|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Men kan Marokko verdelen in vier natuurlijke landschappen:
a. De Rif, evenwijdig aan de Middellandse-Zeekust, omvattend de
bergketens vanaf de Moulouyamonding tot aan de Straat van Gibraltar;
hoogste top: Tidirhine (2456 m). Het is een sterk geërodeerd en weinig
toegankelijk bergland. De kust is sterk geleed en rotsig.
b. Het bergmassief van de Atlas [aardrijkskunde]. Tussen het
Rifgebergte en de Midden-Atlas (de noordwestelijkste keten van de Atlas)
ligt de Poort van Taza, die in het Tertiair een zeestraat tussen
Atlantische Oceaan en Middellandse Zee was en nu de voornaamste
verbindingsweg met het oosten vormt. Ten zuiden van de Midden-Atlas ligt
de Hoge Atlas, verbonden met de zuidelijkste keten, de Anti-Atlas. De
Hoge Atlas bestaat vnl. uit een serie hoge plateaus (tot 2000 m), die de
zuidzijde van de vlakte van de Sous begrenzen en in terrassen naar de
wadi Dra'a in het voorland van de woestijn afdalen.
c. De hoogvlakte van Oost-Marokko, een steppe in de regenschaduw
van de Atlasketens. Hier ligt het brede dal van de 530 km lange Moulouya,
die ontspringt op de Midden-Atlas en uitmondt in de Middellandse Zee.
Afdalend van het Atlasgebergte naar het zuidoosten ligt op een hoogte
van 1500 à 1600 m een plateaulandschap dat door een breuklijn gescheiden
wordt van de Sahara. De tektonische bewegingen langs dit breukvlak
veroorzaken soms hevige aardbevingen (verwoesting van Agadir in 1960).
d. Het gebied ten noordwesten van de Atlas. Er zijn drie
landschapsvormen te onderscheiden, een vruchtbare kustvlakte, meer
binnenwaarts een droog, steppeachtig, minder vruchtbaar plateau en ten
slotte een strook aan de voet van het gebergte. Deze laatste is rijk aan
water en vormt een aaneenschakeling van boomgaarden, waarvan de oase van
Marrakech het middelpunt vormt.
1.2 Klimaat
Het klimaat verschilt naar landschap: het berggebied heeft ruwe winters
en matig warme, in het zuiden hete zomers; rijke neerslag valt vooral in
de winter (800-1000 mm) op de westhellingen van Midden- en Hoge Atlas.
Op de oostelijke hoogvlakte valt aan de lijzijde van het gebergte weinig
neerslag (200 mm). In de noordelijke kustvlakten heerst een
Middellandse-Zeeklimaat, naar het binnenland neemt de invloed van het
continent toe.
1.3 Plantengroei en dierenwereld
Het noorden van Marokko heeft een typisch mediterrane plantengroei, met
o.a. kurkeiken, die sterk is beïnvloed door mens en dier. Naar het
zuidwesten toe krijgt de vegetatie een meer tropisch Afrikaans aanzien
door het voorkomen van cactusachtige Euphorbia- en Acacia-soorten. In
het gebergte overweegt op de hoogvlakten het alfagras en op de hellingen
zijn nog bosrestanten met o.a. de Aleppoden en boven de 2000 m een
alpine vegetatie.
De dierenwereld vertoont een interessante vermenging van
circummediterrane (afkomstig uit de Palaearctische Regio, waartoe
Marokko in wezen behoort; deze elementen zijn dus sterk Europees van
karakter) en Afrikaanse elementen. De Noord-Afrikaanse, Barbarijse,
Berber- of Atlasleeuw is reeds in de jaren twintig van de 20ste eeuw
geheel uitgeroeid, evenals het Noord-Afrikaanse hartenbeest (dat al
eerder verdween) en het Atlashert (een vorm van het edelhert, in plaats
waarvan men het Spaanse edelhert ingevoerd heeft). Van enkele soorten
gazellen komen nog zeer gereduceerde aantallen voor; panter en
jachtluipaard komen wellicht nog spaarzaam voor. Ook de enige aap, de
magot, is zeldzaam geworden, vnl. als gevolg van kaalslag van het
gestaag verminderende bosareaal. Jacht en natuurbescherming zijn
wettelijk geregeld; desondanks is vooral de stroperij door nomaden aan
de noordgrens van de Sahara een probleem. De kusten van Marokko
herbergen een rijke zeefauna.
      
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Ca. 36% van de bevolking bestaat uit Berber(volken), 20% is Arabier en
40% is gearabiseerd Berber. De helft van de buitenlanders (circa 60!000)
is Frans. Verder wonen er Spanjaarden en Algerijnen. De Berbers, van wie
nog slechts 36% Berber in culturele zin genoemd kan worden, bewonen
vooral de gebieden van de Hoge Atlas en de Midden-Atlas en zijn
voorland, het stroomgebied van de Sous, alsook de Rif. 2,8% van de
bevolking (in het zuiden) is negroïde. Het aantal joden liep tussen 1969
en 1989 terug van 162!000 tot 30!000. De bevolking is ongelijkmatig over
het land verspreid. Op 1/10 van de oppervlakte leeft 2/3 van de
bevolking in het noordwesten en westen van het land. Het dichtst bevolkt
zijn de vruchtbare gebieden aan de kust, en ook het Seboelaagland (Rharb),
de Rif en het westelijk deel van de Meseta (ten westen van de
Midden-Atlas). Door trek naar de stad neemt de bevolking in de steden
jaarlijks 5% toe. In 1995 leefde ruim 50% van de totale bevolking in
steden (in 1960: 29%). Tussen de 0,6 en 1 miljoen Marokkanen werken als
gastarbeider in het buitenland, van wie 40% in Frankrijk en ca. 150!000
in Nederland. De jaarlijkse bevolkingstoename wordt op 2,4% geschat. Het
geboortecijfer bedroeg in de periode 1985-1994 28‰, het sterftecijfer
8‰. De gemiddelde levensverwachting is 63 jaar. De kindersterfte bedroeg
in 1994 4,6‰. 42% van de bevolking is jonger dan 15 jaar, 43% tussen de
15 en 45 jaar, 11% tussen 45 en 65 jaar en 6% ouder dan 65 jaar (1994).
De grootste steden zijn Rabat (incl. Salé, 1!397!000 inw. in 1993),
Casablanca (3,5 miljoen), Marrakech (1,6 miljoen), Fès (1 miljoen),
Meknès (500!000) en Oujda (1 miljoen).
2.2 Taal
De officiële schrijftaal is het Arabisch. De gesproken taal is het in
vele opzichten van het standaard Arabisch afwijkende Marokkaans
Arabisch, dat door 60% van de bevolking gesproken wordt. 30 à 40%
spreekt het aan het Oud-Egyptisch verwante Berbers. Frans heeft als
tweede taal steeds een belangrijke plaats behouden in het openbare
leven. Verder wordt in het voormalige Spaanse noorden Spaans gesproken.
2.3
Religie
Staatsgodsdienst is de soennitische islam; 98% van de bevolking behoort
hiertoe. De koning, die zich als religieus leider ziet, zou tot de ahl
al-bait of de familie van de profeet Mohammed behoren. Hoewel de
islamitische doctrine geen heiligen kent, treft men in Marokko een diep
in het volksgeloof gewortelde maraboetverering (zie maraboet) aan. Het
christendom, m.n. het rooms-katholicisme, is vooral onder de
buitenlanders vertegenwoordigd.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1972, laatstelijk gewijzigd in 1992, is Marokko
een 'constitutionele, democratische en sociale monarchie' met
erfopvolging in de mannelijke lijn. Staatshoofd, geestelijk hoofd (Amir
al-Mu'mibin = vorst der gelovigen) en opperbevelhebber van de
strijdkrachten is de koning. Hij stelt het kabinet samen, vaardigt
wetten en koninklijke decreten uit en heeft de bevoegdheid het parlement
te ontbinden en volksraadplegingen uit te schrijven. Van de 333 leden
van het eenkamerparlement worden 222 leden direct, volgens algemeen
kiesrecht, gekozen, de overigen worden door kiescolleges van
gemeenteraden, kamers van koophandel en werknemersorganisaties
aangewezen. De vrijheid van vereniging is in de grondwet gewaarborgd,
maar wordt in de praktijk vaak beperkt.
3.2 Administratieve indeling
Het land (excl. de Westelijke Sahara) is verdeeld in 39 provincies en
acht stadsprefecturen, met elk een gouverneur, en twee prefecturen.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Marokko is lid van de Verenigde Naties en van suborganisaties van de VN.
Verder is het lid van de Arabische Liga, de Islamitische Conferentie, de
Maghreb Unie, de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, het Internationaal
Monetair Fonds, de Wereldbank en de Algemene Overeenkomst inzake
Tarieven en Handel (GATT). Met Frankrijk worden speciale banden
onderhouden en hoewel Marokko tot de niet-gebonden landen behoort, heeft
het bijzondere betrekkingen met de Verenigde Staten, gebaseerd op een
vriendschapsverdrag uit 1787, het oudste internationale verdrag uit de
geschiedenis van de Verenigde Staten. Marokko heeft de status van
geassocieerd lid van de EU.
3.4 Politieke partijen; vakbonden
Vergeleken met andere Noord-Afrikaanse landen is er een grote
verscheidenheid aan politieke partijen. De voornaamste zijn: de
koningsgezinde centrum-rechtse Union Constitutionelle (UC), opgericht in
1982; het Rassemblement National des Indépendents (RNI), een
massabeweging ter ondersteuning van het beleid van de koning; de Parti
National Démocrate (PND), sociaal-democratische afsplitsing van de RNI,
in 1981 opgericht. Dit zijn de zgn. 'koningspartijen'. Voorts maakt
sinds 1984 van de regeringscoalitie deel uit de Mouvement Populaire, een
beweging van verschillende koningsgezinde organisaties. De belangrijkste
oppositiepartijen zijn de Istiqlal-partij, gematigd socialistisch en
nationalistisch; de Union Socialiste des Forces Populaires (USFP), een
radicale partij die o.a. nationalisatie bepleit; en de nog radicalere
socialistische Union National des Forces Populaires (UNFP). Al deze
partijen zijn in het parlement vertegenwoordigd. De fundamentalistische
moslimpartij Adl wa Lihsane is verboden.
De vakbonden zijn te beperkt in hun bewegingsvrijheid om effectief de
belangen van de werkende bevolking te kunnen behartigen. De grootste
vakbondsorganisatie, de Union Marocaine du Travail (UMT), met ca.
700!000 leden, is nauw verbonden met de USFP. De met de Istiqlal-partij
verbonden Union Générale des Travailleurs du Maroc (UGTM) heeft 500!000
leden.
4. Economie
4.1 Algemeen
De Marokkaanse economie kent dezelfde problemen als die van de meeste
Derde-Wereldlanden: een snel groeiende bevolking, gebrek aan eigen
kapitaal, een voor de industriële ontwikkeling te kleine binnenlandse
markt, gebrek aan gekwalificeerde arbeidskrachten en afhankelijkheid van
enkele exportproducten (fosfaat en landbouwproducten). Van alle
Maghreb-landen is Marokko het armst. De afhankelijkheid van buitenlands
kapitaal is groot en de staatsschulden zijn enorm (in 1994 in totaal US
$ 22,5 miljard). De import was in 1993 bijna 50% groter dan de export
(in 1974 nog ruim 10%). Het bruto nationaal inkomen (bnp) per hoofd van
de bevolking bedroeg in 1994 $ 1150. De werkloosheid, vooral onder de
jongeren, is groot. Het toerisme wordt een steeds belangrijkere bron van
inkomsten; het draagt voor ca. 11% bij in de deviezeninkomsten van
Marokko en geeft aan 5% van de bevolking werk. Sinds 1983 worden de door
de staat beheerste bedrijfstakken voor een deel geprivatiseerd.
4.2 Landbouw, bosbouw, veehouderij, visserij
De landbouw is de belangrijkste sector in de economie, waarin 36% van de
beroepsbevolking werk vindt, en die in 1992 15% van het bnp uitmaakte.
Onvoldoende en onregelmatige regenval veroorzaken grote fluctuaties in
de jaarlijkse oogst. Ongeveer 34 miljoen ha is in cultuur gebracht en
25% daarvan is akkerbouwgrond. Ondanks een snelle uitbreiding van
geïrrigeerd land is slechts 1 miljoen ha geïrrigeerd. In de afgelopen
jaren is de aanhoudende droogte het belangrijkste probleem geweest en
heeft samen met een snelle bevolkingsgroei en de beperkte toegang tot de
EU-markt voor een stagnatie van de productie per hoofd gezorgd. Van de
akkerbouwgronden behoort ca. 6 miljoen ha tot de traditionele sector en
ca. 1 miljoen ha tot de zgn. moderne sector, die 25% van de totale oogst
levert. Naast granen is de verbouw van citrusvruchten, tomaten en
aardappelen van belang. De verbouw van suikerbieten heeft een
spectaculaire groei doorgemaakt.
Bosbouw is voor bijna 100% een staatsaangelegenheid. De totale
oppervlakte aan bos bedroeg in 1994 ca. 5 miljoen ha, 12% van het totale
landoppervlak. De opbrengst wordt gebruikt als brandhout en verwerkt in
de bouw- en meubelindustrie. Marokko is het derde kurk producerende land
ter wereld.
De overwegend extensieve veehouderij van de traditionele sector dekt de
vraag naar vlees niet en invoer is bijgevolg nodig. Perioden van droogte
dwingen tot noodslachtingen, waardoor de veestapel soms tot de helft
moet worden teruggebracht. Het gevolg is dat de huidenprijzen plotseling
scherp dalen.
Visserij. De bijzonder visrijke Atlantische kustwateren worden slechts
gedeeltelijk benut door de technisch weinig geavanceerde en kleine
vissersvloot. De hoeveelheden gevangen vis verschillen sterk per jaar.
Marokko is op een na de grootste sardine-exporteur van de wereld.
4.3 Mijnbouw
Het land beschikt over grote en veelsoortige bodemschatten, die nog
onvoldoende geëxploiteerd worden. De fosfaatproductie is na die van de
Verenigde Staten en Rusland de grootste en dekt ca. 27% van de
wereldbehoefte. Fosfaat levert 30% van de inkomsten uit de export op.
Mét de voorraden in de Westelijke Sahara heeft Marokko ca. 70% van de
wereldvoorraad. Een groot deel van de fosfaatproductie wordt onbewerkt
uitgevoerd. Voorts zijn belangrijke bodemschatten: ijzererts, lood
(Marokko is de grootste loodertsproducent van Afrika), zink, steenkool,
mangaan, kobalt (grootste kobaltproducent van Afrika), aardolie en
aardgas.
4.4 Industrie
De industriële sector is een van de meest dynamische sectoren van de
Marokkaanse economie. Tussen 1980 en 1986 steeg de jaarlijkse productie
met 12%. In 1994 leverde de industrie 30% van het bnp, terwijl ca. 24%
van de beroepsbevolking in deze sector werkzaam was. Vooral de chemische
en de textielindustrie zijn in opmars. Het zwaartepunt van de industrie
ligt in het kustgebied tussen Casablanca en Rabat. Grote industriële
bedrijven zijn het chemiecomplex van Safi (fosfaatverwerking), de
aardolieraffinaderijen van Mohammedia en Sidi Qasim en de celstoffabriek
van Sidi Yahya al-Gharb.
4.5 Handel
De handelsbalans vertoont traditioneel een tekort. Het belangrijkste
aandeel aan de invoer in Marokko leveren Frankrijk, Spanje, Duitsland,
de Verenigde Staten, Canada en Irak. De belangrijkste importartikelen
zijn aardolie, machines, auto's, elektronische apparaten en
levensmiddelen. De grootste afnemers zijn Frankrijk, Duitsland, Spanje,
Italië en India. De belangrijkste exportartikelen zijn fosfaat,
citrusvruchten, visconserven, geknoopte tapijten en confectie.
4.6 Energievoorziening
De aanwezige voorraden steenkool, aardolie en gas en de grote
waterrijkdom in de Atlas kunnen slechts een klein deel (13%) van de
energiebehoeften dekken. Het tekort wordt voor 90% aangevuld door import
van aardolie uit Algerije. 20% van de elektriciteit wordt door
waterkrachtcentrales geleverd.
4.7 Economische planning
Onder druk van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF)
moest Marokko midden jaren tachtig nieuwe prioriteiten in zijn
meerjarenplannen stellen: liberalisering van de handel, bevordering van
de particuliere sector, belastinghervorming en daling van het
begrotingstekort. Voorts streefde het land in 1990 naar importdaling van
levensmiddelen, een jaarlijkse investeringsgroei van 5,3% (vooral in de
particuliere sector), een waardestijging van de export met jaarlijks
5,4% en een inperking van de invoergroei van 3,9%.
4.8 Bankwezen
Naast de Centrale Bank van Marokko zijn er achttien handelsbanken, w.o.
een aantal belangrijke buitenlandse, die in 1975 genationaliseerd zijn.
Voorts zijn er o.m. zeven coöperatieve volksbanken. Het bankwezen wordt
sinds 1992 geliberaliseerd.
4.9 Verkeer
Het wegennet, ruim 62!000 km lang, is na dat van de Republiek van
Zuid-Afrika het dichtst van het continent. Het spoorwegnet, dat 80% van
het goederenvervoer verwerkt, is 1756 km lang, met een geplande uitbouw
van 1000 km (in 1981 begonnen). Het scheepvaartverkeer speelt een
belangrijke rol. Van de Atlantische havens is Casablanca de grootste,
gevolgd door Mohammedia, Safi en Agadir. Royal Air Maroc, grotendeels in
handen van de staat, verzorgt het internationale luchtverkeer.
Casablanca, Tanger, Agadir, Marrakech, Oujda, El Hoceima, Rabat en Fès
beschikken over een internationale luchthaven. Royal Air Inter verzorgt
sinds 1970 het binnenlandse vluchtverkeer.
5. Toeristische
gegevens
Marokko heeft toeristisch veel te bieden: een kust van afwisselend
rotsen en stranden, natuurschoon, exotisch aandoende steden met een
sfeervolle medina (= oude stad) en souks (markten), waar men de
producten van Marokkaans handwerk kan kopen, monumenten van de Berber-
en Arabisch-islamitische cultuur, prehistorische en Romeinse resten, en
het uitgaansleven van Casablanca en Tanger. Populaire badplaatsen zijn
Salé, Azemmour, el Jadida (met 16de-eeuwse Portugese binnenstad), Safi,
Essaouira, Agadir en el Hoceima. Het spectaculairste natuurschoon vindt
men in de Hoge Atlas, waar Boumalne het uitgangspunt is voor de grillige
Gorges du Dadès. In tegenstelling tot dit droge gebied staat de milde
Midden-Atlas met zijn meren, riviertjes, watervallen en cederbossen.
Langs de Ziz (Er Rachidia, Erfoud, Rissani) en de Dra (Zagora, Agdz)
bevinden zich vele oases. In alle gebergten in Marokko zijn
wintersportcentra, bijv. Ketama, Mischliffen en Oukaimeden.
De oudste cultuurhistorische monumenten zijn de prehistorische
rotstekeningen in de Hoge en Anti-Atlas uit ca. 10!000-5000 v.C., o.a.
bij Oukaimeden, waar in de rotsen talrijke geometrische figuren,
vuistbijlen, mensen en dieren zijn gegraveerd. Van de Romeinse
ruïnesteden is Volubilis beroemd, met resten van triomfbogen, thermen en
woonhuizen met veel goed bewaard gebleven vloermozaïeken, gelegen bij de
heilige stad Moulai Idris.
Veel plaatsen in Marokko hebben een kasba (= burcht). De kasba's van de
Berbers vertonen een eigen stijl: het zijn tot vier verdiepingen hoge,
lemen burchten op vierkante plattegrond, met vier uitspringende
hoektorens en met eenvoudige geometrische decoraties in diep-reliëf.
Sommige Berberkasba's bestaan uit ommuurde complexen met daarbinnen
verschillende burchten, stallen en tuinen. Ze dien(d)en als
vluchtburcht, familiehuis en/of voorraadschuur. Tot de mooiste
Berberkasba's behoren die van Telouet, Âït-Benhaddou, Boumalne, El
Keela-des-Mgouna en Tinerhir. Sommige Berberdorpen zijn omgeven door
muren met bastions (ksar, meervoud ksour, = vestingdorp), bijv.
Âït-Benhaddou.
De bezienswaardigste Arabisch-islamitische steden zijn, speciaal wat
betreft de - Moors beïnvloede - bouwkunst met haar gedetailleerde
decoratie (zie ook islamitische kunst): de vier koningssteden Fès,
Marrakech, Meknès, Rabat, voorts Tanger, Salé, Tetouan, de heilige stad
Chéchaouen met veel Moors-Andalusische architectuur, vooral moskeeën;
Taza met Grote Moskee, Andalusische Moskee (minaret uit 1200) en een
sultanspaleis. Vele Marokkaanse steden hebben een moussem (= jaarlijkse
bedevaart) ter ere van de plaatselijke heilige, gepaard met
feestelijkheden, waaronder vaak een afsluitende fantasia (= ruiterspel).
Van het Marokkaanse handwerk zijn bekend: de kleurige tapijten (o.a.
Rabat-tapijten), het 'Marokkaans leer' (Meknès), aardewerk uit Safi en
Fès, wollen en zijden stoffen (Fès), intarsiawerk uit Essaouira,
gegraveerde koperen en messing gebruiksvoorwerpen, zilveren en gouden
sieraden, wapens, speciaal de kromdolken uit Tiznit. Het museum in
Tanger herbergt Marokkaanse volkskunst en plaatselijke (o.m. Romeinse)
vondsten.
6. Geschiedenis
6.1 Van de oudheid tot de 19de eeuw
Van de geschiedenis van Marokko, dat al ver voor het Neolithicum door
rondtrekkende volken bewoond geweest moet zijn, is de vestiging van
Fenicische handelsposten aan de kust (o.a. het huidige Larache) in ca.
1200 v.C. het eerste bekende feit. Ook de Carthagers stichtten er
handelsfactorijen.
In de laatste eeuwen voor het begin van onze jaartelling werd het gebied
dat toen de naam Mauretania (genoemd naar de Mauri of Moren) had, door
de lokale dynastieën geregeerd. Bekendste vorst uit die periode was
Juba II - foto (50 v.C. - 23 n.C.). Na de dood van zijn zoon
Ptolemaeus werd het gebied onder de naam Mauretania Tingitana een
Romeinse provincie. Na het ineenstorten van het Romeinse Rijk in het
Westen heersten er enige tijd de Vandalen en daarna probeerde Byzantium
er voet aan de grond te krijgen, maar het kon slechts de stad Ceuta
enige tijd in zijn macht houden (534 tot 709). In feite werd het gebied
door onafhankelijke Berbers beheerst tot ca. 700, toen het land door de
Arabieren werd veroverd en een geleidelijke islamisering begon. Hoewel
het land nominaal onder het kalifaat van Bagdad viel, bleef het ook toen
nog onder de controle van Berbers, tot Idris I, stichter van de
Arabische dynastie der Idrisiden, het gebied probeerde te verenigen.
Onder zijn opvolgers viel het land weer uiteen in een confederatie van
Berbervolken, die het voorwerp werd van de machtsstrijd tussen de
Arabische dynastieën der Fatimiden en de Omajjaden. In het midden van de
11de eeuw ontstonden er onder de Berbers sekten die de islam een nieuwe
strijdbaarheid gaven. Zo verrezen de Berberdynastieën der Almoraviden
(1056-1147) en Almohaden (1147-1269), onder welke Marokko tot grote
macht en bloei kwam en geheel islamitisch Spanje tot tweemaal toe werd
veroverd. In 1269 kwamen de Almohaden definitief ten val: Spanje werd
prijsgegeven aan de christelijke Reconquista, het Noord-Afrikaanse land
werd verdeeld onder drie nieuwe dynastieën. Marokko kwam in handen van
de Mariniden, die reeds in 1196 waren begonnen het land vanuit de Sahara
te infiltreren. Zij bleven tot 1549 aan de macht (na 1428 de tak der
Wattasiden). De Portugezen veroverden Ceuta in 1415, de Spanjaarden in
1496 Melilla. De macht werd van de Wattasiden overgenomen door de
krachtige Sa'adi-sjarifen (sjarif = afstammeling van de profeet
Mohammed), die zich tot 1659, zij het na 1623 alleen te Marrakech,
handhaafden. Zij wisten in 1578 bij Kasr al-Kabir de Portugezen een
beslissende nederlaag toe te brengen. De bekendste vorst van deze
dynastie, Ahmad al-Mansoer (1578-1603), verzette zich met succes tegen
de Turken, die Algerije en Tunesië al in hun macht hadden. Van de
Europese handel op de Middellandse Zee profiteerden de Marokkanen op hun
eigen wijze (Barbarijse zeerovers). Omstreeks 1650 kwam er een nieuw
sjarifenhuis aan het bewind, nl. de Filaliërs of Alawieten van Tafilalet,
van wie Mawlai (= mijn heer) Isma'il al-Samin (1672-1727) het gezag van
de sjarifen in het gehele land herstelde. Na hem geraakte het rijk door
troontwisten en opstanden steeds meer in verval; niettemin hebben de
Filali-sjarifen zich tot op heden als monarchen weten te handhaven.
6.2 Van de 19de eeuw tot 1939
In de 19de eeuw veranderde de internationale positie van Marokko door de
zich wijzigende behoeften van het Europese imperialisme. Na de
verovering van Algerije door de Fransen (1830) steunden de Marokkanen
Abd el-Kader, wat uiteindelijk tot een oorlog leidde. Na de Vrede van
Tanger (1845) profiteerde Marokko nog een tijdlang van zijn gunstige
geografische ligging, die het echter ook tot twistappel van de grote
mogendheden maakte. De internationale conferentie van Madrid (1880)
regelde vooralsnog de staatsrechtelijke positie van het land: de
mogendheden garandeerden Marokko en elkaar Marokko's 'onafhankelijkheid
en economische internationaliteit'. In 1902 evenwel betuigden Frankrijk
en Italië elkaar bij verdrag neutraliteit ten opzichte van hun
Noord-Afrikapolitiek (resp. ten aanzien van Marokko en Tripolis), in
1904 sloot Frankrijk met Groot-Brittannië en Spanje overeenkomsten over
Marokko. Hierbij werd Marokko verdeeld in een internationale zone Tanger,
een Franse invloedssfeer en een Spaanse invloedssfeer. Daarna ontstond
de eerste Marokko-crisis (1905) en bezette Frankrijk, ondanks verzet van
de overige mogendheden, toch een gedeelte van het land. In 1908 werd de
heersende sjarif, sultan Abd al-Aziz, onttroond door zijn broer Mawlai
Hafid, die evenwel ook al spoedig met zijn landgenoten in conflict kwam.
Vervolgens brak de tweede Marokko-crisis (1911) uit. Het resultaat van
de onderhandeling was, dat Duitsland een Frans protectoraat Marokko
erkende. Mawlai Hafid trad af als sultan. Zijn opvolger, Mawlai Joesoef,
sloot de protectoraatsverdragen van 30 maart en 27 nov. 1912 met
Frankrijk en Spanje. De overeenkomst van 1904 werd herzien: Spanje
behield de enclaves Ceuta en Melilla in het noorden en de enclave Santa
Cruz de Mar Pequeña (thans Ifni) in het zuiden wel, maar in verkleinde
vorm. De eerste resident-generaal in het protectoraat Marokko was
generaal Lyautey, die erin slaagde het land in betrekkelijk korte tijd
te pacificeren. Franse troepen hielpen Spanje bij het onderdrukken van
de gewelddadige opstand van de Riffijnse bevolkingsgroepen onder Abd
el-Krim (1921-1926). Lyautey werd in 1925 vervangen door een civiele
resident-generaal, die in feite volledig de macht in handen kreeg,
terwijl de sultan slechts in naam regeerde. In 1932 slaagden de Fransen
erin de oase Tafilalet te bezetten en in 1934 hadden zij geheel Marokko
onder hun gezag gebracht. Omstreeks die tijd uitten zich de eerste
nationalistische gevoelens in de Action Marocaine, met Allal al-Fasi als
een van de voornaamste pleitbezorgers. De partij kwam met een uitvoerig
programma van hervormingen, maar eiste niet direct de afschaffing van
het protectoraat. De Action Marocaine werd in 1937 opgeheven, maar de
tegen het Franse regime gerichte nationalistische propaganda duurde
voort.
6.3 1939-1970
In 1939 sloot Marokko zich aan bij Frankrijk, in 1942 bij de beweging
van de Vrije Fransen van generaal De Gaulle. De nationalisten richtten
in 1943 de Verenigde Onafhankelijkheidspartij (Istiqlal) op (weer met
al-Fasi als een van de voormannen), die volledige onafhankelijkheid voor
Marokko eiste, met een constitutionele vorm van regering onder sultan
Mohammed ibn Joesoef, die het nationalisme steunde. In 1944 werd een
tweede onafhankelijkheidspartij, meer op het Westen georiënteerd,
opgericht, de PDI. De Istiqlal, die in de steden zeer sterk stond, kon
echter maar nauwelijks genade vinden bij de conservatieve Marokkaanse
groepen op het platteland, die zich geschaard hadden rond Thami al-Glawi,
de pasja van Marrakech. In aug. 1953 ging Ibn Joesoef in ballingschap,
toegevend aan de druk van de groep onder leiding van al-Glawi. Mohammed
ibn Arafa werd daarop als sultan erkend.
Er volgde een periode van fel gewapend verzet van de Marokkanen,
waartegenover illegale Franse organisaties, waarin de Franse politie een
belangrijk aandeel had, een 'contraterrorisme' stelden. De situatie
bleef gespannen. In aug. 1955 kwam het Marokkaanse verzet vooral voor op
het platteland, waar talrijke slachtoffers vielen. Ibn Arafa kon de
situatie niet meer in de hand houden en vluchtte naar Tanger. Ibn
Joesoef keerde terug en werd op 5 nov. 1955 opnieuw als sultan erkend.
Op 2 maart 1956 volgde een Frans-Marokkaanse verklaring dat het
protectoraatsverdrag van 1912 was verouderd en dat de Franse regering de
onafhankelijkheid van Marokko erkende. Een Hoge Commissaris zou
Frankrijk in de nieuwe staat vertegenwoordigen. Op 12 nov. 1956 werd
Marokko lid van de Verenigde Naties, op 1 okt. 1958 van de Arabische
Liga. Een internationale conferentie te Fedala had tot resultaat dat
Tanger Marokkaans bezit werd. In 1959 verloor Tanger eveneens zijn
status van economisch internationale zone; in 1962 werd de stad echter
bij Koninklijk Besluit weer tot vrijhaven gemaakt. Spanje erkende
vrijwel gelijktijdig met Frankrijk Marokko's onafhankelijkheid, terwijl
het bovendien afstand deed van zijn noordelijke protectorale bezittingen
in Marokko. Het behield echter steunpunten te Ceuta en Melilla. De
zuidelijke enclave Ifni bleef Spaans, wat in de jaren 1956 tot 1958 tot
veel strijd aanleiding gaf. In dec. 1965 werd door de Verenigde Naties
een resolutie aangenomen volgens welke Spanje Ifni en Spaans Sahara
moest dekoloniseren. Ten aanzien van Ifni werd deze resolutie
uitgevoerd. Op 30 juni 1969 werd Ifni officieel aan Marokko
overgedragen.
Sultan Mohammed ibn Joesoef, die in 1957 de titel koning had aangenomen,
stierf in 1961. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Mawlai Hassan, die als
Hassan II de troon besteeg. In dec. 1962 werd bij referendum een nieuwe
grondwet goedgekeurd en in mei 1963 werden de eerste
parlementsverkiezingen gehouden, waarbij de koningsgezinden wonnen.
Inmiddels was de eerste van een reeks grensconflicten met Algerije
uitgebroken. In febr. 1964 werd het conflict geregeld en een
gedemilitariseerde zone ingesteld. Ook werden door bemiddeling van de
Organisatie van Afrikaanse Eenheid de diplomatieke betrekkingen tussen
beide landen weer opgenomen. Een officieel bezoek van koning Hassan aan
Tunesië in dec. 1964 bracht verbetering in de diplomatieke betrekkingen
met dat land, die ernstig waren verstoord toen Tunesië in 1960 de
onafhankelijkheid van Mauritanië erkende. In juni 1965 stelde Hassan de
grondwet buiten werking en vormde een nieuwe regering met zichzelf als
premier, teneinde zijn plannen voor administratieve en economische
hervormingen door te voeren. In datzelfde jaar werden de politieke
verhoudingen ernstig verstoord door de mysterieuze ontvoering naar
Parijs (en de vermoedelijke liquidatie aldaar) van Ben Barka, de leider
van de linkse Union Nationale des Forces Populaires (UNFP). Ook de
relaties met Frankrijk werden hierdoor ernstig geschaad.
6.4 Binnenlandse politiek sinds 1970
In aug. 1970 werd een nieuwe Wetgevende Vergadering gekozen, waarin door
het afzijdig blijven van de oppositie opnieuw de koningsgezinden een
meerderheid kregen. Intussen had Hassan het premierschap opgegeven. Na
een mislukte staatsgreep in juli 1971 delegeerde Hassan alle burgerlijke
en militaire bevoegdheden aan generaal Mohammed Oufkir. Op 16 aug. 1972
deden officieren van de luchtmacht een greep naar de macht. Generaal
Oufkir, die kort daarna zelfmoord pleegde, zou de leiding hebben gehad.
De staatsgreep werd gevolgd door ingrijpende zuiveringen in de legertop
en de daders werden allen geëxecuteerd. De koning besloot evenwel zijn
bewind meer op legaliteit te baseren en bood de oppositiepartijen
ministersposten aan in het kabinet van zijn zwager Achmed Osman. In 1973
en 1974 vonden op grote schaal politieke processen plaats tegen
studenten en oppositieleiders. Vooral de marxistisch-leninistisch
georiënteerde groeperingen moesten het ontgelden.
In verband met het conflict over de Sahara (zie hierna) deed de koning
pogingen de politieke partijen tot medewerking aan het systeem te
bewegen. De parlementsverkiezingen van juni 1977 eindigden in een grote
overwinning van de koningsgezinde 'onafhankelijken'. De Istiqlal stemde
erin toe deel uit te maken van de regering. In maart 1979 werd een
nieuwe regering op brede basis onder leiding van Maati Bouabid gevormd.
Verder werd een Nationale Veiligheidsraad opgericht onder
voorzitterschap van Osman, waarin alle belangrijke politieke partijen,
inclusief de communisten, zitting kregen om aan de situatie in de Sahara
het hoofd te bieden. De koning bleef echter verregaande bevoegdheden
behouden en de vervolging van politieke tegenstanders werd voortgezet.
In 1980 werd bij referendum een voorstel om de leeftijd voor
troonsbestijging te verlagen van achttien naar zestien jaar en het
voorzitterschap van de regentschapsraad niet langer voor te behouden aan
iemand van de koninklijke familie, aangenomen. De regering liet een
aantal prominente politieke gevangenen vrij en een aantal politieke
ballingen mocht naar Marokko terugkeren.
De door het IMF geëiste afschaffing van voedselsubsidies leidde begin
1981 tot drastische prijsstijgingen en hevige sociale onrust. Massale
stakingen liepen in juni 1981 uit op een bloedbad in Casablanca.
Universiteiten werden gesloten en honderden vakbondsleden en leden van
de oppositiepartij USFP werden gearresteerd.
Bij de parlementsverkiezingen in sept. 1984 behaalden de koningsgezinde
partijen, de Union Constitutionelle van Bouabid en de RNI van Ahmed
Osman een ruime meerderheid. Premier Karim Lamrani werd in 1986
vervangen door Azzedine Laraki. In jan. 1984 en dec. 1990 kwam het
opnieuw tot bloedige voedselrellen. Bij de laatste gelegenheid
manifesteerden zich ook islamitische fundamentalisten, die protesteerden
tegen deelname van Marokkaanse militairen (sinds sept. 1990) aan de
internationale strijdmacht tegen Irak. De Marokkaanse militairen werden
echter niet ingezet bij de bevrijding van Koeweit. In september 1992
werd een referendum gehouden over een nieuwe grondwet met daarin enige
hervormingen. Ondanks een boycot zou de opkomst 97% hebben bedragen.
Verkiezingen in juni 1993 leverden een groot succes op voor de
oppositie.
6.5 Buitenlandse politiek sinds 1970
In jan. 1970 werd Mauritanië volledig door Marokko erkend en in juni van
dat jaar werd er reeds een samenwerkingsverdrag tussen beide landen
getekend.
Ten aanzien van het door Marokko betwiste Spaans Sahara (zie Westelijk
Sahara) werd op 14 nov. 1975 een akkoord bereikt, wellicht mede onder de
druk die Hassan wist uit te oefenen via een door hem georganiseerde
'vredesmars' door 350!000 Marokkanen naar dit gebied, een mars die
evenwel werd afgebroken toen vlak na het overschrijden van de grens een
confrontatie met Spaanse troepen dreigde. Volgens de bepalingen van het
akkoord ontruimde Spanje het gebied vóór 28 febr. 1976, waarna het werd
verdeeld tussen Mauritanië en Marokko (dat het grootste deel van het
gebied langs de Atlantische kust, alsmede de fosfaatgebieden bij Bu Cra
kreeg toegewezen). Het voor een zelfstandige Sahararepubliek strijdende
Polisario begon toen een guerrillastrijd tegen zowel Marokko als
Mauritanië, daarin gesteund door Algerije. Mauritanië kon de
geldverslindende oorlog niet lang volhouden en sloot in aug. 1979 een
akkoord met Polisario om het gebied te ontruimen. Marokkaanse troepen
trokken daarop dit deel van het gebied binnen en het werd als veertigste
provincie bij Marokko ingelijfd. De kwestie van de erkenning van de door
Polisario uitgeroepen Democratische Arabische Republiek Sahara (DARS)
leidde tot een breuk binnen de Organisatie van Afrikaanse Eenheid.
Marokko verbrak de betrekkingen met staten die tot erkenning van de DARS
overgingen. Ten koste van een zware tol aan mensenlevens en geld wist
Marokko geleidelijk een militair overwicht in de Sahara te verwerven. Er
werden door Marokko grote verdedigingswallen opgericht om
Polisariostrijders buiten de mijnbouwgebieden te houden. In aug. 1988
kwam secretaris-generaal van de VN, Perez de Cuellar, met een vredesplan
dat voorzag in een bestand en een referendum. Op basis hiervan trad
Marokko in overleg met Polisario. In maart 1993 riepen de Verenigde
Naties unaniem Marokko op voor het eind van het jaar het toegezegde
referendum te houden over de toekomst van het gebied. Zie ook Westelijke
Sahara.
Binnen de Arabische wereld speelde Marokko een prominente rol. Diverse
malen was koning Hassan gastheer van Arabische topconferenties. Hij
speelde een belangrijke rol bij de terugkeer van Egypte in de Arabische
Liga en ontving in juli 1986 de Israëlische minister van Buitenlandse
Zaken S. Peres. De relaties met Frankrijk en de Verenigde Staten bleven
zeer nauw. In 1977 en 1978 opereerden met Amerikaanse steun Marokkaanse
militairen in Zaïre. In sept. 1990 stuurde Marokko militairen naar
Saoedi-Arabië voor de internationale strijdmacht tegen Irak.
In juni 1993 werden voor het eerst sinds negen jaar
parlementsverkiezingen gehouden, waarbij de belangrijkste
oppositiepartijen forse winst boekten. In nov. vormde premier Lamrani
een nieuwe, niet-partijgebonden regering. Ter gelegenheid van zijn 65ste
verjaardag kondigde koning Hassan II in juli 1994 amnestie af voor
politieke tegenstanders, met uitzondering van degenen die zich opstelden
tegen het Marokkaanse beleid jegens de Westelijke Sahara. De koning
kondigde voorts aan dat de Berberse cultuur voortaan als een wezenlijk
onderdeel van de Marokkaanse identiteit zou gelden en dat lagere scholen
werd toegestaan onderwijs in het Berbers te geven.
De
verhouding met de EU werd lange tijd beheerst door een conflict over
visserijrechten voor de Marokkaanse kust. Mede door ingrijpen van Hassan
II kwam in okt. 1995 een akkoord tot stand, waarbij gedeeltelijk aan de
wensen van de Marokkaanse vissers werd tegemoetgekomen.
Koning
Hassan II zette het beleid van voorzichtige democratisering voort,
zonder dat zijn machtspositie werd aangetast. In een re ferendum
sprak de bevolking zich in sept. 1996 vrijwel unaniem uit voor een
nieuwe grondwet, die voorzag in een tweekamerstelsel: een direct gekozen
Huis van Afgevaardigden en een indirect gekozen Kamer van Raadslieden.
Via deze Kamer zou de koning zijn macht behouden. Onder druk van de EU
begon de overheid een campagne tegen de hennepteelt in
het Rifgebied,
maar buitenlandse deskundigen wezen op een sterke verbondenheid van
overheidsfunctionarissen op alle niveaus met de drugseconomie. Het reeds
lang aangekondigde referendum over de toekomst van de bezette Westelijke
Sahara werd ook in 1996 weer uitgesteld.
De huidige koning Mohammed VI - foto volgde in 1999 zijn vader
op. Hij wordt in het Westen wel beschouwd als een van de representanten
van een nieuwe lichting jonge moderne staatshoofden die in het
Midden-Oosten modernisering en democratie teweeg kunnen brengen. Of dat
ook werkelijk zal gaan gebeuren, moet de toekomst uitwijzen.
|