Is in het algemeen
een satelliet (begeleider) van een planeet. In het bijzonder
bedoelt men met 'de maan' (ook wel: Maan) de natuurlijke satelliet
van de aarde. De maan is een bijna bolvormig hemellichaam, dat
zich op een afstand van gemiddeld 384.400 km van de aarde bevindt.
Zij is het dichtstbijzijnde hemellichaam, afgezien van de door
mensen gebouwde kunstmanen.

1. Beweging aan de hemel
De maan komt evenals de zon en de sterren in het oosten op en gaat in
het westen onder als gevolg van de rotatie van de aarde. Nauwkeuriger
waarnemingen laten zien, dat de maan zich bovendien oostwaarts beweegt
langs de hemel, waarbij zij zich ca. 1° (dat is bijna evenveel als haar
eigen schijnbare diameter) in een uur verplaatst. Na een dag blijkt de
maan zich derhalve gemiddeld 13° verplaatst te hebben, zodat zij van dag
tot dag steeds later opkomt. Deze beweging is het gevolg van de omloop
van de maan om de aarde in 27,321661 dagen (siderische maand). Die
omloop geschiedt in dezelfde richting als waarin de aarde zich om de zon
beweegt.
1.1 Opkomst
Zo ziet men de maan 's avonds als een smalle sikkel, de maansikkel, aan
de westelijke avondhemel. De volgende avond echter staat zij reeds 13°
oostelijker (en dus hoger). Na een week is de boogafstand tot de zon (de
elongatie) reeds gegroeid tot ca. 90° (kwadratuur) en de sikkel tot een
halve cirkel (eerste kwartier). Nog een week later is zij zover naar het
oosten gelopen, dat de maan bij zonsondergang opkomt en vol is geworden.
Weer een week later komt de maan pas omstreeks middernacht op en is
inmiddels nog maar voor de helft verlicht (laatste kwartier, eveneens
kwadratuur). Daarna komt zij steeds later op en neemt steeds meer af om
ten slotte alleen nog maar aan de oostelijke morgenhemel vlak voor
zonsopkomst als een smal sikkeltje zichtbaar te zijn. Daarna ziet men de
maan gedurende enkele nachten in het geheel niet (nieuwe maan), totdat
zij opnieuw aan de avondhemel opduikt en het verschijnsel zich herhaalt.
Het later opkomen van dag tot dag heeft niet steeds met regelmatige
tussenpozen plaats en varieert ook met het jaargetijde.
1.2 Winter- en zomermaan
Daar de volle maan ten opzichte van de aarde ongeveer tegenover de zon
staat, gedraagt de volle maan in de winter zich als de zon in de zomer.
Zij komt (in onze streken) in het noordoosten op, culmineert hoog boven
de horizon midden in de nacht (zie culminatie [astronomie]) en gaat in
het noordwesten onder. De volle maan in de zomer gedraagt zich echter
als de zon in de winter en zij culmineert dan ook op veel geringere
hoogte. Bovendien varieert dit van jaar tot jaar. Dat hangt samen met de
stand van de baan van de maan.
2. Baan
De maan beweegt zich om de aarde volgens de wetten van Kepler (zie
Johannes Kepler) in een bij benadering elliptische baan (zie ellips
[wiskunde]), waarvan de aarde in een van de brandpunten staat. Het
baanvlak helt 5°8¢33² op het vlak van de aardbaan (zie ecliptica). De
excentriciteit is gemiddeld ca. 1/19 (ten gevolge van storingen
variërend van 1/15 tot 1/23). Het punt waarin de maan het verst van de
aarde verwijderd is, heet apogeum (afstand maan-aarde 405!500 km); het
punt waarin zij zich het dichtst bij de aarde bevindt, heet perigeum
(afstand 363!300 km). De beweging van de maan om de aarde wordt in
hoofdzaak bepaald door de kracht waarmee de aarde de maan aantrekt (zie
gravitatie). Daarnaast ondergaat zij echter merkbaar de invloed van de
aantrekking van de zon. De baan van de maan wordt voorts door zeer vele
storingen beïnvloed. Het heeft veel moeite gekost om de ingewikkelde
beweging van de maan te ontwarren. Men kan haar plaats aan de hemel
echter zeer nauwkeurig vooruit berekenen.
3. Schijngestalten
Het meest treffende verschijnsel bij de maan is het optreden van de
schijngestalten of fasen. Steeds is de helft van de maanbol die naar de
zon is toegekeerd, verlicht. Van dit deel ziet men slechts het gedeelte
dat op het naar de aarde toegekeerde maanhalfrond ligt. De fase hangt
dus af van de onderlinge stand zon, aarde en maan. Zo is het steeds weer
nieuwe maan als de maan aan de hemel dicht bij de zon staat. Het donkere
deel is echter niet geheel onzichtbaar, maar zendt nog een zeer zwak
schijnsel uit: het asgrauw licht.
Aangezien de zon zich evenals de maan tussen de sterren van west naar
oost beweegt, maar veel langzamer dan de maan, is het tijdsinterval
tussen twee nieuwe manen langer dan de siderische maand. Het
tijdsinterval tussen twee nieuwe manen duurt 29, 530588 dagen
(synodische maand).
4. Afmetingen, vorm en massa
Uit de afstand van de maan en haar schijnbare diameter van ca. 1/2° kan
men haar lineaire afmetingen bepalen. Zo vindt men dat de diameter van
de maan 3476 km bedraagt. Het oppervlak is dan 1/14 van dat van de aarde
en de inhoud 1/49 van de inhoud van de aarde. Hoewel de maan geen
volmaakte bol is, zijn er slechts zeer geringe afwijkingen van de
bolvorm.
Om de massa van de maan te bepalen, zijn er drie manieren: het effect
van de maan op de baanbeweging van de aarde, haar invloed op de rotatie
van de aarde en de uitwerking van de maan op de baan van een ruimteschip
dat om haar heen draait. De laatste methode is de meest nauwkeurige en
de hiermee berekende waarden leiden tot een massa van 7,35 × 1022 kg,
dit is ca. 1/81 van de massa van de aarde.
5. Inwendige
Uit het volume en de massa van de maan berekent men de gemiddelde
dichtheid. Deze bedraagt 3, 34 g/cm3, aanmerkelijk minder dan die van de
aarde. Tijdens de Apollo-expedities (zie ook Apollo-project) werd op de
maan een aantal seismografen opgesteld. Elke seismograaf registreerde
inslagen van raketten, ruimtecapsules en meteorieten en zo kreeg men
zeer veel informatie over de inwendige structuur van de maan. De
allerbuitenste schil bestaat uit los opeengepakt puinachtig gesteente.
Naar beneden toe worden de lagen compacter, hoewel er nog veel barsten
en scheuren aanwezig moeten zijn. Uit de voortplanting van de seismische
golven volgt verder dat het gesteente onder de 25 km lijkt op
anorthositisch gabbro. Op een diepte van 60 km is er een
structuurverandering, zodat men aanneemt dat dit de grens is van de
maankorst. Hier begint de mantel (lithosfeer), die zich tot op zo'n 1000
km diepte uitstrekt. Op diepten tussen 800 en 1000 km in deze mantel
zijn haarden van maanbevingen. Er zijn er ongeveer 50 gevonden, die min
of meer regelmatig actief zijn. Hun activiteit herhaalt zich maandelijks
onder invloed van de aardse getijden, terwijl ook de invloed van de
getijdekrachten van de zon merkbaar is. Waarschijnlijk liggen de
bevingshaarden op de grens van de mantel en de asthenosfeer, het
centrale deel van de maan, met een straal van ca. 700 km. Deze heeft een
vrij warme kern, maar er is geen convectie, zoals in de asthenosfeer van
de aarde. De kern is waarschijnlijk halfvloeibaar.
6. Magneetveld
Met de Russische kunstmaan Loena-2 heeft men voor het eerst getracht het
magneetveld van de maan te meten. De resultaten, die door alle latere
metingen werden bevestigd, laten zien dat het magneetveld zeer zwak is.
Ook het gedrag van de zonnewind in de omgeving van de maan bevestigt het
vrijwel ontbreken van een magneetveld en een eventueel daarmee
samenhangende magnetosfeer.
Aangezien de maan zich in het magneetveld van de interplanetaire ruimte
beweegt, wordt door magnetische inductie ook binnen in de maan een
magneetveld opgewekt. De Explorer 35 heeft zowel het interplanetaire
veld als het geïnduceerde veld opgemeten. Tijdens de missies van de
Apollo 15 en 16 (zie Apollo-project) werden er kleine subsatellieten in
banen op 100 km hoogte om de maan gebracht, die de sterkte van beide
magneetvelden tezamen konden meten en tegelijkertijd het daarop
gesuperponeerde echte maanveld. Dit laatste kon uit de metingen worden
afgeleid en zou aan de pool slechts 0,000!05% van het aardveld bedragen.
6.1 Magnetische gesteenten
Op het oppervlak vonden de Apollo-astronauten echter veel sterkere
velden. Metingen met een draagbare magnetometer wezen uit dat het veld
van plaats tot plaats sterk varieert. Waarschijnlijk worden deze
magneetvelden veroorzaakt door plaatselijke magnetische gesteenten, die
soms magcons genoemd worden. Deze zijn waarschijnlijk resten van vroeger
gemagnetiseerd materiaal. Inderdaad blijken ook sommige maanstenen
duidelijk meetbare overblijfsels te vertonen van vroegere sterkere
velden tijdens hun ontstaan, ca. 3,8 miljard jaar geleden.
7. Libraties
De maan keert steeds dezelfde kant naar de aarde toe. De duur van haar
aswenteling is nauwkeurig gelijk aan die van de siderische maand. Toch
wijkt op sommige ogenblikken het naar ons toegekeerde maanhalfrond iets
af van het gemiddelde. Deze afwijkingen worden libraties genoemd. Men
onderscheidt vier soorten libraties: de libratie in breedte, die in
lengte en de dagelijkse libratie, terwijl er ten slotte nog een ander
soort, de fysische libratie, bekend is. De libratie in breedte wordt
veroorzaakt door het feit dat de omwentelingsas van de maan niet precies
loodrecht op het vlak van de maanbaan staat, maar een hoek van ca. 6°
met de loodlijn op dat vlak maakt. Hierdoor ziet men op verschillende
tijden van de maand iets meer van de zuidelijke poolstreken, op andere
tijden weer meer van de noordelijke poolgebieden op de maan. Daar de
schijnbare beweging van de maan om de aarde niet eenparig en haar
aswenteling nagenoeg wel eenparig is, kunnen wij ook soms iets meer over
de oostelijke rand heen en een halve maand later weer meer over de
westelijke rand heen zien. Dat is de libratie in lengte. De dagelijkse
libratie wordt veroorzaakt door de aswenteling van de aarde. De richting
waarin een waarnemer de rand van de maan ziet, verschuift in de loop van
de nacht een weinig op de maanbol ten gevolge van de betrekkelijk
geringe afstand van de waarnemer tot de maan en zijn beweging op de
roterende aarde. De fysische libratie is het gevolg van echte
onregelmatigheden in de rotatie van de maan. Zij is buitengewoon klein.
8. Achterkant
De libraties zijn zo klein, dat toch nog 41% van het maanoppervlak nooit
zichtbaar is vanaf de aarde. Op 7 okt. 1959 slaagde het Russische
ruimteschip Loena-3 erin een deel van de achterkant voor de eerste keer
te fotograferen. Later voltooiden Russische en Amerikaanse satellieten
dit werk en kon de gehele achterkant in kaart worden gebracht. De
structuur van de achterkant verschilt van de naar ons toegekeerde kant:
men vindt er geen grote vlakten zoals die op de voorzijde reeds met het
blote oog als de bekende donkere vlekken zichtbaar zijn. De achterkant
is volledig met kraters bedekt. Afgezien van deze feiten zijn er echter
bijna geen essentiële verschillen.
9. Atmosfeer
De maan heeft geen atmosfeer. Ook voordat de maanlandingen hadden
plaatsgevonden, had men daarvoor verscheidene bewijzen. Zo blijven de
sterren die de maan bij haar langzame verplaatsing langs de hemel bedekt
voordat zij achter de rand van de maan verdwijnen, tot op het laatste
moment hun volle helderheid behouden. Deze aan de donkere rand van de
maan waargenomen sterbedekkingen (occultaties) leveren bovendien het
belangrijkste waarnemingsmateriaal voor de studie van de beweging van de
maan. Behalve dat het licht van de sterren, voordat zij door de maan
bedekt worden, niet merkbaar verzwakt, behouden de sterren ook hun
plaats, met andere woorden er is geen refractie of breking. Ook het
volkomen ontbreken van schemeringsverschijnselen aan de grens van licht
en donker op de maan (de terminator) wijst op het ontbreken van een
atmosfeer.
9.1 Dichtheid
Men kon vóór het Apollo-project uit deze gegevens afleiden, dat de
dichtheid van eventueel nog op de maan aanwezige gassen kleiner moest
zijn dan 10-12 van de dichtheid van de aardse atmosfeer. Deze lage grens
was mede verkregen door waarnemingen van occultaties van kosmische
radiobronnen door de maan. Tevens volgde daaruit dat er op de maan een
zeer ijle ionosfeer aanwezig is met een elektronendichtheid van ca.
103/cm3. Metingen door Apollo 12 hebben aangetoond, dat de waarden van
de atmosfeer- en elektronendichtheid lager liggen dan men had verwacht.
Ook op theoretische gronden is het logisch dat de maan geen dampkring
bezit, omdat de zwaartekracht onvoldoende is om een atmosfeer blijvend
vast te houden. De zwaartekracht op de maan is slechts 1/6 van die op
aarde en heeft een waarde van 1, 62 m/s2. Water is er op de maan
evenmin. Was er water, dan zou het spoedig verdampt zijn. Vroeger meende
men dat er water kon voorkomen in chemisch gebonden vorm aan bepaalde
zouten (hydraten). In de naar de aarde gebrachte maangesteenten heeft
men echter dergelijk gebonden water niet aangetroffen.
10. Albedo
Het licht dat wij van de maan ontvangen, is teruggekaatst zonlicht en
het spectrum ervan is gelijk aan dat van de zon. De kleur ervan is iets
geler dan zonlicht. Bij volle maan is de hoeveelheid zonlicht 375.000
tot 630.000 keer sterker dan de hoeveelheid maanlicht die wij op aarde
ontvangen (dit hangt af van de afstand aarde-maan). De gemiddelde waarde
is 465.000. Zelfs als de gehele hemelbol met volle manen bedekt zou
zijn, zouden deze nog maar 20% van de hoeveelheid licht uitzenden die de
zon ons oplevert. Hoewel de kwartierstanden een half zo groot lichtend
oppervlak vertonen, is hun helderheid slechts 1/9 van die van de volle
maan, doordat er dan een grote schaduwwerking optreedt. De albedo van
het maanoppervlak bedraagt gemiddeld 0, 073, dwz. dat ca. 7% van het
zonlicht dat de maan treft, wordt teruggekaatst. Er zijn uiteraard
plaatselijke verschillen in albedo voor verschillende plaatsen op de
maan. De albedo loopt echter niet sterk uiteen. De helderheid van de
donkere gebieden op de maan is een factor 31 minder dan die van de
lichtste gebieden.
11. Formaties
In een kijker laat de maan een groot aantal details op haar oppervlak
zien die voor het ongewapend oog onzichtbaar zijn, in het bijzonder
wanneer de fase in de buurt van het laatste of eerste kwartier ligt,
daar dan de schaduwen van de bergen, die aan de lichtgrens (terminator)
duidelijk zichtbaar zijn, extra goed waarneembaar zijn.
11.1 Bergen, kraters en maria
De natuur van de op de maan zichtbare bergformaties verschilt
aanmerkelijk van die op aarde. Terwijl op aarde bergketens talrijk zijn,
vertoont de maan er slechts enkele. Daarentegen is er een groot aantal
kraters op de maan. Merkwaardig is dat de maankraters in het algemeen zo
veel groter zijn dan de aardse kraters. Aardse kraters zijn zelden
groter dan 10 km in diameter; op de maan is het aantal met een diameter
van 80 à 100 km talrijk. Een typische maankrater is nagenoeg
cirkelvormig, de omtrek wordt gevormd door een bergring van 300 tot 6000
m hoog boven het omringende terrein. De bodem van de krater is meestal
lager dan de omgeving. Heel vaak is er in het midden een soms
onregelmatig gevormde centrale berggroep.
De reeds met het blote oog zichtbare donkere vlekken zijn uitgebreide
vlakten van donkerder tint dan de hun omringende 'continenten', die
dikwijls met kraters bezaaid zijn. Vroeger zag men deze vlakten ten
onrechte voor zeeën aan; zij worden daarnaar nog steeds genoemd en
dikwijls met de Latijnse naam mare (meerv. mária) aangeduid.
11.1.1 Topografie
Uit de lengten van de schaduwen die zij op het maanoppervlak werpen, is
het mogelijk de hoogten van de maanbergen te bepalen. Hoewel deze soms
betrekkelijk hoog zijn, zien maanreizigers toch geen hoge steile bergen
om zich heen, mede als gevolg van de sterke kromming van het
maanoppervlak. De hellingen zijn bovendien meestal tamelijk gering
(zelden groter dan 10°). Dit heeft men ook kunnen afleiden uit de
terugkaatsing van radargolven (zie radar) door het maanoppervlak. De
maria vertonen in de kijker een vrij gladde bodem, maar de opnamen die
de Rangers en de Orbiters van zeer geringe hoogte namen, lieten zien dat
die vlakten in werkelijkheid bedekt zijn met een enorm aantal kratertjes
en kuiltjes en soms zwak glooiende inzinkingen. Ook in de continentale
gebieden komen zij in groten getale voor. Het terrein is daar nog veel
ruwer en dikwijls bezaaid met rotsblokken. De kleinste kratertjes die
men op aardse opnamen kan onderscheiden, zijn ca. 500 m groot. Uit de
Ranger-, Orbiter- en Surveyor-opnamen bleek dat het aantal kleine
kratertjes enorm veel groter is dan het aantal grote kraters. De
kleinste kraters die men kon onderscheiden, zijn slechts enkele mm in
diameter. In bodemmonsters vond men onder de microscoop talloze
inslagkratertjes van bijv. 0,01 mm.
11.2 Stralenstelsels
Vele tientallen grote kraters, waaronder een aantal van de bekendste,
zoals Tycho en Copernicus, worden omgeven door een stralenstelsel. Zo'n
aureool van stralen ziet men het beste bij volle maan. De heldere witte
strepen die de krater omringen lopen dwars over alle andere details
heen. Daarnaast is er op de maan een groot aantal 'miniatuurstralenstelsels',
rondom kleine witte kratertjes. Deze zijn meestal kleiner dan 1000 m.
Vooral op de achterkant van de maan zijn ze talrijk.
11.3 Kratersoorten
Men verdeelt de momenteel bekende kraters in primaire kraters
(inslagkraters en vulkanische kraters), secundaire kraters en
inzakkingskraters. Tot de eerste soort behoort het merendeel van de
objecten die van de aarde uit zichtbaar zijn. De secundaire kraters
omringen bepaalde grote primaire kraters. Zij zijn vaak iets langgerekt
van vorm en minder diep; zij hebben een veel lagere wal. De
inzakkingskraters zijn 200 m of minder in diameter en bezitten geen
wallen.
11.4 Rillen en heuvelruggen
In de bodem vindt men een aantal grote scheuren, waarvan sommige 200 km
lang zijn, terwijl de breedte slechts zelden een waarde van 1 à 2 km
bereikt. De diepte bedraagt meestal een derde deel van de breedte. Het
merendeel is ondiep. Zij worden rillen genoemd. Een merkwaardig soort
rillen bestaat uit een aaneengesloten keten van kleine kratertjes. Deze
zijn soms enigszins langgerekt in de richting waarin de rille verloopt.
In de vlakten ziet men een aantal ruwweg evenwijdig met de randen
verlopende bergwallen, die heuvelruggen worden genoemd en die
waarschijnlijk door plooiing zijn ontstaan. Hun helling bedraagt slechts
enkele graden en zij zijn zelden meer dan enkele honderden meters hoog.
11.5 Rotsblokken
Reeds de opnamen van de Rangers en de Orbiters lieten zien dat er ook in
de vlakten op sommige plaatsen grote groepen rotsblokken voorkomen,
variërend in grootte van enkele centimeters tot verscheidene meters.
Later werden zij door de televisiecamera's in de Loena's en Surveyors
nader bestudeerd en zag men dat er ook met afmetingen van millimeters
voorkomen. Men krijgt de indruk, dat zij uit de primaire kraters zijn
weggeslingerd. Mogelijk zijn daarbij ook de secundaire kraters ontstaan.
12. Bodem
Het onderzoek van de microstructuur van de maanbodem is gestimuleerd
door de ruimtevaart, want men wilde de draagvastheid van de bodem weten.
Tot ca. 1920 dacht men dat de maanbodem uit vast gesteente bestond.
Omdat de kwartierstanden vergeleken met de volle maan zo weinig licht
geven, kwam men tot de veronderstelling dat het oppervlak bedekt moest
zijn met kuiltjes en putjes. Men dacht toen dat het oppervlak bedekt was
met puimsteen. Na 1920 ontdekte men dat de polarisatie van het maanlicht
met de fase varieert. Bernard Lyot vergeleek die variatie met aardse
materialen en vond eenzelfde kromme bij vulkanische as van de Vesuvius.
In 1955 voorspelde Dollfus op grond van polarisatiemetingen de
gedetailleerde structuur van het maanstof.
12.1 Temperatuur
De temperatuur van het maanoppervlak kan gemeten worden uit de
hoeveelheid gereflecteerde straling. Zij varieert sterk met de
belichting. Zo heeft men gevonden dat de temperatuur van het centrum van
het verlichte halfrond +130 °C is. Gedurende de maannacht wordt de
temperatuur zeer laag (-180 °C). Ook tijdens maansverduisteringen heeft
men temperatuurmetingen verricht. Men vond dat de temperatuur tijdens
een maansverduistering zeer snel daalde, wat erop wijst dat de
oppervlaktelagen van de maan zeer slecht warmte geleiden. Alleen poeders
in hoog vacuüm geleiden warmte even slecht als de maan, waaruit men de
conclusie trok, dat de maanoppervlakte uit een fijn poeder bestond.
Tevens had men hierin een onafhankelijk bewijs voor de afwezigheid van
een maanatmosfeer. Uit detailmetingen van de temperaturen op het
maanoppervlak vond men dat sommige plaatsen, zoals bijv. de
stralenkraters, hete plekken vertonen, die ook minder snel afkoelen. De
Amerikaanse ruimtesonde Clementine ontdekte in 1994 de (mogelijke)
aanwezigheid van ijs in kraters op de noordpool van de maan.
Na diverse landingen kreeg men betrouwbare gegevens: de bodem is
inderdaad zeer poreus. De porositeit is hoger dan 40% en er zijn sterke
cohesiekrachten. Het draagvermogen van de maanbodem bleek voldoende te
zijn om maanreizigers en hun voertuigen te dragen. Bodemonderzoek met
alfastralen toonde aan dat de chemische samenstelling van de maanbodem
overeenkomt met basalt. Voor de korrelgrootte van het maanzand vond men
ca. 0, 03 mm, en voor de dichtheid 1,5 g/cm3. Rotsblokken vertoonden
sporen van erosie.
12.2 Direct bodemonderzoek
Direct bodemonderzoek werd mogelijk nadat op 20 juli 1969 de maansloep
van Apollo-11 met de eerste mensen op het maanoppervlak (in de Mare
Tranquillitatis) was geland. De beide astronauten, Neil A. Armstrong en
Edwin Eugene Aldrin, verzamelden ca. 22 kg maanmateriaal. Hiermee was
een belangrijke nieuwe stap in de selenologie gedaan. In totaal werden
in het Apollo-project, dat in dec. 1972 werd afgesloten met de vlucht
van Apollo-17, zes maanlandingen uitgevoerd.
Ook de Russische landingen met onbemande ruimtevaartuigen van het type
Loena leverden een groot aantal gegevens op. Van deze Loena's waren er
enkele waarvan een deel van de capsule met een bodemmonster of een
boormonster naar de aarde terugkeerde. Daarnaast werden er twee keer
kleine tractorachtige maanmobiles naar onze satelliet gebracht. Deze
Loenochods konden vanaf de aarde worden bestuurd en zich over een
bepaald tracé over het maanoppervlak verplaatsen. Intussen deden de
daarin geplaatste instrumenten de nodige waarnemingen, die naar de aarde
werden doorgeseind.
12.3 Gesteenten
Op de maan komen zowel stollingsgesteenten als metamorfe gesteenten
voor, maar afzettingsgesteenten ontbreken. Het door de astronauten en de
Loena's verzamelde stollingsgesteente uit de vlakten bestaat uit
basalten en gabbro's, terwijl de continenten opgebouwd zijn uit
anorthosieten, continentale basalten en gabbro's (althans de buitenste
lagen). Er zijn belangrijke aanwijzingen dat er nog veel meer andere
soorten gesteenten op de maan voorkomen en door het meegaan van een
geoloog bij de Apollo-expeditie werden er toen inderdaad reeds enkele
bijzondere soorten verzameld, waaronder troctolieten en een duniet.
De donkere kleur van de vlakten wordt mede veroorzaakt door het feit dat
de gesteenten daar relatief zeer veel pyroxeen bevatten (vooral in de
vorm van augiet), maar daarnaast ook veel plagioklaas. Een ander
mineraal dat relatief veel in maanbasalten voorkomt, is ilmeniet (een
titaanerts). Zulke basalten worden dan ook wel ilmenietbasalten genoemd.
Het blijkt dat de marebasalten zijn in te delen naar het percentage
ilmeniet dat zij bevatten.
Onder de continentale gesteenten is veel anorthosiet, waarin het
mineraal plagioklaas domineert, dat in dit geval zeer rijk is aan
calcium. Daarnaast komen er basalten voor die relatief rijk zijn aan
aluminium, fosfor, kalium en zeldzame aarden (zie lanthaanreeks). Van
beide soorten gesteenten waren bij de Apollo-11-tocht reeds minuscule
brokjes in het maanzand aangetroffen, veelal in de vorm van glas.
Materie met de samenstelling van de continentale basalten werd
aanvankelijk met de naam kreep aangeduid (ook wel noriet genoemd). Later
kwam de naam Fra Mauro-basalt er voor in de plaats. Troctolieten, die de
Apollo-17 meenam, bestaan uit olivijn en veldspaat en dunieten bestaan
vrijwel uitsluitend uit het mineraal olivijn.
12.4 Fotometrisch onderzoek
Uit later fotometrisch onderzoek is gebleken dat er nog veel andere
soorten basalten op de maan moeten voorkomen. In het verzamelde
materiaal werden geen sporen van recent of uitgestorven leven gevonden.
Wel blijkt dat aardse planten uitstekend groeien in naar de aarde
overgebracht maanmateriaal.
De meeste stenen op de maan behoren tot de metamorfe gesteenten. Het
zijn breccies, aaneengekitte brokjes gesteente, opgebouwd uit fragmenten
van diverse soorten basalten, continentale gesteenten, losse mineralen,
stukjes glas en reeds eerder gevormde breksies. Zij zijn doortrokken van
breuken en barsten en vaak bedekt door een korst van glas. Met behulp
van petrografisch onderzoek kunnen in diverse onderdelen van de breksies
verschillende graden van beschadiging door schokeffecten worden
onderscheiden. Daaruit concludeert men dat ze zijn ontstaan bij inslagen
die duidelijk samenhangen met de vele kraters op de maan.
In de maangesteenten komen dus dezelfde mineralen voor als op aarde. In
totaal zijn er echter slechts ca. 100 verschillende mineralen op de maan
geteld. Dat is veel minder dan op aarde. Men verklaart dat uit het
ontbreken van een atmosfeer en de afwezigheid van water op de maan.
Blijkbaar is dat in het verleden ook altijd zo geweest.
12.5 Ouderdom
De basalten uit de vlakten zijn meestal iets meer dan drie miljard jaar
oud, terwijl sommige continentale gesteenten en delen van breksies veel
ouder zijn. Sommige stenen blijken 10 tot 100 miljoen jaar op het
oppervlak te liggen en aan de zonnestraling te zijn blootgesteld. Voor
die tijd waren ze door stof of zandlagen bedekt. Bepaalde monsters tonen
duidelijk sporen van erosie aan hun oppervlak, veroorzaakt door de
ongetemperde bestraling door de zonnewind en de kosmische straling,
evenals door het inslaan van kleine meteorieten.
Het maanstof en het maanzand dat werd verzameld, is afkomstig van de
bovenste laag van de maanbodem, die men regoliet noemt. Het materiaal
bestaat uit kleine stukjes gesteente, kleine meteorieten, enkele
mineralen en stukjes glas. Het zand en het stof hebben een sterke
cohesie en zijn weinig samendrukbaar. Het blijkt dat het materiaal na
een tiental centimeters aanmerkelijk vaster wordt. Allerlei
verschijnselen wijzen erop dat smeltprocessen door enorme inslagen
hebben plaatsgevonden. De inslag ging gepaard met schokfronten waarvan
men het effect in de deformatie van kristallen en glas nog kan
waarnemen. De fragmenten en stenen bevatten veel kratertjes aan het
oppervlak, omringd door glas. De inslagen waren soms zo hevig, dat er
maanstenen de ruimte in werden geslingerd. Zeker twaalf meteorieten die
men op aarde heeft gevonden, zijn afkomstig van de maan.
12.6 Bodemstructuur
Het totaalbeeld van de maanbodem is nu als volgt. Boven op het vaste
gesteente bevindt zich een laag rotsblokken en puin. De vorm van de
kraters geeft inlichtingen over deze laag. Op de landingsplaats van
Apollo-11 bevindt het vaste gesteente zich op een diepte van 3 tot 6
meter onder de bodem (dit is verschillend van plaats tot plaats). Op de
landingsplaats van Apollo-12 is de diepte geringer. Alle bodemmonsters,
ook de dieptemonsters die met een holle buis werden verzameld, komen uit
die laag boven het vaste gesteente. Hierin werden vier soorten materiaal
aangetroffen. In de eerste plaats fragmenten van het vaste gesteente;
deze zijn het meest homogeen in samenstelling. In de tweede plaats
brokstukken, bestaande uit overgangsvormen van deze gesteenten en van
samengeklonterde stof; deze zgn. brokstukken zijn vnl. bij inslagen
geproduceerd. In de derde plaats glas, als bolletje of als fragment
ervan. Ten slotte is er het maanstof; dit lijkt in samenstelling het
meest op de brokstukken. Het stof vormt een allesbedekkend laagje. Het
is ontstaan ten gevolge van het voortdurend bombardement dat meteorieten
in alle afmetingen en kosmische straling op de maanbodem uitoefenen.
13. Gamma- en röntgenonderzoek
Tijdens de tochten van de Apollo-15 en -16 werd er een kleine
subsatelliet in een baan om de maan gebracht. Deze satelliet
registreerde de gammastraling van het maanoppervlak. Deze ontstaat door
radioactiviteit en op deze wijze kan men gesteenten met veel kalium
opsporen. Metingen bij andere frequenties zijn representatief voor ijzer
en titanium. Voor een brede strook van de maanbodem onder de baan van
deze satellieten kon men aldus de relatieve hoeveelheden van genoemde
elementen in kaart brengen.
Ook werden tijdens de Apolloreizen röntgenmetingen uitgevoerd. Daaruit
volgt de concentratie van aluminium, magnesium en silicium, omdat deze
atomen onder invloed van de zonnestraling een deel van het opvallende
licht in het gebied van de röntgenstraling terugkaatsen. Uit de
meetresultaten blijkt dat er weinig menging heeft plaatsgevonden tussen
het continentale regoliet en dat op de vlakten.
14. Ontstaan van de maan en het maanlandschap
G.H. Darwin vond een verklaring voor het feit dat de siderische maand en
de asrotatie van de maan even lang zijn. Onderstelt men van de maan dat
de rotatieperiode om haar as vroeger korter is geweest dan de siderische
maand en neemt men verder aan dat de maan toenmaals vloeibaar was, dan
zal de aarde op de maan getijden hebben verwekt die ten opzichte van de
aarde een vaste positie innamen. Als gevolg van de wrijving die deze
getijden op de roterende maan uitoefenden, is deze langzamer gaan
draaien. Dit proces heeft net zo lang geduurd, totdat de rotatietijd en
de omlooptijd aan elkaar gelijk waren. Dit is de toestand zoals wij die
thans kennen. Uit deze onderzoekingen van Darwin volgde tevens, dat de
maan in het verleden waarschijnlijk zeer dicht bij de aarde gestaan
heeft, wat door andere waarnemingen wordt bevestigd. Fossiele koralen
bewijzen dat het aantal dagen per jaar vroeger groter was; de
aswenteling van de aarde was sneller dan nu en werd door de nabijheid
van de maan afgeremd. De maan zal lang geleden op een afstand van
ongeveer drie aardstralen gestaan hebben; toen duurde de dag (rotatie
van de aarde) nog geen vijf uur en de maand (omlooptijd van de maan)
slechts weinig langer.
14.1 Botsingstheorie
In het onderzoek naar het ontstaan van de maan is in de jaren tachtig
een opmerkelijke verschuiving opgetreden. Volgens de klassieke
hypothesen zou de maan uit de aarde zijn losgescheurd (door de
getijdewerking van de zon), of juist door de aarde zijn ingevangen, of
zouden aarde en maan gelijktijdig in elkaars nabijheid uit de oernevel
zijn ontstaan. In deze drie hypothesen zitten echter zulke gebreken, dat
ze vrijwel geheel zijn verlaten. Tegelijkertijd is een betrekkelijk
nieuwe hypothese populair geworden. Volgens deze zou een protoplaneet
ter grootte van Mars tegen de aarde zijn gebotst en ontstond de maan uit
het aardmateriaal dat zich daarna in een baan om de protoaarde bewoog of
uit de restanten van de protoplaneet.
Voor een verklaring van het ontstaan van de maankraters zijn in
hoofdzaak twee theorieën naar voren gebracht. De eerste tracht het
ontstaan te verklaren door inwendige oorzaken, en wel door gigantische
uitbarstingen, wel te vergelijken met explosies die op aarde vulkanen,
lavastromen en uitbarstingen doen ontstaan. Sinds de Apollovluchten
wordt het ontstaan van de meeste kraters echter verklaard uit externe
effecten, en wel door het inslaan van objecten uit de wereldruimte in de
maanbodem (zie ook meteorietkrater). De weggeslagen brokken zouden dan
de secundaire kraters en de rotsblokken hebben doen ontstaan.
Op grond van zorgvuldig onderzoek heeft men ook kaarten van de maan
ontworpen, die overeenkomen met de aardse geologische kaarten (de
maankaarten). Men verdeelt de bodemstructuren in verschillende soorten
en classificeert die naar hun vermoedelijke ouderdom. Zo heeft men ook
een selenologische geschiedenis ontworpen, die verdeeld wordt in een
vijftal perioden, van oud naar jong, resp. Prenectarian (eerder dan 4,2
miljard jaar geleden), Nectarian, Imbrian (3,8-3,3 miljard jaar
geleden), Erathostenian en Copernican (sinds 1,8 miljard jaar geleden).
|