|

|
In de jaren '30 van de
20ste eeuw raakte de wereldhandel in het slop door een zware economische
depressie; in de ontwikkelde wereld had dat massale werkloosheid tot gevolg.
De marktkrachten en de 'laissez-faire'-politiek waren niet in staat geweest
om de wereldeconomie in evenwicht te houden. Terwijl economen zochten naar
een verklaring, wilden politici een concrete oplossing van het probleem. De
Cambridge-econoom John Maynard Keynes (1883-1946) leverde
beide in zijn revolutionaire boek 'The General Theory of Employment,
Interest and Money'.
Keynes' redenering was dat er niet op het marktmechanisme vertrouwd kon
worden voor het verschaffen van afdoende werkgelegenheid. In perioden waarin
de vraag naar goederen lager is dan het aanbod, zullen bedrijven arbeiders
ontslaan en zullen particuliere investeerders hun geld vasthouden met als
resultaat dat de vraag nog meer afneemt. Laissez-faire was in deze situatie
niet langer een levensvatbare methode. Regeringen zouden actief moeten
ingrijpen om de economie te stabiliseren. Dit betekent dat tijdens recessies
de vraag van de consument gestimuleerd moet worden door
belastingsverlagingen en dat arbeidsplaatsen gecreëerd moeten worden met de
hulp van overheidssteun en particuliere leningen. In de daarop
volgende opbloei van de economie, zouden de vraag vervolgens weer ingeperkt
en de inflatie gekeerd kunnen worden door belastingsverhogingen, hierbij
gebruik makend van het surplus in het budget door leningen af te betalen.
Veel van de ideeën van Keynes konden al teruggevonden worden in de 'New
Deal'-politiek van de Amerikaanse president
Roosevelt,
ingevoerd in 1933.
De ideeën van Keynes waren van grote invloed, niet in het minst omdat hij de
eerste macro-econoom was die gebruik maakte van wat hij noemde 'aggregate'
(grootschalige) factoren om zijn economische modellen te presenteren. Hij
liet zien hoe landen kunnen optreden als economische entiteiten. Regeringen
kunnen verschillende werktuigen gebruiken om de economische pomp aan de gang
te krijgen, de vraag te stimuleren en meer welvaart en banen te creëren. Het
belangrijkste hiervan is de hoeveelheid geld in de economie te doen toenemen
door de rente te verlagen en aldus de mensen te stimuleren om hun geld uit
te geven of te investeren in plaats van op te potten.
In de eerste tientallen jaren na
de Tweede
Wereldoorlog bleek een mengeling van keynesianisme en
laissez-faire-kapitalisme bijzonder effectief : het resulteerde in een
gestage groei, lage inflatie en een stijgende levensstandaard. Begrippen als
begrotingstekort en staatsschuld werden bekende elementen van de
wereldeconomie. Maar in de laten jaren '60 begonnen de inflatie en de
werkloosheid weer toe te nemen. Het keynesianisme maakte plaats voor
monetarisme. |
|
|
|
|
|
|