Is een planeet, in
afstand tot de Zon volgend op de Aarde, dus de vierde planeet van
het zonnestelsel van de Zon af gerekend, en eerste van de
buitenplaneten. Mars is te herkennen aan zijn roodachtige kleur.
Hierdoor en door zijn grote helderheid gedurende bepaalde korte
perioden, en bovendien door zijn snelle en grillige schijnbare
beweging tussen de sterren heeft deze planeet reeds de aandacht
van de allereerste astronomische waarnemers getrokken.

1. Baan
Het vlak van de elliptische baan die Mars om de zon beschrijft, heeft
een helling van 1°51¢ ten opzichte van het vlak van de aardbaan. De
excentriciteit van de Marsbaan bedraagt 0,093 en wordt in het
zonnestelsel bij de planeten alleen door Mercurius en Pluto overtroffen.
De halve grote as van de baan bedraagt 227, 94 miljoen km, dat zijn
1,5237 astronomische eenheden. De grootste afstand tot de Zon bedraagt
249,23 miljoen km, de kleinste 206,65 miljoen km. De afstand tot de
Aarde hangt af van de positie van beide planeten in hun respectieve
banen; hij is het grootst bij conjunctie en het kleinst bij oppositie,
het allerkleinst wanneer Mars bij een oppositie in zijn perihelium
staat. Tijdens een ongunstige oppositie is deze afstand ca. 100 miljoen
km, maar bij een gunstige ruim 56 miljoen km. Dit is de kortste afstand
waarop de Aarde en Mars elkaar kunnen naderen. Gunstige opposities doen
zich om de ca. 16 jaar voor.
2. Omlooptijd
De omlooptijd van Mars in zijn baan om de Zon bedraagt 686.d.23.h.30
min.41.s (siderische omlooptijd). De synodische omlooptijd (van
oppositie tot oppositie) duurt gemiddeld 779, 94 dagen. Mars doorloopt
zijn baan met een gemiddelde snelheid van 24,13 km/s.
Om de ruim twee jaar (de synodische omlooptijd bedraagt twee jaar en
vijftig dagen) bevindt Mars zich in oppositie met de Zon en beschrijft
dan teruglopend (retrograad) een lus tussen de sterren. Hij is gedurende
deze terugloop steeds helderder dan anders. Om de 32 of 47 en vooral
eens in de 79 jaar is zijn helderheid gedurende het teruglopen bijzonder
opvallend.
3. Schijnbare helderheid
De grote verschillen in helderheid die Mars in de loop van de tijd
vertoont, zijn een gevolg van de grote verschillen in afstand tot de
Aarde. De schijnbare helderheid ligt tussen +1,6 bij conjunctie en -2,7
bij de meest gunstige oppositie, een verschil van 4,3 grootteklassen.
Dit is een verhouding 53 tussen de beide hoeveelheden licht. Bij een
gunstige oppositie is Mars driemaal zo helder als Sirius en anderhalf
maal zo helder als Jupiter en wordt hij aan de hemel, behalve door de
Zon en de Maan, slechts door Venus in helderheid overtroffen.
3.1 Albedo
De albedo van Mars is laag. In het visuele gebied kaatst hij slechts 16%
van het opvallende zonlicht terug. Slechts Mercurius heeft een nog
lagere albedo.
4. Afmetingen
De straal van de equator heeft een afmeting van 3394 km, zodat de
oppervlakte 29% van die van de Aarde is en het volume 15% van de inhoud
van de aardbol. De planeet heeft de vorm van een in zeer geringe mate
afgeplatte bol; de afplatting bedraagt 1/193.
5. Massa
Door de derde wet van Kepler toe te passen op de beweging van de twee
manen van Mars, heeft men gevonden dat zijn massa 0,1074 aardmassa's
bedraagt. De dichtheid bedraagt 3,94 g/cm3, dit is 0,72 van die van de
Aarde. De versnelling van de zwaartekracht aan het oppervlak bedraagt
0,378× die aan het aardoppervlak.
De storingen van de planeet op de ruimtesondes Mariner-6 en -7 leidden
tot een veel nauwkeuriger bepaling van de massa (0, 1074469 ± 0,0000035
× de aardmassa).
6. Aswenteling
Mars roteert in 24!h!37 min 22, 663 s ± 0,004 s om een as die een
helling van 65°14¢ heeft ten opzichte van het baanvlak. De Marsdag duurt
dus slechts een weinig langer dan de aardse dag, maar ook de
overeenkomst wat betreft de afwisseling van de jaargetijden op Mars en
op de Aarde is opvallend.
6.1 Seizoenen
Doordat de hoek tussen de equator en het baanvlak bij Mars (24°46¢)
ongeveer gelijk is aan die bij de Aarde (23°57¢), is de zonshoogte voor
overeenkomstige breedten op de beide planeten in eenzelfde jaargetijde
bijna gelijk. De seizoenen op Mars duren echter, in verband met de
omlooptijd van bijna twee jaar, ongeveer tweemaal zo lang als die op
aarde. De stand van de rotatieas van Mars is zo, dat bij een gunstige
oppositie het zuidelijk halfrond enigszins naar de Aarde toegekeerd is.
Dit halfrond is daardoor beter bekend dan het noordelijke.
7. Oppervlak
In aardse kijkers vertoont het Marsoppervlak een roodachtige kleur en
een aantal donkere vlekken van vrij constante vorm. Uit de
verplaatsingen daarvan heeft men de rotatieduur kunnen afleiden.
Daarnaast zijn er witte plekken aan de polen die men poolkappen noemt.
De donkere vlekken vertonen kleurveranderingen, die verband houden met
de jaargetijden op Mars. Opvallender zijn echter de veranderingen die de
poolkappen vertonen. Ze nemen in de loop van het Marsjaar in afmeting
toe of af. In de lente en in de zomer krimpt zo'n poolkap in (op het
zuidelijk halfrond verdwijnt deze weleens geheel) en tijdens herfst en
winter groeit de poolkap weer aan. De poolkappen vertonen een vrij
scherpe grens. Uit foto's gemaakt door de Mariner-7 blijkt dat de laag
waaruit ze bestaan, zeer dun is, de kraters (waarvan er op de polen
opvallend veel zijn, vaak onregelmatig van vorm) zijn er doorheen te
zien; sommige kraterbodems zijn zelfs vrij van deze witte laag.
Onderzoekingen van de ruimteschepen Mariner-4, -6 en -7 in het infrarood
gaven geen definitief uitsluitsel op de vraag of de poolkappen uit rijp
of sneeuw (waterijs) of koolzuursneeuw (vast kooldioxide) zouden
bestaan. Pas de metingen door de Viking -1 en -2 wezen uit dat ze
inderdaad uit koolzuursneeuw bestaan dat zich als een dunne deken over
een laagje waterijs (in de vorm van rijp) heen legt. De koolzuursneeuw
verdampt weer in de zomer, maar het laagje rijp blijft liggen.
7.1 Kraters en vulkanen
In 1965 maakte de Mariner-4 de eerste opnamen van het Marsoppervlak,
waarop duidelijk kraters te zien zijn, net als op de Maan. In de zomer
van 1969 namen de Mariners-6 en -7 opnieuw een reeks foto's, waaronder
gedetailleerde opnamen van de poolgebieden. Ook nu werden veel kraters
opgenomen. In 1971 bereikte de Mariner-9 de planeet tijdens het smelten
van de zuidpoolkap. Deze keer moest het ruimteschip de planeet niet
passeren, maar werd het in een baan om Mars gebracht. Bijna 350 dagen
werden Mars en zijn satellieten waargenomen. Behalve kraters bleek het
planeetoppervlak ook grote formaties te tonen die een schildvulkaan
bleken te zijn en die de aardse in afmeting overtroffen. Ze liggen
voornamelijk in het Tharsisgebied, juist tegenover het veel oudere
halfrond dat met kraters bedekt is en door de Mariners-4, -6 en -7 was
gezien. Ook elders (bijv. in Elysium) zijn vulkanen gevonden. Van enige
activiteit is echter niets meer te zien, blijkbaar zijn ze reeds lang
uitgewerkt.
7.2 Sporen van water
Het Tharsisgebied is een centrum van grote radiële breuken. In het
Copratesgebied werd een enorme canyon gefotografeerd (Valles Marineris),
die 5000 km lang is en 150 tot 700 km breed. Deze bezit vele zijkloven
en is in allerlei opzichten vergelijkbaar met het aardse Oost-Afrikaanse
breuksysteem. Merkwaardige, honderden kilometers lange breuken geven
door hun meanderende vorm de indruk dat stromend water op Mars in een
geologisch verleden een grote rol heeft gespeeld. Mogelijk is er een
permafrost geweest die door vulkanische activiteit gesmolten is. Het
water is via geulen naar de laagste delen is gestroomd, waar een oceaan
onstond die ongeveer eenderde van het oppervlak van Mars bedekt moet
hebben. Nadat de vulkanische activiteit ophield, is de atmosfeer zijn
water kwijtgeraakt. Het broeikaseffect werd daardoor minder, zodat de de
planeet afkoelde. Het water zakte in de bodem, waar het nu nog in
bevroren toestand aanwezig is.
7.3 Winderosie
Uit de vorm en structuur van de gefotografeerde duinenvelden blijkt dat
de wind op Mars een sterk eroderende werking heeft. In 1976 bereikten
twee Viking-ruimteschepen de planeet en lieten ieder een capsule neer op
het oppervlak, terwijl de rest van de toestellen om de planeet bleef
draaien om waarnemingen te doen. Ze leverden een nieuwe reeks prachtige
foto's, terwijl de landingstoestellen voor de eerste keer het directe
Marsoppervlak van nabij lieten zien, met zeer veel rotsblokken, zoals
een aardse steenwoestijn. Daarnaast werden temperatuur- en windmetingen
uitgevoerd. Opmerkelijk was de ontdekking dat het zuidelijk halfrond van
Mars gemiddeld zo'n 3 km hoger ligt dan het noordelijk halfrond.
7.4 Onderzoek naar leven
Beide Vikinglanders hadden ook een ca. 30 cm grote kubus aan boord,
waarin zich drie verschillende instrumenten bevonden voor onderzoek naar
levende organismen op Mars. Met behulp van een schopje en een ca. 3 m
lange beweegbare arm kon wat Marsgrond opgeschept worden om het
vervolgens in een trechter boven op de Vikinglanders te laten vallen. De
Marsgrond viel dan door een zeef op een soort weegschaal, die vervolgens
precies afgewogen hoeveelheden grond in de testcellen van elk van de
instrumenten plaatste. Aanvankelijk lieten de eerste twee experimenten
een positief resultaat zien, dat kon worden uitgelegd als het gevolg van
biologische activiteit. Het derde experiment verschafte aanwijzingen
voor sterk oxiderende eigenschappen van de Marsbodem, maar een
massaspectrometer toonde de afwezigheid van organisch materiaal in de
bodem aan. Geen van de duizenden overgeseinde beelden van het
Marsoppervlak vertoonde aanwijzingen voor het bestaan van macroscopische
levensvormen. Bij verdere proeven bleek dat de resultaten van het eerste
experiment eerder op een scheikundige dan op een biologische verklaring
wezen, terwijl de resultaten van het tweede experiment nog steeds voor
tweeërlei uitleg vatbaar zijn. De meest waarschijnlijke conclusie is dan
ook, dat er geen leven op Mars is.
8. Kanalen
In 1877 ontdekte Giovanni Virginio Schiaparelli met een kijker een groot
aantal smalle donkere lijnen op het oppervlak van Mars. Hij noemde ze
canali (kanalen), in overeenstemming met de toen voor andere details in
gebruik zijnde benamingen, daarbij dus in het geheel geen echte gegraven
kanalen bedoelend. Ook door andere aardse waarnemers werden die lijnen
gezien, soms echter zelfs dubbel. Bij het gebruik van grotere kijkers
bleek echter dat het verschijnsel van de kanalen (naast de ervaring van
de waarnemer) soms op gezichtsbedrog berust, dat ontstaat wanneer een
kijker gebruikt wordt met een voor dit soort waarnemingen te kleine
opening.
9. Marskaarten
De vlekken op Mars werden zeeën genoemd en kleinere details meren,
baaien, kapen en eilanden. Christiaan Huygens was de eerste die
zichtbare details op het Marsoppervlak waarnam en zijn tekening van 18
nov. 1659 kan als het begin van de Marscartografie worden beschouwd.
Zijn tekeningen maakten het mogelijk de rotatietijd van Mars zeer
nauwkeurig te bepalen. Pas veel later vervaardigden Beer en Mädler de
eerste kaart van Mars. Net als op aarde kozen zij een referentiesysteem
van meridianen en parallelcirkels. De nulmeridiaan kozen zij over een
ronde vlek, die Antoniadi later Sinus Meridiani heeft genoemd. De lengte
op de planeet wordt van 0° tot 360° geteld tegen de rotatierichting van
de planeet in, dat is oostwaarts aan de hemelbol. De meridiaan die men
op een bepaald ogenblik midden over de schijf ziet lopen en die naar de
aardse waarnemer toe is gericht, wordt de centrale meridiaan genoemd.
Omdat Mars in ruim 24 uur om zijn as draait, ziet men voortdurend andere
lengtegraden op de centrale meridiaan. Na Schiaparelli vervaardigde
Antoniadi uitstekende Marskaarten. Doordat hij de beschikking had over
de grote 83 cm-kijker van Meudon kon hij zeer fijne details waarnemen.
De kanalen bleken zich op te lossen in afzonderlijke kleinere details.
Nog gedetailleerder tekeningen zijn later vervaardigd door Dollfus,
Focas en De Vauvouleurs. Door samenvatten van visuele en fotografische
details ontstonden de Marskaarten van Ross (1925) en van Lyot (1950).
Zeer gedetailleerde kaarten werden vervaardigd door de U.S. Geological
Survey van de poolgebieden en het equatoriale gebied op zeer grote
schaal ten behoeve van het Vikingproject. Tijdens de bijeenkomst van de
Internationale Astronomische Unie in Sydney in 1973 werd het oppervlak
in dertig gebieden verdeeld, die van een passende naam voorzien werden.
De U.S. Geological Survey gaf van al die gebieden topografische en
albedokaarten uit in de schaal 1:5.000.000. Verder werden 189 kraters
groter dan 100 km van een naam voorzien, terwijl kleinere kraters met
letters worden aangegeven.
10. Atmosfeer
Het bestaan van een atmosfeer om de planeet was allang bekend uit het
verschil in details dat foto's door kleurfilters van verschillende
soorten vertonen. Het blijkt dat men in langere golflengten de meeste
bijzonderheden ziet, in blauw licht daarentegen zijn er in het geheel
geen details te zien. Blijkbaar wordt het blauwere licht door de
atmosfeer van Mars geabsorbeerd, zodat het oppervlak dan aan de
waarneming wordt onttrokken. Slechts aan de randen van de schijf van de
planeet, daar waar de Zon juist opkomt of ondergaat, is op zo'n opname
een lichtere band te zien. Men veronderstelt dat het zonlicht op die
plaatsen gereflecteerd wordt door condensaties in de atmosfeer van Mars,
die in de loop van de nacht ten gevolge van de sterke afkoeling ontstaan
(blauwe wolken). Vermoedelijk heeft men hier te doen met condensaties
van waterdamp die een soort zeer ijle cirrus vormen.
10.1 Stofwolken
Op foto's in geel licht zijn soms structuren te zien die de details van
het oppervlak enigszins uitwissen en zich langzaam verplaatsen (gele
wolken). Uit hun bewegingen heeft men windsnelheden van 4 tot 10 m/s
afgeleid. De Viking-landingstoestellen bevestigden deze waarden. De
richting van waaruit de wind bleek te waaien, bleek een regelmatig
dagelijks verloop te vertonen. De gele wolken bestaan uit opgewaaid
stof. Wanneer ze aan de rand van de Marsschijf komen, geven ze
karakteristieke formaties te zien, waaruit hun hoogte kan worden
bepaald. Deze kan tot 3 à 5 km reiken, terwijl de blauwe wolken tot 10 à
25 km hoogte voorkomen. Vooral na de tijdstippen waarop de planeet in
zijn baan dicht tot de Zon nadert (door het perihelium gaat), treden
soms sterke stofstormen op, die grote delen van het oppervlak
onzichtbaar maken. Ze kunnen weken aanhouden.
10.2 Samenstelling
De atmosfeer van Mars bestaat voor 95% uit koolzuur. Daar de poolkappen
behalve een laag koolzuurijs ook bevroren water bevatten, moet er ook
waterdamp voorkomen. De massaspectrometer van de Vikingen vond op de
landingsplaatsen 0,1 à 0,4% zuurstof en 2 à 3% stikstof, terwijl er 1 à
2% argon werd aangetroffen. Daarnaast zijn sporen van andere edelgassen
gevonden.
10.3 Ionosfeer
Bij hun passage langs Mars werden de ruimteschepen door de planeet
bedekt. Deze bedekkingen werden waargenomen door het verdwijnen van de
radiosignalen. Bij dat verdwijnen en later weer verschijnen gingen de
signalen dwars door de Marsatmosfeer heen; uit de daardoor veroorzaakte
verzwakking kon men het aantal elektronen ter plaatse berekenen. Dit
bewees de aanwezigheid van een ionosfeer om Mars heen. De
elektronendichtheid is maximaal op 150 km boven het Marsoppervlak en is
gelijk aan de hoogste waarde die men 's nachts in de aardatmosfeer vindt
(2×106 per cm3). Tijdens de daling van de Viking-landingstoestellen
werden uitgebreide metingen van de atmosfeer en de ionosfeer uitgevoerd.
Het belangrijkste ion schijnt CO22+ te zijn, naast kleine hoeveelheden
geïoniseerd stikstof en zuurstof. De temperatuur bedroeg er -90 °C. Uit
de elektronendichtheid had men berekend dat de druk aan het oppervlak
slechts 4 à 10 mbar kon bedragen, afhankelijk van de hoogte van het
terrein. De Viking-toestellen bevestigden dit door directe metingen. Zo
vond Viking-1 een gemiddelde druk van 7,65 mbar met een dagelijkse
variatie van 0,1 mbar.
10.4 Temperatuur
In aardse kijkers waren reeds temperatuurmetingen mogelijk met zeer
verfijnde apparatuur (thermokoppel). De Mariners hebben hier directe
temperatuurmetingen aan toegevoegd. De gemiddelde temperatuur aan de
equator is 20 °C. Het temperatuurverschil tussen dag en nacht is echter
zeer groot. Vooral de Vikingen hebben door temperatuurmetingen ter
plaatse de resultaten verfijnd. In de nacht kan de temperatuur tot
beneden -80 °C dalen. Aan de polen wordt het kouder dan -100 °C. Op de
Viking-2-landingsplaats vond men een laagste temperatuur van -123 °C,
toen het toestel bedekt werd door een laagje koolzuurijs midden in de
Marswinter.
11. Manen
Mars heeft twee manen, Phobos en Deimos, die in 1877 door Hall zijn
ontdekt (Gr. phobos = vrees; deimos = schrik; naar de twee paarden voor
de strijdwagen van Ares, de Griekse equivalent van Mars). Het zijn zeer
kleine hemellichamen, beide onregelmatig gevormd, 1,4 keer zo lang als
breed. Phobos is ongeveer 27 km lang, Deimos ongeveer de helft. Beide
wentelen om Mars met de lange as naar het middelpunt van de planeet
gericht. Phobos staat op 9380 km van Mars en heeft een omlooptijd van
7h39m. Deimos bevindt zich 23.460 km van het middelpunt van Mars en
loopt in 30h19m een keer rond de planeet. Beide zijn met kraters
overdekt. Op Phobos is een zeer grote krater, Stickney (10 km diameter),
en een merkwaardig stelsel lange evenwijdige groeven, 100 à 200 m breed
en 20 m diep. Deimos heeft een veel egaler uiterlijk en is
waarschijnlijk bedekt met stof. Beide zijn met een donker regoliet
bedekt, net als onze maan. |