|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Het
landschap valt uiteen in twee streken. De Oesling (828 km2) ten noorden
van de lijn Redange-Diekirch is een onderdeel van het
Ardennen-Eifelmassief. Het massief is er, behalve in het noorden, waar
het tot 559 m hoog is, sterk versneden door de diepe valleien van de
Sauer (Sûre), Clerf, Wiltz en Our; de plateauresten overschrijden er de
400 m. Het centrale en het zuidelijke deel, Gutland of Le Bon Pays (1758
km2), vormen een onderdeel van het Lotharingse cuestalandschap, dat tot
het Bekken van Parijs behoort. De hoogte varieert van 200 tot 350 m. Het
laagste punt (129 m) ligt aan de samenvloeiing van de Sauer, de
belangrijkste rivier van Luxemburg, en de Moezel.
1.2 Klimaat
Luxemburg heeft, evenals het gebied ten oosten van Samber en Maas in
België, een continentaal klimaat, dat nog enigszins de matigende invloed
van de zeelucht ondergaat, maar toch sterk aansluit bij het meer
continentale klimaat van Zuid-Duitsland. De gemiddelde jaartemperatuur
schommelt tussen ongeveer 7 °C in de Oesling en 9 °C in Gutland
(geringere hoogteligging). De gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid neerslag
bedraagt 740 mm.
1.3 Plantengroei
De Oesling en Gutland zijn van nature grotendeels begroeid met beuken.
De beukenbossen zijn echter grotendeels gedegradeerd of werden door
culturen vervangen. Gutland vertoont botanisch vrij veel
verscheidenheid. Bepaalde delen zijn vergelijkbaar met het Belgische
Lotharings district. Op mergelbodems bestaat het natuurlijke bos uit
eiken en haagbeuken. Een groot deel van Gutland wordt echter door 'Gres
de Luxembourg' ingenomen, vergelijkbaar met de Belgische Ardennen.
Voorts komen grove den en fijnspar voor door aanplanting.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld omvat elementen van de fauna van de West-Europese
laagvlakte. De meeste zoogdieren van deze laagvlakte zijn er
vertegenwoordigd, evenals enkele ingevoerde soorten als de moeflon en
het damhert. Ook werd de aanwezigheid van de wasbeer vastgesteld. Van de
vogels is het aantal water- en moerasvogels beperkt wegens de geringe
oppervlakte van de geschikte biotopen. Alleen de wilde eend, winter- en
zomertaling, kievit en blauwe reiger komen regelmatig voor. Het korhoen
schijnt verdwenen te zijn. Alle vissoorten van de snelstromende wateren,
zoals beekforel, vlagzalm, barbeel, molenaar en neusvis, komen voor,
alsook enkele elementen van traagstromende wateren, als snoek, brasem,
rietvoorn en karper. Ten gevolge van de kunstwerken in Rijn en Moezel en
de verontreiniging van deze rivieren komen migrerende soorten, zoals
zalm en zeeforel, niet meer voor. Vrijwel alle inlandse vogels zijn
beschermd.
2. Bevolking
2.1 Spreiding
De bevolking is ongelijk over het land verdeeld. In Oesling is de
bevolkingsdichtheid (25 à 50 inw. per km2) veel lager dan het landelijke
gemiddelde. In Gutland worden hogere concentraties vastgesteld met twee
zwaartepunten, resp. rond de stad Luxemburg en in het industriegebied
van Esch-sur-Alzette in het zuidwesten. Het inwonertal neemt traag toe.
De toeneming is volledig toe te schrijven aan immigratieoverschot. Een
derde van de totale bevolking bestaat uit buitenlandsers: EU-ambtenaren,
in en rond de hoofdstad, en gastarbeiders in de zuidelijke industriekern
(10% van de bevolking zijn Portugezen, 5% Italianen). Een vijfde van de
bevolking woont in de hoofdstad.
2.2 Taal
Het algemeen verspreide Letzeburgesch, een Duits dialect, is sinds 1985
de officiële taal. Het Duits is de schrijftaal voor handel en pers, het
Frans wordt gebruikt als ambtelijke taal.
2.3 Religie
Ca. 95% van de bevolking is rooms-katholiek. Sinds 1870 is het
Groothertogdom een bisdom. De protestantse Kerk van Luxemburg (luthers)
dateert van 1894 en telt slechts ongeveer 1500 leden.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Luxemburg
is een constitutionele parlementaire monarchie. De huidige grondwet is
van 1868 (gewijzigd in 1919, 1948, 1956, 1972, 1983, 1988 en 1989). De
functie van het staatshoofd - groothertog genoemd - is erfelijk in de
mannelijke linie; bij ontstentenis van mannelijke opvolgers is
vrouwelijke erfopvolging mogelijk. De wetgevende macht wordt naast de
door de groothertog benoemde 21 leden van de Raad van State (Conseil
d'Etat) hoofdzakelijk uitgeoefend door de Chambre des Députés (Kamer van
Volksvertegenwoordigers), bestaande uit 60 leden (één per 5500 inw.),
die rechtstreeks worden gekozen voor vijf jaar, volgens het stelsel van
de evenredige vertegenwoordiging. Actief kiesrecht hebben alle
Luxemburgers die ouder zijn dan 18 jaar; om gekozen te worden moet men
21 jaar zijn. Er is opkomstplicht. De uitvoerende macht berust bij de
groothertog, die grote invloed op het politieke bestel heeft of kan doen
gelden. Niettemin is voor iedere akte van hem het contraseign van een
verantwoordelijke minister nodig. Aan het hoofd van de regering staat de
minister-president. De Raad van State geeft advies over alle door de
groothertog voorgelegde problemen van administratieve aard. Op het
wetgevende vlak fungeert de Conseil als een soort Tweede Kamer, o.m.
door een verplicht advies te geven over alle wetsontwerpen en
-voorstellen en amendementen.
3.2 Administratieve indeling
Luxemburg telt drie administratieve districten (Luxemburg, Diekirch en
Grevenmacher), die zijn onderverdeeld in 12 kantons en 118 gemeenten.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Luxemburg is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties
van de VN, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO) en de
Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Op het
Europese vlak is Luxemburg lid van de Europese Unie (EU), de Raad van
Europa en de West-Europese Unie (WEU). Kleinschaliger zijn de Benelux en
de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (BLEU).
3.4 Politieke partijen en vakbewegingen
De belangrijkste politieke partijen zijn de Parti chrétien-social
(christen-democraten), de Parti ouvrier socialiste luxembourgeois
(socialisten) en de Parti démocratique (liberalen). De grootste vakbond
is de Confédération Générale du Travail du Luxembourg. 60% van de
werkenemers is bij een vakbond aangesloten.
4. Economie
4.1 Algemeen
Het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking is met $ 39.850 een van
de hoogste ter wereld. Het bruto nationaal product (bnp) steeg tussen
1984 en 1994 met gemiddeld 3, 4% per jaar. Naar bedrijfstak is het bnp
tegen marktprijzen voor 1% van de landbouw, voor 25% van de industrie
(inclusief de bouwnijverheid) en voor 69% van diensten en van de
overheid afkomstig (1994). De financiële sector maakt Luxemburg sinds de
jaren zeventig tot een van de leidende financiële centra ter wereld. 70%
van de actieve bevolking is werkzaam in de dienstensector, 28% in de
industrie en 3% in de landbouw. Ca. 40% van de werknemers is
buitenlander, de meesten komen dagelijks de grens over.
4.2 Landbouw
Sinds de Tweede Wereldoorlog is de landbouw sterk gerationaliseerd. Het
aantal landbouwbedrijven is sinds 1950 gedaald met ca. 60%. De
gemiddelde bedrijfsoppervlakte van de landbouwondernemingen is gestegen
en bedroeg in 1995 46 ha. Ca. 56% van de landbouwgronden wordt in
eigendom geëxploiteerd. Veeteelt (koeien en varkens) is de belangrijkste
vorm van landbouw. Daarnaast worden voedergranen, gerst en aardappelen
geproduceerd. Langs de Moezelvallei is wijnteelt. Ca. 34% van de
oppervlakte van het land is met bos bedekt.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
De uit de 17de eeuw daterende ontginning van ijzererts uit de
Bajociencuesta in het uiterste zuiden (kanton Esch) is vanaf 1950 sterk
teruggelopen wegens het afnemend ijzergehalte, het hoge fosforgehalte
(0,7%) en de zwakke concurrentiepositie ten opzichte van rijkere
ertslagen. De productie stopte in 1981 en momenteel wordt ijzererts
geïmporteerd. Er zijn nog enkele steengroeven. Voor zijn
energievoorziening is het Groothertogdom voor 95% van het buitenland
afhankelijk. De eigen elektriciteitsproductie (waterkracht) voorziet in
de resterende 5% van het binnenlandse energieverbruik.
4.4 Industrie
Aan de ijzer- en staalindustrie in het zuidwesten van Gutland dankt het
land grotendeels zijn bestaansmogelijkheden. Wel is de staalproductie
ten gevolge van de wereldstaalcrisis sinds de tweede helft van de jaren
zeventig sterk teruggelopen: 2, 6 miljoen ton in 1995, tegen 6,5 miljoen
ton in 1974. Overige industriële ondernemingen zijn: kunststof- en
chemische industrie, farmaceutische en metaalverwerkende industrie. Er
zijn industriële bedrijven van enkele multinationale ondernemingen,
zoals Goodyear, Du Pont en General Motors gevestigd, die tezamen ruim
25% van de totale industriële productie van de uitvoer van het land voor
hun rekening nemen.
4.5 Handel
Sinds 1921 vormt Luxemburg een monetaire en economische unie met België,
waardoor de tolbarrières tussen beide landen geleidelijk verdwenen (zie
Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, BLEU). De handelsbalans vertoont
een voortdurend tekort (60, 6 miljard F. in 1994, 24,7 miljard F. in
1983), slechts ten dele gecorrigeerd door de groei van bankwezen en
toerisme. Vrijwel de gehele handel vindt plaats met andere EU-landen,
waarbij Duitsland en België de belangrijkste partners zijn. Ingevoerd
worden vooral afgewerkte producten, ertsen en steenkool. De uitvoer
bestaat voor iets meer dan een derde uit staalproducten. Producten van
rubber- en plasticindustrie nemen 14% van de totale uitvoer voor hun
rekening.
4.6 Bankwezen en financiën
Het monetaire statuut van Luxemburg wordt geregeld door het Protocol van
monetaire associatie tussen België en Luxemburg van 29 jan. 1963 en door
de Wet van 15 maart 1979. De Belgische frank is wettelijk betaalmiddel
in het Groothertogdom. Daarnaast mag het Groothertogdom eigen
muntstukken en bankbiljetten uitgeven voor een bepaald bedrag. Dat geld
wordt uitgegeven door de Schatkist door bemiddeling van de Caisse
d'Épargne de l'État. Daarnaast mag ook de Banque Internationale
bankbiljetten van 100 F uitgeven tot een bepaald maximum.
De bank- en financiële functie van Luxemburg, bevorderd door een
gunstiger fiscaal regime dan in de grotere buurstaten alsmede door een
streng, door de wet gegarandeerd bankgeheim en de afwezigheid van een
controlerende centrale bank (zie belastingparadijs), worden ook nog
gestimuleerd door de rol van de stad Luxemburg als hoofdstad van de EGKS
en als vestigingsplaats van andere EU-instellingen. In 1996 waren er 222
banken, die ruim 20.000 personen werk boden en de belangrijkste bijdrage
leveren aan het bnp. Het merendeel van de banken is juridisch
buitenlands.
4.7 Verkeer
In het goederenverkeer spelen de (staats)spoorwegen (270 km) een
overwegende rol. Het wegennet is 5220 km lang. Voor het goederenvervoer
te water is de haven van Mertert aan de gekanaliseerde Moezel
belangrijk. Het internationale luchtverkeer geschiedt via de luchthaven
Luxemburg-Findel.
5. Toeristische
gegevens
Het
toerisme is een belangrijke factor in de economie van Luxemburg. De
toeristische trekpleister vormt het gebied ten zuiden van de Sauer aan
de grens met Duitsland, het zgn. Klein Zwitserland. Het behoort tot het
Duits-Luxemburgse natuurpark. Kenmerkend zijn de rotsen, vooral in het
Müllerdal, met kloven (Schluffen) en de opmerkelijke plantengroei.
Andere bezienswaardigheden op natuurgebied zijn de schilderachtige
valleien van de Esch, Moezel, Sauer, Our en Wiltz. De toeristisch
interessante steden zijn, behalve de hoofdstad Luxemburg, Clervaux,
Diekirch, Echternach, Remich, Vianden en Wiltz. Een bekende badplaats is
Mondorf-les-Bains.
Uit de middeleeuwen zijn enkele burchten of belangrijke resten daarvan
bewaard, o.a. te Beaufort, Bourscheid, Clervaux, Larochette, Vianden. De
belangrijkste musea zijn de Musées de l'État (archeologische,
natuurhistorische, historische, kunst- en volkskundige afdelingen) en
het Musée Pescatore (17de- tot 19de-eeuwse Belgische, Franse en
Hollandse schilderkunst) in de stad Luxemburg. Voorts zijn er het Maison
Victor Hugo en een volkskundig museum te Vianden, het wijnbouwmuseum A
Possen te Bech-Kleinmacher en een aantal oorlogsmusea (Tweede
Wereldoorlog), o.a. te Clervaux, Esch-sur-Alzette, Ettelbruck, Wiltz, en
streekmusea te Mersch, Nospelt en Rumelange.
6. Geschiedenis
Het Groothertogdom Luxemburg vond zijn oorsprong in het gelijknamige
hertogdom (zie Luxemburg [geschiedenis]), dat in 1795, als departement
Wouden, door Frankrijk werd geannexeerd. Na de val van Napoleon (1814)
werd op Luxemburg aanspraak gemaakt door Pruisen, dat echter alleen de
streek van Bitburg en Kronenburg ontving. In 1815 werd Luxemburg door
het Congres van Wenen aan de Nederlandse koning Willem I persoonlijk
toegekend en verheven tot Groothertogdom, tevens deel uitmakend van de
Duitse Bond. Het werd volgens de Nederlandse Grondwet van 1815 bestuurd
als een provincie en was in de Staten-Generaal vertegenwoordigd. In 1830
sloot Luxemburg zich aan bij de Belgische Revolutie. Het Verdrag der
XXIV Artikelen bracht in 1839 een verdeling tot stand van het
Groothertogdom, waarvan het westelijke grotere deel als Belgische
provincie Luxemburg (zie Luxemburg [aardrijkskunde] 1) werd
afgescheiden.
Voortaan territoriaal van Nederland gescheiden, kreeg Luxemburg een
eigen bestuur, aanvankelijk onder H. Hassenpflug, die degenen die de
revolutie hadden gesteund, vervolgde. Willem II (1840-1849) stond in
1841 een eigen grondwet toe, die evenwel aan zijn absoluut gezag nog
weinig afbreuk deed. Teneinde de door de afscheiding van België
zorgelijke economische toestand te verbeteren, bewerkte hij de
toetreding van het Groothertogdom tot de Zollverein (1842). De
revolutionaire dreiging in 1848 gaf aanleiding tot woelingen, als gevolg
waarvan een nieuwe grondwet, sterk op de Belgische van 1831
geïnspireerd, werd uitgevaardigd, die in 1856 echter buiten werking werd
gesteld.
De opheffing van de Duitse Bond (1866) en het feit dat Luxemburg niet
werd uitgenodigd om tot de nieuwe Noord-Duitse Bond toe te treden,
wijzigden grondig de internationale situatie van het Groothertogdom (zie
Luxemburgse kwestie). Vanaf die jaren was Luxemburg deelgenoot in de
economische groei van Duitsland. Vooral de ijzerindustrie ontwikkelde
zich krachtig. Staatkundig kende het land, waar prins Hendrik zijn broer
Willem III als stadhouder van 1850 tot zijn dood (1879)
vertegenwoordigde, rustige jaren, die ook onder het langdurig bewind van
minister Eyschen (1888-1915) voortduurden. In 1868 was weer een liberale
grondwet ingevoerd.
Nadat de zoons van Willem III waren overleden, namen de
particularistische Luxemburgers de gelegenheid te baat om, door zich te
beroepen op de Salische wet, een einde te maken aan de personele unie
met Nederland. Krachtens het Nassaus familieverdrag van 1783 volgde na
Willems dood in 1890 de in 1866 onttroonde hertog Adolf van Nassau hem
als groothertog van Luxemburg op (1890-1905). Deze werd opgevolgd door
zijn zoon Willem IV (1905-1912) en, na opheffing van de Salische wet bij
gebrek aan mannelijke erfgenamen, diens dochter Maria Adelheid
(1912-1919).
Onder hun regering kwam een uitgebreide sociale wetgeving tot stand.
Sedert 1881 was lager onderwijs verplicht gesteld. Het bleek een
werkzaam instrument voor een politiek van verfransing, bewust gevoerd
teneinde het land, economisch nauw met Duitsland verbonden, te
beschermen tegen dreigende verduitsing, met de gevaren die deze voor
zijn onafhankelijkheid kon meebrengen.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Luxemburg, tegen de
bepalingen van het Londense verdrag dat in 1867 de Luxemburgse kwestie
had geregeld in, door Duitse troepen bezet, die het als doorgangsgebied
naar het Franse front gebruikten. De liberalen en socialisten
beschuldigden Maria Adelheid van te grote meegaandheid met de bezetter.
Toen op 9 jan. 1919 in de hoofdstad wanordelijkheden uitbraken, deed
Maria Adelheid afstand ten gunste van haar zuster Charlotte (1919-1964).
Bij referendum van 28 sept. 1919 werd besloten tot handhaving van het
Huis van Nassau en, nu de Zollverein ontbonden was, tot economische
aansluiting bij Frankrijk. Dit land zag daar echter vanaf, o.m. wegens
het verzet van de Franse ijzerindustrie tegen het opheffen van de
douaneprotectie tegen haar Luxemburgse concurrenten; in 1922 werd een
economische unie met België afgesloten. De grondwet van 15 mei 1919 had
algemeen stemrecht en evenredige vertegenwoordiging ingevoerd. Terwijl
onder het censuskiesstelsel de liberalen doorgaans de meerderheid
behaalden, begunstigde de nieuwe regeling de katholieken, die voortaan
bestendig van de regering deel uitmaakten, al dienden zij daarvoor steun
te zoeken bij de liberalen of socialisten.
Op 10 mei 1940 werd Luxemburg andermaal door de Duitsers bezet. De
groothertogin en de regering vestigden zich te Londen. Op 1 aug. 1940
werd een Duits burgerlijk bestuur ingesteld. Het Groothertogdom werd in
sept. 1944 bevrijd, maar leed grote schade tijdens het
Ardennenoffensief. In Londen was de Luxemburgse regering toegetreden tot
de Benelux. Na de oorlog trad het Groothertogdom toe tot de NAVO (1949),
de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (1951), de West-Europese
Unie (1954), de Europese Economische Gemeenschap en Euratom (1957).
In 1961 benoemde groothertogin Charlotte haar zoon Jan tot stadhouder;
op 12 nov. 1964 deed zij te zijnen gunste afstand van de troon. Na de
verkiezingen van 1974 werden de katholieken (PCS), na 55 jaar
regeringsdeelname, naar de oppositie verdrongen en kwam een
liberaal-socialistisch kabinet aan de macht. In 1979 wonnen de
sociaal-christelijken echter opnieuw de verkiezingen. In de jaren
tachtig bleef de PCS de partij met de grootste aanhang (verkiezingen
1989: 32,5% van de stemmen), gevolgd door de socialisten (26% van de
stemmen in 1989). Onder druk van andere Europese landen werd besloten
banken verplicht te stellen om verdachte transacties aan justitie te
melden. In 1995 werd het bankgeheim voor grotere belastingfraudes en
criminele zaken opgeheven. Bij de parlementsverkiezingen van juni 1994
behielden de PCS en de POSL een ruime meerderheid. In jan. 1995
aanvaardde premier Santer de functie van voorzitter van de Europese
Commissie. Als premier werd hij opgevolgd door zijn partijgenoot Juncker.
Telefoongids Luxemburg
Postcodes
Luxemburg
|