|
1. Fysische geografie
Nicaragua
telt vier topografische eenheden: het Centrale Hoogland, de kustvlakte
aan de Caribische Zee, de diepliggende Nicaraguaslenk en de bergketen
langs de kust van de Grote Oceaan. Het Centrale Hoogland is in het
noorden en westen begroeid met dennen; in het oosten en zuiden
grotendeels bedekt met tropische regenwouden, die echter door roofbouw
worden bedreigd. Het gaat naar de Caribische Zee toe over in de Costa de
Mosquitos of La Mosquitia, de kustvlakte, die wordt gevormd door de
talrijke rivieren die het bergland diep doorsnijden. Aangrenzend ligt
een sterk gelede lagunengordel (Laguna de Perlas, Laguna de Bluefields).
De Nicaraguaslenk, die van de Golf van Fonseca in zuidoostelijke
richting naar de monding van de San Juan in de Caribische Zee loopt,
bevat de twee grootste Centraalamerikaanse zoetwaterbekkens: het Meer
van Nicaragua (ca. 8000 km2) en het Meer van Managua (of Xolotlán; 1010
km2), onderling verbonden door de Río Tipitapa. Aan de zuidwestelijke
slenkbreukzone komt een krachtig vulkanisme voor, met tuffen, lava's en
ca. 30 centra van vulkanische activiteit, met El Viejo (1780 m) als
hoogste top. In deze smalle Pacifische keten liggen talrijke
kratermeren; aardbevingen komen er veelvuldig voor (verwoesting van
Managua in 1931 en 1972). De hoogste toppen zijn de Cerro Saslaya (1994
m) en de vulkanen San Cristóbal (1745 m), Concepción (1631 m), Momotombo
(1281 m) en Cosegüina (859 m). Ten zuiden van deze reeks vulkanen ligt
een 200-900 m hoog gebergte langs de kust van de Grote Oceaan. De
rivieren Río Coco (grens met Honduras), Río Prinzapolca, Río Grande de
Matagalpa, Río Escondido en Río San Juan (grens met Costa Rica) monden
uit in de Caribische Zee, de Río Negro en Río El Estero Real in de Golf
van Fonseca en de Río Viejo in het Meer van Managua.
Er heerst een tropisch klimaat met twee regenseizoenen (december-april;
augustus). De noordoostelijke kustvlakte heeft de grootste regenval van
Centraal-Amerika (jaarlijks gemiddeld 6350 mm).
2. Bevolking
De
bevolking is overwegend geconcentreerd in de westelijke laagvlakte. Er
vindt een sterke trek van het platteland naar de steden plaats; in 1994
woonde 62% van de bevolking in steden. Naar schatting bestaat de
bevolking voor 63% uit mestiezen, 14% is Indiaan, 9% uit negers
(departement Zelaya) en 14% uit blanken. De jaarlijkse bevolkingstoename
bedroeg in de periode 1985-1994 gemiddeld 3,1%; in 1993 waren geboorte-
en sterftecijfer 40 resp. 7 per duizend. In 1995 was 45% van de
bevolking jonger dan 15 jaar. De grootste steden zijn Managua (1995:
883.000), León (172.000), Granada (88.600) en Masaya (101.900). De
officiële taal is het Spaans; in het Caribische kustgebied (Zelaya)
wordt neger-Engels gesproken; voorts worden er nog enkele Indiaanse
talen gesproken (Misquito).
Godsdienstvrijheid wordt gegarandeerd door de grondwet. Ongeveer 89% van
de bevolking is rooms-katholiek; een groeiende minderheid is protestant
(5%).
3. Bestuur en samenleving
Volgens de sinds 5 juli 1995 van kracht zijnde nieuwe grondwet is
Nicaragua een onafhankelijke, vrije, soevereine en ondeelbare natie.
De grondwet garandeert de gelijkheid van mannen en vrouwen, de
participatie van alle burgers in de politieke besluitvorming en de
vrijheid van organisatie, en legt voorts een aantal sociaal-economische
grondrechten vast.
De wetgevende macht berust bij de Nationale Vergadering, die 93
afgevaardigden telt met een zittingsperiode van zes jaar. De uitvoerende
macht is in handen van een president, die de functies van staatshoofd,
regeringsleider en opperbevelhebber van de strijdkrachten combineert en
het recht van veto heeft over wetsvoorstellen van de Nationale
Vergadering.
President en vice-president worden om de zes jaar gekozen in directe
verkiezingen. Het in 1960 opgerichte Frente Sandinista de Liberación
Nacional (FSLN) ontwikkelde zich na 1979 van een guerrillabeweging tot
de grootste politieke partij van het land. Aan die situatie kwam met de
verkiezingen van 1990 een einde. De meeste andere politieke partijen
komen voort uit de in de 19de eeuw opgerichte conservatieve en liberale
partij: o.a. Partido Conservador Demócrata (PCD), Partido Liberal
Independiente (PLI) en de Alianca Liberal.
Bestuurlijk is Nicaragua verdeeld in 16 departementen, die weer
onderverdeeld zijn in 134 gemeenten (municipios).
Nicaragua is lid van de Verenigde Naties, van de Internationale
Koffie-organisatie (ICO), van de Organisatie van Amerikaanse Staten
(OAS), van het Latijns-Amerikaanse Economische Systeem (SELA) en van tal
van andere regionale en internationale organisaties.
4. Economie
De economie is overwegend gebaseerd op de productie, verwerking en
uitvoer van landbouwproducten. Van de economisch actieve bevolking
(1.490.000) was in 1994 66% werkloos. Van de werkzame bevolking was in
1994 35% werkzaam in de landbouw, 16% in de industrie en 49% in handel
en diensten. Het aandeel van de verschillende sectoren in het bnp (1994)
was resp. 33% landbouw, 20% industrie en 46% handel en diensten. Het BNP
steeg tussen 1990 en 1994 met 0,5% (1994: 3,2%); de inflatie bereikte
tussen 1985 en 1994 een recordhoogte van 1315% (1994: 13%). De
sandinistische regering nationaliseerde in 1979 de banken en financiële
instellingen, de buitenlandse handel en de ondernemingen in de mijnbouw,
bosbouw en visserij. De in 1990 aangetreden regering wijzigde het
economisch beleid en streefde naar privatisering van de economie. De
eigendom van landbouwgronden is zeer ongelijk verdeeld: in 1978 was
bijna 2% van de bedrijven groter dan 350 ha, maar deze namen wel 47,6%
van de totale oppervlakte aan landbouwgrond in, terwijl ruim 40% van de
bedrijven kleiner was dan 7 ha en in totaal 2,2% van de beschikbare
grond in beslag namen.
De belangrijkste landbouwproducten zijn koffie, voor de helft verbouwd
in kleine bedrijfjes, vnl. in het centrale bergland en op de
berghellingen aan de westkust; katoen, dat verbouwd wordt op grote
bedrijven in de laagvlakten aan de Pacifische kust, en bananen.
Suikerriet wordt vooral in Chinandega verbouwd; meer dan 50% van de
productie, raffinage en uitvoer is in handen van de staat. De verbouw
van basisvoedingsproducten (maïs, bonen en rijst) wordt bevorderd.
Andere landbouwproducten zijn: sesamzaad, sorghum, cacao, tabak,
kokosnoten, citrusvruchten, ananas, uien en groenten. Rond Managua vindt
veehouderij plaats. Bosbouw en visserij zijn zwak ontwikkeld. De
industrie is vooral gebaseerd op de verwerking van agrarische producten,
voorts worden cement, zeep, kunstvezels, farmaceutische producten, hout
en lucifers geproduceerd. De aardolieraffinaderij in Managua verwerkt
per pijpleiding aangevoerde importolie en levert behalve brandstoffen
ook chemische producten, deels voor export. Ruim de helft van de
industriële activiteit is geconcentreerd in en rond Managua; andere
centra zijn Chinandega, León en Corinto.
De winning van delfstoffen is in handen van Noord-Amerikaanse en
Canadese ondernemingen. Voor de energievoorziening is Nicaragua in
aanzienlijke mate afhankelijk van de invoer van aardolie. De productie
en distributie van elektriciteit is in beheer van het Instituto Nacional
de Energía (INE); het geïnstalleerd vermogen bedraagt ca. 337.600 kW,
waarvan 32,8% door waterkracht wordt opgewekt. In 1983 werd bij de
vulkaan Momotombo een geothermische centrale met een capaciteit van 35
MW in bedrijf genomen. Van de totale uitvoer zijn de landbouwproducten
(koffie, katoen en vlees) het belangrijkste. Dalende export als gevolg
van de oorlogssituatie veroorzaakte in de jaren tachtig een voortdurend
tekort op de handelsbalans en leidde tot een nijpende schaarste aan
buitenlandse deviezen. De Verenigde Staten, Midden-Amerika en de
Europese Gemeenschap zijn de voornaamste handelspartners. De centrale
bank is de Banco Central de Nicaragua. De in 1979 opgerichte Banco
Nacional de Desarrollo (voortzetting van de Banco Nacional de Nicaragua)
is de nationale ontwikkelingsbank, vooral gericht op agrarische en
industriële kredietverlening. De belangrijkste geldgevers van Nicaragua
zijn de Verenigde Staten, Nederland en Zweden. De buitenlandse schuld
bedroeg in 1994 $ 11,7 miljard (ruim zes keer het BNP).
Het grootste deel van het transport geschiedt over de weg; van het
15!287 km lange wegennet is ruim 1600 km geasfalteerd. Er is een klein
spoorwegnet (287 km) dat door de overheid wordt geëxploiteerd. De
nationale luchtvaartmaatschappij Aerolíneas Nicaragüenses (AERONICA) is
sinds 1979 staatsbedrijf. Naast de internationale luchthaven van Managua
(Aeropuerto Sandino) zijn er voor het binnenlandse luchtverkeer nog 25
vliegvelden beschikbaar.
5. Geschiedenis
Nicaragua werd ontdekt tijdens Columbus' vierde tocht en verder verkend
door Gil Gonzalez de Avila in 1522. Deze gaf het land zijn naam naar een
Indiaans stamhoofd, Nicarao, die de Spaanse heerschappij erkende. Daar
geen edel metaal gevonden werd, was de Spaanse interesse voor Nicaragua
vooralsnog gering.
5.1 Spaanse kolonisatie
In de 17de eeuw vestigden zich Hollandse, Engelse en Franse vrijbuiters
op de kusten. In 1687 maakte Engeland zelfs (tot 1860 gehandhaafde)
aanspraken op de Mosquito-kust van Honduras en Nicaragua. Eerst in de
18de eeuw kreeg de Spaanse emigratie enige betekenis. Nicaragua nam deel
aan de onafhankelijkheidsbeweging van het kapiteinschap-generaal
Guatemala, waaronder het tot dan toe ressorteerde en waarmee het zich in
1823 van Mexico afscheidde.
5.2 Onafhankelijkheid
Tot 1838 maakte het deel uit van de Centraalamerikaanse statenbond. Ook
daarna, als zelfstandige staat, bleef het een toneel van hevige strijd
tussen 'liberalen' en 'conservatieven'. Tussen 1855 en 1857 poogde de
Amerikaanse avonturier William Walker - daartoe aangezet door de
'liberalen' - zich meester te maken van het bewind en zijn invallen en
staatsgrepen verhoogden de onrust nog. Uiteindelijk werd hij door de
tijdelijk verenigde conservatieven en liberalen verdreven. Van 1863 tot
1893 heerste onder het bewind van de conservatieven betrekkelijke rust;
dat van de 'liberale' dictator José Santos Zelaya (1893-1909) werd
daarentegen verstoord door aanhoudende, telkens onderdrukte
samenzweringen en opstanden. De benden van Zelaya vielen bovendien
herhaaldelijk de naburige landen aan.
5.3 Amerikaanse interventie
De wanordelijkheden leidden tot een interventie van de Verenigde Staten.
Amerikaanse troepen verdreven Zelaya en bleven in het land, dat
feitelijk een protectoraat werd van de Verenigde Staten. Het
Bryan-Chamorro-verdrag van 1914, gesloten tijdens het presidentschap van
Adolfo Díaz (1911-1917), kende aan de Verenigde Staten het uitsluitende
recht toe een kanaal door Nicaragua te graven en een vlootbasis aan te
leggen in de Golf van Fonseca. De Verenigde Staten ondersteunden
Nicaragua financieel en oefenden controle uit op het economische en
politieke leven. Eerst in 1933 ontruimden hun mariniers het land, na een
eerdere onderbreking tussen 1925 en 1927.
5.4 Dictatuur Somoza
De Amerikaanse interventie vormde een belangrijke aanleiding voor een
guerrillaoppositie, die - geleid door Augusto César Sandino (1893-1934)
- in geheel Latijns-Amerika de aandacht trok. In 1934 werd Sandino
vermoord door de Nationale Garde, die door de Amerikanen in het leven
was geroepen. In 1937 werd generaal Anastasio Somoza Garciá ( 'Tacho' in
de volksmond), tot dan toe hoofd van de Nationale Garde, tot president
verkozen, gesteund door fracties uit de liberale en de conservatieve
partij. Met behulp van een nieuwe constitutie verlengde hij zijn
ambtstermijn tot 1947, waarna hij werd opgevolgd door de hem getrouwe
Román y Reyes. In 1951 keerde Somoza terug als president. De nieuwe
constitutie - de elfde in de geschiedenis van het land - stelde hem in
staat zelf in zijn opvolging te voorzien.
Na in 1955 de continuering van zijn ambtstermijn te hebben aangekondigd,
werd hij in 1956 vermoord. Van zijn twee zoons kwam de jongste,
Anastasio Somoza Debayle ( 'Tachito'), aan het hoofd te staan van de
Nationale Garde, terwijl de oudste, Luís Somoza Debayle, zijn vader als
president opvolgde, gesteund door de Nationalistische Liberale Partij.
Tussen 1963 en 1967 regeerde René Schick Gutiérrez - in feite een
stroman van de Somoza's -, nadat het grootste deel van de oppositie
(gevormd door de onafhankelijk-liberalen, de
traditionalistisch-conservatieven en enkele nieuwe groeperingen) de
verkiezingen van 1963 had geboycot, o.m. omdat aan de eis tot
internationale supervisie van het verkiezingsproces geen gehoor werd
gegeven. In 1967 werd Schick opgevolgd door Anastasio Somoza Debayle.
Van 1972 tot 1974 regeerde (in naam) een driemanschap, waarna Somoza op
1 dec. 1974 opnieuw als president werd geïnstalleerd (na een
grondwetswijziging, ditmaal voor zes jaar).
5.5 Burgeroorlog
Op 23 dec. 1972 werd de hoofdstad Managua bijna volledig verwoest door
een aardbeving. De samenleving werd geleidelijk ontregeld door een
steeds ernstiger economische, sociale en politieke crisis. De
guerrillastrijd onder aanvoering van het Sandinistisch Nationaal
Bevrijdingsfront (FSLN, opgericht in 1960 en genoemd naar generaal
Sandino) verhevigde. De moord op de onbetwiste leider van de burgerlijke
oppositie, tevens hoofdredacteur van de krant La Prensa, Pedro Joaquín
Chamorro, in jan. 1978, luidde het begin van een burgeroorlog in. De
eerste massale volksopstand, in sept. 1978, wist Somoza nog ten koste
van duizenden doden te onderdrukken. In mei 1979 zetten de Sandinisten
hun grote slotoffensief in en op 19 juli van dat jaar konden ze de
overwinning vieren. De gevluchte Somoza liet tienduizenden doden en een
grotendeels verwoest land achter. De gevormde 'junta van nationale
wederopbouw' weerspiegelde de beide marxistische en de
sociaal-democratische stromingen binnen het FSLN. Zij meed vooralsnog
een confrontatie met de bourgeoisie, die in de laatste fase de strijd
tegen Somoza gesteund had. In het eerste jaar van het nieuwe bewind
ontving Nicaragua aanzienlijke financiële hulp uit West-Europa en de
Verenigde Staten.
5.6 Sandinistisch bewind
De aanvankelijke uitgangspunten van het nieuwe bewind (politieke
pluriformiteit, gemengde economie en een ongebonden buitenlands beleid)
kwamen in het begin van de jaren tachtig onder druk te staan als gevolg
van interne polarisatie en externe agressie. Een deel van de
particuliere sector (m.n. de grote ondernemers georganiseerd in de COSEP)
keerde zich tegen de groeiende staatsbemoeienis met de economie en de
sociale maatregelen van de regering. Funest voor de wederopbouw was de
verslechtering van de betrekkingen met de Verenigde Staten, vooral na
het aantreden van
president R. Reagan in 1981. Nicaragua werd een testcase voor de
Reagan-doctrine: het ten val brengen van linkse regeringen door het
steunen van rebellenorganisaties. In 1982 trok de Amerikaanse regering $
19 miljoen uit voor het organiseren en bewapenen van anti-Sandinistische
opstandelingen. Deze zgn. contra's bestonden aanvankelijk vooral uit
gevluchte soldaten van Somoza en opereerden vanuit Honduras en (in
mindere mate) Costa Rica. Het Amerikaanse Congres verbood militaire hulp
aan de contra's, maar de steunverlening bleef heimelijk doorgaan, zoals
eind 1986 bleek na het aan het licht komen van het Iran-contra
schandaal.
5.7 Verzet tegen sandinisten
De algemene verkiezingen van 4 nov. 1984 werden gewonnen door het FSLN,
dat met 67% van de stemmen een ruime meerderheid kreeg in de Nationale
Vergadering. De sandinist Daniel Ortega Saavedra, tot dan coördinator
van de junta, trad op 10 jan. 1985 aan als president. Onder druk van de
Verenigde Staten had een aantal partijen niet deelgenomen aan de volgens
onafhankelijke waarnemers democratisch verlopen verkiezingen.
De contra's slaagden er niet in de door de Sovjet-Unie en Cuba gesteunde
regering militair ten val te brengen, maar brachten met hun
sabotage-acties grote schade toe aan de economie en creëerden een
situatie van terreur in het noordelijke berggebied. Censuur en andere
vrijheidsbeperkende maatregelen die de regering nam op basis van de in
1982 uitgeroepen Noodtoestand, leidden tot protesten van de oppositie en
de leiding van de Rooms-Katholieke Kerk. In het kader van het in aug.
1987 tussen de vijf Midden-Amerikaanse landen gesloten Akkoord van
Esquipulas begon de regering een dialoog met de oppositie en kondigde
zij in aug. 1989 een eenzijdige wapenstilstand af. De vervroegde
algemene verkiezingen van 25 febr. 1990 werden gewonnen door de UNO, een
coalitie van 14 oppositiepartijen, die 55% van de stemmen behaalde en
daarmee een meerderheid kreeg in de Nationale Vergadering.
5.8 Regering-Chamorro
Op 25 april 1990 droeg Ortega de macht over aan Violeta Barrios de
Chamorro. De nieuwe regering sloot met de militaire leiding van de
contra's een overeenkomst over de ontbinding van hun strijdmacht. Op 27
juni 1990 werd de demobilisatie van de contra's officieel afgerond, maar
in de loop van 1990, 1991 en 1992 kwam het regelmatig tot botsingen
tussen voormalige contra's en aanhangers van de sandinisten, waarbij de
herverdeling van het grondbezit het voornaamste twistpunt vormde. In
jan. 1993 nam Chamorro twee sandinistische ministers in de regering op.
Dit leverde haar problemen op met rechtse groeperingen, die door o.a.
het bezetten van de Nicaraguaanse ambassade in Costa Rica poogden de
regering onder druk te zetten haar banden met de sandinisten te
verbreken.
Binnen het FSLN spitsten de tegenstellingen zich in de loop van 1994 toe
tussen de gematigde vleugel onder leiding van de voormalige
vice-president Sergio Ramirez en de meer revolutionaire vleugel van
oud-president Daniel Ortega. Het partijcongres van mei hield vast aan
het revolutionaire karakter van de FSLN en verwierp een voorstel om te
komen tot een brede sociaal-democratische partij. In 1995 stapte Ramirez
met enkele andere vernieuwingsgezinde leden uit het partijbestuur van de
FSLN en richtte de Movimiento Renovador Sandinista (MRS) op.
Midden 1995 werd de nieuwe grondwet van kracht, nadat aanvankelijk
president Chamorro en het Hooggerechtshof de grondwetswijziging hadden
verworpen. Begin 1997 volgde de winnaar van de algemene verkiezingen van
okt. 1996, Arnoldo Alemán (Alianza Liberal) Violeta Chamorro op als
president. In het parlement was de Alianza Liberal met 42 zetels de
grootste, de FSLN bleef steken op 36 zetels.
Telefoongids Nicaragua
Postcodes Nicaragua
|