|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Drievierde
van Mexico wordt ingenomen door de Centrale Hoogvlakte (Mesa Central),
die wordt begrensd door de bergruggen en steile rotswanden van de Sierra
Madre Occidental, de Sierra Volcánica Transversal en de Sierra Madre
Oriental. Dit centrale plateau wordt doorsneden door heuvels, bergketens
en dalen; de hoogte van het plateau varieert van 2500 m in het zuiden
tot 1500 m in het noorden. Het oostelijk deel van de Centrale Hoogvlakte
bestaat vnl. uit kalk- en leisteen, langs de westrand komen overwegend
vulkanische gesteenten voor. Het zuidelijk deel is sterk geleed en vele
kenmerken van dit gebied wijzen op recente vulkanische activiteit. De
Sierra Volcánica Transversal, die zuidelijk van de hoogvlakte ligt,
bestaat uit een keten van vulkanen, waarvan er vele ongeveer elf miljoen
jaar geleden, werden gevormd. Deze vulkanen zijn o.a. de Popocatépetl
(5452 m), de Ixtaccíhuatl (5286 m) en de Nevada de Toluca (4577 m). De
Citlaltépetl of Pico de Orizaba (5700 m) is het hoogste punt van Mexico.
Sommige, zoals de Popocatépetl, zijn nog steeds actief. Kratermeren en
lavastromen zijn verschijnselen die bij dit bergachtige gebied horen.
Het bergachtige schiereiland Baja California heeft steile hellingen naar
de Golf van Californië en vrij brede kustvlakten naar de Grote Oceaan.
De vlakte langs de kusten van de Golf van Mexico strekt zich vanaf de
Río Grande tot aan het schiereiland Yucatán over een afstand van meer
dan 1280 km uit en varieert in breedte van enkele kilometers tot
ongeveer 150 km; een groot deel van dit laagland bestaat uit moerassen
en lagunes, en landinwaarts - vlakbij de steile rotswanden - gaat dit
gebied over in lage heuvelruggen. De laaglanden langs de kust van de
Grote Oceaan zijn veel minder uitgestrekt en bestaan uit lange heuvels
en vlakten. Deze gebieden zijn het breedst in het noorden, waar ze
overgaan in de Sonorawoestijn; naar het zuiden toe vormen zij een smalle
kuststrook.
1.2 Rivieren en meren
Het noorden van Mexico, waaronder een deel van de Centrale Hoogvlakte,
is zeer droog en rivieren ontbreken hier bijna geheel. In de keteldalen
in de woestijnen vormen zich na zware plaatselijke regenval met
tussenpozen meren. Verder naar het zuiden toe wateren drie grote
rivierenstelsels de Centrale Hoogvlakte af: het stelsel van de Santiago,
dat het westelijk deel afwatert en via het Chapalameer in de Grote
Oceaan uitkomt; het stelsel van de Pánuco, dat het oostelijk deel
afwatert en dat dwars door het rotsgebied naar de Golfkust stroomt; en
het stelsel van de Balsas, dat het zuidoostelijk deel afwatert naar de
Grote Oceaan. Deze rivieren hebben diepe dalen uitgesneden.
1.3 Klimaat
Mexico kan klimatologisch in een aantal verschillende gebieden worden
verdeeld, waarbij men onderscheid dient te maken tussen de westkust, de
oostkust en de Centrale Hoogvlakte. Daarenboven is het klimaat sterk
afhankelijk van de hoogte boven zeeniveau. Het grootste gedeelte van de
hoogvlakte ligt boven 1800 m en wordt daardoor gerekend tot de tierra
fría. De gemiddelde jaartemperatuur is er lager dan 17 °C. De andere
klimaatzones zijn de gematigde (tierra templada, 600-1800 m, gemiddelde
jaartemperatuur 17-23 °C) en de hete zone (tierra caliente, 0-600 m,
gemiddelde jaartemperatuur 23-26 °C).
De oostkust is blootgesteld aan vochtige winden die lucht uit de Golf
van Mexico aanvoeren, waarbij vooral in het zuiden zware regens vallen.
Slechts de noordkust van Yucatán, die in de windschaduw van het
schiereiland ligt, is betrekkelijk droog. De droge westkust is in de
zomer het heetste gedeelte van Mexico. De Centrale Hoogvlakte lijdt
eveneens onder regengebrek, vooral in het noorden. De temperaturen zijn
op het plateau aanmerkelijk lager dan in de laag gelegen gebieden met
vorst gedurende de winternachten. 's Zomers stijgen de temperaturen ook
hier echter tot hoge waarden.
1.4 Plantengroei en dierenwereld
Een netwerk van nationale parken en reservaten blijkt in de praktijk nog
geen effectieve natuurbescherming te garanderen. De grote roofdieren
(poema en jaguar) worden zeer bedreigd, de Mexicaanse grizzlybeer is
uitgeroeid. Het vulkaankonijn (Romerolagus diazi) is beperkt tot enkele
gebieden op de Popocatépetl en aangrenzende bergen en is zeer sterk in
aantal afgenomen.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
Spaanse veroveraars en latere immigranten hebben zich sterk met de
inheemse bevolking gemengd. Een indeling van de huidige bevolking naar
raciale kenmerken is vrijwel onmogelijk. Veelal gebruikt men daarom een
combinatie van gesproken taal met andere culturele en materiële criteria
en komt zo voor de jaren tachtig tot een verdeling in 14% Indianen (ca.
15 miljoen), 75% mestiezen, 10% blanken en 1% van Afrikaanse of
Aziatische herkomst. De belangrijkste woongebieden van de Indiaanse
bevolking zijn de deelstaten México en Puebla, Veracruz, Guerrero,
Oaxaca en Chiapas, en Campeche, Yucatán en Quintana Roo. Azteken (Nahuatl-sprekend)
vormen de grootste groep (ca. 800.000) en wonen vooral in de staten
México, Guerrero, Puebla en Tlaxcala; Otomí (300.000) ten noorden en
westen hiervan (staat Hidalgo), Mixteken en Zapoteken (450.000) in
Oaxaca en Puebla, en Maya (450.000) op het schiereiland van Yucatán. De
bevolkingstoename is al twintig jaar stabiel met 2% per jaar; het
geboorte- resp. sterftecijfer bedroeg in 1993 30‰ en 5‰; van elke
duizend levendgeboren kinderen sterven er 32 in het eerste levensjaar.
De bevolking van Mexico behoort tot de snelstgroeiende van
Latijns-Amerika; telde het land in 1950 nog 25,8 miljoen inw., in 1970
waren het er ruim 49 miljoen en in 1990 88,6 miljoen. Ruim 37% van de
bevolking is jonger dan vijftien jaar, en 48% is tussen de vijftien en
vijfenveertig jaar oud; 74% woont in de steden. De grootste en
snelstgroeiende stad, de stadsagglomeratie Mexico-Stad (het Distrito
Federal), met naar schatting in 1990 15 à 20 miljoen inw. (inclusief de
buitenwijken in de aangrenzende deelstaat México), herbergt een kwart
van de totale Mexicaanse bevolking en zal bij continuering van het
huidige groeitempo in 2000 het inwonertal van rond de 40 miljoen
bereiken. Andere belangrijke urbane centra zijn de stadsagglomeratie
Guadalajara (1990: 1.628.617) en de steden Monterrey (1.064.197), Puebla
(1,2 miljoen), León (946.000) en Torreón (729.000). De grote
werkloosheid en de armoede op het platteland zijn de voornaamste
oorzaken van de trek naar de steden en de sterke migratie naar de
Verenigde Staten. In 1988 woonden er 12 miljoen personen van Mexicaanse
afkomst ( 'Chicano's') in de Verenigde Staten.
2.2 Taal
De officiële taal is het Spaans (met veel ontleningen aan de inheemse
talen), welke taal door een steeds groeiend aantal Indianen naast hun
eigen taal gesproken wordt. Binnen de Indiaanse talen worden 59
taalgroepen onderscheiden, waarvan het Nahuatl de grootste verbreiding
heeft.
2.3 Religie
Van de godsdienst van de oorspronkelijke bewoners van Mexico is weinig
bekend, omdat bij de verovering van Tenochtitlán, de toenmalige
'hoofdstad', door Cortés (1521) heiligdommen en documenten zijn verwoest
en de rooms-katholieke missie, die reeds in 1522 begon, daarna de sporen
uitwiste. Thans is de overgrote meerderheid van de bevolking (ca. 92%)
rooms-katholiek; kleine minderheden vormen de protestanten, de joden en
aanhangers van andere godsdiensten. De Rooms-Katholieke Kerk telde in
1980 elf aartsbisdommen, 53 bisdommen, twee apostolische vicariaten en
zeven prelaturen. Bij de grondwet van 1859 werden kerk en staat
gescheiden. Deze grondwet en in nog sterkere mate die van 1917 bevatte
veel antiklerikale bepalingen. Pas sinds 1934 is de verhouding tussen
kerk en staat in toenemende mate genormaliseerd (zie ook §
geschiedenis). Mexico onderhoudt pas sinds 1993 diplomatieke
betrekkingen met de Heilige Stoel. De protestantse invloed in Mexico
dateert van 1826 (colporteurs van het Brits en Buitenlands
Bijbelgenootschap). Vooral ten gevolge van de bepaling in 1926 dat
alleen in Mexico geboren geestelijken toegelaten werden, werden de
protestantse kerken vroeg zelfstandig. Sinds 1928 bestaat een Nationale
Raad van Kerken.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de huidige grondwet uit 1917 (ter vervanging van die uit 1857),
nadien vele malen geamendeerd, is Mexico een federale democratische
republiek met grote autonomie voor de staten. De uitvoerende macht is in
handen van een president (direct gekozen voor een periode van zes jaar,
niet herkiesbaar) en een door de president benoemd kabinet van vijftien
ministers, drie staatssecretarissen en een procureur-generaal. De
wetgevende macht berust bij het parlement (Congreso de la Unión),
bestaande uit een Senaat (Cámara de Senadores) met 128 leden, gekozen
voor zes jaar, en een Kamer van Afgevaardigden (Cámara de Diputados) met
500 leden, waarvan er om de drie jaar 300 gekozen worden volgens het
districtenstelsel en 200 volgens het stelsel van evenredige
vertegenwoordiging uit lijsten van kandidaten ingediend door
geregistreerde partijen. Er is kiesrecht voor alle burgers van achttien
jaar en ouder, voor gehuwden vanaf 16 jaar; vrouwen hebben kiesrecht
sinds 1953.
Mexico is staatkundig verdeeld in 31 staten en het Federaal District (Mexico-Stad
met twaalf omliggende delegaciones). Elke staat heeft een eigen
grondwet, eigen belastingen en kiest zelf zijn gouverneur. De gouverneur
van het Federale District wordt benoemd door de president. De staten
zijn weer onderverdeeld in ca. 2300 municipios (gemeenten).
3.2 Internationale betrekkingen
Mexico is lid van de Verenigde Naties, de Organisatie van Amerikaanse
Staten (OAS), de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT)
en tal van andere regionale en internationale organisaties. Ondanks de
belangrijke productie van aardolie is Mexico geen lid van de OPEC. In
april 1991 is een akkoord voor economische en commerciële samenwerking
met de EU ondertekend.
3.3 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
De huidige regeringspartij, de Partido Revolucionario Institucional (PRI),
beheerst sedert haar oprichting in 1929 (toen als Partido Nacional
Revolucionario) het politieke toneel. Lange jaren werd de legale
oppositie gevormd door drie partijen: de conservatieve Partido de Accíon
Nacional (PAN, uit 1939), een katholieke oppositiepartij, de Partido
Auténtico de la Revolución Mexicana (PARM), rechts van de PRI, en de
linkse Partido Popular Socialista (PPS, uit 1947). In 1988 nam een
coalitie van dissidenten uit de PRI met een aantal linkse partijen,
waaronder de communistische Partido Mexicano Socialista (PMS), de PARM
en de PPS, deel aan de verkiezingen onder de naam Frente Democrático
Nacional (FDN). Hieruit ontstond in 1989 de Partido de la Revolución
Democrático (PRD).
Lange tijd is de Mexicaanse overheid succesvol geweest in het
controleren van de vakbeweging: de overkoepelende organisaties van de
belangrijkste industriële en agrarische vakbonden, resp. de in 1936
opgerichte Confederación de Trabajadores de México (CTM, met ca. 5,5
miljoen leden de grootste) en de Confederación Nacional de Campesinos (CNC),
zijn zeer nauw met de regerende PRI verbonden, en daardoor sterk beperkt
in hun activiteiten. In 1960 werd een van de CTM onafhankelijke
vakbondsfederatie opgericht, de Central Nacional de Trabajadores (CNT,
ca. 400!000 leden), waarin een aantal vakbonden die niet onder het
dictaat van de PRI wilden functioneren, zich verenigde (o.a. CROC,
typografen, textielarbeiders en vakbonden van de
elektriciteitsbedrijven). Sinds het begin van de jaren zeventig was er
een sterke toename van nieuwe onafhankelijke vakbonden, waarvan m.n.
studentenvakbonden en het Sindicato de Trabajadores de la Universidad
Nacional Autónoma de México (STEUNAM) en de afsplitsing van het
Sindicato Unico de Trabajadores Electricistas de la República Mexicana (SUTERM-Tendencia
Democrática) een belangrijke rol spelen. Eind jaren tachtig wist
president Salinas met harde hand in te grijpen in de machtige, aan de
PRI gelieerde vakbonden, waardoor m.n. de CTM haar invloed zag tanen.
4. Economie
4.1 Algemeen
In het begin van de 20ste eeuw waren landbouw en mijnbouw de
belangrijkste economische sectoren; zilver en andere metalen, en later
aardolie, vertegenwoordigden ca. 75% van de exportwaarde. De ontdekking
van enorme aardolievoorraden bood een uiterst gunstig
toekomstperspectief, zowel waar het de eigen energievoorziening en
petrochemische industrie betreft als voor de deviezeninkomsten uit de
export ervan. Van de economisch actieve bevolking van 26,6 miljoen (38%
van de totale bevolking van 1988) is 26% werkzaam in de landbouw, 23% in
mijnbouw en industrie en 57% in handel en dienstverlening. Het aandeel
van deze sectoren in het bruto binnenlands product (bbp) was in 1994:
landbouw 8%, industrie 28% en handel en diensten 64%. Mexico is zeer in
trek bij buitenlandse investeerders (vooral grote multinationale
ondernemingen: 80% daarvan is Noord-Amerikaans). De overheid heeft een
belangrijk aandeel in de economische activiteit: winning van aardolie en
enkele basisindustrieën (ijzer en staal, elektrische energie,
spoorwegvervoer en telecommunicatie) zijn in handen van de staat. Het
economisch beleid is gebaseerd op samenwerking tussen overheid en
particulier bedrijfsleven; de belangen van handel en producenten worden
behartigd door de zeer machtige Confederación de Cámaras Nacionales de
Comercio (CONCANACO, 1917), de Confederación de Cámaras Industriales (CONCAMIN,
1917) en de Confederación Patronal de la República Mexicana (COPARMEX,
1929).
De gestegen inkomsten uit de export van aardolie legden de basis voor
een sterke economische groei in de jaren zestig en zeventig; het bruto
nationaal product (bnp) nam tussen 1965 en 1980 gemiddeld met 6, 5% per
jaar toe. Toenemende inflatie, groeiende schuldenlast en een daling van
de olieprijzen leidden in 1982 tot een economische crisis, waar eerst
vanaf 1990 verbetering in kwam; tussen 1990 en 1994 groeide het bnp
gemiddeld met 2,5% per jaar.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
Een agrarische hervorming na de Revolutie van 1910 beoogde een einde te
maken aan het grootgrondbezit (slechts 3% van de agrarische bevolking
bezat een eigen stuk grond). Volgens de grondwet van 1917 is de staat
eigenaar van alle grond en kan alleen de staat grond aan anderen in
eigendom geven. President Cárdenas versnelde de verdeling van het land
onder de arme boeren, hetgeen voor een belangrijk deel op coöperatieve
grondslag geschiedde (het zgn. ejido-stelsel). Na een geleidelijke
herverdeling van de haciendas wordt thans ca. 60% van akkerbouwgrond
door ejido-bedrijven bewerkt. Van de niet-ejidale bedrijven is 60%
kleiner dan 5 ha, hetgeen de eigenaar amper voldoende inkomen geeft om
te overleven. In 1995 was 22 miljoen ha van het bodemoppervlak bebouwde
landbouwgrond, 74,4 miljoen ha was weidegrond, 48 miljoen ha was met bos
bedekt en 40,6 miljoen ha was niet geschikt of niet in gebruik voor
landbouw. In 1995 werd 6 miljoen ha bevloeid. Mexico kon tot het begin
van de jaren tachtig bijna geheel in de eigen voedselbehoefte voorzien
en voerde landbouwproducten uit (vooral groenten, fruit en katoen). Door
gebrek aan kredieten, lage prijzen en teruglopende investeringen in de
landbouw daalde de voedselproductie. In 1994 moest de zelfvoorziening
hersteld zijn. Maïs is het belangrijkste product (6,5 miljoen ha); de
staten Jalisco en Veracruz zijn de belangrijkste binnenlandse
leveranciers. Andere belangrijke producten zijn tarwe (vooral in Sonora),
bonen, katoen (Vallei van Mexicali; Coahuila, Tamaulipas), koffie (derde
producent van Latijns-Amerika; Chiapas en Veracruz) en henequén (sisal;
ruim 50% van de wereldproductie komt uit Yucatán); voorts bananen,
citrusvruchten, tabak, cacao en maguey. De uiterst moderne en
kapitaalintensieve landbouwbedrijven in het noorden (veelal in
buitenlandse handen) produceren overwegend producten (tomaten, verse
groenten, fruit - aardbeien - en bloemen) voor de export.
Runderen worden vooral gehouden op de hoogvlakte in Noord-Mexico (vooral
voor export naar de Verenigde Staten) en in de Istmusstaten, varkens
vooral in Midden-Mexico, Jalisco en Michoacán. De bijenteelt (Yucatán)
produceert honing voor export.
Van de bosexploitatie (ca. 75% naaldhout) wordt nog steeds een
aanzienlijk deel (ca. 30%) als brandstof (houtskool) gebruikt. Voorts
tropische houtsoorten, rubber, chicle (grondstof voor kauwgom) en
candelillawas.
De visserij neemt in belangrijkheid toe; veel Noord-Amerikaanse
maatschappijen mogen vissen in Mexicaanse wateren, vooral in de Grote
Oceaan en de Golf van Californië. Belangrijk is de garnalenvangst
(export naar de Verenigde Staten), voorts die van sardines, tonijn en
oesters.
4.3 Mijnbouw
Aardolie wordt in Mexico al gewonnen sinds het begin van deze eeuw
(eerste uitvoer in 1911). De eerste aardolieraffinaderij werd in 1917 in
gebruik genomen. Na de nationalisatie van de aardolie-industrie in 1938
en de oprichting van het Staatsoliebedrijf PEMEX (Petróleos Mexicanos)
in datzelfde jaar werd de productie van aardolie primair gericht op de
nationale energievoorziening (transport en industrie). Na de ontdekking
in 1975 van enorme nieuwe reserves aan aardolie in Zuidoost-Mexico
(zowel op het vasteland als 'off shore') is niet alleen de productie
enorm toegenomen, maar ook de export: van 8,7 miljoen vaten in 1973 naar
890 miljoen vaten in 1990, waarvan ruim de helft wordt geëxporteerd
(vooral naar de Verenigde Staten). Hiermee is Mexico de vierde
wereldproducent. De bewezen reserves (olie én gas) bedroegen in 1994 68
miljard vaten, terwijl er waarschijnlijk voor 250 miljard vaten in de
bodem zit (een grotere reserve dan die van Saoedi-Arabië). Er vindt een
belangrijke export van aardolie plaats naar de Verenigde Staten, Europa,
Brazilië en Japan. Naast de oude olievelden in Veracruz, Tamaulipas en
Tabasco, zijn vooral de nieuwe velden van belang in de Golf van Campeche,
Chiapas, Veracruz en Tabasco. De in 1953 op gang gekomen uitvoer van
aardgas (vooral naar de Verenigde Staten) werd in de periode 1971-1980
sterk beperkt om de interne industrie van energie te voorzien. De
belangrijkste aardgasvelden liggen in Chiapas, Tabasco en Veracruz.
Mexico is sinds de opening in 1983 van de nieuwe Real de Angeles-mijn in
Zacatecas de grootste zilverproducent ter wereld: meer dan 20% (Fresnillo
in de staat Zacatecas; Pachuca in Hidalgo; Parral, Santa Bárbara en San
Francisco del Oro in Chihuahua). Andere belangrijke metalen zijn lood,
zink en koper (vooral Chihuahua en Sonora), ijzererts (Peña
Coloradobekken in Colima; Las Truchas in Michoacán; Guerrero; Durango;
Oaxaca); voorts o.a. goud, kwik (Zacatecas), tin en uraan (Sonora en
Chihuahua). Andere delfstoffen zijn zwavel (tweede wereldproducent;
vooral in de Istmusstaten), steenkool (Sabinasbekken in Coahuila; Sonora),
fluoriet (eerste wereldproducent; Guerrero), bariet, grafiet en
fosforiet.
4.4 Energievoorziening
Het geïnstalleerde vermogen voor de elektriciteitsproductie bedroeg in
1993 28!900 MW (tegen slechts 3048 MW in 1960); waterkrachtcentrales
nemen hiervan 71% voor hun rekening. De elektriciteitsproductie
geschiedt voor 88% in staatsbedrijven. De grootste centrales zijn de
waterkrachtcentrales van Infiernillo (600 MW, in de Río Balsas), en de
La Angosturacentrale (540 MW, in de Río Grijalva). In 1988 werd de
kerncentrale Laguna Verde in Veracruz op experimentele basis in bedrijf
gesteld.
4.5 Industrie
De industrie was in de jaren zestig en zeventig na de winning en
verwerking van aardolie de snelstgroeiende sector van de Mexicaanse
economie, maar stagneerde in de jaren tachtig als gevolg van de
beperking van de import en de verminderde binnenlandse vraag. De
politiek van snelle industrialisatie en importsubstitutie zoals die na
de Tweede Wereldoorlog is gevoerd, heeft ertoe geleid dat Mexico voor
een belangrijk aantal consumptiegoederen steeds minder afhankelijk is
van invoer uit het buitenland. De investeringen in de industrie zijn
gestegen van 7% van de totale investeringen in 1940, via 56% in 1960 tot
74% in 1970. De belangrijkste basisindustrieën zijn geheel of
grotendeels in handen van de staat: aardoliewinning en -verwerking (PEMEX),
ijzer- en staalindustrie (SIDERMEX), en de productie van cement en
cellulose. Vele Noord-Amerikaanse en multinationale ondernemingen hebben
een vestiging in Mexico, al dan niet als joint venture. De belangrijkste
industriegebieden zijn gelegen in en rond Mexico-Stad, in de deelstaat
México en de deelstaat Nuevo León (de stad Monterrey), de deelstaten
Puebla, Morelos en Jalisco (de stad Guadalajara). In het kader van het
Border Industrialization Program (1965) werd in een 121 mijlszone langs
de grens met de Verenigde Staten een groot aantal assemblage-industrieën
( 'maquiladoras') opgezet onder voor buitenlandse investeerders (vooral
uit de Verenigde Staten) zeer gunstige fiscale en vestigingsvoorwaarden.
De snelstgroeiende sector is de petrochemische industrie. De
basisproductie is voor 100% in handen van het staatsbedrijf PEMEX met
ca. 60 verschillende fabrieken. Deze voorziet sinds 1974 volledig in de
binnenlandse vraag naar benzine en dieselolie. Van groot belang is de
staalindustrie, waar ruim tweederde van de productie afkomstig is van de
drie bedrijven binnen de staatsonderneming Siderúrgia Mexicana (SIDERMEX).
De cementproductie, eveneens grotendeels in handen van de overheid, is
onvoldoende voor de binnenlandse vraag. Monterrey is het tweede
industriecentrum van het land. Torreón heeft een belangrijke
metallurgische industrie. Het belangrijkste industriegebied wordt
gevormd door de staat México en het Distrito Federal. Andere
industriecentra zijn Guadalajara, Veracruz en Puebla.
4.6 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Het nationale ontwikkelingsplan voor 1989-1994, dat de
goedkeuring kreeg van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), beoogt de
inflatie terug te dringen en een groei van de economie te realiseren van
6% in 1994. Om dit mogelijk te maken is een stijging noodzakelijk van de
investeringen van 19% tot 26% van het bnp, voornamelijk door een toename
van de particuliere investeringen. Het financieringstekort van de
overheid (11% in 1988) moest teruggebracht worden naar 3% in 1994 door
middel van het beperken van subsidies en andere bezuinigingsmaatregelen.
Beperkingen op buitenlandse investeringen en buitenlands eigendom van
Mexicaanse ondernemingen zijn grotendeels opgeheven. In 1989 bereikte de
regering een akkoord met de ca. 400 buitenlandse banken, bij wie Mexico
een schuld had van $ 52 miljard, over herfinanciering van de leningen.
De totale buitenlandse schuld (bij banken, overheden en multilaterale
financiële instellingen) bedroeg $ 167 miljard (1994).
4.7 Bankwezen
De in 1925 opgerichte Banco de México is sinds 1931 de centrale
emissiebank, volgens het Amerikaanse Federal Reserve System. Daarnaast
zijn er 27 nationale kredietinstellingen, eveneens onder staatsbeheer;
de belangrijkste zijn de Nacional Financiera (1934), de Banco Nacional
de Comercio Exterior en de Banco Nacional de Crédito Rural. De 20
handelsbanken, die in 1982 genationaliseerd werden in een poging een
einde te maken aan de kapitaalvlucht, werden vanaf 1990 weer
geprivatiseerd. Er zijn drie effectenbeurzen: in het Distrito Federal,
in Monterrey en in Gualdalajara.
4.8 Handel en toerisme
De belangrijkste exportproducten zijn aardolie en -derivaten, tomaten,
koffie en katoen; voorts worden garnalen, zink, lood, koper, fluoriet,
vleesconserven, fruit en bloemen uitgevoerd. Ingevoerd worden vooral
transportmiddelen, onderdelen voor de assemblage-industrieën, machines,
grondstoffen en halffabrikaten, tarwe en maïs. De belangrijkste
handelspartner is de Verenigde Staten; voorts de EG, Latijnsamerikaanse
buurlanden, Canada en Japan. In 1992 werd met de Verenigde Staten en
Canada een vrijhandelszone overeengekomen (NAFTA). Ook met Colombia en
Venezuela werd overeenstemming bereikt om, in 1994, tot een
vrijhandelszone te komen.
Voor Mexico is het toerisme van groot belang: de deviezen, vnl.
afkomstig van Amerikaanse toeristen, zorgen voor ongeveer 10% van de
lopende rekening van de betalingsbalans. De overheid tracht via het
Fondo Nacional de Turismo (FONATUR) de toeristencapaciteit sterk te
vergroten en te verbeteren.
4.9 Verkeer en vervoer
Sinds 1952 is het wegtransport voor het vervoer belangrijker dan het
railvervoer. De totale weglengte is ruim 243!509 km, waarvan 35%
geplaveid is. De belangrijkste wegverbindingen maken deel uit van het
Interamerikaanse wegennet (Carretera Interamericana, Carretera Central,
Carretera del Pacifico). Mexico-Stad is het knooppunt van het ruim
26.000 km lange spoorwegnet, dat sedert 1937 grotendeels in handen is
van de staat (Ferrocarriles Nacionales de México). In verhouding tot de
grote lengte van de kustlijn (bijna 10!000 km) heeft Mexico vrij weinig
goede zeehavens. De belangrijkste havens aan de Golf van Mexico zijn
Tampico, Coatzacoalcos (vooral kustvaart) en Veracruz; voorts Minatitlán,
Tuxpán en Progreso. Aan de Grote Oceaan zijn de belangrijkste havens:
Lázaro Cárdenas, Salina Cruz en Santa Rosalía; voorts Acapulco, Ensenada,
Mazatlán, Guaymas en Manzanillo. De in 1958 opgerichte nationale
scheepvaartmaatschappij Transportación Marítima Mexicana neemt in
toenemende mate deel aan het internationale scheepsverkeer. De
binnenvaart is vrij onbelangrijk. Coatzacoalcos (Puerto México), Salina
Cruz en Topolobampo zijn vrijhavens. Mexico heeft 1200 vliegvelden,
waarvan 28 voor internationaal verkeer (o.a. Mexico-Stad, Monterrey,
Tampico, Acapulco, Tijuana, Veracruz, Cancún, Mérida, Guadalajara en
Mazatlán). De beide nationale luchtvaartmaatschappijen, Aeronás de
México (voorheen Aeroméxico) en Compañía Méxicana de Aviación, zijn
sinds 1988 geprivatiseerd. Voor transport van aardolie en aardgas
beschikt het land over een uitgebreid net van pijpleidingen.
5. Geschiedenis
5.1 Van de 16de eeuw tot 1800
Mexico
is in de Amerikaanse oudheid de zetel geweest van bloeiende
beschavingen. Nadat in 1517 en 1518 vanuit Cuba enige verkenningen
hadden plaatsgevonden langs de kusten van Mexico, werd Cortés met
600-700 man, zestien paarden en een paar kanonnen op veroveringstocht
uitgezonden en landde hij te Veracruz (21 april 1519). Volgens recente
schattingen moeten er toen ca. 30 miljoen mensen hebben gewoond, welk
cijfer - volgens sommigen - in de 17de eeuw tot ca. 2 miljoen was
gedaald ten gevolge van ziekten, oorlog en onderdrukking. Hoewel de
keizer van het Aztekenrijk, Montecuzoma, zich aanvankelijk onderwierp,
lokte het latere optreden van de Spanjaarden een opstand uit. De botsing
tussen twee zo geheel verschillende culturen werkte in het voordeel van
de Spanjaarden, die bovendien werden begunstigd door de omstandigheid
dat juist in die periode het centralistische bestuur van het Aztekenrijk
reeds interne weerstanden begon op te roepen, die door Cortés konden
worden uitgebuit om de bevolking van enkele van de deelstaten aan zijn
zijde te krijgen. Sommige historici menen dat juist het samenvallen van
de Spaanse invasie met het beginnende verval van de Azteekse beschaving
voor de uiteindelijke nederlaag van de inheemse machthebbers beslissend
is geweest. Na de belegering en val (13 aug. 1521) van de hoofdstad,
Tenochtitlán, werd deze in Mexico herdoopt en werd middelpunt van 'Nieuw-Spanje',
dat in 1535 de status van onderkoninkrijk kreeg. Hiervan maakten ook
Centraal-Amerika, West-Indië en tijdelijk Venezuela deel uit. In deze
kolonie konden alleen zuivere Spanjaarden, zgn. peninsulares, hoge
ambten bekleden, moesten alle industriële producten uit Spanje betrokken
worden met uitsluiting zelfs van eigen nijverheid en was de uitvoer,
sedert de 18de eeuw vnl. zilver, volkomen op het moederland gericht. Het
grondbezit was geheel in handen van Spanjaarden en van de kerk, die in
het openbaar bestuur was geïntegreerd.
5.2 Van 1808 tot 1917
De afzetting van de Bourbons in Spanje (1808) vormde de onmiddellijke
aanleiding tot de eerste grote opstand tegen dit systeem. Creolen,
Indianen en mestiezen, aangevoerd door de priesters Miguel Hidalgo en
José Maria Morelos, bevochten de Spaanse bevolking en regeringstroepen;
deze slaagden er in 1815 in het gezag van de onderkoning te herstellen.
Toen in Spanje in 1820 een liberale grondwet werd afgekondigd, gingen de
blanke kolonisten ertoe over de onafhankelijkheid uit te roepen.
Generaal Iturbide, hiertegen met regeringstroepen uitgezonden, liep naar
de opstandelingen over, nam de leiding en liet zich in 1821 als Agustín
I tot keizer kronen. Hij werd het jaar daarop ten val gebracht door de
liberalen onder Antonio López de Santa Ana. Nadat de staten van
Centraal-Amerika zich van Mexico hadden losgemaakt, liet Santa Ana een
federalistisch-republikeinse grondwet uitvaardigen (1824). In de woelige
periode van 1821 tot 1857 vonden zeer veel staatsgrepen plaats. Deze
vloeiden hoofdzakelijk voort uit de tegenstelling tussen de
conservatieve, monarchistische en klerikale stromingen enerzijds en de
anti-klerikale, federalistisch-gezinde liberalen anderzijds, een
tegenstelling die, nadat de onafhankelijkheid eenmaal was veroverd, weer
de kop opstak. Een belangrijke oorzaak van de conflicten was echter ook
de wedijver tussen ambitieuze militairen die uit de
onafhankelijkheidsstrijd waren voortgekomen. In 1829 deed Spanje een
heroveringspoging, die echter werd neergeslagen door de troepen van
Santa Ana, de man die tot 1850 herhaaldelijk het presidentschap zou
bekleden. In 1838 bezetten de Fransen Veracruz als onderpand voor
niet-betaalde schulden. Texas verklaarde zich in 1836 onafhankelijk en
sloot zich in 1845 bij de Verenigde Staten aan. De daaropvolgende oorlog
eindigde met het verlies van Texas, Nieuw-Mexico, Californië, Arizona,
Nevada en Utah, waarmee ongeveer de helft van het oorspronkelijke
Mexicaanse territoir verloren ging (1848). De inmiddels conservatief
geworden Santa Ana riep zich tot dictator uit (1853), maar werd twee
jaar later verdreven. De toen aan de macht gekomen liberalen ondernamen
een programma van hervormingen, gericht op sanering van het
staatsapparaat en inperking van de macht van de kerk. In 1858 behaalde
hun leider, Juárez, de overwinning op de conservatieve regering van
Zuloaga en Miramón en annuleerde de schulden aan het buitenland (1861).
Frankrijk, Engeland en Spanje besloten tot interventie, maar de beide
laatste landen trokken zich terug, toen de Franse plannen voor een
protectoraat duidelijk werden. Na de intocht van de Franse troepen in de
hoofdstad (7 juni 1863) en de aanstelling van een voorlopige
conservatieve regering trok Juárez zich naar het noorden terug. De
conservatieven boden de keizerskroon nu aan aartshertog Maximiliaan van
Oostenrijk aan, die in 1864 de troon besteeg. Toen de Fransen onder druk
van de Verenigde Staten hun troepen uit Mexico terugtrokken, werd
Maximiliaan verslagen en gefusilleerd. De 'Liberale Republiek' werd nu,
eerst door Juárez en na diens dood (1872) door Lerdo de Tejado,
hersteld. De periode van 1876 tot 1911 staat bekend als het porfiriato,
de conservatieve dictatuur van Porfirio Díaz, die ondersteund werd door
een positivistisch gezinde intellectuele elite, de zgn. científicos. In
deze periode, waarin Porfirio Díaz zich soms ook van stromannen
bediende, groeide de Mexicaanse economie snel, vooral dankzij Díaz'
liberale beleid ten aanzien van Amerikaanse en buitenlandse
investeringen. De vruchten hiervan kwamen slechts aan een kleine
economische en bureaucratische elite ten goede. Lokale opstanden werden
met ijzeren hand onderdrukt. In 1910 was Díaz echter niet meer in staat
aan het groeiende volksverzet het hoofd te bieden. Zijn val (1911) ging
gepaard met een opeenvolging van sociale en politieke conflicten, die
tezamen de inleiding tot de 'epische periode' van de Mexicaanse
Revolutie vormen. Aanvankelijk was de leiding van het verzet in handen
van reformistische en liberale intellectuelen, onder wie vooral Madero.
Onder zijn presidentschap en onder dat van zijn opvolgers Huerta en
Carranza volgde een tijd van intense beroering, waarin ook de Verenigde
Staten herhaaldelijk poogden te interveniëren ter bescherming van hun
oliebelangen. In 1917 kwam er een nieuwe vooruitstrevende grondwet tot
stand, waarin de idealen en doelstellingen van de Revolutie werden
vastgelegd. De teneur van deze grondwet was anti-klerikaal,
socialistisch en nationalistisch.
5.3 Van 1917 tot 1946
Toch bleef ook de periode na 1917 nog geruime tijd gekenmerkt door een
niet aflatende machtsstrijd tussen de leiders van de sociale groepen die
bij de revolutie betrokken waren geweest. In 1920 werd president
Carranza vermoord, waarna onder Obregón de eerste stappen werden gezet
op de weg naar de uitvoering van de landhervorming en de sociale
wetgeving die de nieuwe constitutie voorschreef. De regering van Obregón
werd in 1923 door de regering van de Verenigde Staten erkend. De
vreedzame machtsoverdracht ten gunste van de nieuwe president Calles
(1924) betekende het einde van de 'epische periode' van de Revolutie. De
toepassing van de anti-klerikale bepalingen van de grondwet leidde in
1926 tot een conflict tussen kerk en staat. Uit dit conflict groeide de
opstand van de 'cristeros', die echter in 1929 door de regering werd
neergeslagen. De presidenten Portes Gil, Ortiz Rubio en Rodríguez
fungeerden eigenlijk als stromannen van Calles. Het presidentschap van
Lázaro Cárdenas (1934-1940) daarentegen onderscheidde zich door een meer
radicaal bewind, dat er duidelijk op gericht was om vooral de
sociaal-economische doelstellingen van de Revolutie systematisch in
praktijk te brengen. Cárdenas organiseerde de verschillende
revolutionaire krachten: arbeiders, boeren, middenklasse en militairen,
in het kader van een eenpartijstelsel, waaruit later de huidige
regeringspartij Partido Revolucionario Institucional (PRI), voortkwam.
Onder Cárdenas verkreeg de Revolutie een zodanige legitimiteit dat zij -
zoals in feite gebeurde - kon worden geïnstitutionaliseerd. Cárdenas
bracht een belangrijke agrarische hervorming tot stand. In 1937 werden
de Amerikaanse en de Britse olie-industrieën volledig genationaliseerd.
Het jaar 1940 markeert het begin van een periode van consolidatie van
het revolutionaire proces. Er trad vanaf dat moment een zekere matiging
op, alsook een koerswijziging ten gunste van de industriële
ontwikkeling. Onder Avila Camacho werden de kerkvervolgingen vrijwel
beëindigd. In 1942 voegde Mexico zich bij de geallieerde mogendheden en
verklaarde het de oorlog aan Duitsland, Italië en Japan. In 1946 kwam
voor het eerst weer een civiele president aan de macht in de persoon van
Miguel Alemán.
5.4 Van 1946 tot 1986
Sinds de jaren veertig bezit Mexico in feite een geleide democratie,
waarin slechts aan enkele kleine oppositiepartijen een zekere
bewegingsvrijheid wordt gelaten. De verkiezingen zijn tot nu toe altijd
gewonnen door de kandidaat van de regeringspartij, die ook het gehele
overheidsapparaat in handen heeft. Het stelsel heeft zich geleidelijk
aan enigszins geliberaliseerd. Tevens is de traditie gegroeid dat een
centrum-linkse president wordt opgevolgd door een centrum-rechtse, en
omgekeerd. Zo volgde in 1958 onder López Mateos een meer progressief
bewind, dat zich weer concentreerde op de landhervorming ten gunste van
de boeren en op de verdeling van het grootgrondbezit. De meer behoudende
Díaz Ordaz (1964-1970) legde zich vnl. toe op de expansie van de
industriële sector. Op het eind van de jaren zestig begon in sommige
sectoren, zowel in als buiten de regeringspartij, de oppositie tegen het
bestaande stelsel toe te nemen.
In juli 1968, korte tijd voor de aanvang van de Olympische Spelen,
leidden tegen het regime gerichte betogingen van studenten tot een
bloedig conflict tussen studenten en politie. Onder het bewind van L.
Echeverría Alvarez (1970-1976) werd gestreefd naar modernisering van de
PRI en liberalisering van het politieke systeem. De sociale onrust bleef
echter een voedingsbodem voor acties van guerrillagroepen en studenten,
die een maatschappijhervorming in socialistische zin nastreefden.
Echeverría trachtte door middel van een grotere staatsinvloed in het
economisch leven en nieuwe landverdelingsprogramma's de onrust in te
dammen, maar zijn binnenlandse politiek was echter weinig succesvol. In
zijn buitenlandse politiek streefde hij naar een onafhankelijker positie
tegenover de Verenigde Staten en vaak wierp hij zich op tot woordvoerder
van de Derde Wereld.
De conservatieve president López Portillo y Pacheco (1976-1982) staakte
de hervormingspogingen van zijn voorganger en bestreed de economische
crisis via stimulering van de particuliere sector en een strak
loonbeleid. De groeiende export van aardolie verschafte de middelen voor
een krachtige economische expansie, maar deed ook de corruptie verder
toenemen. Na de economische bloei in de jaren zeventig, veroorzaakt door
de olieboom, brak in 1982 een economische crisis uit toen de overheid
niet meer in staat was te voldoen aan de betalingsverplichtingen op de
buitenlandse schuld. Teneinde de overheidscontrole op de economie te
versterken, nationaliseerde López Portillo de particuliere banken. Zijn
opvolger Miguel de la Madrid Hurtado (1982-1988) probeerde de crisis te
bestrijden door een strikte bezuinigingspolitiek, privatisering van
staatsondernemingen en liberalisering van de economie. Na verkiezingen
voor leden van het Congres in juli 1985 beschuldigde de conservatieve
Partij van Nationale Actie (PAN) de regering van verkiezingsfraude. Ook
bij de verkiezingen voor gouverneurs in een aantal deelstaten in juli en
okt. 1986 constateerden internationale waarnemers grootscheepse fraude.
Na de aardbeving in Mexico-Stad, op 19 sept. 1985, waarbij zeker 20!000
mensen omkwamen en een schade werd aangericht van naar schatting $ 3,5
miljard, bleef de overheid in gebreke bij de hulpverlening. Zij werd ook
beschuldigd van corruptie en nalatigheid bij de controle op de
bouwverordeningen.
5.5 Van 1986 tot heden
Binnen de regerende PRI ontstond in 1986 een Democratische Stroming, die
streefde naar democratisering van de partij en een meer nationalistisch
economisch beleid. Nadat minister van Planning Carlos Salinas de Gortari
in okt. 1987 door de partijleiding aangewezen was als kandidaat van de
PRI bij de presidentsverkiezingen van juli 1988, verlieten
PRI-dissidenten de partij. Bij de verkiezingen behaalde het FDN, een
samenwerkingsverband van linkse partijen, volgens de officiële cijfers
31% van de stemmen en de PRI ruim 50%. Deze uitslag werd aangevochten
door de oppositie, die de verkiezingsoverwinning opeiste voor het FDN.
Na enige maanden van politieke onrust en massale demonstraties werd
Salinas op 1 dec. 1988 beëdigd als president. In nov. 1989 werd de
kandidaat van de PAN gekozen tot gouverneur van de deelstaat Baja
California Norte, waarmee voor het eerst in 60 jaar een lid van een
oppositiepartij een dergelijk ambt bekleedde.
President Salinas poogde het machtsmisbruik en de corruptie van
gezagdragers aan te pakken. In januari 1989 gelastte Salinas de
arrestatie van de machtige leider van de oliewerkersbond STPRM, Joaquín
Hernández Galicia, bijgenaamd La Quina, die beschuldigd werd van
corruptie en moord. Vanwege betrokkenheid bij de handel in cocaïne
werden in de loop van 1989 en 1990 enkele hoge politie-officieren
vervolgd. De verkiezingen voor leden van het Congres en een aantal
gouverneurs op 18 aug. 1991 leverden een grote overwinning op voor de
PRI. Dit resultaat werd behalve aan de populariteit tevens aan fraude
geweten. Salinas liet twee gouverneurs aftreden als reactie op de
beschuldigingen. In nov. 1993 werd een vrijhandelsakkoord (NAFTA)
bereikt met Canada en de Verenigde Staten.
In mei van dat jaar werden kardinaal Posadas Ocampo, aartsbisschop van
Guadelajara en zes anderen vermoord bij een treffen tussen twee
drugsbendes. Twee jaar later werd de voormalige openbare aanklager in
deze zaak vermoord. Vanaf mei 1993 voerden Indiaanse boeren geregeld
overvallen uit op legerposten in de zuidelijke deelstaat Chiapas, waar
de onvrede over de geringe vooruitgang bij de landhervorming het grootst
is.
Op zijn verkiezingstournee in de noordelijke grensplaats Tijuana werd de
presidentskandidaat van de PRI, Luís Donaldo Colosio, in maart 1994
vermoord. Een half jaar later viel hetzelfde lot ten deel aan de
secretaris-generaal van de PRI, José Francísco Ruiz Massieu. Zijn broer
Mario, de speciale aanklager in deze moordzaken, nam in nov. ontslag,
omdat de leiding van de PRI de moordcomplotten zou willen toedekken. In
maart 1995 werd deze voormalige hoogste ambtenaar van de
drugsbestrijding gearresteerd in de Verenigde Staten op verdenking van
banden met de drugsmafia. De presidentsverkiezingen van aug. 1994
leverden een overwinning op voor de PRI-kandidaat Ernesto Zedillo, een
technocratische econoom met een Yale-achtergrond. De verkiezingen zelf
droegen een sterk frauduleus karakter. Bij zijn aantreden beloofde
Zedillo voortzetting van de democratisering en hervorming van het
justitiële apparaat. Bij de gelijktijdig gehouden parlementsverkiezingen
verloor de PRI 24 zetels in het Huis van Afgevaardigden en kwam er voor
het eerst ook oppositie in de Senaat. In de zuidelijke deelstaat Chiapas
leidde de sociale onvrede in jan. 1994 tot een uitbarsting toen
guerrillastrijders van het Zapatistisch Nationaal Bevrijdingsleger (EZLN)
een aantal steden bezetten. Eind jan. sloten regering en oppositie een
akkoord over wijzigingen in de grond- en kieswet. In maart willigde de
regering een aantal eisen in van het EZLN. Toen in dec. PRI-kandidaat
Eduardo Robledo Rincón als gouverneur van Chiapas aantrad, na
grootscheepse fraude bij de verkiezingen, kwam het EZLN opnieuw in
opstand. Zedillo ging echter niet in op de eis van het EZLN om Robledo
af te zetten. In febr. 1994 trad Robledo echter toch af.
Als gevolg van de opstand in Chiapas zakte de economie eind 1994 in
elkaar. President Zedillo kondigde daarop een economisch noodprogramma
af, gericht op beteugeling van de inflatie, stimulering van de
werkgelegenheid en het privatiseringsproces. Bij deelstaat- en
gemeenteraadsverkiezingen leed de PRI forse nederlagen, maar zij behield
in 28 van de 32 deelstaten en in 85% van de gemeenteraden de macht.
Eind febr. 1995 werd Raúl Salinas, de broer van de vroegere president
Carlos Salinas, gearresteerd in verband met de moord op Ruiz Massieu en
op mogelijke betrokkenheid bij de moord op presidentskandidaat Colosio.
In maart maakte het Amerikaanse drugsbestrijdingsagentschap bekend te
beschikken over bewijzen dat oud-president Carlos Salinas op talloze
bankrekeningen in negen verschillende landen 500 miljoen dollar had
staan. Dit vermogen zou bestaan uit smeergelden van de cocaïnemafia.
Onder druk van de boerenopstand en de peso-crisis bereikte president
Zedillo in jan. 1995 een akkoord met de drie grootste oppositiepartijen
over democratische hervormingen. Als gevolg van de peso-crisis maakte
Mexico in 1995 de zwaarste depressie mee in zijn geschiedenis. De
Amerikaanse president Clinton droeg met een reddingsplan ruim 12 miljard
dollar bij, een fractie van de oorspronkelijk beoogde 40 miljard.
De gemeenteraadsverkiezingen van nov. 1996 in de economisch
belangrijkste deelstaat Mexico liepen uit op een grote overwinning van
de oppositie. Ook in twee andere deelstaten leed de PRI zware
nederlagen. Haar congres in sept. rekende af met oud-president Salinas,
die door de afgevaardigden verantwoordelijk werd gehouden voor de moord
op Colosio.
In maart 1996 werd Raúl Salinas officieel in staat van beschuldiging
gesteld voor de moord op Colosio en voor de nooit verrichte opgave over
ruim 23 miljoen dollar aan bezittingen. In dec. werd Yolanda Figueroa en
haar familie vermoord aangetroffen. Zij was de auteur van een bestseller
over drugsbaas Abrego, waarin de connecties tussen mafia, politie en
politiek aan de kaak werden gesteld. Bij nader onderzoek bleek dat
Figueroa's echtgenoot, een justitieambtenaar, fortuinen had vergaard met
zijn betrokkenheid bij drugshandel en ontvoeringen. In 1996 herstelde de
economie zich van het rampjaar 1995, vooral door een sterke groei van de
exportsector in de grenszones.
Telefoongids Mexico
Postcodes
Mexico
|