|

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
In het grootste deel van Nederland bestaat de bodem uit door de zee, de
rivieren of de wind aangevoerd materiaal. In het gedeelte dat door het
landijs was bedekt, vertoont het landschap op vele plaatsen duidelijk de
invloed van het landijs, m.n. in de vorm van stuwwallen (heuvelruggen in
Utrecht, Gelderland en Overijssel). Slechts in het zuiden van de prov.
Limburg is het landschap sterk beïnvloed door erosie, hoewel een deklaag
van löss het erosiekarakter heeft gemaskeerd. De westelijke begrenzing
van de Peelhorst, de Peelrandbreuk, is plaatselijk als een trede in het
landschap te herkennen, terwijl ook in Zuid-Limburg (waar het hoogste
punt van Nederland, de Vaalserberg, 322,5 m, gelegen is) de invloed van
tektonische bewegingen op enkele plaatsen in het veld zichtbaar is (o.a.
de breuklijntrap van Kunrade en de Feldbiss bij Heerlen).
Het landschapsbeeld is in het Holoceen sterk bepaald door de activiteit
van de rivieren en de zee. Met name de zee heeft een stempel op het
landschap gedrukt met de vorming van uitgestrekte kleigebieden en van
strandwallen en met de afbraak van het veengebied, gevormd achter deze
strandwallen (ontstaan van de Zuiderzee, de Biesbosch, enz.). De wind
heeft in het Holoceen de duinen en de zandverstuivingen doen ontstaan.
Het landschap is ten slotte mede bepaald door menselijke activiteit.
Door uitvening en vervolgens drooglegging van meren en plassen zijn
diepliggende droogmakerijen ontstaan (laagste punt van Nederland, o.a.
in de Prins Alexanderpolder, -6 m). Door afgraving van uitgestrekte
veengebieden is de oorspronkelijke, zacht golvende zandondergrond aan
den dag getreden, terwijl door bedijking vele door kreken doorsneden
gebieden deel van het land zijn gaan uitmaken.
1.2 Rivieren, meren en plassen
De Rijn is zowel gletsjerrivier als regenrivier. De afvoer van de Rijn
bedraagt gemiddeld 69 miljard m3, wat overeenkomt met een waterschijf
over het gehele land van 1725 mm. De kanalisatie van de Neder-Rijn en de
Lek resulteerde in een verbetering van de bevaarbaarheid van de IJssel,
het Pannerdens Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek; tevens wordt door
vergroting van de lage afvoeren van de IJssel onder normale waterstanden
een ruimere watervoorziening van het noorden van het land, via het
IJsselmeer, gewaarborgd. De Maas is een echte regenrivier. Het verschil
tussen de grootste en de kleinste voorgekomen afvoer is veel groter dan
die bij de Rijn. De gemiddelde jaarlijkse afvoer bedraagt bij Borgharen
8 miljard m3 (overeenkomend met een waterschijf over het gehele land van
200 mm). Een groot deel van de rivier is gekanaliseerd. Van de Schelde
[aardrijkskunde]1 ligt alleen de brede mond binnen de Nederlandse
grenzen. De kleine rivieren die buiten het Nederlandse grondgebied
ontspringen, brengen in totaal slechts gemiddeld 3 miljard m3 water per
jaar over de grenzen. Deze hoeveelheid is in het kader van de
waterhuishouding van regionale betekenis. De meren en plassen liggen
vnl. in het veenlandschap van Nederland. Vrijwel steeds zijn de meren op
natuurlijke wijze ontstaan, en wel door afslag van veenoevers nadat
bijv. door een inbraak van de zee een aanzet tot de vorming van open
water had plaatsgevonden. Vele meren zijn gevormd vanuit oude riviertjes
in het veenlandschap. De uitgeveende gebieden worden veelal als plas
aangeduid. Een groot aantal meren en plassen is in de loop van eeuwen
drooggemalen. Een bijzondere plaats nemen de meren in, ontstaan in het
kader van de Zuiderzeewerken (IJsselmeer en zijn randmeren) en de meren,
gevormd door de Deltawerken.
1.3 Geologie
1.3.1 Paleozoïcum. De oudste in Nederland aan de
oppervlakte komende gesteenten behoren tot het Carboon. Nabij Epen komen
schalies en kwartsitische zandstenen aan de oppervlakte voor (o.a. in de
Heimansgroeve) uit de onderste etage van het Boven-Carboon). Het
Westfalien is in Nederland steenkoolvoerend. Het Carboonoppervlak
vertoont een grote variatie en ligt in het westen en noorden op meer dan
4000 m diepte. Op het meer of minder sterk geërodeerde Carboon rust met
een duidelijk stratigrafisch hiaat het continentale Saxonien (bovenste
deel van het Onder-Perm) met de belangrijke Slochteren-zandsteenformatie,
het aardgasreservoirgesteente in Groningen (diepte in het Slochterenveld
ca. 2800 m). De herkomst van dit aardgas wordt veelal gezocht in
na-inkoling van onderliggende steenkool uit het Carboon. De Zechstein
(Boven-Perm) vangt aan met een dunne, donkere, bitumineuze band (Kupferschiefer,
Coppershale). Tijdens de Zechstein werden in het noorden en noordoosten
van Nederland tijdens vier indampingscycli dikke lagen steenzout en
plaatselijk kalium-magnesiumzouten gevormd. Door het plastische gedrag
van steenzout onder hoge druk van bovenliggende sedimenten zijn
zoutpijlers van uiteenlopende vorm en grootte ontstaan. De in de
Zechstein voorkomende carbonaten uit de tweede en derde cyclus (Hauptdolomit
en Plattendolomit) zijn aardgasvoerend in Oost- en Noordwest-Nederland.
1.3.2 Mesozoïcum. De Bontzandsteen (Onder-Trias) is
voornamelijk ontwikkeld als een continentaal, fijnklastisch gesteente
met zandsteen (plaatselijk gasvoerend) en evaporiet (o.a.
zout)-inschakelingen. De Muschelkalk (Midden-Trias) bestaat deels uit
dolomitische kalksteen. De Keuper (Boven-Trias), bruinrode en groene
schalies met plaatselijk enige dolomiet, anhydriet en gips, is
grotendeels continentaal. De Keuper ontbreekt op vele plaatsen ten
gevolge van de erosie die volgde op de Vroeg-Kimmerische fase van de
Saxonische orogenese. Met het Rhaetien (einde Trias) zette een nieuwe
sedimentatiecyclus in die duurde tot in de Malm (Boven-Jura). De Lias
(Onder-Jura), alsmede de Dogger (Midden-Jura) zijn in Nederland
ontwikkeld in een mariene facies. In de Lias komen bitumineuze schalies
voor, die mogelijk aardoliemoedergesteente zijn. Uit de Dogger bezitten
kalkhoudende, poreuze zandsteenlagen bekendheid als (potentiële)
aardoliereservoirgesteente.
Na
enige bodembewegingen op de grens Lias-Dogger volgde tegen het eind van
de Onder-Malm de Laat-Kimmerische fase van de Saxonische orogenese,
waarbij grote delen van Nederland opgeheven en vervolgens geërodeerd
werden. Tijdens de Malm zette de sedimentatie in enkele bekkens weer in,
namelijk in het oostelijke of Neder-Saksische Bekken, in het
Centraal-Nederlandse Bekken en in het West-Nederlandse Bekken dat zijn
voortzetting vond in de Centrale Slenk. In deze bekkens volgden op de
afzettingen van Midden- en Boven-Malm de sedimenten uit het Onder-Krijt.
In het Valanginien vormde zich in het Oostelijke Bekken een marien
zandpakket (Bentheimer zandsteen). In Schoonebeek vormt dit het
reservoirgesteente van de aardolie. Ook in het Hauterivien vormden zich
zandsteeninschakelingen, zoals de Gildehauser of Losserse zandsteen. In
de andere bekkens treft men tussen overwegend kleiige, mariene
sedimenten uit het Onder-Krijt eveneens zandsteenpakketten aan welke
aardgas- en aardolievoerend zijn (Rijswijk, Wassenaar, de Lier,
IJsselmonde-Ridderkerk).
Tijdens het begin van het Boven-Krijt werd het gehele land door de zee
overdekt, waarbij vnl. kalkgesteenten werden gevormd, welke in
Zuid-Limburg plaatselijk aan de oppervlakte treden. De sedimenten
beginnen daar met de Formatie van Aken (overwegend zanden), gevolgd door
de Formatie van Vaals (mariene gele tot groene, vaak glauconiethoudende
fijne zanden), de Formatie van Gulpen (overwegend fijnkorrelige
kalksteen), de Formatie van Maastricht (met het Maastrichts Krijt en de
soms harde Kunrader Kalk), plaatselijk gevolgd door de Formatie van
Houthem (Onder-Paleoceen). Het Boven-Krijt in Zuid-Limburg is veelvuldig
gebruikt als bouwsteen, voor de kalkbranderijen, als kalkmeststof en
vooral voor de cementfabricage. Tijdens de Subvariscische en Laramische
fasen van de Saxonische orogenese (Boven- en einde-Krijt) werden de
genoemde Jura-Krijtbekkens sterk opgeheven, zodat daar het Boven-Krijt
geheel of grotendeels ontbreekt, terwijl door bodemdaling het
Boven-Krijt op het voormalige Texel-IJsselmeer Hoog een dikte van 1500 m
kan bereiken.
De Mesozoïsche afzettingen zijn tijdens het Kenozoïcum in grote delen
van het land discordant overdekt door Tertiaire afzettingen met een
dikte van enkele meters tot meer dan 1000 m. Tijdens het Paleogeen
(Paleoceen, Eoceen, Oligoceen) vond uitsluitend mariene sedimentatie
plaats. De grens Eoceen-Oligoceen wordt gekenmerkt door een
stratigrafisch hiaat. Eocene en Oligocene mariene kleiafzettingen komen
in Oost-Nederland aan of dicht aan de oppervlakte voor en worden aldaar
in kleigroeven gewonnen voor steenfabricage. Tijdens het Mioceen vond in
het zuidoosten de vorming plaats van continentale afzettingen, nl. van
witte kwartszanden en van bruinkool. De regressietendens zette zich
voort in het Plioceen, zodat dit in Zuidoost- en Oost-Nederland in
continentale facies voorkomt (Kiezeloöliet Formatie en Scheemda
Formatie). In het grootste deel van Nederland is het Plioceen ontwikkeld
als mariene klei- en zandafzettingen (Formatie van Oosterhout, rustend
op de Miocene Formatie van Breda).
De sedimentatie in het Pleistoceen vormde aanvankelijk de voortzetting
van die uit het Tertiair. In het westen en noordwesten vormde zich de
mariene formatie van Maassluis, in het zuiden de Tegelen Formatie,
aangevoerd door Rijn en Maas, en in het oosten de Harderwijk Formatie,
welke fluviatiele formaties zich in het Onder-Pleistoceen over vrijwel
geheel Nederland uitbreidden. De Rijn en Maas voerden vervolgens de
afzettingen van de Formatie van Kedichem en Sterksel aan, de rivieren
van oostelijke herkomst achtereenvolgens de Harderwijk en de Enschede
Formatie.
Tijdens het Midden-Pleistoceen werd Nederland tweemaal gedeeltelijk door
landijs overdekt, nl. tijdens het Elsterien en het Saalien. De Rijn
voerde intussen de afzettingen van de Formatie van Urk aan, de Maas van
de Formatie van Veghel. Tijdens het warme Holsteinien (interglaciaal)
was een deel van Nederland door de zee overdekt. Tijdens het Saalien
drong het landijs vanaf het noorden Nederland binnen, waarbij de
stuwwallen ontstonden en de grondmorene (keileem) werd afgezet. De
glaciale afzettingen worden samengevat tot de Formatie van Drenthe, de
periglaciale tot de Formatie van Eindhoven. Tijdens het Vroeg- en
Midden-Pleistoceen vormden zich in Limburg de verschillende
terrasniveaus, voorheen aangeduid als Hoogterras en Middenterras.
Tijdens het Eemien, het interglaciaal dat volgt op het Saalien, vond
weer, mede dankzij een zeespiegelstijging, een gedeeltelijke mariene
transgressie plaats, terwijl de rivieren de formatie van Kreftenheye
aanvoerden. Het mariene Eemien wordt aangeduid als de Eemformatie, het
continentale als de Formatie van Asten, naar het veelvuldig voorkomen
van leem- en veenafzettingen in de Centrale Slenk. Tijdens het
Weichselien, toen het landijs niet tot Nederland reikte, werd de
Formatie van Twenthe gevormd, overwegend uit periglaciale afzettingen
bestaande. Hiertoe behoren o.a. de dekzanden, welke in de Pleistocene
zandgebieden veelal de bovengrond vormen. Tijdens het laatste gedeelte
van het Weichselien (het Laat-Glaciaal) werd de oude rivierklei
(rivierleem) afgezet, terwijl zich tevens vele rivierduinen vormden. De
oude rivierklei treedt langs de Maas en de Oude IJssel aan de
oppervlakte, elders is deze door Holocene rivierklei overdekt. De
rivierduinen, die een hoogte van 20 m kunnen bereiken, zijn ook aanwezig
in de ondergrond van o.a. de Alblasserwaard en vormen daar de donken.
Tijdens het Weichselien vond in Zuid-Limburg de vorming van het lössdek
plaats, terwijl in de rest van Nederland de dekzanden ontstonden,
waarbij m.n. de jongste verantwoordelijk zijn voor het karakteristieke
microreliëf (kopjes, ruggen, paraboolduinen).
De geologische ontwikkeling van Nederland tijdens het Holoceen is in
hoge mate bepaald door de zeespiegelrijzing, die over de afgelopen
10.000 jaar ongeveer 65 m bedraagt. Omstreeks 8000 voor heden had de
zeespiegel een niveau van ca. 20 m beneden het huidige bereikt, waardoor
in de laagste delen binnen de huidige kustlijn vorming van mariene
afzettingen plaats kon vinden. De mariene afzettingen, veelal rustend op
een veenlaag (veen-op-grotere-diepte), behoren tot de Westland Formatie.
Beneden het zgn. oppervlakteveen (Hollandveen) spreekt men van de
Afzettingen van Calais (4000-1800 v.C.), vroeger veelal aangeduid als
oude zeeklei. De jongere mariene afzettingen behoren tot de Afzettingen
van Duinkerke (jonge zeeklei). Gelijktijdig kwam in het rivierkleigebied
de Betuwe Formatie (stroomruggronden en komgronden) tot afzetting,
terwijl in het overgangsgebied tussen de rivieren en de zee (het
perimariene gebied) resp. de Afzettingen van Gorkum en de Afzettingen
van Tiel werden gevormd. In het pleistocene landschap vormden zich
gedurende het Holoceen in de beekdalen de Formatie van Singraven, deels
uit veen bestaande, alsmede grote veenkussens in Drenthe-Groningen en in
Noord-Brabant, behorend tot de Formatie van Griendtsveen. De stuifzanden
uit het Holoceen worden gerekend tot de Formatie van Kootwijk. De
strandwallen kwamen tot ontwikkeling tussen ongeveer 3300 en 2000 v.C.,
de oude duinafzettingen tussen 1800 v.C. en 1200 n.C., de jonge
duinafzettingen sedert 1200 n.C.
1.4 Klimaat
Nederland bezit een gematigd regenklimaat, Cfb volgens de indeling van
Köppen. Het temperatuurverloop in Nederland wordt vooral bepaald door de
ligging ten opzichte van de zee. De jaarlijkse gang van de temperatuur
is aan zee dan ook kleiner dan landinwaarts. De gemiddelde
jaartemperatuur neemt van het noorden naar het zuiden gaand toe. De
afstand tot de zee bepaalt ook in sterke mate de windsnelheid. Bovendien
vertoont de windsnelheid een duidelijke jaarlijkse gang, terwijl de
gemiddelde windsnelheid in het noorden van het land iets groter is dan
in het zuiden. Dat bomen veelal naar het noordoosten hellen, hangt samen
met de in het algemeen grotere snelheid waarmee lucht uit het zuidwesten
wordt aangevoerd; in De Bilt bedraagt dit verschil ruim 1 m/s, in De
Kooy, ongeveer 5 km ten zuid-zuidoosten van Den Helder, zelfs iets meer
dan 2 m/s.
Het minimum van de neerslag valt in maart. Het maximum valt in het
binnenland in de zomer, in de kustgebieden in het najaar. Daar valt de
neerslag dan meestal in nachtelijke, van zee afkomstige buien. De
zomerneerslag in het binnenland valt eveneens in hoofdzaak in de vorm
van buien, maar overdag. Deze buien gaan veelal gepaard met onweer. Op
ca. 100 dagen per jaar wordt ergens in Nederland onweer waargenomen met
een maximum van zestien dagen in juli en augustus en een minimum van
drie in december, januari en februari. In de wintermaanden komt
regelmatig sneeuw voor. Echte hagel valt meest in de zomer. Motregen en
mist zijn het meest frequent in najaar en winter. In De Bilt komt in de
maanden oktober, november, december en januari gemiddeld op 22% van de
dagen mist voor; in juli op slechts 5% van de dagen. Bovendien duurt de
mist dan veel korter dan in najaar en winter.
Het algemene karakter van het weer in Nederland wordt bepaald door de
heersende circulatie. De meest frequent voorkomende circulatietypen zijn
de cyclonale westelijke circulatie (16%), waarbij regelmatig depressies
ten noorden van Nederland naar het oosten trekken met veranderlijk,
regenachtig weer, overheersend zuidwestelijke winden en gematigde
temperaturen, en die waarbij zich een hogedrukgebied boven Midden-Europa
bevindt, al dan niet in verbinding staande met het Azoren-hogedrukgebied
(totaal 17%). Een hogedrukgebied boven Midden-Europa wordt gekenmerkt
door een geringe windsnelheid, lage temperatuur in de wintermaanden en
betrekkelijk hoge temperaturen in de zomer. De neerslag is gering, het
aantal dagen met nevel en mist groot. Belangrijk is voorts het verband
tussen de meteorologische omstandigheden en de luchtsoort waarin
Nederland zich bevindt. Zo komen de hoogste temperaturen voor in juni en
juli in continentaal-tropische lucht met een gemiddeld dagelijks maximum
in De Bilt van 28 °C. In de drie wintermaanden vallen de laagste
temperaturen wanneer Nederland zich in continentaal-polaire lucht
bevindt. Het gemiddeld dagelijks maximum van de temperatuur blijft dan
juist beneden het vriespunt.
1.5 Plantengroei
De plantengroei weerspiegelt de variatie in en binnen de landschappen en
is dan ook zeer gevarieerd. Zo geldt het duingebied langs de kust
evenals het geheel van kwelders en begroeide strandvlakten als uniek in
Europa. De grote laagveenmoerassen (Nieuwkoop, Vechtstreek,
Noordwest-Overijssel, Friesland) vinden nergens in West- en Zuid-Europa
een equivalent, evenals de door inpoldering ontstane Oostvaardersplassen
in Flevoland. De in het oosten en zuiden gelegen stuwwallen, heiden,
hoogvenen, vennen en loofbossen, rivierdalen, beken en bronnen kennen
elk hun karakteristieke plantengroei. Ten slotte vindt men in het
uiterste zuiden een plateaulandschap met in de dalen een rijke, ten dele
aan kalk gebonden flora, die sterk van die van het overige land afwijkt.
De verscheidenheid wordt nog versterkt door regionale
klimaatverschillen, als gevolg waarvan het land een ontmoetingsgebied is
van boreale, continentale, Atlantische en mediterraan-Atlantische
plantensoorten. Daarenboven heeft de mens duizenden jaren lang landschap
en plantengroei beïnvloed, en wel vooral door het bedrijven van een
kleinschalige en gevarieerde landbouw. Bij wegvallen van de menselijke
invloed zou het land, voor zover niet onder de zeespiegel verdwijnend,
voor het overgrote deel begroeid raken met een klein aantal
bosvegetatietypen, die nu, ten dele als resten van een oorspronkelijke
begroeiing, nog aanwezig zijn. De mens heeft deze bossen echter in de
loop der eeuwen geleidelijk vervangen door stabiele half-natuurlijke
landschappen zoals heiden, blauwgraslanden en andere schraallanden,
rietlanden en krijthellinggraslanden, en daarmee de verscheidenheid aan
de plantengroei vergroot. Tot in de 20ste eeuw namen deze landschappen,
thans teruggedrongen tot natuurreservaten, een veel groter oppervlak in
beslag dan het cultuurland in engere zin (akkers e.d.). Belangrijke
factoren in de verschraling van de plantengroei die in de 20ste eeuw
plaatsvindt, worden gevormd door enerzijds de bevolkingsgroei (met o.a.
door de woningbouw veroorzaakte landhonger) en anderzijds de
industrialisering en schaalvergroting (leidend tot o.m.
milieuverontreiniging, wegenbouw, gebruik van herbiciden, enz.).
Plantengeografische districten:
1. Waddendistrict. Dit omvat de kalkarme duinen van de Noordzee-eilanden
en ten noorden van Bergen (N.-H.). De kustduinflora komt ongeveer
overeen met die van het Duindistrict en wordt gekenmerkt door o.a.
zandhaver, zeewinde en blauwe zeedistel. De binnenduinflora heeft
eveneens bepaalde soorten met het Duindistrict gemeen, zoals duinroos,
knopbies en duindoorn, maar verschilt ervan: negatief door het ontbreken
van vele continentale, in Nederland min of meer aan kalk gebonden
soorten en m.n. door de armoede aan struwelen; positief door de
duinheidevegetaties met struikheide en voorts zowel Atlantische (gewone
dopheide, stekelbrem) als continentale (verfbrem) en boreale
(kraaiheide, rijsbes, berendruif) soorten.
2. Duindistrict. Dit onderscheidt zich van het vorige in het binnenduin
door aan kalk gebonden soorten, die ten dele ook langs de rivieren en in
Zuid-Limburg voorkomen. Zij behoren enerzijds tot de struweelformatie,
bijv. wilde liguster, zuurbes, wegedoorn, egelantier, kardinaalsmuts,
anderzijds tot droge graslanden en zoomvegetaties, zoals driedistel,
kleine steentijm, ruig viooltje en nachtsilene. Bovendien wijzen
allerlei soorten op een warmer klimaat dan in het Waddendistrict.
3. Fluviatiel district. Dit omvat gebieden langs de grote rivieren, op
de Zuid-Hollandse eilanden en in Zeeland. Kenmerkend zijn een paar
honderd Midden-Europese, veelal aan kalkrijk, droog zand, kalkrijke klei
of aan overstromende oevers gebonden soorten, bijv. weidesalie,
cypreswolfsmelk, akkerklokje, marjolein, kleine ruit, Engelse alant,
genadekruid, polei, grote engelwortel.
4. Hafdistrict. Dit omvat het Holocene gedeelte van Noord- en
Zuid-Holland, Utrecht, Overijssel, Friesland en Groningen, voor zover
niet tot een van de drie hiervoor genoemde districten behorend. De
rivierinvloed ontbreekt, ook in de oude rivierlopen. Plassen en
moerassen met voedselrijk, ten dele zwak brak water en een
karakteristieke plantengroei wisselen af met het overigens geheel en
intensief in cultuur gebrachte polderland. Enkele voor het Hafdistrict
kenmerkende soorten zijn: moeraswolfsmelk, moeraslathyrus, groot
nimfkruid en veenreukgras. Een aantal kenmerkende soorten van eutrofe
moerassen zijn gemeenschappelijk aan het Hafdistrict en de wielen en
oude rivierlopen in het Fluviatiel district: watergentiaan, gewoon
blaasjeskruid, slangenwortel en fonteinkruidsoorten.
5. Drents district. Evenals bij de twee hierna genoemde districten zijn
de heiden en de bijna verdwenen hoogvenen het meest kenmerkend. Hierin
en in de bossen en moerassen zijn van belang enerzijds Atlantische
soorten als gewone dopheide, brem, hulst en rankende helmbloem,
anderzijds noordelijke soorten als kraaiheide, wolverlei, zevenster,
Linnaeusklokje, Zweedse kornoelje en Noordse zegge.
6. Gelders district. De noordelijke invloed is geringer dan in het
laatstgenoemde, de fluviatiele daarentegen groter. De kleine wolfsklauw
heeft in dit district zijn optimum; kleine schorseneer en heidezegge
zijn ertoe beperkt.
7. Kempens district. Het grootste deel van Noord-Brabant en een deel van
Limburg. De noordelijke soorten ontbreken of zijn zeer schaars. De
heiden zijn opvallend arm, de bossen en beekdalen daarentegen rijk aan
soorten. Kenmerkend zijn o.a. knolsteenbreek, kruipende waterweegbree en
een aantal thans geheel of nagenoeg verdelgde soorten, bijv.
kranskarwij.
8. Vlaams district: een klein deel van Zeeuws-Vlaanderen met heiden en
loofbosrestanten op zandgrond, aansluitend bij een groter gebied in
België.
9. Subcentreuroop district: een deel van Oost-Twenthe, voorts de
Achterhoek, het Rijk van Nijmegen en Oost-Limburg. Het continentaler
klimaat weerspiegelt zich in een rijkere Midden-Europese flora, vooral
in de loofbossen, waarvan vele soorten overigens ook in de beide hierna
genoemde districten voorkomen. Te noemen zijn o.a. taxus, zoete kers,
zwarte rapunzel, gele dovenetel, heelkruid, kleine maagdenpalm en
goudveilsoorten.
10. Lössdistrict. Dit sluit aan bij een groter gebied in België en
Duitsland; hier te lande is het sterk in cultuur gebracht. Er zijn vrij
veel kalkaanwijzende planten, doch minder dan in Duin- en Krijtdistrict.
11. Krijtdistrict. Dit wijkt sterk af van het overige deel van het land
door een meer continentaal tot submontaan klimaat (van Maastricht tot
Vaals gaat men van het gebied met de laagste tot dat met de hoogste
neerslag in Nederland]) en een plaatselijk kalkrijke bodem. Er zijn veel
soorten gemeenschappelijk met het Fluviatiel district en vrij veel met
Duin-, Löss- en Subcentreuroop district, doch ook tal van (binnen
Nederland) eigen of er optimale soorten, o.a. maretak, peperboompje,
christoffelkruid, lievevrouwebedstro, witte veldbies, franjegentiaan en
13 soorten orchideeën.
1.6 Dierenwereld
De dierenwereld bestaat enerzijds uit een betrekkelijk arme dierenwereld
op het Holocene gedeelte en anderzijds uit uitlopers van de
Midden-Europese dierenwereld op het Pleistocene deel. Het Holocene (dus
jongste) gebied is bovendien sterk verstedelijkt; dit nieuwe land werd
pas na de IJstijden vanuit het oosten en zuiden door dieren bevolkt,
afgezien van enkele al aanwezige glaciale relicten (elementen die
vermoedelijk ook tijdens de glaciatie het land bewoonden, o.a. bepaalde
waterkevers).
Het landschap heeft sterk de invloed van de mens ondervonden; werkelijk
natuurlijke landschappen komen nog maar zeer sporadisch voor en dan als
regel nog op zeer kleine schaal. De urbanisatie gaf berg- en
rotsbewoners gelegenheid tot stadsbewoners te worden (zwarte roodstaart,
gierzwaluw, e.a.); ingrijpende inpolderingen (vooral die van de
Zuiderzee en de Deltawerken) deden het zoetwatermilieu ten dele in
oppervlak toenemen (wat o.a. de zoetwaterfauna ten goede kwam), maar
beïnvloedden ook weer de Waddenzee in minder positieve zin. De
monocultures van akker-, weide- en bosbouw trokken bepaalde, later soms
massaal schadelijke, dieren aan en deden andere verdwijnen. De grootste
problemen van recentere perioden zijn die van de milieuverontreiniging
die sterk bijgedragen heeft tot verarming van de fauna, niet in de
laatste plaats die van het zoete water.
Merkwaardig genoeg is naast het verdwijnen van een aantal diersoorten
ook het opkomen van andere te constateren (o.a. Turkse tortel, pas sinds
1950 broedvogel, thans in geheel Nederland massaal verspreid; merel,
grote lijster, Europese kanarie en zwarte specht breidden hun areaal
aanzienlijk uit). Door de mens beschermde of weer uitgezette soorten
begonnen aan een (nieuwe of hernieuwde) expansie (grauwe gans, kwak,
havik, raaf, edelhert, ree, wild zwijn e.a.). Andere soorten kunnen zich
slechts marginaal handhaven (das, marters e.a.). Daarnaast kent men
uiteraard soorten die moesten verdwijnen toen de bevolking begon toe te
nemen en het land in cultuur werd gebracht, wat meestal met ontbossing
gepaard ging: oeros, bruine beer, wolf, wilde kat, bever, enz. De bever
werd in 1988 heringevoerd (Biesbosch). Al of niet opzettelijk ingevoerde
dieren konden vaak vaste voet aan de grond krijgen (o.a. konijn,
muskusrat, fazant, snoekbaars, Chinese wolhandkrab, slipper of muiltje)
of zich met enige moeite op een beperkt gebied handhaven (moeflon,
damhert, beverrat, e.a.). De ondiepe kustwateren van de Noordzee en de
Waddenzee huisvesten een betrekkelijk soortenarme fauna, waarbij echter
de individuenrijkdom enorm kan zijn. De Waddenzee is van eminent belang
als broedplaats van talloze mariene organismen. Van de zoogdieren zijn
te noemen de plaatselijk in voortbestaan bedreigde zeehond (in 1988
sterk gedecimeerd door een virusziekte in de Waddenzee) en de bruinvis.
De fauna van Nederland behoort tot die van de West-Europese provincie
van de Palaearctische Regio; het is goeddeels een dierenwereld van de
laagvlakte, alleen in Zuid-Limburg dringen via de Ardennen
Midden-Europese (berg)elementen door - in dit oude landschap leven
talrijke diersoorten die elders in Nederland niet voorkomen (de meeste
soorten weliswaar zeldzaam en vaak plaatselijk bedreigd in hun
voortbestaan): hamster, eikelmuis, muurhagedis, vuurpad, vroedmeesterpad,
beekforel, wijngaardslak e.a. Bovendien is Zuid-Limburg van groot belang
door de al of niet natuurlijke grotten die de overwinterende vleermuizen
huisvesting verschaffen. De Nederlandse fauna kent waarschijnlijk geen
endemische soorten. De fauna geniet veelzijdige wettelijke bescherming
(zie beschermde diersoorten); tevens kent Nederland een uitgebreid
netwerk van natuurreservaten en andere beschermde gebieden.
2. Bevolking
2.1 Demografische gegevens
In
1830 telde Nederland nog slechts 2, 6 miljoen inwoners. In 1995 had
Nederland 15.432.000 inw., waarmee het een van de dichtstbevolkte landen
ter wereld is. De grootste toename vond plaats in de periode 1945-1990,
nl. 6 miljoen. Het dichtstbevolkte gebied is het westen (950 inw. per
km2) en met name de Randstad. Het dunstbevolkt is het noorden (190 per
km2); het zuiden en oosten hebben ongeveer de gemiddelde
bevolkingsdichtheid van Nederland (440). In Zeeland is de
bevolkingsdichtheid overigens slechts 200 inw. per km2. Het percentage
Nederlanders dat in steden met 100.000 of meer inwoners woont, nam tot
1984 af, sindsdien stijgt het weer.
Steden met meer dan 100.000 inwoners zijn in volgorde van grootte:
Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage, Utrecht, Eindhoven, Groningen,
Tilburg, Haarlem, Apeldoorn, Enschede, Nijmegen, Arnhem, Zaanstad,
Breda, Maastricht, Leiden, Dordrecht en Amersfoort.
Van de niet-Nederlanders waren in 1993 214.800 van Turkse afkomst,
164.000 waren Marokkaans, 47.000 hadden de West-Duitse, 42.000 de
Britse, 24.000 de Belgische, 17.440 de Spaanse, 16.090 de Italiaanse,
22.000 de Surinaamse, 12.170 de Joegoslavische en 10.720 de Amerikaanse
nationaliteit.
2.2 Etnische minderheden
Als gevolg van o.a. buitenlandse migratie kent Nederland een aantal
etnische minderheden. Volgens de Adviescommissie Onderzoek Minderheden (ACOM)
is er sprake van een etnische minderheid als de cultuur van die
minderheid van vreemde origine is. Tot de etnische minderheden in deze
zin in Nederland worden gerekend:
a. Mediterrane werknemers en hun gezinnen. Deze categorie omvat in feite
tien etnische groepen: Turken, Marokkanen, Spanjaarden, Italianen,
Joegoslaven, Portugezen, Kaapverdianen, Grieken, Egyptenaren en
Tunesiërs. Ze hebben met elkaar gemeen, dat ze na 1960 als
arbeidsmigranten naar Nederland zijn gekomen, c.q. in het kader van
wervingsverdragen zijn geworven.
b. Ingezetenen van Surinaamse afkomst. Hieronder worden zowel diegenen
begrepen die vóór de onafhankelijkheid van Suriname op 25 nov. 1975 naar
Nederland kwamen en in het algemeen op grond van de
Toescheidingsovereenkomst de Nederlandse nationaliteit hebben, alswel
diegenen die na die datum zijn gekomen en in het algemeen Surinaams
staatsburger zijn.
c. Ingezetenen afkomstig van de Nederlandse Antillen en Aruba. De
ongeveer 66.000 Arubanen en Antillianen in Nederland zijn ingevolge het
Koninkrijksstatuut van 1954 staatsburgers van het Koninkrijk. Vanaf het
midden van de jaren tachtig is een derde stroom migranten uit de
Antillen op gang gekomen. Na Antillianen die in Nederland kwamen
studeren en arbeiders die na de sluiting van de grote raffinaderijen op
Curaçao in Nederland werk zochten, kwamen na 1985 vooral jonge,
ongeschoolde Antillianen naar Nederland. Hun komst ging van meet af aan
met problemen gepaard. Deels vanwege hun lage opleiding, deels door hun
geringe kennis van de Nederlandse taal.
d. De Molukkers. Het gaat hier om ex-KNIL-militairen, die na de
ontmanteling van het koloniale Indische leger in 1951 naar Nederland
kwamen, hun gezinnen en hun nakomelingen (zie ook Zuid-Molukkers).
e. De categorie Vluchtelingen is een verzamelnaam voor meestal kleine
groepen van verschillende nationaliteit die óf op uitnodiging van de
Nederlandse regering hier kwamen óf op eigen initiatief arriveerden en
vervolgens na een asielaanvrage de status van vluchteling hebben
verkregen.
f. Zigeuners. Hoewel deze groep van ca. 1500 personen in het algemeen in
woonwagens woont en een trekkend bestaan leidt, onderscheidt zij zich
duidelijk van de autochtone woonwagenbevolking door haar cultuur, taal
en geschiedenis (zie ook Zigeuners).
2.3 Taal
Officiële rijkstaal is de Nederlandse taal; de Nederlandse standaardtaal
wordt Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) genoemd. Deze
bovengewestelijke standaardtaal wordt naast en boven een aantal
dialecten gesproken. Alleen de Friese taal heeft een speciale status.
Verder worden in Nederland door immigranten veel allochtone talen
gesproken (o.a. Turks, Arabisch, Sranantongo, Papiamento).
2.4 Religie
Sinds de Grondwet van 1848 is er in Nederland volledige
godsdienstvrijheid. Volgens schattingen van het Centraal Bureau voor de
Statistiek (1993) vormen de katholieken numeriek de sterkste groepering:
36% van de bevolking; de Nederlandse hervormden telden toen 19%, de
leden van de Gereformeerde Kerken in Nederland 8%; de laatsten
uitgezonderd de leden van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, de
Gereformeerde Gemeenten, de Nederlandse Gereformeerde Kerken en de
Oud-Gereformeerde Gemeenten. Dezen maken samen met een aantal kleinere
denominaties (waaronder remonstranten, doopsgezinden, enz.). De
hedendaagse ontwikkeling van de godsdienst beweegt zich in de richting
van onkerkelijkheid. Eind jaren tachtig verklaarde eenderde van de
ondervraagden in een opinieonderzoek zich als onkerkelijk te beschouwen.
De enquête van het Centraal Bureau voor de Statistiek in 1988 kwam met
een geregistreerd onkerkelijkheidscijfer van 32%. Het verlies van
ledental is het sterkst bij de Rooms-Katholieke Kerk.
De immigratie na de Tweede Wereldoorlog van Zuid-Molukkers leidde tot de
stichting van een aantal Molukse kerken en gemeenten.
De komst sinds de jaren zestig van Marokkaanse en Turkse werknemers
heeft de vestiging van de islam tot gevolg gehad. Daarnaast wonen er
hindoes en boeddhisten in Nederland.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Bestuur
Nederland is formeel een constitutionele, erfelijke monarchie. De
scheiding van de machten is in grote trekken geregeld in de Grondwet.
Naar een op de staatsrechtelijke praktijk afgestemd criterium is het
land te kenschetsen als een parlementaire democratie. De Koning is
onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk. Nederland is uit ander
oogpunt een - zowel territoriaal als functioneel - gedecentraliseerde
eenheidsstaat waarin aan provincies en gemeenten als gewestelijke en
plaatselijke democratieën, evenals aan openbare lichamen van beroep en
bedrijf, een eigen wetgevende en bestuursmacht is toevertrouwd.
Verschillende vormen van toezicht verzekeren dat de eenheid van de staat
bij dit stelsel van decentralisatie niet wordt verbroken.
De wetgevende macht wordt uitgeoefend door de regering en de
Staten-Generaal gezamenlijk. De beide Kamers van de Staten-Generaal (de
Eerste en de Tweede Kamer) vertegenwoordigen het Nederlandse volk. In de
Grondwet is zowel het principe van algemeen kiesrecht als van evenredige
vertegenwoordiging vastgelegd. De grenzen van de wetgevende macht zijn
slechts gegeven door het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, de
Grondwet en verdragen.
De uitvoerende macht (beter: bestuursmacht of regeermacht) berust bij de
Koning en concentreert zich bij de ministers die hoofd zijn van
ministeriële departementen, waarover het gehele centrale rijksbestuur is
verdeeld. Als algemeen adviesorgaan voor de Koning treedt op de Raad van
State.
De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door onafhankelijke rechters,
door de Koning voor het leven benoemd.
3.2 Administratieve indeling
Nederland is verdeeld in twaalf provincies en 636 gemeenten. De
provincies worden bestuurd door Provinciale Staten, gekozen door de
ingezetenen; uit hun midden kiezen zij een dagelijks bestuur, de
Gedeputeerde Staten. Voorzitter van Provinciale en van Gedeputeerde
Staten is de door de Kroon benoemde Commissaris der Koningin. Aan het
hoofd van de gemeenten staat de gemeenteraad, onder voorzitterschap van
een door de Kroon benoemde burgemeester, die samen met de wethouders
(uit en door de raad gekozen) het dagelijks bestuur vormt.
3.3 Politieke partijen en vakbonden
Van groot belang voor het Nederlands politiek bestel zijn de politieke
partijen. Alle in de Staten Generaal vertegenwoordigde partijen dateren
van na de Tweede Wereldoorlog. De meeste zijn echter een voortzetting
van de vooroorlogse politieke partijen of stromingen. Tot medio jaren
zeventig waren de drie belangrijkste levensbeschouwelijke stromingen in
Nederland: de confessionele, de socialistische en de liberale (zie ook
verzuiling). Als gevolg van een complex van oorzaken verloren deze
levensbeschouwingen aan inspiratiekracht, maar de erop gebaseerde
politieke partijen wisten zich door samenvoegingen en koersveranderingen
grotendeels te handhaven.
Het Christen-Democratisch Appèl (CDA), sedert 1977 een samenvoeging van
Katholieke Volkspartij (KVP), Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en
Christelijk Historische Unie (CHU), trok aanvankelijk de kiezers van
confessionele huize, maar sinds de tweede helft van de jaren tachtig
wist de partij ook niet kerkelijk gebonden kiezers aan te trekken
doordat zij meer afstand nam van de kerken en de confessionele
organisaties en positie koos ter rechterzijde van het politieke midden.
Na de verkiezingen van 1989 slaagden de christen-democraten erin om voor
de vierde maal achtereen aan de macht te blijven, maar in 1994 belandden
de confessionelen voor het eerst in hun geschiedenis in de oppositie.
De Partij van de Arbeid (PvdA), sedert de Tweede Wereldoorlog meer malen
de coalitiepartner van de confessionelen, verloor in de tweede helft van
de jaren tachtig zowel bij landelijke als bij provinciale en
gemeentelijke verkiezingen steeds meer terrein, wat eveneens gold voor
de liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD). Democraten 66
(D'66), in 1966 opgericht om het bestaande politieke bestel op te
blazen, ontwikkelde zich in de loop van de tijd steeds meer tot een
gevestigde partij en maakte vooral in de tweede helft van de jaren
tachtig een spectaculaire groei door. Eind jaren tachtig ontstond een
nieuwe groepering, Groen Links geheten, het resultaat van een samengaan
van een aantal kleine linkse partijen, t.w. Communistische Partij
Nederland (CPN), Pacifistisch Socialistische Partij (PSP), Evangelische
Volkspartij (EVP) en de Politieke Partij Radicalen (PPR). Daarnaast zijn
enkele kleine politieke partijen ter rechterzijde van het politieke
midden blijven bestaan t.w. de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) en
het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV). Naast de landelijk opererende
partijen zijn met name op gemeentelijk niveau veel lokale partijen en
belangenbehartigingsorganisaties actief, zij het dat invloed en aanhang
langzamerhand afneemt ten gunste van de landelijke partijen.
3.4 Werkgevers- en werknemersorganisaties
De in Nederland bestaande werkgevers- en werknemersorganisaties zijn
o.a. als gesprekspartners van de overheid op velerlei niveaus
ingeschakeld (Sociaal Economische Raad [SER], Stichting van de Arbeid,
enz.). Zij nemen daarbij een maatschappelijke positie in die zeker wat
de vakbonden betreft, niet gerechtvaardigd wordt door hun ledenaantal.
De belangrijkste werknemersorganisatie is de Federatie Nederlandse
Vakbeweging, in 1976 ontstaan uit een samengaan van het Nederlands
Katholiek Vakverbond (NKV) en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen
(NVV). Daarnaast bestaat het Chistelijk Nationaal Vakverbond (CNV) en de
centrales voor middelbaar en hoger personeel. Met een organisatiegraad
van ca. 30% behoort de Nederlandse vakbeweging tot een van de kleinste
van West-Europa.
De belangrijkste werkgeversorganisaties zijn: Het Verbond van
Nederlandse Ondernemingen (VNO), het Nederlands Christelijk
Werkgeversverbond (NCW), het Koninklijk Nederlands Verbond van
Ondernemingen (KNVO) en het Nederlands Christelijk Ondernemersverbond (NCOV).
3.5 Lidmaatschap van internationale organisaties
Nederland behoort tot de leden-oprichters van de Verenigde Naties en is
aangesloten bij alle gespecialiseerde organisaties daarvan. Sedert 1944
werkt Nederland met België en Luxemburg samen in de Benelux. Voorts
maakt Nederland van de oprichting af deel uit van de West-Europese Unie
(WEU), de Raad van Europa, de Europese Gemeenschappen, de OESO en haar
gespecialiseerde organisaties en van de NAVO.
4. Economie
4.1 Algemeen
Nederland heeft een vrije markteconomie. De overheid kan evenwel door
middel van wetgeving en regelgeving op allerlei manieren ingrijpen in
het economisch proces, zodat ook wel van een geleide economie gesproken
wordt.
Sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft de Nederlandse
economie als gevolg van sterk veranderde omstandigheden zoals een sterke
bevolkingsgroei, het verlies van de koloniën een grote verandering
ondergaan. Van een overwegend agrarisch land heeft Nederland zich
ontwikkeld tot een industriële natie. In 1994 droegen landbouw en
visserij voor 3% aan het bruto nationaal product bij, de industrie voor
26%. De resterende 71% kwam voor rekening van de dienstensector. Van
groot belang voor de Nederlandse economie is de aanwezigheid van grote
aardgasvoorraden, waardoor Nederland een belangrijke energie-exporteur
is. Door de gunstige ligging aan de monding van grote Europese rivieren
als Rijn, Maas en Schelde vervult Nederland een grote rol in het
Europese transitoverkeer. Rotterdam is bijgevolg al jarenlang de
grootste haven ter wereld.
De Nederlandse economie heeft in de jaren tachtig en negentig
geprofiteerd van de economische conjunctuur; in de periode van 1990 tot
1994 bedroeg de economische groei gemiddeld 1, 5% (in 1995 2,6%). Het
officiële werkloosheidscijfer bedroeg in 1995 7% van de
beroepsbevolking, waarmee Nederland in de buurt van het EG-gemiddelde
kwam.
4.2 Land- en tuinbouw
Het aandeel van de land- en tuinbouw in de totale beroepsbevolking
daalde van ca. 17% in 1950 tot 4% in 1993; het aandeel in het nationaal
inkomen nam in deze periode af van 14, 4 tot 3%.
61, 5% van de Nederlandse bodem is in agrarisch gebruik. In 1950 was het
aandeel van de akkerbouwproducten 31%, van de dierlijke producten 57% en
van de tuinbouwproducten 12%; in 1989 waren deze aandelen resp. 9,6%,
61% en 29,4%. Uit deze cijfers valt af te leiden dat vooral een
uitbreiding van de productie heeft plaatsgevonden bij de producten
waarvoor relatief weinig grond nodig is. Dankzij dit
intensiveringsproces, en door de hogere opbrengsten per hectare, is de
totale productiehoeveelheid van de Nederlandse land- en tuinbouw tussen
1950 en 1990 enorm toegenomen: de jaarlijkse opbrengst per arbeidskracht
bereikte in 1989 bijna de ƒ 150!000. Deze productie-uitbreiding kon
alleen plaatsvinden door een sterke vergroting van de hoeveelheid
productiemiddelen, zoals kunstmest en (ingevoerd) veevoeder.
De agrarische activiteiten zijn gespreid over het hele land. Een
belangrijk deel van de akkerbouw wordt aangetroffen op de zeekleigronden
in het noorden en het zuidwesten van het land, alsmede in de
IJsselmeerpolders. De intensieve veehouderij of bio-industrie
(varkenshouderij, pluimveehouderij en kalvermesterij), die overigens met
haar enorme mestoverschot een directe bedreiging voor het milieu vormt,
is grotendeels geconcentreerd op de zandgronden in Gelderland,
Noord-Brabant en Limburg. De melkveehouderij komt voor in het hele land,
maar specifieke weidegebieden zijn Friesland en Noord- en Zuid-Holland.
De glastuinbouw, die economisch gezien verreweg het belangrijkste
onderdeel vormt van de Nederlandse tuinbouw, is voor een groot deel
geconcentreerd in enkele grote centra, waaronder die in het zuidwesten
van Zuid-Holland het belangrijkste zijn.
4.3 Bosbouw
Nederland is een weinig bosrijk land. In 1995 was slechts 8% (300.300
ha) van de oppervlakte bebost. Het bos bestaat voor ca. 60% uit
naaldhout. De provincie met de grootste oppervlakte aan bos is
Gelderland (1985: 86.300 ha). Hierna volgen Noord-Brabant (65.900 ha) en
Overijssel (35.200 ha). Bos komt in hoofdzaak voor op de slechtere
gronden. Er is echter een tendens ook op betere gronden bos aan te
planten. Behalve als houtleverancier is het bos van belang voor de
recreatie. De milieuvervuiling, vooral in de vorm van verzuring (zie
zure regen), is een ernstige bedreiging voor het bestand.
4.4 Visserij
De visserij in open zee werd in 1996 in de Noordzee en haar zeeboezems
(garnalenvangst, visserij op diverse vissoorten, oesterteelt en
mosselteelt) bedreven en in verder gelegen wateren (wateren rond
Ierland, bij IJsland en Newfoundland: vangst van rondvis, haringachtigen
en makreel). De economisch belangrijkste groep werd in dat jaar gevormd
door de platvissen, gevolgd door de rondvissen en de schaal- en
weekdieren. Voorts wordt gevist op haringachtigen. De belangrijkste
havens zijn IJmuiden, Scheveningen en Urk.
De binnenvisserij is economisch van weinig belang. De belangrijkste
vissoort is de paling.
4.5 Industrie
Omstreeks de jaren 1890-1900 werd Nederland een industrieland, in die
zin dat het aandeel van de werkgelegenheid in de nijverheid groter werd
dan in de landbouw. Voordien was de textiel-, kleding- en
schoeiselindustrie verreweg de belangrijkste industriële bedrijfstak,
vooral geconcentreerd in het zuiden en in mindere mate in het westen en
oosten des lands. De industriële doorbraak in de periode 1870-1914
leidde tot een sterke groei van de metaalnijverheid, de chemische,
grafische en papierindustrie, al bleven de oudere bedrijfstakken:
textiel-, kleding- en schoeiselindustrie, voedingsmiddelen-, dranken- en
tabaksproductenindustrie en de bouwnijverheid vooralsnog belangrijker
uit een oogpunt van werkgelegenheid. De industrialisatie ging gepaard
met een overgang van huisindustrie naar fabriek en met een ruimtelijke
concentratie vooral in het westen, o.a. door de verhoogde activiteit in
Rotterdam en Amsterdam, en in het zuiden. Daarnaast werd Twente het
centrum van de katoenindustrie. Voor deze industrie waren de koloniën
een belangrijk afzetgebied. Voor de tabaksindustrie speelden de koloniën
een belangrijke rol als grondstofleverancier.
In de jaren na de Eerste Wereldoorlog tot 1930 zetten bovengenoemde
tendensen zich grotendeels voort, zij het met accentverschuivingen. Zo
kwamen de zuivelindustrie en de slachterijen op als exportindustrie. De
schoennijverheid groeide sterk, maar de katoennijverheid stabiliseerde
zich. In de jaren twintig verscheen voor de textielindustrie de
dreigende concurrentie van de kunstvezel. De chemische industrie kwam
evenwel nog niet tot grote bloei, maar een spectaculaire groei
vertoonden wel de elektrotechniek en openbare nutsbedrijven, o.m. door
toenemend gebruik van de elektromotor. Vooral in het westen, en in
mindere mate het zuiden en het oosten, ontwikkelde de industrie zich,
terwijl het noorden een agrarisch karakter behield. Tussen 1930 en 1947
veranderde het industriële patroon weinig.
De jaren na de Tweede Wereldoorlog stonden in het teken van de
wederopbouw. Voornaamste doel was het scheppen van voldoende
werkgelegenheid, vooral door een vergroting van de export. Hiertoe werd
in hoofdzaak een globaal beleid gevoerd bestaande uit geleide
loonpolitiek, (regionale) investeringspremies en ontwikkeling van de
infrastructuur. De nijverheid groeide in deze jaren snel, met als
uitschieters de elektrotechnische, de basismetaal- en de chemische
industrie.
De totstandkoming van de EG in 1958 versnelde de groei nog en deed de
exportquote stijgen. Vooral het groeitempo van de petrochemische
industrie lag in de jaren 1963-1973, ook internationaal gezien, zeer
hoog. De voordelen verbonden aan vestiging in het Rijnmondgebied, die
tot veel buitenlandse investeringen leidden, en de lage energieprijzen
waren hiervan de voornaamste oorzaken. Ook de vondst van het aardgas
werkte stimulerend op de groei. De schaarste op de arbeidsmarkt, die
door deze sterk expansieve ontwikkeling ontstond, had grote
loonstijgingen tot gevolg, die op hun beurt de concurrentiepositie van
de arbeidsintensieve industrieën aantastten, hetgeen in het begin van de
jaren zeventig nog werd versterkt door de appreciatie van de gulden.
Daardoor ontstond een omvangrijke herstructureringsproblematiek. Het
duidelijkste voorbeeld daarvan vindt men bij de textiel-, kleding- en
schoeiselindustrie, waarvan de productie en werkgelegenheid sinds het
midden van de jaren zestig een scherpe teruggang vertonen. Aldus kreeg
de Nederlandse industrie een specialisatiepatroon dat o.m. wordt
gekenmerkt door gerichtheid op primaire producten en halffabrikaten, een
relatief hoge kapitaal- en energie-intensiteit en een betrekkelijk zwak
ontwikkelde investeringsgoederenindustrie.
De snelle productiegroei had eveneens tot gevolg dat de nadelige
effecten van de industriële groei aan het eind van de jaren zestig meer
aandacht trokken. Een groter accent werd gelegd op de zgn. facetten:
milieubescherming, zuinig gebruik van energie en grondstoffen,
ruimtelijke ordening en internationale arbeidsverdeling met het oog op
de ontwikkelingssamenwerking. Deze relativering van het belang van de
industriële expansie leidde tot de gedachte van de selectieve groei.
Intussen was door de scherpe stijging van de aardolieprijs na 1973 de
economische groei in de geïndustrialiseerde westelijke landen sterk
vertraagd. De Nederlandse industrie ondervond, gezien haar hoge
exportquote en energie-intensief karakter, daarvan in sterke mate de
terugslag. Voor de nationale economie betekende het bezit van het
aardgas echter voorlopig nog een belangrijk voordeel ten opzichte van
het buitenland. Terwijl de investeringen van bedrijven zich meer en meer
op het buitenland gingen concentreren, stagneerde de begin jaren tachtig
zo gewenste verbreding van de nationale industriële basis. Een van de
oorzaken hiervoor was het gewijzigd overheidsbeleid dat zich vanaf 1982
m.n. richtte op groei van de export. Van fundamentele vernieuwing van de
Nederlandse industrie was in de jaren tachtig geen sprake; wel van
verbetering van bestaande productieprocessen, m.n. in de chemische
industrie. De reële omzet van de industrie nam in de jaren 1984-1990
gemiddeld met 1,6% per jaar toe en bleef daarmee achter bij de
gemiddelde groei (2,3% per jaar) voor alle bedrijfstakken. Het aandeel
van de industrie in het Bruto Nationaal Product bedroeg in 1994 26%, 25%
van de beroepsbevolking was in dat jaar werkzaam in deze sector.
4.6 Grondstoffenvoorziening
Zowel voor eigen consumptie als voor industriële verwerking is Nederland
van oudsher voor het overgrote deel van de grondstoffenvoorziening
aangewezen op het buitenland. De aard en de hoeveelheid van de
ingevoerde artikelen zijn voor een deel historisch bepaald (bijv.
voedings- en genotmiddelen als overblijfsel van de koloniale tijd), voor
een ander deel het gevolg van de internationale concurrentieverhoudingen
(o.a. in de textielnijverheid), maar voor een belangrijk deel ook van
interne factoren (chemische producten). Daarnaast kunnen
prijsschommelingen op de internationale markt de kosten voor
grondstoffen sterk beïnvloeden (aardolie).
Het aantal landen waaruit Nederland de diverse grondstoffen betrekt, is
zeer groot. Duitsland is echter steeds de grootste leverancier geweest,
terwijl meer dan de helft van alle grondstoffen afkomstig is van
partners uit de EU.
4.7 Mijnbouw
Aan het oppervlak bevat Nederland slechts 'goedkope' delfstoffen, m.n.
grind, zand, klei en mergel/kalk.
In de ondergrond zit zout, aardolie, aardgas en steenkool. Het zout komt
in dikke, uitgestrekte lagen voor en wordt bij Hengelo gewonnen door
water omlaag te spuiten en de pekel op te pompen. Steenkool werd tot
1975 ondergronds gewonnen, maar de vondst van aardgas en de lage prijs
van buitenlandse steenkool waren aanleiding de mijnen te sluiten. In de
ondergrond is nog 1000 miljard ton steenkool aanwezig, maar daarvan is
slechts 4% winbaar met conventionele methoden.
Op het vasteland heeft Nederland twee aardolievelden (Schoonebeek en
West-Nederland) en op het continentaal plat één aardolieveld (offshore).
In 1959 werd het aardgasveld bij Slochteren ontdekt; in 1967 kwam het in
productie. Zie voor de geschiedenis, ontstaan en voorkomen,
aardgasreserves, winningsmethoden, productie, distributie en voorraad
bij aardgas.
4.8 Energievoorziening
Tot de Tweede Wereldoorlog was Nederland voor het energieverbruik vooral
aangewezen op eigen hulpbronnen, vnl. steenkool en wind. Na die periode
werd het buitenlandse energie-aanbod echter snel groter (vooral in de
vorm van aardolie). Het energieverbruik kon daardoor stijgen, alleen
vlak na de olieboycot door de OPEC (1973-1974) en begin jaren tachtig
trad tijdelijk een geringe teruggang op; daarna daalde het huishoudelijk
verbruik nog steeds, maar nam het industrieel verbruik toe. Van 1946 tot
1967 werd vrijwel alle energie gehaald uit steenkool en aardolie, maar
daarna nam het aandeel van aardgas snel toe door de vondst bij
Slochteren. Door die vondst kon Nederland zelfs een energie-exporterend
land worden. De relatief lage verkoopprijs van het aardgas ten opzichte
van de hoge prijs die voor de voortgaande aardolie-import moest worden
betaald, hield echter de financiële energiebalans negatief.
In 1979 was voor het eerst de energie-import weer groter dan de
energie-export, een zich versneld voortzettende tendens. Dat
onderstreept de noodzaak van bezuiniging (zie energiebesparing) en
overschakeling op goedkopere vormen van energie (zie kernenergie).
4.9 Handel
De internationale handel is voor Nederland van groot belang als gevolg
van zijn kleine grondgebied en geografische ligging. Nederland behoort
tot de meest open economieën ter wereld. De belangrijkste
importcategoriëen zijn (elektrische) machines, fabrikaten,
voedingswaren. De belangrijkste exportcategorieën zijn voedingswaren,
levende dieren, chemische producten, (half)fabrikaten, (elektrische)
machines, en aardolieproducten.
4.10 Bankwezen
Centrale bank is De Nederlandsche Bank. Het Nederlandse bankwezen wordt
gekenmerkt door een sterk concentratieproces, alsmede branchevervaging
en internationalisatie. Zie ook bank [economie].
4.11 Verkeer
Door de geografische ligging van Nederland aan de monding van de Rijn en
door het dichtbevolkte en hooggeïndustrialiseerde achterland speelt het
verkeer een belangrijke rol, ook in economische opzicht. Nederland
beschikt over een uitgebreid wegennet, waarvoor Rijk, provincie of
gemeente verantwoordelijk zijn. Van groot belang voor met name het
goederenvervoer, zowel binnenslands als grensoverschrijdend, zijn de
talrijke waterwegen. Van toenemend belang voor het personenvervoer is
het spoorwegverkeer, waarvan de Nederlandse Spoorwegen het monopolie
heeft. Het binnenlandse luchtverkeer speelt nauwelijks een rol van
betekenis. Het autoverkeer neemt het merendeel van het personenvervoer
en goederentransport voor zijn rekening. Voor het openbaar vervoer zijn
naast de NS het streekvervoer en in de grote steden de
gemeentevervoerbedrijven van belang. De Nederlandse handelsvloot neemt
voortdurend in grootte en economische betekenis af. Rotterdam heeft met
Europoort de grootste haven ter wereld en Amsterdam heeft zich in de
afgelopen jaren tot overslagplaats van betekenis ontwikkeld. De
nationale luchtvaartmaatschappij is de KLM, die een uitgebreid
internationaal luchtnet heeft, terwijl het binnenlandse luchttransport
door haar dochtermaatschappij, KLM CityHopper, wordt verzorgd. Schiphol
is de internationale luchthaven.
5. Geschiedenis
5.1 Prehistorie
Paleolithicum
(ca. 250.000 - 8300 v.C.). De vroegste sporen van menselijke
aanwezigheid dateren uit een warme klimaatsfase aan het eind van het
late oud-paleolithicum (ca. 250.000 jaar geleden). Een aantal elkaar in
tijd opvolgende woonplaatsen van Homo erectus werd aangetroffen onder
löss- en rivierafzettingen uit de Saale- en uit het begin van de
Weichsel-ijstijd in de Belvédère-groeve bij Maastricht. Uit de sporen
blijkt dat de oudst bekende bewoners van Nederland o.a. jacht op
olifanten, neushoorns en herten maakten. Bij Rhenen leverden zandgroeven
uit het Acheuléen vondsten op van ca. 200.000 tot 150.000 jaar oud. Van
ca. 12.500 jaar geleden dateren nederzettingen langs de Maas met een
Magdalénien-achtergrond, terwijl op de dekzanden ten noorden van de
grote rivieren de jagers-verzamelaars van de Hamburgcultuur jacht op
rendieren maakten. Naast de jacht waren tijdens het laat-paleolithicum
visvangst en verzamelen (bessen e.d.) belangrijk. In het
laat-paleolithicum komt nog een aantal culturen voor, o.a. de
Ahrensburgcultuur (ca. 9000-8000 v.C.).
Mesolithicum (ca. 8300-5300 v.C.). Gedurende het mesolithicum deed zich
een relatief snelle temperatuurstijging voor, met als gevolg een
stijging van de zee- en grondwaterspiegel. Hierdoor trad er een toename
en diversificatie van plantengroei en dierenwereld op, wat zijn weerslag
had op de mens. Er ontstond een breed scala aan voedselbronnen naast de
jacht op groot wild: vis- en vogelvangst en het verzamelen van noten,
vruchten en schaaldieren. Een afname van mobiliteit, tegenover een
toename van de bevolking en vergroting en langduriger gebruik van
nederzettingen typeren deze overgangsperiode eveneens.
Omstreeks 6500 v.C. kunnen op grond van het materiaalgebruik en het
voorkomen van specifieke soorten vuursteenspitsen in Nederland ruwweg
twee cultuurgebieden onderscheiden worden. Noord-Nederland vormt samen
met de Noord-Duitse laagvlakte de Nordwest Kreis; Zuid-Nederland maakt
met de Belgische Kempen en het Duitse Rijnland deel uit van de Rhine
Basin Kreis. Bekende vondsten uit deze tijd zijn de boomstamkano van
Pesse (ca. 6800 v.C.) en het zgn. mannetje van Willemstad, een houten
beeldje uit 4500 v.C.
Neolithicum (ca. 5300-2100 v.C.). Omstreeks 5300 v.C. worden in
Nederland voor het eerst de veranderingen van de neolithische revolutie
(zie neolithicum) merkbaar door de bandkeramiek. Deze ontleent de naam
aan het typische versierde aardewerk, de vroegste keramiek in Nederland.
De bandkeramiekers waren sedentair; zij vestigden zich bij voorkeur op
de licht te bewerken löss. Een aantal nederzettingsterreinen is
opgegraven in Zuid-Limburg. Boven de grote rivieren bleef de
mesolithische bestaanswijze gangbaar. Van de op de bandkeramiek volgende
culturen (Rössencultuur ca. 4800-4400 v.C. en Michelsbergcultuur ca.
4300-3600 v.C.) zijn in Zuid-Nederland enige plaatsen bekend.
Omstreeks 4400 v.C. werd de neolithische leefwijze in Noord-Nederland
geïntroduceerd door mensen van de aan de Deense en Noord-Duitse
Ertebølle/Ellerbeckcultuur verwante Swifterbantcultuur (zie Swifterbant).
Van deze jagende en vissende boeren zijn veel sporen teruggevonden in de
IJsselmeerpolders en in Overijssel, voorts in het Maas- en
Rijnmondgebied (resp. Bergschenhoek en Hazendonk) en in Drenthe en
Gelderland.
Omstreeks 3500 v.C. zijn twee ruimtelijk van elkaar gescheiden
cultuurgebieden te onderscheiden. De trechterbekercultuur (ca. 3400-2850
v.C.) is dankzij de hunebedden goed bekend. Terzelfdertijd woonden bij
de grote rivieren verspreide populaties van de Vlaardingencultuur (ca.
3500-2500 v.C.).
In Zuid-Limburg werd al ten tijde van de Michelsbergcultuur aan
vuursteenmijnbouw gedaan. Bij Rijckholt-Sint Geertruid werd vuursteen,
grondstof voor bijlen en ander gereedschap, gewonnen. Aanvankelijk
speelde de winning zich af in dagbouw; later werden ook schachten
gedolven; de vuursteenhoudende lagen werden door middel van uitgebreide
horizontale gangenstelsels geëxploitd. Tijdens het laat-neolithicum kwam
het begraven onder grafheuvels in zwang. Traditioneel laat men het
laat-neolithicum in Nederland beginnen met de opkomst van de zgn.
strijdhamer- of strijdbijlculturen (ca. 2900 v.C.). De vroegste
Nederlandse representant hiervan is de standvoetbekercultuur (ca.
2900-2450 v.C.), waaruit zich ca. 2500 v.C. een nieuwe culturele
eenheid, de klokbekercultuur (ca. 2700-2100 v.C.) ontwikkelde. Deze
wordt in vrijwel geheel Nederland gevonden; bekend werd het onderzoek in
1967 op de Schoonrewoerdse stroomrug bij Molenaarsgraaf, waar twee
mogelijke huisplattegronden en drie graven met skeletten in hurkhouding
blootgelegd werden. In 1991 werden op Schokland (resten van) skeletten
van twintig mensen uit ca. 2600 v.C. gevonden, begraven in hurkhouding,
de mannen met het hoofd naar het westen en de vrouwen met het hoofd naar
het oosten.
Bronstijd (ca. 2100-800 v.C.). De overgang van neolithicum naar
bronstijd is geleidelijk verlopen. Het wikkeldraad-aardewerk uit de
vroegste fase van de bronstijd (ca. 2100-1800 v.C.) sluit qua versiering
en techniek aan op het late klokbeker-aardewerk. Bij de dodenbezorging
zette men de laat-neolithische traditie van het begraven onder
grafheuvels voort, nu echter meestal zonder bijgaven. Stenen werktuigen
bleven nog lange tijd in gebruik. Koperen voorwerpen werden al tijdens
het laat-neolithicum gebruikt. In de vroege bronstijd schakelde men over
op brons als grondstof voor gereedschap en later ook voor sieraden.
Gedurende de gehele bronstijd zijn er in Nederland regionale
bronsindustriën actief geweest. Doordat de grondstoffen ontbraken, was
men afhankelijk van aanvoer van elders, bijv. via ruilhandel, en van het
recyclen van versleten voorwerpen.
In de midden-bronstijd (ca. 1800-1200 v.C.) bestond in Midden- en
Zuid-Nederland de Hilversumcultuur, in Noord-Nederland de Elpcultuur.
Beide culturen kenden grafheuvels. Sommige archeologen onderscheiden in
West-Friesland in deze tijd nog een derde culturele eenheid (Hoogkarspel)
die doorloopt tot ca. 800 v.C.
De late bronstijd (ca. 1200-800 v.C.) wordt gedomineerd door de over
vrijwel geheel Nederland voorkomende urnenvelden. De urnenveldenperiode
(ca. 1200-500 v.C.) loopt door tot in de midden-ijzertijd. Urnenvelden
ontstonden vermoedelijk in de 13de eeuw v.C. in Centraal-Europa. Via
vreedzame contacten, mogelijk samenhangend met een veranderend religieus
besef, drongen de urnenveldinvloeden in Nederland door.
IJzertijd (ca. 800-50 v.C.). Opvallende fenomenen uit de vroege
ijzertijd (ca. 800-550 v.C.) zijn de zgn. vorstengraven in het zuiden
van Nederland (Oss, Meerlo, Wijchen). Ze bevatten prestigieuze bijgaven,
zoals uit Italië geïmporteerde bronzen emmers (situlae), rijk versierde
zwaarden en paardetrensen, en in Wijchen zelfs onderdelen van een
vierwielige pronkwagen. Door de aard van hun bijgaven contrasteren deze
rijke graven met de uiterst sobere begravingen uit de urnenvelden.
Misschien gaat het hier om de bijzettingen van een regionale elite,
begraven volgens de Keltische stijl.
Aangezien de bronshandel, met zijn verreikende Europese relaties, al
vrij snel verdween en vervangen werd door een lokale ijzerproductie,
gebaseerd op adelaarsstenen en moerasijzererts, werden tevens de
contacten van Zuid-Nederland met het Centraal-Europese cultuurgebied
verbroken. Prestigieuze importen zijn dan ook uiterst zeldzaam tijdens
de midden-ijzertijd (ca. 550-250 v.C.).
In Noord-Nederland dwong een toenemende bevolkingsdruk, zichtbaar in de
uitbreiding van de urnenvelden, de bewoners van de Hondsrug tot
kolonisatie van de kuststreek. Zij kregen waarschijnlijk gezelschap van
de bewoners van West-Friesland, die als gevolg van de uitbreiding van
het hoogveen hun drassige woongebied moesten verlaten. Men vestigde zich
op de drooggevallen kwelders voor de kust van Friesland en Groningen,
waar de ontwaterde zeeklei geschikt bleek voor de verbouw van gewassen.
Toen na enige tijd het water weer begon te stijgen, trok men zich niet
meer terug op de hogere gronden. In plaats daarvan werd begonnen met
behulp van mest en klei de woonplaats te verhogen, waardoor de vroegste
terpen ontstonden. De terpboeren schakelden om op een aangepaste
bedrijfsvoering, grotendeels gebaseerd op veeteelt. Zo ontstond na
verloop van tijd in het geïsoleerd liggende terpengebied een nieuwe
cultuur, verbonden met de naam Friezen. De industriële terpafgravingen
in de 19de en 20ste eeuw leverden veel vondstmateriaal op. Beroemd werd
het onderzoek van de terp Ezinge. Recentelijk staat het terpenonderzoek
weer in de belangstelling, met o.m. opgravingen te Paddepoel (1964),
Middelstum (1970-1973) en Heveskesklooster (1982-1988).
Op de hogere zandgronden werden in de ijzertijd op grote schaal celtic
fields aangelegd, akkercomplexen omgeven door lage walletjes. De
grootste concentratie is gevonden in Drenthe. Daar worden ze in verband
gebracht met de productie van een landbouwsurplus, dat geruild kon
worden met de veeteeltproducten uit het terpengebiestreeks 35 In de late
ijzertijd (ca. 250-12 v.C.) nam de bevolking van Nederland sterk toe.
Het zuiden kwam weer in de periferie van het Centraal-Europese
cultuurgebied te liggen, wat tot uiting komt in toenemende aantallen
waardevolle importartefacten. Zo werd eind 19de eeuw bij Helden in de
Peel een verguld zilveren sierschijf uit de 1ste eeuw v.C. gevonden, die
oorspronkelijk in Thracië vervaardigd moet zijn. Vanaf ca. 50 v.C.
circuleerden gouden, zilveren en bronzen munten in het zuiden en het
rivierengebied, afkomstig uit Noord-Gallië en het Rijnland. In de
Betuwe, het woongebied van de Bataven, was vermoedelijk sprake van een
eigen muntslag. Daarnaast werden in het oostelijke rivierengebied glazen
armbanden en sieraden geproduceerstreeks 35 In 57 v.C. drongen de
legioenen van Gaius Julius Caesar door tot in Zuid-Nederland. De
tegenstand was echter nog te sterk en de Romeinen trokken zich aan het
eind van het campagneseizoen terug. In 12 v.C. kwamen de legioenen, nu
definitief, terug. Door hun komst kwamen de eerste geschreven
geschiedkundige bronnen tot onze beschikking.
5.2 De vorming van het Nederlandse territorium
Bij de komst van de Romeinen (57 v.C.) werd het latere Nederlandse
territorium bevolkt door Kelten en Germanen. De invloed van de Romeinse
bezetting moet niet worden overschat: de afstand tot Rome was groot, het
verzet van de inheemse volken sterk (opstand der Bataven, 69-70 n.C.) en
de veroveringsdrang nam ten gevolge van de interne strijd in het
Romeinse Rijk al spoedig af. De desintegratie van het Romeinse Rijk en
het opdringen van Germanen uit het oosten maakten dat in de loop van de
5de-7de eeuw drie groepen het gebied van de latere Nederlanden
verdeelden: in het noorden tot de IJssel en langs de westkust tot in het
huidige Zeeland overheersten de Friezen; in het oosten, tussen Eems en
Rijn, de Saksen en in het zuiden de Franken. Deze laatsten zouden in de
loop van de 8ste en 9de eeuw het gehele Nederlandse gebied aan zich
onderwerpen: onder de Karolingen werden de Saksen verslagen en in
oostelijke richting gedreven; de Friezen bleven in hetzelfde gebied
wonen, maar berustten in de Frankische overheersing. De verdelingen van
het Karolingische Rijk onder de nakomelingen van Lodewijk de Vrome (in
de 9de eeuw kwam het Nederlandse gebied eerst aan het Middenrijk of
Lotharingen, daarna aan het Oost-Frankische Rijk), de onderlinge strijd
die daaruit resulteerde en de invallen van de Noormannen (9de eeuw)
hadden opnieuw desintegratie tot gevolg. Tussen de tweede helft van de
9de en het eind van de 14de eeuw zag een groot aantal grondbezitters
kans zijn territorium uit te breiden en meer of minder machtige
'leenstaten' te vestigen. In de interne machtsstrijd heetten de facties:
Hoeken en Kabeljauwen (Holland en Zeeland), Schieringers en Vetkopers
(Friesland) en Lichtenbergers en Lokhorsten (Utrechht). De graven van
Holland, die ook Zeeland beheersten, van Gelre en van Brabant werden de
machtigste feodale vorsten. De invloed van de Duitse keizer, formeel tot
1648 leenheer van de Nederlandse gebieden, was echter doorgaans (niet in
de 10de en 11de eeuw) beperkt tot ceremoniële zaken.
5.3 Bourgondische periode
De centrale gebeurtenis in de vorming van de Nederlanden was het
huwelijk van Filips de Stoute van Bourgondië met de Vlaamse erfdochter
Margaretha (1369). Het lukte hem in 1433 Jacoba van Beieren, gravin
van Holland, Zeeland en Henegouwen - welke gewesten sinds 1299 dynastiek
verbonden waren - te onttronen. De Bourgondische veroverings- en
huwelijkspolitiek resulteerde ca. 1470 in de vorming van een machtig
middenrijk, dat zich uitstrekte van Bourgondië tot Groningen. Na de dood
van
Karel de Stoute (1477) ontstond er echter een machtsvacuüm, dat
Lodewijk XI van Frankrijk de mogelijkheid gaf Bourgondië, Franche-Comté
(tijdelijk), Picardië en Artois (tijdelijk) in te nemen. Door het
optreden van aartshertog
Maximiliaan van Oostenrijk, later Duits keizer, echtgenoot van
Maria van Bourgondië, kon verdere penetratie van het Franse gezag
voorkomen worden. De steun die Maria van de Staten-Generaal ontving,
speelde hierin eveneens een belangrijke rol. Er ontstond nu een
'Bourgondisch Rijk zonder Bourgondië', dat na latere
gebiedsuitbreidingen onder Karel V met de vage term Zeventien Provinciën
wordt aangeduid (zie ook Bourgondische Kreits). Afgezien van enkele
wijzigingen aan de zuid- en oostgrens was dit gebied gelijk aan dat van
de huidige Benelux. Onder Filips II, de zoon van
Karel V, werden de Zeventien Provinciën verscheurd door een
religieuze en politieke strijd, de Tachtigjarige Oorlog, die in 1648
resulteerde in de erkenning van de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden, waarvan de grenzen bijna dezelfde zijn als van het huidige
Koninkrijk der Nederlanden. Voor de politieke geschiedenis: zie hierna §
5.6.
5.4 Contouren van de economische ontwikkeling
Nederland was tot diep in de 19de eeuw een agrarisch land. Het door
Slicher van Bath aangebrachte onderscheid tussen een periode van directe
en indirecte agrarische consumptie kan men grofweg ook voor Nederland
laten gelden: vanaf de ineenstorting van het Romeinse Rijk in het westen
(476) tot in ieder geval de 12de eeuw verliep het contact tussen
producent en consument direct, zonder tussenhandel (in de meeste
gevallen was de producent dus tevens consument); sinds ca. 1150 kreeg de
tussenhandel steeds meer belang. Bij een dergelijk onderscheid dienen
allerlei nuanceringen aangebracht te worden. Zo is het waarschijnlijk
dat de bewoners van terpdorpen voor een groot deel aangewezen waren op
geïmporteerde producten. Zij bezaten niet voldoende land om in eigen
behoefte te voorzien. De handelswegen breidden zich waarschijnlijk na de
ineenstorting van dit rijk nog uit: de volksverhuizingen gingen aan
Noord-Nederland grotendeels voorbij en de Friezen waren in staat het
machtsvacuüm op te vullen en een tamelijk intensief handelsnet op te
bouwen. Teksten en vondsten wijzen op Friese aanwezigheid langs de
gehele Rijn tot Konstanz, in Straatsburg, Parijs, Londen, York,
Denemarken en Birka (Zweden). Onder de Karolingen werd dit handelsnet
uitgebouwd. Dorestad groeide al spoedig uit tot centrum hiervan. Ook de
invallen van de Noormannen betekenden niet het einde van deze vroege
handel. Wèl neemt men aan dat hierdoor een verplaatsing van de
handelscentra heeft plaatsgevonden (Tiel, Utrecht, Deventer). Evenals
elders in Europa begon in de 11de eeuw een periode van economische
groei, die tot in de 14de eeuw aanhield. In de eerste plaats leidde deze
economische expansie tot wijzigingen binnen het traditionele hofstelsel.
Vooral door ontginningen (op zich al een belangrijk aspect van de groei)
werd de druk op de horigen minder. Nieuwe technieken verbeterden de
arbeidsomstandigheden, nieuwe gewassen het voedselpakket en nieuwe
producten de levensstijl.
Behalve op de veranderingen binnen de kleine eenheden (domeinen) moet
ook nadruk gelegd worden op de uitbouw van relaties tussen de domeinen,
op het ontstaan van steden (als agrarische centra) en op de groei van
handelscontacten over nog grotere afstand. Dit laatste beperkte zich
overigens vooral tot de Zuidelijke Nederlanden. In het noorden heeft men
alleen een verdichting van het handelsnet binnen kleinere regio's kunnen
waarnemen, tot in de loop van de 13de eeuw de IJsselsteden centra van
handel over grotere afstand werden (Oostzee, Hanze).
De opkomst van de Hollandse handel kan men in de tweede helft van de
15de eeuw dateren, samenvallend met wijzigingen in de economie van de
Zuidelijke Nederlanden en het verval van de Duitse Hanze. Hoewel de
Hollandse steden er nog niet in slaagden de internationale marktfunctie
van Brugge en Antwerpen over te nemen, lukte het wel (Leiden) een groot
deel van de Vlaamse lakennijverheid in handen te krijgen. Het verval van
de Duitse Hanze bleek voorlopig belangrijker: volgens tellingen namen de
Hollanders al in 1497 70% van de Sontvaart voor hun rekening. Gedurende
de 16de eeuw, tot ca. 1580, vonden er geen wezenlijke veranderingen
plaats in de economie: Noord-Nederland bleef een agrarisch land. In de
kustprovincies vond men nevenwerkzaamheden o.a. in de huisnijverheid,
turfwinning, visserij; in de landprovincies verkeerde de economie nog in
een 'vroeger' stadium: handel was minder intensief, nevenwerkzaamheden
ontbraken; de gesloten productiehuishouding was hier nog nauwelijks
opengebroken (zie voorts Gouden Eeuw).
In de traditionele verklaringen voor het verval van de Noord-Nederlandse
economie in de 18de eeuw wordt gewezen op de laksheid van de
ondernemers, die passief hun verdiensten uit de vorige eeuw verteerden,
en op de dynastieke politiek die Willem III ten koste van 's lands
economie gevoerd had. Latere onderzoekers voeren aan dat er eerder
sprake was van 'structurele verstarring': het handelskapitalisme, basis
van de Nederlandse welvaart in de Gouden Eeuw, had het plafond van zijn
mogelijkheden bereikt. Uitbouw van de economische voorsprong vereiste
derhalve structurele wijzigingen van het bestel, en juist dit nu was
niet mogelijk. Voorts heeft men aangevoerd dat de achteruitgang niet
zozeer absoluut als wel relatief was: de 18de eeuw was economisch gezien
eerder een periode van stabiliteit dan van verval. Wel heeft men voor
bepaalde takken van nijverheid en in de visserij verval aangetoond. Op
het financiële vlak was er eerder sprake van expansie. Deze diende niet
de eigen markt: de Industriële Revolutie in Engeland werd gedeeltelijk
door Hollands kapitaal gefinancierstreeks 35 In de 19de eeuw was er ook
sprake van absolute achteruitgang. In dit licht wordt het begrijpelijk
dat, met uitzondering van de Hollandse regenten, velen voorstander waren
van eenwording met België. Zo dient men ook de bekende driedeling van
koning-koopman Willem I te verstaan: België diende te produceren, de
koloniën moesten de grondstoffen leveren en afnemen en Nederland diende
de intermediaire functie te vervullen.
Pas de jaren vijftig gaven een opleving te zien. De invoering van de
vrijhandelspolitiek door de liberalen (1862) zoog vooral het agrarische
bedrijf mee in de gunstige economische conjunctuur; de meeste
Nederlandse takken van nijverheid konden nog niet concurreren met het
hogere productievermogen van soortgelijke gemechaniseerde ondernemingen
in het buitenland. De welvaartsstijging sinds ca. 1850 hield overigens
ook verband met de koloniale economische politiek: het Cultuurstelsel
voorzag tot het midden van de jaren zestig in ongeveer eenvijfde van de
staatsbegroting. Een werkelijke structuurverandering vond pas in het
laatste kwart van de 19de eeuw plaats. Opvallend was vooral de
uitbreiding van de textiel- en metaalindustrie. Andere industrieën
(chemie, gloeilampen, suiker, margarine) kwamen op. Ook nu nog bleef het
agrarisch bedrijf een zeer belangrijk aandeel in de groei houden. De
Eerste Wereldoorlog had een desintegratie van de internationale handel
tot gevolg. Voor sommige takken van industrie zou dit op de lange duur
gunstige gevolgen hebben (chemie, farmaceutica): door het wegvallen van
een internationale afzetmarkt en de onbereikbaarheid van grondstoffen
was men aangewezen op het eigen land. Zo begon Philips tijdens de Eerste
Wereldoorlog een eigen glasblazerij, en zocht - en vond - men in de
chemie vervangende producten. Nationaal gaf de oorlog een versmelting
van de belangen van de overheid en het bedrijfsleven te zien. De
naoorlogse depressie, gevolgd op een korte hausse en met als meest
hectische uiting de Duitse inflatie, had in het neutraal gebleven
Nederland minder negatieve gevolgen dan elders. Het meest kenmerkende
verschijnsel van deze jaren was wellicht de nog steeds groeiende
afhankelijkheid van de mondiale economie. In dit licht moet men zowel de
hausse tussen 1925 en 1929 als de diepe daling van de jaren dertig zien.
Zo worden ook de latere verwijten aan Colijn en diens koppig vasthouden
aan de gave gulden begrijpelijk: Nederland kon niet langer een eiland
zijn in een wereld, die zich kenmerkte door verstrengeling op alle
gebieden. De devaluatie was onontkoombaar. Ook pas nadat de beslissing
daartoe genomen was, begon de Nederlandse economie zich in de jaren
dertig te herstellen.
5.5 Sociale geschiedenis
Slechts twee aspecten van de sociale geschiedenis kunnen hier aan bod
komen. Over twee andere dient echter iets gezegd te worden: de zoveel
geroemde 'Friese vrijheid' gaf het sociale leven van een groot deel van
Nederland in de middeleeuwen een uniek karakter. Speelde het economisch
leven zich in Europa grotendeels in de hoven af en werd het politieke
gezag via een feodaal systeem uitgeoefend, in de Friese landen was zowel
het economisch als het politiek bestel in handen van een groep vrije
boeren. Tot in de 16de eeuw waren deze boeren in staat indringing van
een dynastie te voorkomen. Als autocraten - niet op een kasteel, maar op
een stins of borg - beheersten de grote boeren hun omgeving en
familietwisten groeiden in vele gevallen uit tot complete
burgeroorlogen.
Een tweede aspect dat de Nederlanden in zekere zin een uniek voorkomen
gaf, was de vroege en intensieve graad van verstedelijking, vooral in de
westelijke provincies Vlaanderen, Holland en Brabant. In 1622 woonde
meer dan de helft van de bevolking van de Republiek in Holland en 60%
daarvan in steden. Alleen ook door deze verstedelijking is de
bevolkingsexplosie in de Noordelijke Nederlanden tussen ca. 1500 en 1650
(van 1 tot 1,9 miljoen) te begrijpen.
5.5.1 Regentenstand
Door de eigenaardige politieke constellatie van de Republiek en de
sterke economische expansie sinds het eind van de 16de eeuw ontstond er
in de Noordelijke Nederlanden een tamelijk uniek sociaal verschijnsel:
een regentenstand, die zich vanaf het begin sociaal gezien van de adel
onderscheidde en zich in de loop van haar bestaan steeds meer van de
'burgerij' ging onderscheiden. Het is onjuist van de regentenstand te
spreken: de Hollandse en vooral Amsterdamse regentenstand, met de
verbinding tussen koopmans- en bestuurlijke activiteit, was niet
representatief voor hen die elders in de Republiek op het kussen zaten.
In tal van kleinere plaatsen kwamen de regenten niet uit een
koopmansklasse, maar uit andere beroepen voort (o.a. winkeliers,
beambten, officieren). Dat vooral het Amsterdamse patriciaat echter het
beeld van de regentenstand gekleurd heeft, laat zich gemakkelijk
verklaren door het overwicht van Holland in de Republiek en van
Amsterdam binnen dit gewest. Lange tijd heeft men de politieke strijd in
de Republiek gezien als een gevecht tussen twee 'partijen': de regenten
en Oranje, de Staats- en de Prinsgezinden (zie hierna § 9.5). Hoewel dit
niet geheel onjuist is voor crisismomenten in de Republiek, speelde het
dagelijkse politieke spel zich op lokaal niveau af: in de coterieën
(facties), die de macht in de steden bezaten. Sociaal gezien werden deze
facties door de regentenstand beheerst: met het wegvallen van het
stadhouderlijk en centraal (en daarmee tevens adellijk) gezag ten tijde
van de opstand en met de opbouw van een handelskapitalistische economie
kregen de rijke kooplieden sociaal en politiek de leiding in de
Republiek. Aanvankelijk combineerden deze regenten hun
handelsactiviteiten met de politiek, maar in de loop van de 17de eeuw
trad onmiskenbaar een aristocratiseringsproces in, dat alleen op de vrij
talrijke momenten (1618, 1650, 1672) gebroken werd, als de stadhouder
van zijn recht om de 'wet te verzetten' (dwz. oude regenten door nieuwe
te vervangen) gebruik maakte. De grotere mate van eensgezindheid tussen
stadhouder en regenten na 1672 (tegen Frankrijk), het langdurige Tweede
Stadhouderloze Tijdperk (1702-1747) en opnieuw de consensus tussen
stadhouder en regenten onder revolutionaire dreiging na ca. 1750 hadden
tot gevolg dat de voordien nog relatief open en veranderlijke
regentenstand in de Pruikentijd in een gesloten kaste met
aristocratische neigingen veranderde. De Patriottenbeweging, die aan het
eind van de 18de eeuw opkwam, streefde er mede naar deze geslotenheid
open te breken.
5.5.2 Patriotten
De Patriottenbeweging was zowel geografisch als sociaal een
uitermate complex verschijnsel. Het ging niet alleen om een 'burgerlijke
emancipatiestrijd'. Het einde van het Tweede Stadhouderloze Tijdperk gaf
in zekere zin een herhaling te zien van de gebeurtenissen uit 1672:
onder dreiging van een Franse inval versterkte zich de roep om een
stadhouder, van wie naast bundeling van militair verzet interne
hervormingen werden verwacht, door regenten, die om welke redenen ook
geen plek op het kussen hadden, en vooral door burgerlijke groepen en
mensen uit de lagere strata van de bevolking. Het bleek echter al
spoedig dat het voornaamste doel van prins Willem IV versteviging van
zijn positie ten koste van de regenten was en geenszins een
'democratische hervorming'. Gevolg hiervan was dat het monsterverbond
tussen de prins en die groepen die een hervorming van het regentendom
wensten, spoedig uiteen viel en dat de enkelvoudige haat tegen de
zittende regenten omsloeg in een dubbele haat tegen regenten en Oranje.
Na de dood van Willem IV werden de minimale hervormingen uit de jaren
1747-1751 ongedaan gemaakt.
De Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784) zou de hervormingsdrang
opnieuw een kans geven, temeer daar de Amerikaanse Vrijheidsoorlog -
aanleiding van deze nieuwe strijd tussen Engeland en de Republiek -
enerzijds scherpere tegenstellingen schiep tussen de regenten en Oranje
en anderzijds de revolutionairen een voorbeeld gaf. De
Patriottenbeweging, die nu op gang kwam, was in aanvang een versmelting
van de traditionele anti-Oranje politiek van de regenten en van de
democratische verlangens van de burgerij en bovendien een strijd van de
buitenprovincies tegen Holland (zie hierna § 9.5). Het kunstmatige
karakter van dit verbond van Patriotten en de Pruisische interventie in
1787 maakten al spoedig een einde aan de Patriottenbeweging. Tal van
personen met democratische verlangens vluchtten naar het buitenland om
een klein decennium later met Franse hulp hun emancipatiestrijd voort te
zetten (zie verder Bataafse Republiek).
5.6 Politieke kwesties (tot en met de 19de eeuw)
5.6.1 Patroon van versnippering (11de-14de eeuw)
Lotharingen, waartoe de - sinds de 8ste eeuw gechristianiseerde -
Nederlanden, afgezien van Vlaanderen, aan het eind van de 9de eeuw
behoorden, was na de dood van Lodewijk het Kind (911) één van de vijf
stamhertogdommen, waarin het Duitse Rijk dreigde uiteen te vallen.
Koning Hendrik I, die in Lotharingen gewapenderhand het gezag van de
Duitse koning wist te herstellen, zocht naar een manier om de
verscheidene, deels zelfstandige territoria in Lotharingen (en elders)
bijeen te houden en legde de grondslag voor een politiek, die zijn zoon
(Otto de Grote) gestalte zou geven: het Rijkskerkenstelsel. Door
aanstelling van bisschoppen met wereldlijk gezag probeerde de Duitse
koning de macht van lokale heren en de hertog te breken. Dit had tot
gevolg dat het bisdom Utrecht tot ca. 1100, gerugsteund door de Duitse
koningen/keizers, de belangrijkste macht vormde in de Noordelijke
Nederlanden, met Luik en Kamerijk in de Zuidelijke Nederlanden als
tegenhanger. Ten gevolge van deze politiek werd het gezag van de
Lotharingse hertog uitgehold en moesten tal van kleinere baronnen het
bisschoppelijk overwicht erkennen. Bovendien wisten de Duitse koningen
hiermee het gevaar, dat zich in plaats van de oude een nieuwe dynastie
zou vestigen, te voorkomen: erfopvolging was immers uitgesloten. In naam
betekende dit dat de Utrechtse bisschoppen in het midden van de 11de
eeuw hun gezag konden doen gelden in het gebied tussen Groninger
Ommelanden en Zeeland, tussen de Rijn en de kop van het huidige
Noord-Holland. De uitkomst van de Investituurstrijd echter verminderde
de wereldlijke invloed van de bisschoppen in aanzienlijke mate: in het
ontstane machtsvacuüm zouden de Noord-Nederlandse 'leenstaten' zich
weten te vestigen. Het gebied van het Nedersticht (rond Utrecht) werd
tussen 1100 en 1300 langzaam door Holland en Gelre verkleind; het
Oversticht was al omstreeks 1200 veranderd in een lappedeken van elkaar
bestrijdende machten (lokale heren, IJsselsteden, Gelre). De
ontwikkeling van de gebieden die nu de zuidelijke provincies van
Nederland uitmaken, was globaal genomen dezelfde. In Brabant, dat zich
uitstrekte van ongeveer Brussel tot 's-Hertogenbosch, begon de groei
naar zelfstandigheid al wat eerder; maar ook hier kan men pas in de 12de
eeuw van een aanzienlijk, zelfstandig territorium spreken. Het huidige
Nederlands en Belgisch Limburg bleef tot het eind van de middeleeuwen
een versnipperd gebied.
5.6.2 Centralisatie van Karel de Grote tot Karel V
Het huidige Nederland is in zijn ca. 2000 jaar oude
'geschiedenis' viermaal aan een centraal gezag onderworpen geweest:
onder
Karel de Grote, onder de Bourgondiërs, hun opvolgers, de
Bourgondische Habsburgers, en in het Koninkrijk in de 19de eeuw. De
Republiek (zie hierna) was eerder een verzameling van zeven staatjes dan
een eenheid; en het kenmerk van de periode tussen de Karolingen en de
Bourgondiërs was eerder desintegratie en regionale eenheid dan centraal
gezag. De zeer onvolkomen centralisatie en daarmee de maatschappelijke
situatie van de vroege middeleeuwen weerspiegelen zich in bestuursvorm,
rechtspraak en wijze van inkomstverkrijging onder de Karolingen. Het
rijk werd - met de Romeinse indelingen als voorbeeld - onderverdeeld in
pagi (gouwen), die door een graaf bestuurd werden. Men heeft berekend
dat de Nederlanden in ca. 50 pagi opgedeeld waren, wat een indruk kan
geven van de grootte van een dergelijk gebied. Onder Karel de Grote
waren deze graven nog afzetbaar, maar onder Lodewijk de Vrome en zijn
opvolgers werd het ambt in veel gevallen erfelijk. De Karolingische
vorsten hadden maar één mogelijkheid om te voorkomen dat deze verspreide
gebiedjes zich aan hun gezag onttrokken: door van residentie (palts)
naar residentie te trekken en zó door sporadisch machtsvertoon de indruk
van een alert en centraal gezag te wekken. De rechtspraak bleef op
lokale leest geschoeid; van afvloeiing van inkomsten naar een centrum
was nauwelijks sprake: verreweg het merendeel van hun inkomsten
verkregen de Karolingen uit de koninklijke domeinen.
De Bourgondische periode - hoe weinig gecentraliseerd ook naar moderne
begrippen - staat hiermee in scherp contrast. Ook hier was de
centralisatie vaak meer poging dan realiteit, maar het staat vast dat
tal van deze pogingen ook werkelijk succesvol waren. Een groot voordeel
voor de Bourgondische hertogen was dat zij konden voortbouwen op de
instituties, die op gewestelijk niveau in voorgaande eeuwen gecreëerd
waren. Zie voor de ontwikkeling van de belangrijkste instituties (Hofraad,
Geheime Raad, Financiële Raad en Grote Raad van Mechelen): België, §
8.5.
5.6.3 Gewestelijk particularisme (eind 15de en 16de eeuw)
Door het huwelijk van Maximiliaan van Oostenrijk met Maria van
Bourgondië kwamen de Nederlanden aan het Huis Habsburg en in 1555 aan
Filips II uit dit Huis, koning van Spanje. De vraag of de opstand tegen
het Spaans gezag in de tweede helft van de 16de eeuw een progressief of
een conservatief fenomeen was, heeft de Nederlandse historiografie een
tijdlang beziggehouden (zie voorts Tachtigjarige Oorlog § 1). In het
algemeen neigt men ertoe de opstand conservatief te noemen: een verzet
van het gewestelijk particularisme tegen de centrale staat met
absolutistische neigingen. In deze visie is de opstand geen nationaal
verschijnsel: er was veeleer sprake van een wankel verbond tussen
tamelijk onafhankelijke groepen en gewesten ter bescherming van hun
privileges. Dit lokale en regionale verzet, dat in de tweede helft van
de 16de eeuw explodeerde en in zekere zin in de staatsvorm van de
Republiek zijn beslag kreeg, is vanaf de Bourgondische penetratie een
constante in de Nederlandse geschiedenis. Vooral in tijden van crisis in
de monarchie kon dit particularisme zijn wil doorvoeren. Na de dood van
Karel de Stoute kwam zijn enige erfgenaam, zijn dochter Maria, voor een
dubbel probleem te staan: enerzijds werd haar erfenis bedreigd door de
Franse Kroon, anderzijds door het verzet van haar onderdanen tegen de
centraliserende politiek van haar vader en grootvader. Maria van
Bourgondië zag zich gedwongen enkele centrale organen af te schaffen,
privileges te herstellen en nieuwe rechten te verlenen (Groot
Privilege): de Grote Raad van Mechelen verdween, evenals de centrale
rekenkamer in deze stad; de privileges van Gent, tenietgedaan in het
begin van de jaren vijftig van de 15de eeuw, werden hersteld; de bede
die Karel de Stoute in 1473 voor zes jaar verkregen had, werd verder
ongeldig verklaard; Gelre herwon zijn zelfstandigheid; maatregelen die
bisschop David van Bourgondië in Utrecht genomen had, werden afgeschaft;
de Blijde Inkomst van Brabant werd bekrachtigd. Bij het Groot Privilege
en de afzonderlijke grootprivileges voor Brabant, Holland, Vlaanderen en
Namen werden de gewestelijke en stedelijke eisen, opgesteld door de
Staten-Generaal en provinciale staten, officieel bekrachtigd.
Na de vroege dood van Maria van Bourgondië nam Maximiliaan van Habsburg
het regentschap voor hun zoontje Filips (de Schone) waar. Hiermee
begonnen de problemen opnieuw, want Maximiliaan probeerde - hoewel
vanuit een wat andere optiek - de politiek van Karel de Stoute voort te
zetten: tegen Frankrijk en vóór de ondergeschiktheid van de gewesten en
steden aan een centraal gezag. Geen van beide strevingen was de
Nederlandse gebieden welkom: een anti-Franse politiek schaadde de
handelsbelangen en een centralistische politiek de met moeite bevochten
voorrechten. Enkele jaren na de dood van Lodewijk XI van Frankrijk in
1483 startte Maximiliaan een agressieve campagne tegen Frankrijk en nu
kreeg hij met een nog veel sterkere oppositie in de Nederlanden te
kampen: in 1488 werd hij te Brugge door opstandige ambachtslieden
gevangengenomen; Gent, voortdurend een centrum van verzet, slaagde erin
de belangrijkste staten bijeen te krijgen. Deze kwamen tot de opstelling
van een aantal bepalingen, die Maximiliaan in ruil voor
invrijheidstelling diende na te leven en waarin verdergaande eisen
werden gesteld als in het Groot Privilege van 1477. Terzelfder tijd
herleefde in Holland en Utrecht het verzet tegen Maximiliaan (Jonker
Fransen Oorlog). In West-Friesland en Kennemerland kwamen de vrije
boeren in opstand (Kaas- en Broodvolk). Uiteindelijk wist Maximiliaan
deze opstanden de baas te worden. Tot dergelijke krachtige en massale
opstanden is het onder zijn opvolgers Filips de Schone en Karel V niet
meer gekomen. Toch was het tijdens de regering van Karel V allerminst
rustig: Gelre bleef opstandig en werd als laatste gewest in 1543 door
Karel V onderworpen; Friesland en Groningen bleven probleemgebieden; het
bisdom Utrecht schikte zich niet in de keizerlijke eisen;
belastingoproeren kwamen geregeld voor (1524-1525); in Gent brak in 1539
een grote opstand uit. Met de Pragmatieke Sanctie van 1549 probeerde
Karel V de gewesten tot een geheel aaneen te smeden. Onder zijn zoon
Filips II kwam het tot een massale opstand, die uiteindelijk leidde tot
zelfstandigheid van zeven gewesten (zie verder Tachtigjarige Oorlog).
5.6.4 De Republiek of zeven republiekjes
De opstand was begonnen als een strijd tegen de
vertegenwoordigers van Filips II in Brussel, vóór de bescherming van
privileges en invloed van de hoge adel in de centrale regering. Na
Eedverbond der Edelen en Beeldenstorm keerde de opstand, min of meer
'geordend' door Oranje en de Staten-Generaal, zich tegen Filips zelf.
Tussen 1576 en 1588 voltrok zich de scheuring tussen de noordelijke en
zuidelijke gewesten (zie Tachtigjarige Oorlog § 3). Filips II werd in
1581 in de Staten-Generaal afgezworen. Uit eigen macht werd er een
nieuwe landvoogd |