|

1. Fysische
geografie
1.1 Landschap
Noord-
en Zuideiland, de in elkaars verlengde liggende hoofdeilanden, zijn
bergachtig; ca. 1/4 deel ligt beneden 200 m. De hoogste top bevindt zich
op het Zuideiland (Mount Cook: 3764 m, in de Nieuw-Zeelandse Alpen, met
de Tasmangletsjer, die tot ca. 300 m afdaalt). Ten oosten ervan ligt het
Southland-Otagolaagland, gedeeltelijk geaccidenteerd met breukkliffen en
fraaie keteldalen. De bergketens op het Noordeiland reiken niet boven
1830 m; apart daarvan staan imposante kraterkegels: aan de westkust
Mount Egmont (2518 m), uitgedoofd en zwaar bebost; oostelijker de nog
werkzame Ruapehu (2797 m), de Ngauruhoe (2291 m), met soms stoom- en
gaswerking, en de Tongariro (1986 m). Nog zeer actief is de
langgestrekte centrale zone rondom het grote Taupomeer. Behalve
kortdurende lava-uitvloeiingen zijn er in deze door 'puimsteen' bedekte
vlakte van maximaal 600 m hoogte talrijke kokende springbronnen. In de
Plentybaai ligt de zeer actieve vulkaan White Island. De kustlijnen zijn
in het algemeen weinig geleed, met uitzondering van een aantal diepe
fjorden aan de westkust van Zuideiland.
De vele rivieren zijn alle kort en door het grote verval onbevaarbaar,
maar daardoor zeer geschikt voor hydro-elektrische energieopwekking,
vooral in samenhang met de talrijke hooggelegen meren, die dienen als
waterreservoir.
1.2 Geologie
De hoofdeilanden vormen een losgeraakt brokstuk van Antarctica-Australië.
Hierop duidt het voorkomen van een (thans inactieve) middenoceanische
rug, de Dampier Ridge, ongeveer halfweg tussen de Australische kust en
de Lord Howe Rise in de Tasmanzee. Een tweede, thans eveneens
aseismische riftlijn, de Three Kings Rise, loopt van Cape Maria van
Diemen (Noordeiland) noordwaarts in het Zuid-Fijibekken, parallel aan de
continentale Norfolk Ridge. Het Noordeiland vertoont een sterk werkzaam
vulkanisme en maakt deel uit van de lange gebergtestrook Nieuw
Caledonië-Norfolkrug-Chathamrug. Het Zuideiland is niet meer vulkanisch
actief en vormt het bovenzeese middenstuk van de binnenste geosynclinale
keten: Lord Howe Rise-Campbell Plateau met Paleozoïsche tot
oud-Mesozoïsche, deels metamorfe gesteenten. Deze laatste grenzen in het
zuidwestelijke Fiordland aan gneizen en oude diorieten, te beschouwen
als equivalent aan, of zelfs oorspronkelijk deel van het kristallijne
substraat van het vasteland Australië-Antarctica. Vooral in het
Zuideiland worden structuren en formaties abrupt afgesneden door de
Alpine Fault (alpine breuklijn), een horizontaalverschuiving van enorme
afmetingen. Deze
loopt
langsdiagonaal met ca. 1000 km lengte over beide eilanden, van Milford
Sound direct westelijk van de Nieuw-Zeelandse Alpen noordoostwaarts via
Cookstraat door het oostelijk Noordeiland tot in Hawkebaai. Sinds de
Juratijd is Nieuw-Zeeland ca. 500 km naar het westen opgeschoven. De
seismiciteit is hoog. De vrij talrijke aardschokken, vooral op de lijn
Wellington-Napier, zijn niet van vulkanische aard.
1.3 Klimaat
Nieuw-Zeeland ligt in de gordel van de westenwinden, die hier dominant
zijn. Deze winden ontmoeten op hun weg de flanken van de hoge
bergketens, behalve bij de Cookstraat tussen het Noord- en het
Zuideiland, welk zeegebied door een soort van schoorsteeneffect dan ook
als zeer stormachtig bekend staat. De luchtstroom wordt dus langs de
gehele westkust tot opstijging gedwongen, wat met veel neerslag gepaard
gaat, bijv. meer dan 7600 mm op enkele plaatsen op het Zuideiland. De
dalende luchtstroom brengt ten oosten van de bergketens veel minder
neerslag, bijv. 640 mm per jaar op het Zuideiland. Van noord naar zuid
wordt het door de grote lengte van het land (ruim 1600 km) langzaam aan
koeler. De gemiddelde jaarlijkse temperatuur bij het noordpunt is 15 °C
en bij het zuidpunt 10 °C. Het land heeft als geheel een gematigd
klimaat; regen komt in alle jaargetijden voor.
1.4 Plantengroei
De flora is zeer soortenrijk en gevarieerd en heeft door tal van endemen
een eigen karakter. De overeenkomst met de plantengroei van Australië is
opvallend gering. Nieuw-Zeeland vormt een overgang tussen de florarijken
Paleotropis en Antarctis (zie Antarctis [plantkunde]); vooral door het
bergachtige karakter van het land overwegen antarctische elementen in
het bijzonder op het Zuideiland. Het noorden van het Noordeiland
(schiereiland Auckland) droeg oorspronkelijk een dicht, zeer rijk,
subtropisch regenwoud, het kauribos, met meer dan 100 verschillende
boomsoorten uit 47 families; de kauri en Beilschmiedia tarairi zijn hier
het meest kenmerkend. Dit bos is zeer rijk aan boomvarens, epifyten en
lianen. In het zuidelijk deel van het Noordeiland en het noorden van het
Zuideiland is het westelijk regenwoud nog voor een groot deel intact. In
de laagvlakte is het vooral gekenmerkt door Podocarpus- en
Dacrydium-soorten. Op grotere hoogte wordt het vervangen door
loofverliezende Nothofagus-bossen, die in het zuiden van het Zuideiland
gaan overheersen. Naar het zuiden wordt het bos steeds lager, zodat
epifyten en lianen ten slotte 'grondplanten' worden. Langs rivieren en
in moerassen kan het endemische Nieuw-Zeelandse vlas tot dominantie
komen. Op het Zuideiland begint boven 1200 m een zeer dicht en sterk
vertakt struweel, o.a. gekenmerkt door soorten van Dracophyllum (Epacridaceae),
Olearia (Composietenfamilie), Hoheria glabrata (Kaasjeskruidfamilie).
Bij 1350 m begint de alpine zone, een aan voortdurende, heftige winden
blootgestelde halfwoestijn, gekenmerkt door planten waaronder de dichte
'vegetable sheep' (Raoulia-soorten en Haastia pulvinaris) het meest
opvallen. Op de schaars begroeide puinhellingen zijn de 'Nieuw-Zeelandse
edelweiss' (Leucogenes grandiceps), een witbloeiende boterbloem (Ranunculus
buchanani), en Ourisia-soorten (Helmkruidfamilie) karakteristiek. De
droge oostelijke hellingen van het Zuideiland waren oorspronkelijk
begroeid met de 'tussock'-steppe, vnl. bestaande uit Danthonia-soorten,
Festuca novaezelandiae en Poa colensoi. Op grotere hoogte wisselt het
steeds spaarzamer wordende gras af met zeer eigenaardige, xeromorfe,
grasachtige schermbloemigen (Aciphylla-soorten) en composieten (Celmisia-soorten),
alsmede op heide lijkende, struikvormige Hebe-soorten (Helmkruidfamilie)
en Senecio cassinioides.
1.5 Dierenwereld
De
dierenwereld reflecteert de sterk geïsoleerde positie van Nieuw-Zeeland:
voor talloze groepen van landdieren was het moeilijk, zo niet
onmogelijk, deze al zeer vroeg afgelegen eilanden te bereiken. De fauna
is dus in verhouding tot het landoppervlak zeer arm, wat de (blanke)
immigranten hebben trachten te 'corrigeren' door massaal vnl. Europese
dieren in te voeren (faunavervalsing), die later vaak tot een plaag
werden, omdat de oorspronkelijke vegetatie en dierenwereld daartegen
niet opgewassen waren (herten, gems, kleine roofdieren, konijn, zwanen,
forel, honingbij, enz.), met als gevolg o.a. sterke erosie. Aan inheemse
zoogdieren kent Nieuw-Zeeland slechts twee soorten vleermuizen. De
betrekkelijk arme vogelfauna (ca. 300 soorten, waarvan slechts ca. 150
broedvogels, de meeste zeevogels) is echter zeer rijk aan endemische
vormen op elk niveau: Kiwi's, niet-vliegende rallen (o.a. takahe), een
niet-vliegende papegaai (uilpapegaai); de Moa's of Reuzenstruisvogels
zijn uitgestorven na het optreden van de eerste mensen. Aan vliegende
vogels kent Nieuw-Zeeland o.a. papegaaien (kea en kaka) en
rotswinterkoningen. Recente fauna-elementen onder de vogels zijn vnl.
afkomstig uit Australië en zijn vermoedelijk de oceaan overgestoken met
behulp van de heersende westenwinden. De reptielen zijn spaarzaam
vertegenwoordigd, met enige hagedissen (skinken en ovovivipare gekko's)
en de befaamde brughagedis; amfibieën zijn beperkt tot enkele archaïsche
kikvorsen van het geslacht Leiopelma. Zoetwatervissen ontbreken geheel.
De fauna van ongewervelde dieren is eveneens naar verhouding zeer arm,
behalve wat de landslakken betreft; Nieuw-Zeeland heeft per
oppervlakte-eenheid de grootste diversiteit aan longslakken ter wereld.
Verder komen o.a. ook vertegenwoordigers van de merkwaardige
wormduizendpoten (Onychophora) voor. De insecten zijn relatief redelijk
vertegenwoordigd, hoewel ook hier weer met bijzonder geringe
diversiteit; de insectenwereld wordt o.a. gekenmerkt door ongevleugelde
sprinkhanen. Ook kent men enkele vrijwel kosmopolitische elementen als
de distelvlinder. Bij de landdieren zijn vaak opvallende verschillen in
de verspreiding op Noord- en Zuideiland (en kleinere eilanden) waar te
nemen, wat weer samenhangt met de geologische geschiedenis van de
archipel. De kusten van Nieuw-Zeeland herbergen een rijke mariene fauna,
die evenals de landfauna zeer rijk is aan, soms archaïsche, endemische
vormen. De zeefauna omvat o.a. ook subantarctische en antarctische
elementen.
Meer dan 7% van de oppervlakte van Nieuw-Zeeland wordt ingenomen door
zeven nationale parken en 1300 natuurreservaten. Bovendien beslaan de
bosreservaten 15% van de oppervlakte van het land. Het grootste
nationale park is het Fiordland of Sounds National Park, op het
Zuideiland. Het belangrijkste bosreservaat is het Waipoua Kauri Forest
Sanctuary (900 ha), op het Noordeiland, waar de elders nagenoeg
uitgeroeide kauri in stand wordt gehouden.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
twee belangrijkste etnische groeperingen zijn de blanken van Europese,
vnl. Britse, afkomst (na de Tweede Wereldoorlog heeft ook een
aanzienlijke immigratie van Nederlanders, Denen en Italianen
plaatsgevonden, sinds de jaren zeventig vnl. van Australiërs en Aziaten)
en de Maori's, de oorspronkelijke bewoners (ruim 300.000). Daarnaast
zijn er kleinere groepen Chinezen, Indiërs en andere Polynesiërs.
Driekwart van alle Nieuw-Zeelanders woont op het Noordeiland en 86% in
plaatsen van meer dan 1000 inw. De jaarlijkse bevolkingstoename bedroeg
van 1986 tot 1991 3,9%, van 1991 tot 1996 6,6%. Sinds 1976 overtreft
echter het aantal emigranten dat van de immigranten. De vier grootste
bevolkingsconcentraties waren in 1993 Auckland (321.100 inw.),
Wellington (326.900), Christchurch (297.600), Dunedin (118.400) en
Hamilton (103.600).
2.2 Taal
Engels en Maori (sinds 1987) zijn officiële talen. Het Maori wordt door
ruim 3% van de bevolking gesproken. De Maori's zelf spreken beide talen.
2.3 Religie
Nieuw-Zeeland is grotendeels protestants. Van de reformatorische kerken
is de anglicaanse kerk de grootste, gevolgd door de presbyterianen en de
methodisten. Er zijn ca. 426!000 rooms-katholieken. De meeste Maori's
zijn na intensieve activiteiten van de zending toegetreden tot de
verschillende protestantse kerkgenootschappen.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting en administratieve indeling
Nieuw-Zeeland heeft geen grondwet; de staatsinrichting en de
bevoegdheden, plichten en verantwoordelijkheden van de verschillende
staatsorganen zijn vastgelegd in gerechtelijke uitspraken en een aantal
statuten en in de UK Act to Grant a Representative Constitution to the
Colony of New Zealand van 1852. Staatshoofd is de Britse koning(in), die
vertegenwoordigd wordt door een gouverneur-generaal. Het parlement
bestaat uit het Huis van Afgevaardigden, dat 120 leden telt, waarvan er
statutair 4 Maori's moeten zijn (Het Hogerhuis werd in 1951 opgeheven).
De leden worden voor drie jaar gekozen. Er is algemeen kiesrecht voor
iedereen van 18 jaar en ouder. Gouverneur-generaal en parlement vormen
de wetgevende macht. De gouverneur-generaal benoemt een
minister-president en op diens aanbeveling de ministers.
Gouverneur-generaal en kabinet tezamen vormen de uitvoerende raad. De
leden van het kabinet dienen parlementslid te zijn. Op grond van de
Local Government Act van 1974 werden 16 regionale besturen in het leven
geroepen, die verantwoordelijk zijn voor regioplanning, politie,
bosbedrijf e.d. Los hiervan bestaat al langer de 'Auckland Regional
Authority'. Op plaatselijk niveau zijn er stadsbesturen ( 'boroughs' en,
met meer dan 20!000 inw., 'cities'), districtsraden en gemeenten. Voor
gegevens wordt ook wel gebruik gemaakt van zgn. statistische gebieden,
die echter geen bestuurlijke status hebben.
3.2 Aansluiting bij internationale organisaties
Nieuw-Zeeland is lid van het Gemenebest van Naties, de Verenigde Naties
en van suborganisaties, van het Colombo-plan en de South Pacific
Commission; het heeft een vrijhandelsverdrag (NAFTA) met Australië.
3.3 Politieke partijen; vakbonden
Door het districtenstelsel zijn er slechts twee of drie politieke
partijen in het parlement vertegenwoordigd. De belangrijkste partijen
zijn: de New Zealand National Party (liberaal-conservatief) en de Labour
Party (socialistisch). Daarnaast bestaan er nog enkele kleine partijen,
zoals de Alliance Party, de New Zealand First Party, de Mana Motuhake
(die de belangen van de Maori's vertegenwoordigt) en de op de
bescherming van het milieu gerichte Values Party. Er zijn ca. 200
categorale vakbonden, waarvan de meeste verenigd zijn in de New Zealand
Federation of Labour. De New Zealand Employers' Federation verenigt de
werkgevers.
4. Economie
4.1 Algemeen
Onder
de ontwikkelde economieën neemt Nieuw-Zeeland een unieke plaats in,
doordat het in hoge mate afhankelijk is van de uitvoer van een beperkt
aantal landbouwproducten, vnl. wol, vlees en boter. Meer dan de helft
van het oppervlak is landbouw- of weideland. Toch werkt slechts 10% van
de arbeidende bevolking in de agrarische sector, maar deze draagt wel
voor meer dan 50% bij in de totale exportinkomsten van het land. Gezien
echter de kleine thuismarkt, de hoge arbeidskosten en de afstand tot de
potentiële overzeese markten is een brede omschakeling van landbouw naar
industrie niet haalbaar, zelfs al heeft het land grondstoffen die niet
volledig worden geëxploiteerd. In 1994 bedroeg het Bruto Nationaal
Product US $ 46,5 miljard, dwz. US $ 13.190 per hoofd van de bevolking.
Hoewel de toegang tot de Europese Gemeenschap moeilijker is geworden, is
Nieuw-Zeeland er wel in geslaagd de export naar Aziatische landen, het
Midden-Oosten en de Verenigde Staten te vergroten. Er is een overschot
op de handelsbalans. In 1995 was de werkloosheid 6,2%. De inflatie is
vrij bescheiden (in 1995 2,9%).
4.2 Landbouw, veehouderij, visserij en bosbouw
In de landbouw is de veehouderij de belangrijkste sector. De
melkboerderijen en de bedrijven met intensieve schapen- en
slachtveeteelt bevinden zich vnl. op het Noordeiland. De extensieve
schapenteelt in de hooglanden van het Zuideiland dient vnl. voor de
wolproductie. Er zijn ca. 50 miljoen schapen. De opbrengst van de
akkerbouw, die zich vnl. richt op de verbouw van graan, haver, gerst,
aardappelen, groenten, fruit en tabak, dekt de binnenlandse vraag
volkomen.
De rijke visgronden rondom Nieuw-Zeeland, waar o.a. oesters, kreeft en
mosselen voorkomen, worden sinds de instelling van de 200-mijlszône
aanzienlijk professioneler geëxploiteerd. Een kwart van de oppervlakte
van Nieuw-Zeeland is met bossen bedekt, die steeds meer grondstoffen
voor de houtindustrie leveren.
4.3 Mijnbouw
De belangrijkste bodemschatten zijn steenkool, aardgas, goud en zilver
en kalksteen. Aardgas dekt 29% van de energiebehoefte. Er zijn zes
gasvelden in productie.
4.4 Industrie
De industrie, waarin ca. 300!000 mensen werkzaam zijn en die 26%
bijdraagt aan het bnp, wordt vnl. uitgeoefend door kleine en middelgrote
bedrijven. Ze neemt ca. 25% van de totale export voor haar rekening.
Belangrijke takken van industrie zijn: metaal- en machine-industrie (30%
van alle industriearbeiders), de hout-, cellulose-, meubel- en
papierindustrie, waar 13% van alle industriearbeiders werken, de leer-
en bekledingsindustrie en de voedingsmiddelenindustrie (25% van de
arbeidende bevolking).
4.5 Energie
De energieopwekking en -verzorging zijn in handen van de overheid en
worden door waterkracht- en geothermische centrales verzorgd. Het land
heeft door de talrijke rivieren en meren een groot potentieel aan
waterkracht. Driekwart van de elektriciteit wordt door waterkracht
opgewekt.
4.6 Handel
De uitvoer van agrarische producten is altijd de voornaamste bron van
inkomsten geweest. Belangrijkste exportproducten zijn vee, vlees- en
vleesproducten, wol, boter, pulp, papier, kaas, huiden en vellen.
Belangrijke afnemers zijn: Japan, Australië, de Verenigde Staten,
Groot-Brittannië en Duitsland. Geïmporteerd worden machines en
transportuitrustingen, brandstoffen en chemicaliën. Belangrijkste
leveranciers zijn: Australië, Japan, de Verenigde Staten en
Groot-Brittannië. De handelsbalans vertoont een overschot. Centrale bank
is de Reserve Bank of New Zealand.
4.7 Verkeer
Zowel op het Noord- als op het Zuideiland is een uitgebreid, in goede
staat verkerend wegennet (totaal 93!130 km). Het spoorwegnet (4273 km)
verbindt de belangrijkste bevolkingscentra en wordt door de in 1990
geprivatiseerde New Zealand Rail Ltd. geëxploiteerd, die ook een
uitgebreid autobusnet onderhoudt. Het zeescheepvaartverkeer is van groot
belang. De belangrijkste havens zijn: Whangarei, Wellington, Auckland,
Picton, Lyttelton, Taurange. Voor het binnenlands verkeer is de
luchtvaart onontbeerlijk. Talrijke kleine particuliere
luchtvaartmaatschappijen, Air New Zealand en luchttaxidiensten
onderhouden de verbindingen. Het internationale luchtverkeer wordt
onderhouden door Air New Zealand en door tal van buitenlandse
maatschappijen. Internationale luchthavens zijn Auckland, Christchurch
en Wellington.
5. Geschiedenis
Nieuw-Zeeland werd vermoedelijk tussen 750 en 1000 v.C. bereikt door
Polynesische zeevaarders. Op 13 dec. 1642 ontdekte de Nederlander Abel
Tasman het gebied, dat hij Statenland noemde, wat later door de
Hollanders in Nieuw-Zeeland werd veranderd. Pas in de 18de eeuw werd het
gebied nader onderzocht, vooral door Cook, die Nieuw-Zeeland ook in
bezit nam en het Engeland aanbood, dat echter niet op dit aanbod inging.
Pas op het laatst van de 18de eeuw verschenen kooplieden, walvisvaarders
en zeevaarders van Australië uit op Nieuw-Zeeland. Er ontstonden
permanente nederzettingen, bestaande uit ruw volk van allerlei herkomst,
o.a. ontsnapte boeven uit Australië.
Kort
daarop begonnen de volken van de kust, die vuurwapens hadden leren
kennen, de volken van het binnenland uit te roeien. In 1814 begon Samuel
Marsden, predikant van de strafkolonie in New South Wales, de zending op
Nieuw-Zeeland te organiseren. Zowel hij als de zendelingen van andere
richtingen, die na hem kwamen, wilden vnl. de Maori's bekeren en de
blanken uit Nieuw-Zeeland weghouden. Pas na 1820 nam de zending grote
omvang aan. In 1833 ondernam Groot-Brittannië een eerste poging om aan
de misdaad op Nieuw-Zeeland een einde te maken. Intussen bezetten of
kochten avonturiers land en de Engelse New Zealand Company begon in 1839
met stelselmatige aankoop van grond, met het oog op systematische en
ordelijke kolonisatie. Toen een Franse onderneming haar dreigde voor te
zijn, begon de New Zealand Comp. al kolonisten uit te zenden voordat de
Britse regering daartoe verlof had gegeven. De eerste kolonisten landden
22 jan. 1840. De stad Wellington werd gesticht.
5.1 Britse kolonie
Op 30 jan. 1840 proclameerde Groot-Brittannië de soevereiniteit over
Nieuw-Zeeland. Op 6 febr. kwam het verdrag van Waitangi met de Maori's
tot stand, waarbij dezen de Britse soevereiniteit erkenden in ruil voor
de garantie dat hun grondbezit niet zou worden aangetast. Maar een hevig
conflict om claims op grond en om de verkoopprijs ervan leidde ten
slotte in 1843 tot de zeer bloedige Eerste Maori-oorlog (tot 1848). In
het Nelsondistrict werden de kolonisten uitgemoord (Bloedbad van Wairau).
Om de orde te herstellen werd George Grey als gouverneur met bijzondere
volmachten naar Nieuw-Zeeland gezonden (1845). Grey trad enerzijds met
zeer harde hand op, maar herwon anderzijds door eerlijk optreden het
vertrouwen van de Maori's. Op 23 dec. 1846 kreeg Nieuw-Zeeland een
nieuwe constitutie. Het kreeg de namen New Munster en New Ulster en werd
verdeeld in provincies, elk onder een eigen gouverneur. In 1848 werd de
grondwet voorlopig buiten werking gesteld. In 1851 werd de New Zealand
Company ontbonden en in 1852 werd een nieuwe constitutie uitgevaardigd.
Er kwamen provinciale bestuursraden, een algemene raad naast de
gouverneur en een algemeen vertegenwoordiger. Het actieve kiesrecht voor
al deze lichamen werd aan de census gebonden. Dit systeem functioneerde
op een wijze die de zes provincies in feite tot even zovele zelfstandige
staatjes deed worden. De regeling van de verhouding ten opzichte van de
inheemse bevolking bleef aan de Britse regering voorbehouden.
5.2 Bedreigde positie Maori's
In 1856 kreeg Nieuw-Zeeland een zekere mate van autonomie. Intussen
voelden de Maori's zich door de steeds grotere aankopen van grond door
de regering in het nauw gebracht, terwijl de blanke bevolking, de
groeiende spanning onder de Maori's voelend, vreesde te zullen worden
uitgeroeid. Zo kwam het tot de Tweede Maori-oorlog (1860-1870),
eigenlijk een reeks bloedige onlusten die hoofdzakelijk tot het
Noordeiland beperkt bleven. De Maori's trachtten tot onderlinge eenheid
te komen onder een koning, maar slaagden daarin niet. Hun
Hau-Haubeweging (sinds 1865), gebaseerd op een ideologie waarin
elementen van eigen en bijbels geloof vermengd waren, richtte zich tegen
christendom en vreemde overheersing. De Maori's konden zich echter ten
slotte niet staande houden. Zij verloren hun land door gedwongen verkoop
of confiscatie.
5.3 Immigratie
Een enorme toevloed van kolonisten was intussen gevolgd op de ontdekking
van goud te Otago (1861). In 1862 werd het systeem van voorkoop van
grond door de regering prijsgegeven, waarmee de laatste bescherming van
de inheemse bevolking tegen verlies van haar grondeigendom weggenomen
was. In 1865 werd Wellington in plaats van Auckland hoofdstad. Van 1870
tot 1890 was één ministerie, onder Sir Harry Atkinson, aan de regering.
Deze periode werd gekenmerkt door een diepe depressie. In 1875 werden
regering en bestuur weer gecentraliseerd. De invoering van koelkamers op
schepen betekende voor Nieuw-Zeeland een omwenteling (1882). Voortaan
werden schapen ook voor de slacht gefokt. In 1881 werden de eerste
maatregelen tegen massale immigratie van Chinese arbeidskrachten
genomen. In 1888 werd tot protectie overgegaan, vnl. onder druk van de
arbeiders. De conservatieven geraakten daarop verdeeld. In 1889 werd het
algemeen mannenkiesrecht ingevoerd. In 1890 kwamen de gecombineerde
liberale en arbeiderspartijen aan het bewind. Door voor die tijd unieke
sociale wetgeving, staatssocialisme en economische planning werden in de
volgende twintig jaar enorme vorderingen gemaakt. De landbouw werd
geïntensiveerd; het kleingrondbezit werd zeer begunstigd. In 1893 kregen
ook de vrouwen kiesrecht. In 1909 scheidde de Labour Party, die met de
Liberale Partij één geheel had gevormd, zich als aparte partij af. In
deze tijd kwamen grote stakingen voor. In 1912 kwam de conservatieve
National Party weer aan het bewind.
5.4 Brits dominion
Intussen was Nieuw-Zeeland op 26 sept. 1907 dominion geworden (daarbij
behoorden de in 1887 geannexeerde Kermadeceilanden, alsmede de in 1900
geannexeerde Cookeilanden, Savage-eiland en Suvoroveiland).
Nieuw-Zeeland nam actief aan de Eerste Wereldoorlog deel (Gallipoli,
Frankrijk, Palestina). In 1919 werd West-Samoa mandaatgebied van
Nieuw-Zeeland.
De wereldcrisis trof Nieuw-Zeeland in 1930 bijzonder zwaar. De regering
ging over tot drastische bezuiniging, loonsverlaging, enz. De
uitgebreide sociale wetgeving werd grotendeels buiten werking gesteld.
De Labour Party ging daarop in de oppositie. In nov. 1935 won zij de
verkiezingen. M.J. Savage kwam daarop met een Labour-kabinet aan de
regering. Het kwam tot nationalisering van het bankwezen, regeling van
de export bij wijze van sociale zorg, herstel van het systeem van
arbitrage in arbeidsconflicten, vaststelling van een minimumloon en
nieuwe nationalisatie van de spoorwegen. Ook in de Tweede Wereldoorlog
streed Nieuw-Zeeland intensief aan geallieerde zijde.
5.5 Naoorlogse politieke ontwikkelingen
In nov. 1949 kwamen de conservatieven weer aan het bewind (onder S.
Holland), maar de politieke en sociale structuur onderging geen
belangrijke wijzigingen meer. Op 1 jan. 1951 werd het Hogerhuis
opgeheven. In 1957 kon Labour weer een regering vormen, onder leiding
van W. Nash. Op 1 jan. 1962 verkreeg het mandaatgebied West-Samoa
onafhankelijkheid. De regering, die sinds 1960 weer gevormd werd door de
conservatieven, steunde in 1964 Maleisië in het conflict met Indonesië.
De betrekkingen met de Verenigde Staten werden hecht, mede ten gevolge
van de steun van Nieuw-Zeeland aan de Amerikaanse Vietnam-politiek. Bij
de parlementsverkiezingen van nov. 1972 moest de conservatieve Nationale
Partij haar meerderheid afstaan aan de Labour Party maar verkiezingen
van nov. 1975 brachten de Nationale Partij, nu geleid door R. Muldoon,
weer een overwinning. Tot 1984 bleven zij aan het bewind. Muldoon
verloor echter de verkiezingen van 1984 na een conflict over de vraag of
werknemers wel of niet vrij waren zich bij een vakbond van hun keuze aan
te sluiten. De nieuwe premier, D. Lange van de Labour Party, kondigde
direct na zijn aantreden een aanlegverbod voor door kernenergie
aangedreven oorlogsschepen in Nieuw-Zeelandse havens aan. Dit leidde tot
grote spanningen met de Verenigde Staten en Australië. De relatie met
Frankrijk verslechterde nadat in 1985 twee Franse agenten van de geheime
dienst in de haven van Auckland de Rainbow Warrior opbliezen. Het schip
van Greenpeace voerde actie tegen de Franse nucleaire proeven in de
Stille Zuidzee. Lange werd in 1987 herkozen en begon met de
privatisering van de vele staatsondernemingen. Zijn populariteit daalde
echter snel, ook binnen de Labour Party. In 1988 trad hij af en werd
opgevolgd door G. Palmer. Hij voerde een economische laisser
faire-politiek en moest bij gebrek aan resultaat eveneens voortijdig het
veld ruimen (hij werd eind 1990 vervangen door M. Moore).
Verkiezingen in 1990 leverden na zes jaar Labour-bewind weer een grote
overwinning op voor de National Party, wiens nieuwe leider, J. Bolger,
premier werd. In 1991 werd een begin gemaakt met grootscheepse
bezuinigingen in de sociale zekerheid.
5.6 Maori's
In 1992 werd een akkoord gesloten tussen de regering en de Maori's over
de regeling van de visrechten, zoals vastgelegd in het Verdrag van
Waitangi (1840). De Maori's (12% van de bevolking) kregen krachtens het
akkoord 50% van de binnenlandse visvangst.
Bij de verkiezingen van nov. 1993 verwierf de National Party 50 van de
99 zetels. Bolger bleef aan, maar was gedwongen consessies te doen aan
zijn harde lijn van economische hervormingen. Bij het gelijktijdig
gehouden referendum over het toekomstige kiesstelsel sprak een
meerderheid zich uit voor evenredige vertegenwoordiging, waarmee het
bestaande districtenstelsel werd verlaten.
In 1995 groeide de economie fors in een sterk geliberaliseerd klimaat.
Premier Bolger van de National Party vormde eind febr. 1996 een coalitie
met de United Party, waardoor de regering op een meerderheid van één
zetel kon rekenen in het parlement. De parlementsverkiezingen van okt.
1996 betekenden een flink verlies voor de National Party. In dec. vormde
Bolger evenwel zijn derde kabinet, een coalitie met de New Zealand First
Party (NZFP).
Telefoongids Nieuw-Zeeland
Postcodes Nieuw-Zeeland
|