|
1. Bevolking
De
bevolking bestaat geheel uit Koreanen, die de Koreaanse taal spreken. De
jaarlijkse bevolkingstoename bedroeg in de periode van 1980 tot 1991 1,
7%. Sedert 1976 wordt de bevolkingstoename van overheidswege bestreden
door een wettelijk verplichte minimumhuwelijksleeftijd van 27 jaar voor
vrouwen en van 30 jaar voor mannen. De gemiddelde levensverwachting bij
geboorte is voor mannen 65 jaar, voor vrouwen 71 jaar. Ongeveer 65% van
de bevolking woonde in 1994 in de steden, waarvan P'yongyang, Hamhung,
Ch'ongjin, Sinuiju, Kaesong en Hungnam de grootste zijn.
De grondwet erkent vrijheid van godsdienst, maar vermeldt tevens
uitdrukkelijk de vrijheid van antireligieuze propaganda zoals die door
de overheid wordt gevoerd. Hierdoor zijn gegevens met betrekking tot de
godsdiensten onbekend. De traditionele nationale godsdienst, het
boeddhisme, en wereldbeschouwing, het confucianisme, alsmede de in de
19de eeuw ontstane eclectische Kondogio-sekte (met boeddhistische,
confucianistische en christelijke elementen) en de christelijke kerken
hebben hun betekenis in het openbare leven verloren; 68% van de
bevolking is niet kerkelijk.
2. Bestuur en
samenleving
De wetgevende macht is in handen van de Hoge Volksvergadering, het
(sedert 1990 uit 687 leden bestaande) parlement, dat voor vier jaar
wordt gekozen. Alle Noord-Koreanen van 17 jaar en ouder hebben actief en
passief kiesrecht. De in 1945 als noordelijke afdeling van de Koreaanse
Communistische Partij opgerichte Arbeiderspartij Nodong-dang is de
leidende politieke partij, die met enige andere is verenigd in het
Nationale Front voor de hereniging van het Vaderland. In de grondwet van
1972, die de constitutie van 1948 verving, is de Koreaanse variant van
het communisme, chuch'e, vastgelegd als staatsideologie.
De
grondwet maakt tevens het kabinet als uitvoerende instantie
ondergeschikt aan het Centrale Volkscomité, dat wordt voorgezeten door
de president (tevens secretaris-generaal van de communistische partij),
die behalve staatshoofd ook opperbevelhebber van de strijdkrachten is.
Hij wordt voor vijf jaar gekozen door de volksvergadering.
Het land is verdeeld in elf administratieve eenheden: negen provincies
en de steden P'yongyang, Kaesong en Nampo.
De rechterlijke organisatie volgt de bestuurlijke indeling. De
provinciale gerechtshoven zijn verantwoording schuldig aan de
provinciale parlementen en het centrale gerechtshof is onderworpen aan
de Hoge Volksvergadering, het Centrale Volkscomité en de president.
Hoogste juridische instantie is het Hooggerechtshof, waarvan de rechters
voor een periode van drie jaar gekozen worden door de Hoge
Volksvergadering.
Noord-Korea is lid van een aantal internationale organisaties, w.o. de
Verenigde Naties (sinds 1991) en een aantal suborganisaties van de VN.
De krijgsmacht bestaat uit de traditionele onderdelen: leger
(diensttijd: 7 jaar), marine (5 jaar) en luchtmacht (3 tot 4 jaar).
Daarnaast zijn er nog paramilitaire eenheden (38!000 mensen), de
Rode-Jeugdgarde, waarin alle 15- tot 17-jarigen dienst moeten doen, en
de Rode Arbeiders- en Boerengarde, die ca. 3 miljoen ouderen (tot 50
jaar) omvat.
De sociale voorzieningen zijn alomvattend. Tegenover de grondwettelijke
garantie van werkgelegenheid voor alle inwoners van 16 jaar en ouder
staat een plicht tot arbeid. Er is geen inkomstenbelasting en de huren
worden zeer laag gehouden. De werkdag is acht uur. Voor mannen en
vrouwen geldt bij gelijk werk gelijke beloning.
De gelijkgeschakelde vakbonden zijn bedrijfstaksgewijs georganiseerd; de
belangrijkste twee zijn: het Algemeen Koreaans Vakverbond en de Unie van
Agrarische Arbeiders.
De gezondheidszorg is kosteloos en staat op een hoog peil. In 1984 was
er één arts beschikbaar voor elke 435 inw.
Het onderwijs is gratis. Het aantal verplichte leerjaren bedraagt elf.
Er is slechts één universiteit, de Kim Il Song-universiteit te
P'yongyang; daarnaast zijn er meer dan 130 hogere beroepsopleidingen.
De grondwet garandeert persvrijheid, maar van de officiële politieke
lijn afwijkende meningen worden niet gepubliceerd.
De 29 kranten zijn alle in overheidshanden. Het belangrijkste dagblad is
Rodong Sinmoen, het orgaan van de Koreaanse Arbeiderspartij (oplage: ca.
1 miljoen exx.). Radio en televisie worden eveneens geheel door de staat
beheerd. Het enige persagentschap is het Koreaanse Centrale Nieuws
Agentschap (KCNA).
3. Economie
Noord-Korea
heeft een sterk autarkisch gerichte, centraal geleide economie, die door
meerjarenplannen wordt gestuurd. Het accent ligt op de zware industrie.
Met een productiestijging die tussen 1953 en 1963 gemiddeld 14% per jaar
beliep had het land een van de snelst groeiende economieën ter wereld.
Door o.a. vermindering van de hulp van de Sovjet-Unie en China werd het
groeitempo na 1963 vertraagd. In 1978 steeg volgens officiële opgave de
industriële productie weer met 17%. Het tweede zevenjarenplan
(1978-1984) en het derde zevenjarenplan (1987-1993) gingen uit van een
jaarlijkse economische groei van resp. 9,6% en 7,9%. Sinds 1990 kent de
economie echter een negatieve groei van 5,7%. In 1997 dreigde een
hongersnood de bevolking te teisteren; buitenlandse hulp wordt niet
geaccepteerd.
Slechts 17% van het grondgebied van Noord-Korea is geschikt voor
landbouw. In 1954-1958 werden de bedrijven gecollectiviseerd. Er waren
toen 13!309 collectieve bedrijven van gemiddeld 130 ha. Naar Chinees
voorbeeld werd in 1958 een nieuwe verdeling doorgevoerd in 3843
bedrijven van gemiddeld 500 ha. Door mechanisatie, betere bemesting en
verbetering van de gewassen werden de opbrengsten aanzienlijk verhoogd.
Thans kent het land 3800 collectieve landbouwbedrijven en 180
staatsbedrijven. De veehouderij is van weinig belang; daarentegen is de
visserij voor de voedselvoorziening zeer belangrijk.
Noord-Korea is met ca. 200 winbare bodemschatten buitengewoon rijk aan
delfstoffen, o.a. ijzererts (bij Musan, Kaesong en P'yongyang),
steenkool (ten noorden van P'yongyang), nikkel en koper. Verder worden
nog zink, bruinkool, fosfaten, goud, zwavel, wolfraam, lood en zwavel
gewonnen. Waterkrachtcentrales zijn met 60% van de totale productie de
voornaamste leveranciers van elektrische energie. De overige 40% wordt
gewonnen in kolencentrales. Voor olie is Noord-Korea afhankelijk van de
Sovjet-Unie en de Volksrepubliek China.
De industrie is oorspronkelijk door de Japanners, na de bezetting van
1910, ontwikkeld, m.n. de textiel- en de chemische (kunstmest)industrie
en de winning van hydro-elektriciteit. De industriële sector levert
tweederde van het bnp op. Er zijn voorts een aardolieraffinaderij,
staal-, voedingsmiddelen- en cementfabrieken.
Ten gevolge van het streven naar autarkie is de buitenlandse handel naar
verhouding gering en vnl. beperkt tot Rusland en China. In het begin van
de jaren zeventig probeerde Noord-Korea de handel met
niet-communistische landen, met name Japan, te vergroten. Het doel van
deze nieuwe koers was het verkrijgen van hoogwaardige technologie. Het
leidde echter tot enorme tekorten op de handelsbalans en een grote
buitenlandse schuld (in 1993 $ 10,3 miljard bij de Westerse landen). In
de tweede helft van de jaren zeventig had Noord-Korea geen andere keus
dan zijn op het Westen gerichte handelspolitiek terug te draaien.
Het spoorwegnet heeft een lengte van 8533 km. Ongeveer een derde van
alle plaatsen ligt buiten het bereik van de spoorwegen. Het wegverkeer (vnl.
vrachtverkeer) en het wegennet (schatting 1990: 23.000 km) zijn
enigszins bij de economische ontwikkeling achtergebleven.
De belangrijkste havens zijn Ch'ongjin en Hungnam. Internationale
luchtverbindingen worden onderhouden met Peking en Moskou.
4. Geschiedenis
Sedert de stichting van de Volksrepubliek Noord-Korea op 10 juli 1948 is
Kim Il Song als leider van de communistische partij oppermachtig. Na de
grondwetsherziening van dec. 1972 werd hij tevens president. Rond Kim Il
Song bestaat een uitgebreide persoonscultus waarin in de jaren zeventig
ook zijn familie en met name zijn zoon Kim Jong 'il betrokken werd. Deze
kreeg in 1980 een hoge functie in de partij.
In het geschil tussen Moskou en Peking koos Noord-Korea niet duidelijk
partij. Aanvankelijk (ca. 1963) leek het land naar China over te hellen,
maar na de Chinese culturele revolutie van 1966 sloeg het een
onafhankelijke koers in en in 1967 kwam een akkoord met de Sovjet-Unie
tot stand over economische, technische en wetenschappelijke
samenwerking. In de jaren zeventig werden de banden met Peking echter
weer nauwer aangehaald. In de jaren tachtig bleef Noord-Korea op goede
voet staan met China, terwijl tegelijkertijd de relatie met de
Sovjet-Unie verbeterde. De Chinese troepen die Noord-Korea hadden
gesteund in de Koreaanse Oorlog werden in 1958 teruggetrokken.
De betrekkingen met Zuid-Korea bleven gespannen. In 1966 begon
Noord-Korea de druk op het zuiden te verhogen en het jaar daarop werden
commandotroepen in het zuiden geïnfiltreerd met de bedoeling een
guerrilla te ontketenen. Op 23 dec. 1968 kwam het tot een ernstig
incident met de Verenigde Staten, toen de Noord-Koreanen het Amerikaanse
radio-afluisterschip Pueblo opbrachten. In 1971 lanceerde Noord-Korea
een plan voor de hereniging van beide Korea's en in 1972 kwam het tot de
eerste officiële contacten tussen beide landen. Het toenaderingsproces
leidde echter niet tot concrete resultaten. Vanaf midden jaren zeventig
was de verhouding met Zuid-Korea ondanks herhaalde initiatieven tot een
dialoog weer gespannen.
De periode van 1975 tot 1990 kenmerkte zich door gewelddadige incidenten
en Noordkoreaanse infiltratiepogingen. In 1983 vond er in Rangoon een
bomaanslag plaats op een regeringsdelegatie uit Seoel. Hierbij verloren
vier ministers en 13 regeringsfunctionarissen het leven. Een bloedig
dieptepunt was het opblazen van een Zuid-Koreaans verkeersvliegtuig door
twee agenten van Noord-Korea: 115 mensen vonden de dood (nov. 1987). De
aanslag hield verband met de geplande Olympische Spelen in Seoel van
1988. Noord-Korea riep op tot een boycot van de Spelen nadat overleg
over een gezamenlijke organisatie door de beide Korea's op niets was
uitgelopen. Door de aanslag op het verkeersvliegtuig raakte Noord-Korea
wederom in een diplomatiek isolement.
Als een van de weinige landen feliciteerde Noord-Korea de Volksrepubliek
China met het onderdrukken van de studentenopstand op 4 juni 1989. In
sept. 1990 bood een belangrijke Japanse delegatie excuses aan voor de
pijn en ellende die Japan het Koreaanse volk tijdens de koloniale
heerschappij (1910-1945) had aangedaan. Bovendien ging Japan over tot
het betalen van herstelbetalingen ($ 5 miljard).
Het vermoeden dat Noord-Korea aan een kernwapen werkte, werd steeds
groter toen in februari 1993 Noord-Korea IAEA-inspectie van twee
plaatsen tegenhield. Later bond Noord-Korea enigszins in.
In 1992 zouden volgens onbevestigde berichten hooggeplaatste militairen
zijn terechtgesteld op verdenking van een poging tot staatsgreep. In
okt. 1994 bereikten Noord-Koreaanse en Amerikaanse onderhandelaars een
compromis over de vrije inspecties van Noord-Koreaanse nucleaire
installaties, die het land tot dusver steeds had geweigerd. P'yongyang
beloofde af te zien van het verder ontwikkelen van kernreactoren voor
atoomwapens. In ruil hiervoor zou een internationaal consortium
reactoren van een ander, niet voor militaire doeleinden geschikt type
leveren en olie, zolang deze reactoren nog niet gereed waren.
In juli 1994 overleed de 'Grote Leider', maarschalk Kim Il Song, sinds
1948 de onbetwiste machthebber. Hij werd opgevolgd door zijn zoon
Kim
Jong 'il - zie foto. Tegen de verwachting in werd Kim Jong 'il in
1995 en 1996 niet formeel benoemd tot staatshoofd, een aanwijzing dat
hij niet alle macht aan zich had weten te trekken.
De economie vertoonde in de eerste helft van de jaren negentig een
permanente teruggang. Het tekort aan olie, die door gebrek aan valuta
niet op de wereldmarkt kon worden gekocht, drukte de industriële
productie. Een andere belemmerende factor was het ontbreken van goede
infrastructurele voorzieningen. Ernstige overstromingen in aug. 1995
verslechterden de voedselsituatie nog verder. Voedselnood dwong
Noord-Korea, geheel tegen zijn gewoonte in, het buitenland om hulp te
vragen. In mei 1996 meldde de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN
ernstige ondervoeding van de bevolking. Nieuwe overstromingen in de
zomer van 1996 tastten de productiecapaciteit van de landbouw nog verder
aan. Een omvangrijke zwarte markt en levendige smokkelhandel aan de
Chinees-Koreaanse grens wezen erop dat de greep van de regering op de
samenleving en de economie begon te verslappen.
In febr. 1997 liep de topideoloog Hwang Jang-Yop tijdens een bezoek aan
Peking de Zuid-Koreaanse ambassade binnen, waar hij vervolgens politiek
asiel aanvroeg. Hwang Jang-Yop gold als de theoreticus van de zgn.
juche-ideologie, het streven van Noord-Korea naar autarkie. Na een
verblijf van vijf weken in de Zuid-Koreaanse ambassade vloog Hwang
Jang-Yop via de Filippijnen naar Zuid-Korea. Analisten in Zuid-Korea
wezen op de groeiende invloed van het leger en zij legden dit uit als
een versterking van de positie van de Noord-Koreaanse leider Kim Jong 'il.
Telefoongids Noord-Korea
Postcodes
Noord-Korea
|