| |
De
merel of turdus merula
De merel is erin geslaagd, dankzij zijn gevarieerde voedselkeuze, van een
bosvogel een succesvolle tuinvogel te worden. De glimmende zwarte man, met
zijn heldergele snavel en oogring, is een bekende verschijning in de tuin,
maar de kleuren van het vrouwtje en de jongen kunnen voor verwarring
zorgen. Door het geslacht en de leeftijd van de merels te leren kennen,
kunt u de gebeurtenissen in de tuin beter begrijpen. Het vormen van
paartjes begint soms al in de herfst, ver voor het broedseizoen. U kunt
dan vaak territoriumgevechten zien, waarbij vogels elkaar achterna zitten
en elkaar in de veren vliegen.
Kenmerken
In tegenstelling tot het glimmende zwarte verenpak van het mannetje, is
het vrouwtje donkerbruin, lichter aan de onderzijde, met vage stippen en
strepen. Ze heeft geen oogring en de snavel is donker van kleur.
Lengte van de merel is 25 cm.
Geluid
De zang bestaat uit melodieuze gorgelende geluiden, soms vermengd met zang
van andere vogels en menselijke fluittonen. U heeft grote kans het liedje
van jonge mannetjes in februari te horen, als ze hun territorium gaan
vormen. 's Morgens in de schemering is de zang het sterkst; daarna neemt
het af. In de herfst horen we een rustiger lied. Er zijn verschillende
geluiden voor diverse situaties.
Voedsel
Vruchten en bessen worden gegeten in de laatste helft van het jaar.
Regenwormen, insecten en andere kleine dieren vormen in het voorjaar en de
herfst het belangrijkste voedsel. Rupsen zijn belangrijk voedsel in de
zomer, maar omdat deze zelden te vinden zijn in de tuin, worden de jongen
vaker gevoerd met wormen en volwassen insecten. Wanneer hij op het gazon
jaagt, houdt de merel zijn kop scheef naar één kant voordat hij vooruit
hipt, om een worm uit de grond te trekken. Merels vangen ook kikkervisjes,
vis uit vijvers en stelen voedsel van andere vogels, zoals grote slakken
van zanglijsters.
Wintervoedering
Een gevarieerde voedselkeuze van etensrestjes, vet en zaden, tot oud fruit
zoals appels en peren.
Nest
Het vrouwtje bouwt een degelijk nest, meestal in een struik of heg. Droge
plantendelen die het mannetje haar helpt verzamelen, worden met modder
verstevigd. Het mannetje houdt soms de wacht bij de eieren als het
vrouwtje weg is om voedsel te zoeken. De familie wordt gesplitst als de
jongen vliegvlug zijn en iedere ouder voert zijn eigen jongen. Het
mannetje zorgt echter wel weer voor de hele familie als het vrouwtje op
een volgend legsel zit te broeden.
Broedgegevens
Maanden maart tot juni - drie of vier legsels - drie tot vier
bruingevlekte, groenblauwe eieren - broedtijd : 13 dagen, door het
vrouwtje - vliegvlug : na 13-14 dagen; drie weken later zelfstandig. |
|
|
|
|
|
|