Noord-Amerika, het noordelijk
deel van het dubbelcontinent Amerika, op het westelijk
halfrond, tussen 16–72 ° N.Br. en 56–167 ° W. L.,
omvattende het vasteland, waarop de Verenigde Staten van
Amerika en Canada, en de eilanden ten noorden van de
Landengte van Tehuantepec, ca. 20 miljoen km2, met
Groenland en het Noordpoolgebied ca. 24 miljoen km2. In
de geologie wordt ook Mexico wel tot Noord-Amerika
gerekend.
|
 |
1.
Landschap
Tijdens
de ijstijden
is een groot deel van Noord-Amerika bedekt geweest met landijs. Op
veel plaatsen zijn door het landijs diepe kommen uitgeschuurd,
waaruit later meren zijn ontstaan, o.a. de Grote Meren. Langs de
oostkust en langs de westkust liggen lange bergketens met als
belangrijkste de Appalachen in het oosten en de Cordilleren (met
o.a. de Rocky Mountains) in het westen. Het middendeel van het
continent is relatief vlak met o.a. de Great Plains, een droge
steppe. Ten westen hiervan ligt een aantal gebieden zonder
afwatering naar zee, waardoor daar zoutmeren zijn ontstaan, o.a.
het Great Salt Lake. De Colorado River heeft diepe canyons
uitgeslepen, o.a. de Grand Canyon. Grote rivieren zijn verder de
Mississippi en in het noorden de Yukon en Mackenzie River.
2. Bevolking
De oorspronkelijke bewoners,
Eskimo's en Indianen
zijn reeds sedert eeuwen grotendeels verdrongen door de
immigranten uit Europa en Azië, de slaven (zie slavernij) uit
Afrika en hun afstammelingen. Het dunst bevolkt zijn Alaska en het
noorden van Canada; het dichtst het noordoostelijke deel van de
Verenigde Staten.
|