (1919-1964).
Bij referendum van 28 sept. 1919 werd besloten tot handhaving van het Huis van Nassau en, nu de Zollverein ontbonden was, tot economische aansluiting bij Frankrijk. Dit land zag daar echter vanaf, o.m. wegens het verzet van de Franse ijzerindustrie tegen het opheffen van de douaneprotectie tegen haar Luxemburgse concurrenten; in 1922 werd een economische unie met België afgesloten. De grondwet van 15 mei 1919 had algemeen stemrecht en evenredige vertegenwoordiging ingevoerd. Terwijl onder het censuskiesstelsel de liberalen doorgaans de meerderheid behaalden, begunstigde de nieuwe regeling de katholieken, die voortaan bestendig van de regering deel uitmaakten, al dienden zij daarvoor steun te zoeken bij de liberalen of socialisten.
Op 10 mei 1940 werd Luxemburg andermaal door de Duitsers bezet. De groothertogin en de regering vestigden zich te Londen. Op 1 aug. 1940 werd een Duits burgerlijk bestuur ingesteld. Het Groothertogdom werd in sept. 1944 bevrijd, maar leed grote schade tijdens het Ardennenoffensief. In Londen was de Luxemburgse regering toegetreden tot de Benelux. Na de oorlog trad het Groothertogdom toe tot de NAVO (1949), de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (1951), de West-Europese Unie (1954), de Europese Economische Gemeenschap en Euratom (1957).
In 1961 benoemde groothertogin Charlotte haar zoon Jan tot stadhouder; op 12 nov. 1964 deed zij te zijnen gunste afstand van de troon. Na de verkiezingen van 1974 werden de katholieken (PCS), na 55 jaar regeringsdeelname, naar de oppositie verdrongen en kwam een liberaal-socialistisch kabinet aan de macht. In 1979 wonnen de sociaal-christelijken echter opnieuw de verkiezingen. In de jaren tachtig bleef de PCS de partij met de grootste aanhang (verkiezingen 1989: 32,5% van de stemmen), gevolgd door de socialisten (26% van de stemmen in 1989). Onder druk van andere Europese landen werd besloten banken verplicht te stellen om verdachte transacties aan justitie te melden. In 1995 werd het bankgeheim voor grotere belastingfraudes en criminele zaken opgeheven. Bij de parlementsverkiezingen van juni 1994 behielden de PCS en de POSL een ruime meerderheid. In jan. 1995 aanvaardde premier Santer de functie van voorzitter van de Europese Commissie. Als premier werd hij opgevolgd door zijn partijgenoot Juncker.



Telefoongids Luxemburg
Postcodes Luxemburg

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009