header vogels

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Meeuwen

 
   
  De onderfamilie Larinae, die samen met de Sterns (Sterninae) de vogelfamilie Laridae uit de orde Pleviervogels vormt. Over het algemeen leggen meeuwen drie of vier eieren. De 43 soorten Meeuwen zijn bekende zeevogels, die aan stranden en in havens algemeen voorkomen. Dikwijls volgen ze ook de schepen, maar zij verliezen zelden het contact met de kust.

Soorten en verspreiding
De drieteenmeeuw (Rissa tridactyla), totaal 41 cm lang, is de enige soort die vaak op volle zee wordt aangetroffen. De soort is een broedvogel op de richels van de rotskusten van de noordelijke Atlantische en Grote Oceaan. In Nederland en BelgiŽ is de drieteenmeeuw doortrekker en wintergast in vrij klein aantal, vnl. aan de kust. Op sommige stormachtige dagen echter zijn langs de kust meer dan tienduizend exemplaren trekkend waargenomen.
De kokmeeuw is de meest voorkomende meeuw in Europa. In de broedtijd heeft hij een chocoladebruine voorkop. Hij wordt daardoor ook wel kapmeeuw genoemd. ís Winters is de kap vrijwel wit, op een paar donkere vlekjes bij het oog na. De meest algemene meeuw gedurende het gehele jaar is de kokmeeuw (Larus ridibundus), 38 cm, met een chocoladebruine voorkop. Hij is een zeer talrijke broedvogel aan plassen, in moerassen en natte weilanden. In de winter is hij in groot aantal aanwezig in de steden en aan de stranden. De kokmeeuw is ook op de Atlantische kust van noordoostelijk Noord-Amerika aangetroffen.
De zilvermeeuw (L. argentatus), 56 cm, is gekenmerkt door een Ďfelí oog (gele iris), zilvergrijze bovendelen en vleeskleurige poten. Hij is in verschillende kolonies broedvogel in de duinen. Ook aan de kusten van Noord-Amerika komt hij veel voor. De maximale vastgestelde levensduur van een zilvermeeuw is 44 jaar. Een zilvermeeuw staat op zijn nest. Net als andere grote meeuwen stelen deze vogels vaak kuikens uit andere nesten in hun kolonie. Deze worden gedood en opgegeten of aan hun eigen jongen gevoerd, hoewel ze de gestolen kuikens soms ook per ongeluk grootbrengen. Het kuiken pikt, als het honger heeft, tegen de rode punt aan het eind van de snavel van het volwassen dier om voedsel te krijgen. Het zal ook pikken tegen het rode gummetje van een potlood. Etologen noemen een dergelijke instinctieve, blinde respons een geconditioneerde reactie, waarbij de rode vlek de prikkel of stimulus is.

De kleinere stormmeeuw (L. canus), 41 cm, met donker oog, blauwgrijze bovendelen en groengele poten en snavel, is daarentegen een wijdverspreide broedvogel in de duinen. In het winterhalfjaar is de soort vlak vůůr en tijdens storm op akkers en weiden meer in het binnenland te vinden; bij rustig weer echter meer aan de kust en grotere wateren. De soort is doortrekker en wintergast, terwijl de zilvermeeuw standvogel en zwerfvogel is.
In klein aantal broedt langs de kust de kleine mantelmeeuw (L. fuscus), 53 cm, en wel de ondersoort graellsii, met leigrijze mantel, soms gepaard met de zilvermeeuw, in een zilvermeeuwkolonie. Verder is deze ondersoort in klein aantal doortrekker, de ondersoort intermedius, mantel donkerder dan graellsii, daarentegen in vrij groot aantal.
Een onregelmatige, vrij zeldzame broedvogel in Zuidwest-Friesland en Zuid-Flevoland is de dwergmeeuw (L. minutus), 28 cm, met een zwarte kop en nek en een zwartachtige vleugelonderzijde. Het voedsel wordt van het wateroppervlak opgepikt. Hij jaagt al watertrappelend boven het water. In Noord-Amerika komt hij voor bij de grote meren, 's winters ook aan de noordoostkust.
De zwartkopmeeuw (L. melanocephalus), 39 cm, lijkt sterk op de kokmeeuw, maar heeft een gitzwarte kop tot in de nek en heeft geen zwarte uiteinden aan de vleugels. In Nederland is de soort een schaarse broedvogel langs de kust; in BelgiŽ is er ťťn broedgeval vastgesteld. Overigens is de soort een schaarse gast.
Doortrekker en wintergast, vnl. aan de kust en op het IJsselmeer, is de grote mantelmeeuw (L. marinus), 74 cm, die een enkele keer ook wel eens dieper in het binnenland wordt gezien. Volwassen vogels hebben zwarte bovendelen en witroze poten; de kleine mantelmeeuw heeft gele poten. De soort is broedvogel langs de kusten van ScandinaviŽ, Finland, Groot-BrittanniŽ en Ierland en IJsland.
De grote burgemeester (L. hyperboreus), 66Ė81 cm, broedvogel binnen de noordpoolcirkel, is een vrij zeldzame wintergast langs de kust van Nederland en BelgiŽ.
De kleine burgemeester (L. glaucoides), ca. 56Ė66 cm, is een dwaalgast. De vorkstaartmeeuw (Xema sabini), 33 cm, is in Nederland een onregelmatige doortrekker.

Meeuwen behoren naast de sternen tot de meeuwen. Evenals kraaien zijn het alleseters die alles verzamelen en opvissen wat ze op het strand en in het water vinden. Daartoe behoren dode vissen, keukenafval van schepen, kreeften, mosselen, insectenlarven en slakken en de eieren en kuikens van zeevogels. Met hun enigszins haakvormige snavel verzamelen ze bijna alles.
Omdat ze zulke lichte veren hebben, kunnen meeuwen niet duiken. Daarom vliegen ze de hele dag heen en weer. Dan vliegen ze weer landinwaarts en dan vliegen ze weer boven open zee. Om hun krachten te sparen maken ze tijdens hun zweefvlucht optimaal gebruik van de thermiek.
Meeuwen hebben een krachtig lichaam, een korte hals en een relatief grote kop. Hun snavel is licht gekromd. De staart is afhankelijk van de soort, bijna vierkant of afgerond. Hun naakte poten hebben zwemvliezen tussen de voortenen. Het totale verenkleed is meestal wit, de vleugels zijn vaak grijs tot zwartgrijs. De vrouwtjes zijn altijd iets kleiner dan de mannetjes.
Meeuwen zijn zeer sociale dieren en ze nestelen in kolonies. Mannetjes en vrouwtjes werken samen aan de bouw van het nest en ze bebroeden de eieren ook gezamenlijk. De broedplaatsen liggen bij voorkeur op rotsachtige kusten met een groot aantal kliffen, aan riviermondingen, veenmoerassen of op eilandjes in kleine meren. Hier liggen de nesten dicht bij elkaar.
Soms is een nest zorgvuldig bekleed. Als ze geen materiaal kunnen vinden worden de eieren gewoon in een kleine kuil gelegd. Nadat het vrouwtje 2-4 eieren heeft gelegd wordt ze door het mannetje van allerlei lekkere hapjes voorzien. Hij verzamelt het voedsel en braakt het voor het vrouwtje uit.
Na ongeveer 3 tot 4 weken komen de jongen uit het ei. Ze kunnen al zien en hebben een dicht donskleed. Nu begint een drukke tijd want de jongen zijn voortdurend hongerig. Het voedsel dat voor de jongen bestemd is wordt naast het nest uitgebraakt. Evenals nestblijvers moeten de jongen een hele tijd worden verzorgd voordat ze hun ouders kunnen vergezellen.
De kokmeeuw leeft in Midden-Europa en AziŽ. Hij overwintert deels in ijsvrije gebieden van de Noordzee en in de nabijheid van rivieren, deels trekt hij ook naar de Middellandse Zee, tot aan Afrika toe. Het nest van de kokmeeuw bestaat uit wortels, riet- en moerasplanten en de eieren zijn blauwachtig-groenachtig gevlekt. De mannetjes en vrouwtjes broeden om beurten, het nest wordt steeds goed bewaakt en tegen indringers verdedigd. Na 18 dagen komen de jongen uit het nest. Eerst hebben ze een roestbruin gevlekt en gestreept donskleed.
Ze worden gevoed met wormen, slakken en engerlingen. Vooral na de broedtijd en in de winter ziet men de kokmeeuwen ook in havens en steden waar ze zich door mensen laten voeren.
Een andere meeuwensoort is de kleine mantelmeeuw. Deze soort komt voor in de kustgebieden van Noord-Europa, ze komen zelfs op de Canarische eilanden en Marokko voor. Er bestaan verschillende soorten. Deze meeuw heeft een wit verenkleed met een leisteengrijze tot zwarte rug en vleugels. De vleugels hebben een witte rand. De snavel is geel en hij is voorzien van een rode vlek, de poten zijn opvallend geel tot oranje.
De meest voorkomende meeuwen zijn de zilvermeeuwen. Zij bevolken de kustgebieden van Noord-Amerika, IJsland, Groenland en heel Europa. Ze trekken ook ver het binnenland in.
De stem van de zilvermeeuw kan zeer verschillend klinken. Soms klinkt hij lachend, soms gakkend of krijsend. Zijn voedsel bestaat uit slakken, wormen, kreeften en vogeleieren, daarnaast eten ze ook kleine zoogdieren zoals muizen. Als hij aas tegenkomt eet hij dat ook op. Omdat er teveel zilvermeeuwen kwamen moest de mens wel ingrijpen omdat dit ten koste ging van de levensruimte van andere zeevogels.
 
   

Footer worldwidebase



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009