|
Melkwegstelsel of
galactisch stelsel (Eng.: galaxy), het sterrenstelsel waarvan het
zonnestelsel deel uitmaakt en dat behalve ca. 100 miljard sterren en
diverse nevels ook onze Zon en dus de Aarde bevat. Dit sterrenstelsel
heeft de vorm van een sterk afgeplatte schijf (een ‘pannenkoek’). Daar
de Zon zich ergens in de schijf bevindt, doet dit sterrenstelsel zich
aan ons oog voor als een lichtende band aan de sterrenhemel, de Melkweg.
Men noemt ‘ons’ sterrenstelsel daarom wel het Melkwegstelsel (ook wel:
galactisch stelsel; Eng.: galaxy); de naam melkwegstelsel wordt ook
gebruikt voor andere, soortgelijke sterrenstelsels in het heelal.

Op grond van stertellingen (Sir William en Sir John Herschel, Jacobus
Cornelius Kapteyn) dacht men zich tot in het begin van deze eeuw de Zon
in het centrum van het Melkwegstelsel. Later bleek dit gezichtsbedrog te
zijn, veroorzaakt door de interstellaire absorptie, welke net als mist
het gezichtsveld van de waarnemer beperkt. Met behulp van de
periode-lichtkrachtwet van cepheïden kon H. Shapley in 1918 de afstand
van een aantal bolvormige sterrenhopen bepalen. Hij vond dat deze een
vrijwel sferisch systeem (halo) vormen om een centrum dat op grote
afstand van de Zon ligt, in de richting van het sterrenbeeld Schutter.
Tegenwoordig neemt men voor deze afstand een waarde van 8,5 kiloparsec
(27!700 lichtjaar) aan. Men neemt aan dat dit centrum van bolvormige
sterrenhopen ook het middelpunt (en draaicentrum) van de schijf van ons
Melkwegstelsel vormt. Deze schijf is in de buurt van de Zon ca. 400
parsec dik. In de schijf bevinden zich spiraalarmen, die uit populatie
I-objecten, zoals jonge sterren (spectraaltype O en B) en emissienevels,
zijn opgebouwd. Tussen de spiraalarmen bevindt zich niet-oplichtend gas
en stof. Dankzij de ontwikkeling van de radioastronomie heeft men nu een
veel beter inzicht in de spiraalstructuur van het Melkwegstelsel. Het is
gebleken dat de spiraalarmen zich tot ca. 20 kiloparsec van het centrum
uitstrekken en dat het Melkwegstelsel een spiraalnevel van het type Sb
is (zie extragalactisch stelsel).
Populatie II-objecten, zoals RR Lyrae-sterren en bolvormige
sterrenhopen, bevolken de halo van het Melkwegstelsel en zijn
geconcentreerd in de richting van het centrum. Deze centrale verdichting
noemt men de kern van het Melkwegstelsel.
In 1927 bewezen B. Lindblad en Jan Hendrik Oort dat het Melkwegstelsel
om het centrum roteert. Het roteert echter niet als een wiel, maar heeft
een differentiële rotatie, dwz. dat de omloopsnelheid van de objecten in
het stelsel afneemt naarmate zij verder van het centrum verwijderd zijn.
In de buurt van de Zon is de rotatiesnelheid ca. 220 km/s. Uit de omtrek
van de baan van de Zon om het centrum, welke volgt uit de bovengenoemde
afstand van 8,5 kiloparsec tot het centrum, kan men berekenen dat de Zon
in 240 miljoen jaar een omloop om het centrum volbrengt.
Als gevolg van de differentiële rotatie hebben de sterren ten opzichte
van de Zon een radiële en een tangentiële snelheidscomponent in het
Melkwegvlak, die beschreven kan worden door Vrad= rA sin 2l, Vtan = r(B
+ A cos 2l). Hierin is r de afstand van de ster tot de Zon en l de
galactische lengte van de ster (zie coördinaten [astronomie]). De
constanten A en B zijn de galactische constanten of constanten van Oort.
Uit de rotatiekromme kan men een totale massa van minstens 3 × 1011
zonsmassa's voor het Melkwegstelsel afleiden.
Een merkwaardig gevolg van de differentiële rotatie is dat spiraalarmen
niet lang zouden kunnen blijven bestaan. De Zon draait in ca. 240
miljoen jaar om het Melkwegcentrum, maar sterren die verder van het
centrum af liggen doen er door de differentiële rotatie veel langer
over, en het omgekeerde geldt voor sterren die tussen het centrum en de
Zon in liggen. Een spiraalarm zou hierdoor reeds na één omwenteling zijn
‘opgerold’. Tegenwoordig verklaart men de spiraalarmen met de
dichtheidsgolftheorie. Berekeningen van de Amerikaan Lin toonden nl. aan
dat zich in de differentieel roterende Melkwegschijf vanzelf
spiraalvormige verdichtingen kunnen vormen die als het ware door de
schijf heenlopen, zoals golven door water. In deze verdichtingen
ontstaan nu uit het gas en stof de felle, kortlevende sterren, zodat de
verdichtingen spiraalarmen worden. Trekt nu de verdichting verder, dan
zijn deze kortlevende sterren al weer aan het eind van hun bestaan,
zodat de spiraalarmen blijven samenvallen met de dichtheidsgolven.
Reeds in de jaren vijftig ontdekte men met de toen nieuwe radiotelescoop
te Dwingeloo, dat het gas in het centrale deel van de schijf (tot 3 kpc
van het centrum) systematisch van de kern af beweegt met snelheden van
50 à 100 km/s. Later is gevonden dat dichter bij de kern dit
verschijnsel ook optreedt voor de vele moleculen (zoals koolmonoxide en
formaldehyd) die zich in dichte wolken aldaar bevinden. Dit kan mogelijk
in verband gebracht worden met de kern, die gas met hoge snelheden zou
hebben uitgestoten zoals dat wel gebeurt in de kern van een
seyfertstelsel. Dit zou dan zo’n 10 miljoen jaar geleden moeten zijn
gebeurd. De noodzakelijke energie moet uit een zeer compact centraal
object gekomen zijn, waar veel energie geconcentreerd zit in een sterk
zwaartekrachtveld. Wellicht is dit een zwart gat, waarbij zeer
energetische processen kunnen optreden in de nabije omgeving. Aan de
andere kant kunnen de expansies in het gas in het centrale deel ook het
gevolg zijn van een verstoring van het zwaartekrachtveld zoals door een
balk als in een balkspiraal (zie extragalactisch stelsel).
Zowel in ons Melkwegstelsel als in extragalactische stelsels zijn er
aanwijzingen voor de aanwezigheid van grote massa's in de buitendelen
die weinig licht uitzenden. Dit volgt vooral uit de zeer hoge
rotatiesnelheid die het gas op grote afstanden van de kern nog heeft.
Deze donkere materie zou wellicht uit zeer lichte sterren kunnen
bestaan, die lang leven en weinig licht uitstralen (dwz. uitsluitend 0,1
maal zo zwaar als de Zon of minder). Deze materie bevindt zich
waarschijnlijk in de halo. Spiraalstelsels zouden dan wel tienmaal zo
zwaar kunnen zijn als in de jaren rond 1970 nog gedacht werd, nl. zo’n
1012 zonsmassa's.
Uit velerlei overwegingen schat men dat het Melkwegstelsel een ouderdom
heeft van ca. 15 miljard jaar. Uit de verdeling van de sterren in het
stelsel weet men dat de oudste objecten in het stelsel – de bolvormige
sterrenhopen en andere populatie II-sterren – een vrijwel bolvormig
systeem vormen, dat slechts een kleine draaisnelheid rondom het
Melkwegcentrum vertoont; daarentegen bevinden de open sterrenhopen en
andere sterren van populatie I, welke alle veel jonger zijn, zich in het
vlak van de Melkweg en vormen zo een sterk afgeplat systeem met een
draaisnelheid welke wel vijfmaal zo groot is als die van het stelsel van
de populatie II-sterren. Een ander belangrijk verschil tussen de twee
populaties is dat de sterren in de halo (populatie II), die alle
minstens 10 miljard jaar oud zijn, veel minder zware elementen bevatten
dan de sterren in de schijf. De zware elementen (dwz. alle zwaarder dan
helium) maken voor de Zon en ons zonnestelsel slechts 2% van alle
materie uit, maar in de halosterren is dit gemiddeld 100 maal lager
(0,02%).
De meest aanvaarde hypothese voor het ontstaan van het Melkwegstelsel,
waarbij rekening wordt gehouden met bovengenoemde waargenomen
eigenschappen van de verdeling van de sterren in het stelsel, is de
hypothese van Von Weizsäcker, volgens welke het Melkwegstelsel is
ontstaan uit een langzaam draaiende, zich samentrekkende gaswolk
(gravitatiecontractie), die tijdens de samentrekking steeds sneller ging
draaien als gevolg van de wet van behoud van impulsmoment (=
draaimoment). In een vroeg stadium zouden zich in deze gaswolk de eerste
condensaties hebben gevormd, als bolvormige sterrenhopen en andere
populatie II-objecten. De zware sterren in deze condensaties produceren
in hun korte bestaan grote hoeveelheden zware elementen en stoten dat
als supernova uit. De overblijvende materie, die hierdoor snel verrijkt
wordt met zware elementen, zou intussen verder zijn samengetrokken en
door de hierbij steeds groter wordende draaisnelheid steeds sterker zijn
afgeplat. Inderdaad vindt men dat de sterren van middelmatige ouderdom
een discusvormig systeem vormen, sterker afgeplat dan het systeem van de
populatie II-sterren, maar minder sterk dan dat van de populatie
I-sterren. Het laatst overgebleven gas zou nu het sterk afgeplatte
stelsel van de gaswolken in de Melkweg vormen, waarin de jongste sterren
van populatie I nog maar kort geleden door condensatie (volgens de
dichtheidsgolftheorie dus in de verdichtingen) zijn ontstaan. |