header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Nieuw Zeeland

 

Terug naar overzicht AustraliŽ >>

 

 

Nieuw-Zeeland (officieel: Dominion of New Zealand), constitutionele monarchie in de Grote Oceaan, lid van het Gemenebest, 267.515 km2, met 3,66 miljoen inw. (13,4 inw. per km2); hoofdstad Wellington [aardrijkskunde]. Nieuw-Zeeland omvat het Noordeiland (114.688 km2), het Zuideiland (150.460 km2), Stewarteiland (1735 km2), de Chathameilanden (963 km2) en een aantal kleinere onbewoonde eilanden (totaal 320 km2). Daarnaast zijn er overzeese gebieden die onder de jurisdictie van Nieuw-Zeeland vallen, t.w. de Tokelau-eilanden en de Ross Dependency in het Antarctisch gebied, en zelfbesturende overzeese gebieden, t.w. de Cookeilanden en het eiland Niue.
Munteenheid is de Nieuw-Zeelandse dollar (NZ $), onderverdeeld in 100 cent. Nationale feestdag is 6 februari (Waitangi Day), ter herinnering aan het Waitangipact van 1840.


1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Cape Kidnappers Golf CourseNoord- en Zuideiland, de in elkaars verlengde liggende hoofdeilanden, zijn bergachtig; ca. 1/4 deel ligt beneden 200 m. De hoogste top bevindt zich op het Zuideiland (Mount Cook: 3764 m, in de Nieuw-Zeelandse Alpen, met de Tasmangletsjer, die tot ca. 300 m afdaalt). Ten oosten ervan ligt het Southland-Otagolaagland, gedeeltelijk geaccidenteerd met breukkliffen en fraaie keteldalen. De bergketens op het Noordeiland reiken niet boven 1830 m; apart daarvan staan imposante kraterkegels: aan de westkust Mount Egmont (2518 m), uitgedoofd en zwaar bebost; oostelijker de nog werkzame Ruapehu (2797 m), de Ngauruhoe (2291 m), met soms stoom- en gaswerking, en de Tongariro (1986 m). Nog zeer actief is de langgestrekte centrale zone rondom het grote Taupomeer. Behalve kortdurende lava-uitvloeiingen zijn er in deze door 'puimsteen' bedekte vlakte van maximaal 600 m hoogte talrijke kokende springbronnen. In de Plentybaai ligt de zeer actieve vulkaan White Island. De kustlijnen zijn in het algemeen weinig geleed, met uitzondering van een aantal diepe fjorden aan de westkust van Zuideiland.
De vele rivieren zijn alle kort en door het grote verval onbevaarbaar, maar daardoor zeer geschikt voor hydro-elektrische energieopwekking, vooral in samenhang met de talrijke hooggelegen meren, die dienen als waterreservoir.
1.2 Geologie
De hoofdeilanden vormen een losgeraakt brokstuk van Antarctica-AustraliŽ. Hierop duidt het voorkomen van een (thans inactieve) middenoceanische rug, de Dampier Ridge, ongeveer halfweg tussen de Australische kust en de Lord Howe Rise in de Tasmanzee. Een tweede, thans eveneens aseismische riftlijn, de Three Kings Rise, loopt van Cape Maria van Diemen (Noordeiland) noordwaarts in het Zuid-Fijibekken, parallel aan de continentale Norfolk Ridge. Het Noordeiland vertoont een sterk werkzaam vulkanisme en maakt deel uit van de lange gebergtestrook Nieuw CaledoniŽ-Norfolkrug-Chathamrug. Het Zuideiland is niet meer vulkanisch actief en vormt het bovenzeese middenstuk van de binnenste geosynclinale keten: Lord Howe Rise-Campbell Plateau met PaleozoÔsche tot oud-MesozoÔsche, deels metamorfe gesteenten. Deze laatste grenzen in het zuidwestelijke Fiordland aan gneizen en oude diorieten, te beschouwen als equivalent aan, of zelfs oorspronkelijk deel van het kristallijne substraat van het vasteland AustraliŽ-Antarctica. Vooral in het Zuideiland worden structuren en formaties abrupt afgesneden door de Alpine Fault (alpine breuklijn), een horizontaalverschuiving van enorme afmetingen. Deze
Tongariro National Parkloopt langsdiagonaal met ca. 1000 km lengte over beide eilanden, van Milford Sound direct westelijk van de Nieuw-Zeelandse Alpen noordoostwaarts via Cookstraat door het oostelijk Noordeiland tot in Hawkebaai. Sinds de Juratijd is Nieuw-Zeeland ca. 500 km naar het westen opgeschoven. De seismiciteit is hoog. De vrij talrijke aardschokken, vooral op de lijn Wellington-Napier, zijn niet van vulkanische aard.
1.3 Klimaat
Nieuw-Zeeland ligt in de gordel van de westenwinden, die hier dominant zijn. Deze winden ontmoeten op hun weg de flanken van de hoge bergketens, behalve bij de Cookstraat tussen het Noord- en het Zuideiland, welk zeegebied door een soort van schoorsteeneffect dan ook als zeer stormachtig bekend staat. De luchtstroom wordt dus langs de gehele westkust tot opstijging gedwongen, wat met veel neerslag gepaard gaat, bijv. meer dan 7600 mm op enkele plaatsen op het Zuideiland. De dalende luchtstroom brengt ten oosten van de bergketens veel minder neerslag, bijv. 640 mm per jaar op het Zuideiland. Van noord naar zuid wordt het door de grote lengte van het land (ruim 1600 km) langzaam aan koeler. De gemiddelde jaarlijkse temperatuur bij het noordpunt is 15 įC en bij het zuidpunt 10 įC. Het land heeft als geheel een gematigd klimaat; regen komt in alle jaargetijden voor.
1.4 Plantengroei
De flora is zeer soortenrijk en gevarieerd en heeft door tal van endemen een eigen karakter. De overeenkomst met de plantengroei van AustraliŽ is opvallend gering. Nieuw-Zeeland vormt een overgang tussen de florarijken Paleotropis en Antarctis (zie Antarctis [plantkunde]); vooral door het bergachtige karakter van het land overwegen antarctische elementen in het bijzonder op het Zuideiland. Het noorden van het Noordeiland (schiereiland Auckland) droeg oorspronkelijk een dicht, zeer rijk, subtropisch regenwoud, het kauribos, met meer dan 100 verschillende boomsoorten uit 47 families; de kauri en Beilschmiedia tarairi zijn hier het meest kenmerkend. Dit bos is zeer rijk aan boomvarens, epifyten en lianen. In het zuidelijk deel van het Noordeiland en het noorden van het Zuideiland is het westelijk regenwoud nog voor een groot deel intact. In de laagvlakte is het vooral gekenmerkt door Podocarpus- en Dacrydium-soorten. Op grotere hoogte wordt het vervangen door loofverliezende Nothofagus-bossen, die in het zuiden van het Zuideiland gaan overheersen. Naar het zuiden wordt het bos steeds lager, zodat epifyten en lianen ten slotte 'grondplanten' worden. Langs rivieren en in moerassen kan het endemische Nieuw-Zeelandse vlas tot dominantie komen. Op het Zuideiland begint boven 1200 m een zeer dicht en sterk vertakt struweel, o.a. gekenmerkt door soorten van Dracophyllum (Epacridaceae), Olearia (Composietenfamilie), Hoheria glabrata (Kaasjeskruidfamilie). Bij 1350 m begint de alpine zone, een aan voortdurende, heftige winden blootgestelde halfwoestijn, gekenmerkt door planten waaronder de dichte 'vegetable sheep' (Raoulia-soorten en Haastia pulvinaris) het meest opvallen. Op de schaars begroeide puinhellingen zijn de 'Nieuw-Zeelandse edelweiss' (Leucogenes grandiceps), een witbloeiende boterbloem (Ranunculus buchanani), en Ourisia-soorten (Helmkruidfamilie) karakteristiek. De droge oostelijke hellingen van het Zuideiland waren oorspronkelijk begroeid met de 'tussock'-steppe, vnl. bestaande uit Danthonia-soorten, Festuca novaezelandiae en Poa colensoi. Op grotere hoogte wisselt het steeds spaarzamer wordende gras af met zeer eigenaardige, xeromorfe, grasachtige schermbloemigen (Aciphylla-soorten) en composieten (Celmisia-soorten), alsmede op heide lijkende, struikvormige Hebe-soorten (Helmkruidfamilie) en Senecio cassinioides.
1.5 Dierenwereld
TuiDe dierenwereld reflecteert de sterk geÔsoleerde positie van Nieuw-Zeeland: voor talloze groepen van landdieren was het moeilijk, zo niet onmogelijk, deze al zeer vroeg afgelegen eilanden te bereiken. De fauna is dus in verhouding tot het landoppervlak zeer arm, wat de (blanke) immigranten hebben trachten te 'corrigeren' door massaal vnl. Europese dieren in te voeren (faunavervalsing), die later vaak tot een plaag werden, omdat de oorspronkelijke vegetatie en dierenwereld daartegen niet opgewassen waren (herten, gems, kleine roofdieren, konijn, zwanen, forel, honingbij, enz.), met als gevolg o.a. sterke erosie. Aan inheemse zoogdieren kent Nieuw-Zeeland slechts twee soorten vleermuizen. De betrekkelijk arme vogelfauna (ca. 300 soorten, waarvan slechts ca. 150 broedvogels, de meeste zeevogels) is echter zeer rijk aan endemische vormen op elk niveau: Kiwi's, niet-vliegende rallen (o.a. takahe), een niet-vliegende papegaai (uilpapegaai); de Moa's of Reuzenstruisvogels zijn uitgestorven na het optreden van de eerste mensen. Aan vliegende vogels kent Nieuw-Zeeland o.a. papegaaien (kea en kaka) en rotswinterkoningen. Recente fauna-elementen onder de vogels zijn vnl. afkomstig uit AustraliŽ en zijn vermoedelijk de oceaan overgestoken met behulp van de heersende westenwinden. De reptielen zijn spaarzaam vertegenwoordigd, met enige hagedissen (skinken en ovovivipare gekko's) en de befaamde brughagedis; amfibieŽn zijn beperkt tot enkele archaÔsche kikvorsen van het geslacht Leiopelma. Zoetwatervissen ontbreken geheel. De fauna van ongewervelde dieren is eveneens naar verhouding zeer arm, behalve wat de landslakken betreft; Nieuw-Zeeland heeft per oppervlakte-eenheid de grootste diversiteit aan longslakken ter wereld. Verder komen o.a. ook vertegenwoordigers van de merkwaardige wormduizendpoten (Onychophora) voor. De insecten zijn relatief redelijk vertegenwoordigd, hoewel ook hier weer met bijzonder geringe diversiteit; de insectenwereld wordt o.a. gekenmerkt door ongevleugelde sprinkhanen. Ook kent men enkele vrijwel kosmopolitische elementen als de distelvlinder. Bij de landdieren zijn vaak opvallende verschillen in de verspreiding op Noord- en Zuideiland (en kleinere eilanden) waar te nemen, wat weer samenhangt met de geologische geschiedenis van de archipel. De kusten van Nieuw-Zeeland herbergen een rijke mariene fauna, die evenals de landfauna zeer rijk is aan, soms archaÔsche, endemische vormen. De zeefauna omvat o.a. ook subantarctische en antarctische elementen.
Meer dan 7% van de oppervlakte van Nieuw-Zeeland wordt ingenomen door zeven nationale parken en 1300 natuurreservaten. Bovendien beslaan de bosreservaten 15% van de oppervlakte van het land. Het grootste nationale park is het Fiordland of Sounds National Park, op het Zuideiland. Het belangrijkste bosreservaat is het Waipoua Kauri Forest Sanctuary (900 ha), op het Noordeiland, waar de elders nagenoeg uitgeroeide kauri in stand wordt gehouden.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De twee belangrijkste etnische groeperingen zijn de blanken van Europese, vnl. Britse, afkomst (na de Tweede Wereldoorlog heeft ook een aanzienlijke immigratie van Nederlanders, Denen en Italianen plaatsgevonden, sinds de jaren zeventig vnl. van AustraliŽrs en Aziaten) en de Maori's, de oorspronkelijke bewoners (ruim 300.000). Daarnaast zijn er kleinere groepen Chinezen, IndiŽrs en andere PolynesiŽrs. Driekwart van alle Nieuw-Zeelanders woont op het Noordeiland en 86% in plaatsen van meer dan 1000 inw. De jaarlijkse bevolkingstoename bedroeg van 1986 tot 1991 3,9%, van 1991 tot 1996 6,6%. Sinds 1976 overtreft echter het aantal emigranten dat van de immigranten. De vier grootste bevolkingsconcentraties waren in 1993 Auckland (321.100 inw.), Wellington (326.900), Christchurch  (297.600), Dunedin (118.400) en Hamilton (103.600).
2.2 Taal
Engels en Maori (sinds 1987) zijn officiŽle talen. Het Maori wordt door ruim 3% van de bevolking gesproken. De Maori's zelf spreken beide talen.
2.3 Religie
Nieuw-Zeeland is grotendeels protestants. Van de reformatorische kerken is de anglicaanse kerk de grootste, gevolgd door de presbyterianen en de methodisten. Er zijn ca. 426!000 rooms-katholieken. De meeste Maori's zijn na intensieve activiteiten van de zending toegetreden tot de verschillende protestantse kerkgenootschappen.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting en administratieve indeling
Nieuw-Zeeland heeft geen grondwet; de staatsinrichting en de bevoegdheden, plichten en verantwoordelijkheden van de verschillende staatsorganen zijn vastgelegd in gerechtelijke uitspraken en een aantal statuten en in de UK Act to Grant a Representative Constitution to the Colony of New Zealand van 1852. Staatshoofd is de Britse koning(in), die vertegenwoordigd wordt door een gouverneur-generaal. Het parlement bestaat uit het Huis van Afgevaardigden, dat 120 leden telt, waarvan er statutair 4 Maori's moeten zijn (Het Hogerhuis werd in 1951 opgeheven). De leden worden voor drie jaar gekozen. Er is algemeen kiesrecht voor iedereen van 18 jaar en ouder. Gouverneur-generaal en parlement vormen de wetgevende macht. De gouverneur-generaal benoemt een minister-president en op diens aanbeveling de ministers. Gouverneur-generaal en kabinet tezamen vormen de uitvoerende raad. De leden van het kabinet dienen parlementslid te zijn. Op grond van de Local Government Act van 1974 werden 16 regionale besturen in het leven geroepen, die verantwoordelijk zijn voor regioplanning, politie, bosbedrijf e.d. Los hiervan bestaat al langer de 'Auckland Regional Authority'. Op plaatselijk niveau zijn er stadsbesturen ( 'boroughs' en, met meer dan 20!000 inw., 'cities'), districtsraden en gemeenten. Voor gegevens wordt ook wel gebruik gemaakt van zgn. statistische gebieden, die echter geen bestuurlijke status hebben.
3.2 Aansluiting bij internationale organisaties
Nieuw-Zeeland is lid van het Gemenebest van Naties, de Verenigde Naties en van suborganisaties, van het Colombo-plan en de South Pacific Commission; het heeft een vrijhandelsverdrag (NAFTA) met AustraliŽ.
3.3 Politieke partijen; vakbonden
Door het districtenstelsel zijn er slechts twee of drie politieke partijen in het parlement vertegenwoordigd. De belangrijkste partijen zijn: de New Zealand National Party (liberaal-conservatief) en de Labour Party (socialistisch). Daarnaast bestaan er nog enkele kleine partijen, zoals de Alliance Party, de New Zealand First Party, de Mana Motuhake (die de belangen van de Maori's vertegenwoordigt) en de op de bescherming van het milieu gerichte Values Party. Er zijn ca. 200 categorale vakbonden, waarvan de meeste verenigd zijn in de New Zealand Federation of Labour. De New Zealand Employers' Federation verenigt de werkgevers.

4. Economie
4.1 Algemeen
Onder de ontwikkelde economieŽn neemt Nieuw-Zeeland een unieke plaats in, doordat het in hoge mate afhankelijk is van de uitvoer van een beperkt aantal landbouwproducten, vnl. wol, vlees en boter. Meer dan de helft van het oppervlak is landbouw- of weideland. Toch werkt slechts 10% van de arbeidende bevolking in de agrarische sector, maar deze draagt wel voor meer dan 50% bij in de totale exportinkomsten van het land. Gezien echter de kleine thuismarkt, de hoge arbeidskosten en de afstand tot de potentiŽle overzeese markten is een brede omschakeling van landbouw naar industrie niet haalbaar, zelfs al heeft het land grondstoffen die niet volledig worden geŽxploiteerd. In 1994 bedroeg het Bruto Nationaal Product US $ 46,5 miljard, dwz. US $ 13.190 per hoofd van de bevolking.
Hoewel de toegang tot de Europese Gemeenschap moeilijker is geworden, is Nieuw-Zeeland er wel in geslaagd de export naar Aziatische landen, het Midden-Oosten en de Verenigde Staten te vergroten. Er is een overschot op de handelsbalans. In 1995 was de werkloosheid 6,2%. De inflatie is vrij bescheiden (in 1995 2,9%).
4.2 Landbouw, veehouderij, visserij en bosbouw
In de landbouw is de veehouderij de belangrijkste sector. De melkboerderijen en de bedrijven met intensieve schapen- en slachtveeteelt bevinden zich vnl. op het Noordeiland. De extensieve schapenteelt in de hooglanden van het Zuideiland dient vnl. voor de wolproductie. Er zijn ca. 50 miljoen schapen. De opbrengst van de akkerbouw, die zich vnl. richt op de verbouw van graan, haver, gerst, aardappelen, groenten, fruit en tabak, dekt de binnenlandse vraag volkomen.
De rijke visgronden rondom Nieuw-Zeeland, waar o.a. oesters, kreeft en mosselen voorkomen, worden sinds de instelling van de 200-mijlszŰne aanzienlijk professioneler geŽxploiteerd. Een kwart van de oppervlakte van Nieuw-Zeeland is met bossen bedekt, die steeds meer grondstoffen voor de houtindustrie leveren.
4.3 Mijnbouw
De belangrijkste bodemschatten zijn steenkool, aardgas, goud en zilver en kalksteen. Aardgas dekt 29% van de energiebehoefte. Er zijn zes gasvelden in productie.
4.4 Industrie
De industrie, waarin ca. 300!000 mensen werkzaam zijn en die 26% bijdraagt aan het bnp, wordt vnl. uitgeoefend door kleine en middelgrote bedrijven. Ze neemt ca. 25% van de totale export voor haar rekening. Belangrijke takken van industrie zijn: metaal- en machine-industrie (30% van alle industriearbeiders), de hout-, cellulose-, meubel- en papierindustrie, waar 13% van alle industriearbeiders werken, de leer- en bekledingsindustrie en de voedingsmiddelenindustrie (25% van de arbeidende bevolking).
4.5 Energie
De energieopwekking en -verzorging zijn in handen van de overheid en worden door waterkracht- en geothermische centrales verzorgd. Het land heeft door de talrijke rivieren en meren een groot potentieel aan waterkracht. Driekwart van de elektriciteit wordt door waterkracht opgewekt.
4.6 Handel
De uitvoer van agrarische producten is altijd de voornaamste bron van inkomsten geweest. Belangrijkste exportproducten zijn vee, vlees- en vleesproducten, wol, boter, pulp, papier, kaas, huiden en vellen. Belangrijke afnemers zijn: Japan, AustraliŽ, de Verenigde Staten, Groot-BrittanniŽ en Duitsland. GeÔmporteerd worden machines en transportuitrustingen, brandstoffen en chemicaliŽn. Belangrijkste leveranciers zijn: AustraliŽ, Japan, de Verenigde Staten en Groot-BrittanniŽ. De handelsbalans vertoont een overschot. Centrale bank is de Reserve Bank of New Zealand.
4.7 Verkeer
Zowel op het Noord- als op het Zuideiland is een uitgebreid, in goede staat verkerend wegennet (totaal 93!130 km). Het spoorwegnet (4273 km) verbindt de belangrijkste bevolkingscentra en wordt door de in 1990 geprivatiseerde New Zealand Rail Ltd. geŽxploiteerd, die ook een uitgebreid autobusnet onderhoudt. Het zeescheepvaartverkeer is van groot belang. De belangrijkste havens zijn: Whangarei, Wellington, Auckland, Picton, Lyttelton, Taurange. Voor het binnenlands verkeer is de luchtvaart onontbeerlijk. Talrijke kleine particuliere luchtvaartmaatschappijen, Air New Zealand en luchttaxidiensten onderhouden de verbindingen. Het internationale luchtverkeer wordt onderhouden door Air New Zealand en door tal van buitenlandse maatschappijen. Internationale luchthavens zijn Auckland, Christchurch en Wellington.

5. Geschiedenis
Nieuw-Zeeland werd vermoedelijk tussen 750 en 1000 v.C. bereikt door Polynesische zeevaarders. Op 13 dec. 1642 ontdekte de Nederlander Abel Tasman het gebied, dat hij Statenland noemde, wat later door de Hollanders in Nieuw-Zeeland werd veranderd. Pas in de 18de eeuw werd het gebied nader onderzocht, vooral door Cook, die Nieuw-Zeeland ook in bezit nam en het Engeland aanbood, dat echter niet op dit aanbod inging. Pas op het laatst van de 18de eeuw verschenen kooplieden, walvisvaarders en zeevaarders van AustraliŽ uit op Nieuw-Zeeland. Er ontstonden permanente nederzettingen, bestaande uit ruw volk van allerlei herkomst, o.a. ontsnapte boeven uit AustraliŽ.
Alarm in a Maori paKort daarop begonnen de volken van de kust, die vuurwapens hadden leren kennen, de volken van het binnenland uit te roeien. In 1814 begon Samuel Marsden, predikant van de strafkolonie in New South Wales, de zending op Nieuw-Zeeland te organiseren. Zowel hij als de zendelingen van andere richtingen, die na hem kwamen, wilden vnl. de Maori's bekeren en de blanken uit Nieuw-Zeeland weghouden. Pas na 1820 nam de zending grote omvang aan. In 1833 ondernam Groot-BrittanniŽ een eerste poging om aan de misdaad op Nieuw-Zeeland een einde te maken. Intussen bezetten of kochten avonturiers land en de Engelse New Zealand Company begon in 1839 met stelselmatige aankoop van grond, met het oog op systematische en ordelijke kolonisatie. Toen een Franse onderneming haar dreigde voor te zijn, begon de New Zealand Comp. al kolonisten uit te zenden voordat de Britse regering daartoe verlof had gegeven. De eerste kolonisten landden 22 jan. 1840. De stad Wellington werd gesticht.
5.1 Britse kolonie
Op 30 jan. 1840 proclameerde Groot-BrittanniŽ de soevereiniteit over Nieuw-Zeeland. Op 6 febr. kwam het verdrag van Waitangi met de Maori's tot stand, waarbij dezen de Britse soevereiniteit erkenden in ruil voor de garantie dat hun grondbezit niet zou worden aangetast. Maar een hevig conflict om claims op grond en om de verkoopprijs ervan leidde ten slotte in 1843 tot de zeer bloedige Eerste Maori-oorlog (tot 1848). In het Nelsondistrict werden de kolonisten uitgemoord (Bloedbad van Wairau). Om de orde te herstellen werd George Grey als gouverneur met bijzondere volmachten naar Nieuw-Zeeland gezonden (1845). Grey trad enerzijds met zeer harde hand op, maar herwon anderzijds door eerlijk optreden het vertrouwen van de Maori's. Op 23 dec. 1846 kreeg Nieuw-Zeeland een nieuwe constitutie. Het kreeg de namen New Munster en New Ulster en werd verdeeld in provincies, elk onder een eigen gouverneur. In 1848 werd de grondwet voorlopig buiten werking gesteld. In 1851 werd de New Zealand Company ontbonden en in 1852 werd een nieuwe constitutie uitgevaardigd. Er kwamen provinciale bestuursraden, een algemene raad naast de gouverneur en een algemeen vertegenwoordiger. Het actieve kiesrecht voor al deze lichamen werd aan de census gebonden. Dit systeem functioneerde op een wijze die de zes provincies in feite tot even zovele zelfstandige staatjes deed worden. De regeling van de verhouding ten opzichte van de inheemse bevolking bleef aan de Britse regering voorbehouden.
5.2 Bedreigde positie Maori's
In 1856 kreeg Nieuw-Zeeland een zekere mate van autonomie. Intussen voelden de Maori's zich door de steeds grotere aankopen van grond door de regering in het nauw gebracht, terwijl de blanke bevolking, de groeiende spanning onder de Maori's voelend, vreesde te zullen worden uitgeroeid. Zo kwam het tot de Tweede Maori-oorlog (1860-1870), eigenlijk een reeks bloedige onlusten die hoofdzakelijk tot het Noordeiland beperkt bleven. De Maori's trachtten tot onderlinge eenheid te komen onder een koning, maar slaagden daarin niet. Hun Hau-Haubeweging (sinds 1865), gebaseerd op een ideologie waarin elementen van eigen en bijbels geloof vermengd waren, richtte zich tegen christendom en vreemde overheersing. De Maori's konden zich echter ten slotte niet staande houden. Zij verloren hun land door gedwongen verkoop of confiscatie.
5.3 Immigratie
Een enorme toevloed van kolonisten was intussen gevolgd op de ontdekking van goud te Otago (1861). In 1862 werd het systeem van voorkoop van grond door de regering prijsgegeven, waarmee de laatste bescherming van de inheemse bevolking tegen verlies van haar grondeigendom weggenomen was. In 1865 werd Wellington in plaats van Auckland hoofdstad. Van 1870 tot 1890 was ťťn ministerie, onder Sir Harry Atkinson, aan de regering. Deze periode werd gekenmerkt door een diepe depressie. In 1875 werden regering en bestuur weer gecentraliseerd. De invoering van koelkamers op schepen betekende voor Nieuw-Zeeland een omwenteling (1882). Voortaan werden schapen ook voor de slacht gefokt. In 1881 werden de eerste maatregelen tegen massale immigratie van Chinese arbeidskrachten genomen. In 1888 werd tot protectie overgegaan, vnl. onder druk van de arbeiders. De conservatieven geraakten daarop verdeeld. In 1889 werd het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd. In 1890 kwamen de gecombineerde liberale en arbeiderspartijen aan het bewind. Door voor die tijd unieke sociale wetgeving, staatssocialisme en economische planning werden in de volgende twintig jaar enorme vorderingen gemaakt. De landbouw werd geÔntensiveerd; het kleingrondbezit werd zeer begunstigd. In 1893 kregen ook de vrouwen kiesrecht. In 1909 scheidde de Labour Party, die met de Liberale Partij ťťn geheel had gevormd, zich als aparte partij af. In deze tijd kwamen grote stakingen voor. In 1912 kwam de conservatieve National Party weer aan het bewind.
5.4 Brits dominion
Intussen was Nieuw-Zeeland op 26 sept. 1907 dominion geworden (daarbij behoorden de in 1887 geannexeerde Kermadeceilanden, alsmede de in 1900 geannexeerde Cookeilanden, Savage-eiland en Suvoroveiland). Nieuw-Zeeland nam actief aan de Eerste Wereldoorlog deel (Gallipoli, Frankrijk, Palestina). In 1919 werd West-Samoa mandaatgebied van Nieuw-Zeeland.
De wereldcrisis trof Nieuw-Zeeland in 1930 bijzonder zwaar. De regering ging over tot drastische bezuiniging, loonsverlaging, enz. De uitgebreide sociale wetgeving werd grotendeels buiten werking gesteld. De Labour Party ging daarop in de oppositie. In nov. 1935 won zij de verkiezingen. M.J. Savage kwam daarop met een Labour-kabinet aan de regering. Het kwam tot nationalisering van het bankwezen, regeling van de export bij wijze van sociale zorg, herstel van het systeem van arbitrage in arbeidsconflicten, vaststelling van een minimumloon en nieuwe nationalisatie van de spoorwegen. Ook in de Tweede Wereldoorlog streed Nieuw-Zeeland intensief aan geallieerde zijde.
5.5 Naoorlogse politieke ontwikkelingen
In nov. 1949 kwamen de conservatieven weer aan het bewind (onder S. Holland), maar de politieke en sociale structuur onderging geen belangrijke wijzigingen meer. Op 1 jan. 1951 werd het Hogerhuis opgeheven. In 1957 kon Labour weer een regering vormen, onder leiding van W. Nash. Op 1 jan. 1962 verkreeg het mandaatgebied West-Samoa onafhankelijkheid. De regering, die sinds 1960 weer gevormd werd door de conservatieven, steunde in 1964 MaleisiŽ in het conflict met IndonesiŽ. De betrekkingen met de Verenigde Staten werden hecht, mede ten gevolge van de steun van Nieuw-Zeeland aan de Amerikaanse Vietnam-politiek. Bij de parlementsverkiezingen van nov. 1972 moest de conservatieve Nationale Partij haar meerderheid afstaan aan de Labour Party maar verkiezingen van nov. 1975 brachten de Nationale Partij, nu geleid door R. Muldoon, weer een overwinning. Tot 1984 bleven zij aan het bewind. Muldoon verloor echter de verkiezingen van 1984 na een conflict over de vraag of werknemers wel of niet vrij waren zich bij een vakbond van hun keuze aan te sluiten. De nieuwe premier, D. Lange van de Labour Party, kondigde direct na zijn aantreden een aanlegverbod voor door kernenergie aangedreven oorlogsschepen in Nieuw-Zeelandse havens aan. Dit leidde tot grote spanningen met de Verenigde Staten en AustraliŽ. De relatie met Frankrijk verslechterde nadat in 1985 twee Franse agenten van de geheime dienst in de haven van Auckland de Rainbow Warrior opbliezen. Het schip van Greenpeace voerde actie tegen de Franse nucleaire proeven in de Stille Zuidzee. Lange werd in 1987 herkozen en begon met de privatisering van de vele staatsondernemingen. Zijn populariteit daalde echter snel, ook binnen de Labour Party. In 1988 trad hij af en werd opgevolgd door G. Palmer. Hij voerde een economische laisser faire-politiek en moest bij gebrek aan resultaat eveneens voortijdig het veld ruimen (hij werd eind 1990 vervangen door M. Moore).
Verkiezingen in 1990 leverden na zes jaar Labour-bewind weer een grote overwinning op voor de National Party, wiens nieuwe leider, J. Bolger, premier werd. In 1991 werd een begin gemaakt met grootscheepse bezuinigingen in de sociale zekerheid.
5.6 Maori's
In 1992 werd een akkoord gesloten tussen de regering en de Maori's over de regeling van de visrechten, zoals vastgelegd in het Verdrag van Waitangi (1840). De Maori's (12% van de bevolking) kregen krachtens het akkoord 50% van de binnenlandse visvangst.
Bij de verkiezingen van nov. 1993 verwierf de National Party 50 van de 99 zetels. Bolger bleef aan, maar was gedwongen consessies te doen aan zijn harde lijn van economische hervormingen. Bij het gelijktijdig gehouden referendum over het toekomstige kiesstelsel sprak een meerderheid zich uit voor evenredige vertegenwoordiging, waarmee het bestaande districtenstelsel werd verlaten.
In 1995 groeide de economie fors in een sterk geliberaliseerd klimaat. Premier Bolger van de National Party vormde eind febr. 1996 een coalitie met de United Party, waardoor de regering op een meerderheid van ťťn zetel kon rekenen in het parlement. De parlementsverkiezingen van okt. 1996 betekenden een flink verlies voor de National Party. In dec. vormde Bolger evenwel zijn derde kabinet, een coalitie met de New Zealand First Party (NZFP).

Telefoongids Nieuw-Zeeland
Postcodes Nieuw-Zeeland

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009