|
    
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
De invloed van de pleistocene ijstijden op de Noorse bodem is bijzonder
groot geweest. De erosie door het schurende ijs en water overtrof verre
de glaciale afzetting. Bergkammen werden rond afgeslepen, diepe dalen
ontstonden waar gletsjers hun weg naar het zuiden en westen aflegden.
Waar deze de kust bereikten, vormen de uitschuringen in de bodem nu de
fjorden. De bekendste van deze fjorden zijn (van noord naar zuid):
Porsangerfjord (123 km), Altenfjord, Vestfjord, Trondheimfjord (126 km),
Sognefjord (204 km; meer dan 1200 m diep), Hardangerfjord (179 km),
Oslofjord (100 km). Na de ijstijden is het land gestegen; zo komt het
dat oude strandlijnen nu 100-300 m boven zeeniveau kunnen liggen (zie
ook isostasie). In geheel Noorwegen overweegt het hoogland. Meer dan de
helft van het land ligt boven 500 m, ca. een kwart boven 1000 m. Het
Scandinavisch Hoogland wordt alleen bij Trondheim door lagere delen
onderbroken (400-500 m). In het brede dal van de Namsen (210 km lang)
ontstonden al vroeg landbouwgebieden (Trøndelag). De hoogste massieven
en toppen liggen in het zuiden, nl. in Jotunheim (met als hoogste bergen
Glittertind, 2472 m, en Galdhøppigen, 2469 m), in Dovre Fjell (met de
Snøhetta, 2286 m) en Jostedal. Op vele plaatsen zijn de hoogste bergen (fjellen)
met eeuwige sneeuw bedekt, bij Jostedalsbre zelfs over een oppervlakte
van 80 bij 90 km. Imposant is ook het uitgestrekte ijs- en sneeuwgebied
van Jotunheim. Het vasteland is aan de zeezijde grotendeels door
eilanden omringd, in totaal meer dan 100.000 (ca. 7% van het Noorse
territoir), die merendeels onbewoond zijn. De grootste groepen worden
gevormd door de Lofoten en de Vesterålen. Deze eilanden zijn gedurende
de laatste IJstijd niet vergletsjerd, zodat er nog een reeks spitse,
scherpkantige bergtoppen op voorkomt (tot bijna 1300 m).
In vele gevallen zijn de Noorse meren sterke plaatselijke verbredingen
van de rivieren. Het grootste meer, Mjøsa (369 km2), is een onderdeel
van de 611 km lange Glomma. Andere grote rivieren zijn Numedalslågen
(342 km) en Gudbrandsdalslågen (202 km). De meeste zijn vrijwel
onbevaarbaar en hebben alleen betekenis voor houttransport. Ze zijn
echter van belang voor de opwekking van hydro-elektrische energie.
1.2 Klimaat
Het klimaat vertoont sterke lokale verschillen, voor een deel een gevolg
van de grote uitgestrektheid in meridionale richting. Volgens het
klimaatsysteem van Köppen heerst langs de kust tot ca. 70° N.Br. een
warm gematigd regenklimaat zonder uitgesproken droge periode, in het
zuiden Cfb, in het noorden Cfc. Overigens heeft geheel Noorwegen een
boreaal vochtig klimaat, Dfb of Dfc, terwijl boven ca. 1500 m hoogte een
toendraklimaat heerst. Noorwegen is in sterke mate onderhevig aan de
invloed van oceaandepressies, die vooral langs de westkust aanleiding
geven tot een hoge frequentie van winden met een sterkte van 7 beaufort
of meer, veel bewolking en overvloedige neerslag. De hoogste
neerslaghoeveelheden worden aangetroffen in de omgeving van Bergen, meer
dan 2000 mm per jaar. Naar het oosten nemen de neerslaghoeveelheden snel
af, aan de lijzijde van het gebergte plaatselijk tot beneden 500 mm per
jaar.
1.3 Plantengroei
De verscheidenheid in plantengroei wordt in de eerste plaats beheerst
door een gradiënt van kust naar hooggebergte. In deze volgorde treft men
de volgende zones aan: a. een smalle, uit heide en cultuurland bestaande
gordel langs de kust, die thans arm aan bos is; b. een zone van
naaldwouden, waarin de fijnspar domineert, vergezeld van berken,
lijsterbessen en de vooral als pionier optredende grove den; c. een
berkenzone, die hier de bosgrens vormt; d. de boomvrije fjelden met
arctisch-alpine begroeiing. In het zuiden vindt men op de vruchtbare
gronden ook nog de noordelijkste uitlopers van de Midden-Europese
loofbossen met eik (ten noorden van Oslo tot 61° N.Br., aan de westkust
tot 63° N.Br.), vergezeld van kleinbladige linde, gewone es, ruwe iep,
Noorse esdoorn, hazelaar, meelbes. De fijnspar gaat noordwaarts tot iets
ten noorden van de poolcirkel (Saltdal in Nordland); ten noorden daarvan
overheerst in het zuidelijk deel nog de grove den, die zich verder
noordwaarts echter hoe langer hoe meer terugtrekt in beschutte dalen,
bij 70° N.Br. op 300 m zeehoogte reeds de boomgrens bereikt en ten
noorden van 70° N.Br. nog slechts sporadisch voorkomt. In het
noordelijke gebied (Noors Lapland: Finnmark) is een berkesoort (Betula
tortuosa) dan ook alleenheerser; de boomgrens, in Zuid-Noorwegen op ca.
1000 m zeehoogte gelegen, daalt geleidelijk en bereikt nabij de
Noordkaap het zeeniveau. Verreweg het grootste deel van de naaldwouden
behoort tot het dwergstruikrijke type met rode bosbes, blauwe bosbes,
struikheide, de kraaiheidesoort de Empetrum hermaphroditum, en vele
kruidachtige planten, o.m. eenbloemig wintergroen, ramischia, witte
klaverzuring, Zweedse kornoelje, Linnaeusklokje, steenbraam, zevenster,
denneorchis, koraalwortel, Pyrola chlorantha, Chimaphila umbellata,
Melampyrum sylvaticum, Lycopodium annotinum; ze zijn verder zeer rijk
aan mossen en levermossen. In vochtige voedselrijke dalen en kloven
groeit een ander, zeer welig naaldwoudtype met manshoge kruiden en
varens. Ook in de subarctische berkenbossen laten zich vergelijkbare
typen onderscheiden.
Boven de boomgrens volgt de laag-alpine zone, die behalve door
uitgestrekte heiden gekenmerkt wordt door vegetaties van
hoogopschietende kruiden, welke op lagere zeehoogte in de bossen
voorkomen. Binnen deze zone wordt de aard van de plantengroei vooral
bepaald door het kalkgehalte van de grond. Op relatief droge, een aantal
zomermaanden niet met sneeuw bedekte kalkgronden groeien bloemrijke
vegetaties met o.a. Dryas octopetala, Astragalus alpinus, Oxytropis
lapponica, Cassiope tetragona en Rhododendron lapponicum; op
soortgelijke kalkarme standplaatsen heidevegetaties met o.a. kraaiheide
en E. hermaphroditum, Arctostaphylos alpina, Loiseleuria procumbens,
Phyllodoce coerulea, Diapensia lapponica en bosbessoorten. Waar de
sneeuw lang blijft liggen, leven de 'sneeuwdalvegetaties'; kenmerkend
zijn o.m. de dwergwilgjes Salix polaris, S. herbacea, S. reticulata,
voorts Cassiope hypnoides, Ranunculus glacialis, Cerastium cerastoides,
Cardamine bellidifolia. In de middelste alpine zone raken bosbessen en
kraaiheide op de achtergrond en gaan 'graslanden' met Juncus trifidus,
Carex bigelowii en Calamagrostis lapponica overheersen naast heiden met
veel Cassiope, Phyllodoce, Diapensia en Loiseleuria. In de bovenste
alpine zone, die in Noord-Noorwegen tot ca. 1000 m zeehoogte afdaalt,
overwegen mossen en korstmossen. Plantengeografisch merkwaardig is het
optreden van twee centra van alpine soorten, één in Zuid- en één in
Noord-Noorwegen. Er is een kleinere tot het zuidelijk centrum beperkte
groep (bijv. Artemisia norvegica), alsmede een uitsluitend noordelijke (bijv.
Cassiope tetragona, Papaver dahlianum, Arnica alpina, Carex nardina,
Arenaria humifusa).
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld is Noord-Europees-subarctisch, dus enigszins verarmd,
van karakter; in het noorden komen o.a. typische soorten van de
arctische streken als sneeuwhaas, rendier, poolvos en lemming voor. Van
de grote zoogdieren zijn vooral de roofdieren door voortdurende jacht
zeldzaam geworden (bruine beer, wolf, lynx, veelvraat). De muskusos is
ingevoerd in het Dovrefjellgebied, waar een kleine kudde een
betrekkelijk marginaal bestaan leidt. De vogelwereld is vooral bekend
door grote broedkolonies van zeevogels op de steile rotskusten.
Koudbloedige dieren als reptielen zijn maar schaars vertegenwoordigd; de
adder komt uitsluitend in het zuiden voor en de kleine levendbarende
hagedis bereikt zijn noordgrens in Noorwegen. In de talrijke
zoetwatermeertjes in de bergen komt o.a. de parelmossel nog voor; veel
van deze meertjes beginnen echter ernstige verschijnselen van verzuring
te vertonen, wat een gevolg is van door de heersende winden uit West- en
Midden-Europa meegevoerde luchtverontreiniging. De Noorwegen omringende
zeeën herbergen een rijke visstand, die al eeuwen lang geëxploiteerd is.
De mariene fauna is bijzonder rijk door het hier en daar voorkomen van
zeer diep water vlak onder de kust van de fjorden. Fauna en flora worden
o.a. beschermd in een aantal reservaten en over het algemeen kan men
stellen dat in dit dun bevolkte land de natuur maar weinig aangetast is
en dat de vooruitzichten op het gebied van natuurbescherming gunstig
zijn.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking van Noorwegen behoort grotendeels tot het Noordse ras; er
zijn twee etnische minderheden, beiden in Noord-Noorwegen: 22!000 Samen
(Lappen) en 7000 Finnen. De bevolking raakt in toenemende mate
geconcentreerd in relatief grote steden als Oslo (477.780 inw.), Bergen
(219.880) en Trondheim (142.200). De meerderheid woont echter in
plaatsen van minder dan 10.000 inw. en op het platteland. De gemiddelde
bevolkingsdichtheid is 13 per km2, in het (noordelijke) Finmark echter
slechts 1,6. Het geboorteoverschot vertoont een sterk dalende lijn (van
6,6‰ in 1970 tot 1,6‰ in 1992). In 1994 was de levensverwachting bij
geboorte voor mannen 74 en voor vrouwen 80 jaar.
2.2 Taal
Het land heeft twee volledig gelijkgestelde (en nauw verwante)
schrijftalen: het bokmål (gebruikt door ca. 80%) en het nynorsk (20%),
zie Noorse taal. De meerderheid van de bevolking gebruikt het
plaatselijke dialect als spreektaal. Dialecten staan hoog in aanzien.
2.3 Religie
Ca. 89% van de bevolking is lid van de Evangelisch-Lutherse staatskerk.
De organisatie is episcopaals (10 bisdommen). De koning is hoofd van de
kerk. Veel Noren voelen zich echter beter thuis in de laagkerkelijke
Indremisjon (inwendige zending, overigens opererend binnen de
staatskerk) en in velerlei sekten (vooral Pinkstergemeente). Daarnaast
zijn er afgescheiden evangelisch-lutherse vrije kerken, methodisten,
baptisten en rooms-katholieken (ruim 35.280 leden); laatstgenoemde kerk
heeft een bisschop in Oslo en twee apostolische vicarissen.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Noorwegen is een constitutionele monarchie. De grondwet dateert van
1814. De wetgevende macht berust bij het Storting (parlement), bestaande
uit 165 leden, voor vier jaar bij algemeen kiesrecht volgens een
districtenstelsel gekozen. Noorwegen kent een mengvorm van één- en
tweekamersysteem: weliswaar is er slechts één kamer, maar die deelt
zichzelf in een Lagting (3 van de leden) en een Odelsting (H). Meestal
vergadert het Storting plenair, maar bij wetgevende arbeid worden de
wetsontwerpen eerst behandeld in het Odelsting en vervolgens in het
Lagting. De uitvoerende macht berust formeel bij de koning, maar de
staatsraad bepaalt de inhoud van de koninklijke besluiten, die door de
minister-president mede moeten worden ondertekend. De koning benoemt de
leden van de staatsraad (regering), die verantwoording schuldig is aan
het parlement. De instelling in 1962 van (thans vier) verschillende
ombudsmannen beschermt de burger tegen willekeur van alle
overheidsorganen.
3.2 Administratieve indeling
Het land is ingedeeld in negentien provincies (fylker), met aan het
hoofd een gouverneur (fylkesmann). De kleinste administratieve eenheden
zijn de 454 gemeenten. Svålbard (Spitsbergen) heeft een bijzondere
status en wordt bestuurd door een gouverneur (sysselmann), die
rechtstreeks onder de regering in Oslo ressorteert. Oslo is een
zelfstandige provincie.
3.3 Rechtswezen
In de rechtspraak spelen leken een belangrijke rol. Elke gemeente kent
een arbitragecommissie (forliksråd), bestaande uit drie gekozen burgers,
die probeert conflicten in de civiele sfeer buiten de rechtbank om op te
lossen. De laagste rechtbanken (herredsrett, byrett) kunnen bestaan uit
één rechter en twee lekenassessoren. Bij de vijf rechtbanken in tweede
aanleg (lagmannsrett) worden civiele zaken behandeld door drie rechters
en twee of vier lekenassessoren. Strafzaken worden behandeld volgens een
systeem van juryrechtspraak. Op het hoogste niveau is er een Hoge Raad (Høyesterett).
3.4 Aansluiting bij internationale organisaties
Noorwegen is lid van de Verenigde Naties en haar suborganisaties, de
Noordse Raad, de NAVO, de OESO en de GATT. Daarnaast heeft Noorwegen een
vrijhandelsovereenkomst met de EU en heeft het als enige land de status
van 'niet-volledig lid' van de IEA. Het is geassocieerd met de WEU.
3.5 Politieke partijen en vakbeweging
De belangrijkste politieke partijen zijn de Noorse Arbeiderspartij (Det
norske Arbeiderparti; opgericht in 1887, sociaal-democratisch), Høyre (
'Rechts'; opgericht in 1884, conservatief), Centrumpartij (Senterpartiet;
in 1920 opgericht als Boerenpartij, naamsverandering in 1959),
Christelijke Volkspartij (Kristelig Folkeparti; opgericht in 1933),
Venstre ( 'Links'; opgericht in 1884, liberaal), de Socialistische
Linkspartij (in 1975 ontstaan door een fusie van verschillende linkse
partijen) en de Fremskrittspartiet (Partij van Vooruitgang, opgericht in
1973, extreem-rechts). Het socialistische en het niet-socialistische
blok houden elkaar sinds de jaren zestig vrijwel in evenwicht.
De vakbonden spelen een belangrijke rol in Noorwegen; 60% van de
werkende bevolking is bij een vakbond aangesloten. Tegenwoordig zijn er
28 naar beroepsgroep onderverdeelde vakcentrales, die alle bij de
Nationale Organisatie (Landsorganisasjonen, LO), zijn aangesloten.
4. Economie
4.1 Algemeen
De economie is sterk op het buitenland georiënteerd. Op alle
gebieden is de rol van de overheid zeer belangrijk. Zo worden visserij
en energiewinning (zowel waterkracht als aardolie) sterk gereguleerd
door quoteringsregelingen en concessiewetgeving, terwijl landbouw en
veeteelt zonder een uitgebreid systeem van subsidies, prijsafspraken en
importrestricties niet zouden kunnen bestaan.
Doordat sommige landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA),
waarvan Noorwegen lid is, zoals Zweden en Oostenrijk, wensten tot de EG
toe te treden, liep het land aan het begin van de jaren negentig het
risico economisch geïsoleerd te raken. Met het creëren van een Europese
Economische Ruimte (EER) in okt. 1991, als resultaat van een akkoord
tussen de EG en de EVA, nam Noorwegen wel een groot aantal van de in de
EG geldende regels op het gebied van de interne markt over. De groei van
het bnp bedroeg in 1995 4,8%.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw, visserij
Hoewel het aandeel van de agrarische sector in het Bruto Nationaal
Product slechts 3, 5% is, is de invloed van deze sector op politiek
gebied vele malen groter. Het 'groene front' is in Noorwegen een factor
van betekenis; zeer velen voelen zich emotioneel sterk bij het
platteland betrokken. De omvangrijke subsidieregelingen hebben een
verdeling van de verbouw van de diverse producten over de delen van het
land bewerkstelligd. Zo wordt in Zuid-Noorwegen het verbouwen van graan
gestimuleerd, om in de gebieden die zich niet voor graanproductie lenen,
veehouderij mogelijk te maken, die (zij het zwaar gesubsidieerd) nog
enigszins rendabel is. Op deze wijze wordt o.a. gepoogd de ontvolking
van vooral Noord-Noorwegen tegen te gaan. Het bosbezit - ca. 60% van het
oppervlak is bedekt met naaldbossen - is voor ca. twee derde in handen
van boeren en wordt meest kleinschalig geëxploiteerd in combinatie met
het boerenbedrijf ('s zomers landbouw, 's winters bosbouw). De visserij
krijgt echter steeds meer een grootschalig karakter, met een moderne
trawlervloot en verwerking tot hoogwaardige producten. In 1977 is een
200-mijlszone ingesteld. De viskwekerij (o.a. zalm en forel) is een
groeiindustrie die in toenemende mate van belang is. In 1988 werd de
commerciële walvisvangst gestaakt. De enorme algengroei (waarvan de
oorzaak in de vervuiling van de zee ligt) bedreigt de visvangst in de
Noordzee. Noorwegen weigerde in besprekingen met de EG aan het eind van
de jaren tachtig de EG-landen (in het bijzonder Spanje en Portugal) meer
visquota toe te staan in ruil voor vrije toegang tot de EG-markt voor
Noorse visserijproducten.
4.3 Mijnbouw
Op het vasteland worden ijzererts, zwavelkies, lood, koper, nikkel,
graniet, glimmer (mica) en zink gewonnen. Spitsbergen heeft grote
kolenreserves die door Noorse en Russische maatschappijen worden
geëxploiteerd. Op de Noordzee wordt vanaf 1971 aardolie en aardgas
gewonnen. In 1993 bedroeg de aardoliewinning 114 miljoen ton en de
gaswinning 30 miljoen m3. Bij exploratie en winning is de
staatsmaatschappij Statoil een steeds belangrijker rol gaan spelen.
Andere Noorse maatschappijen die actief zijn op de Noordzee zijn Saga en
Norsk Hydro. De aardolie wordt met tankschepen afgevoerd, het gas per
pijpleiding naar Emden (Duitsland) en Teesside (Groot-Brittannië).
Aanlanding in Noorwegen wordt bemoeilijkt door een enkele honderden
meters diepe sleuf voor de kust van Zuidwest-Noorwegen. Gas waarvoor nog
geen afvoermogelijkheid bestaat, wordt zoveel mogelijk teruggepompt.
4.4 Energievoorziening
Noorwegen baseert zich voor zijn energievoorziening vrijwel volledig op
goedkope waterkracht. De Noorse aardolie- en gaswinning is in dit
opzicht nauwelijks van belang. Een verdere uitbouw stuit echter steeds
meer op bezwaren op het gebied van milieu- en natuurbescherming.
Noorwegen is aangesloten op het Scandinavische hoogspanningsnet, zodat
afwisselend waterkrachtstroom naar Zweden geëxporteerd en
kernenergiestroom geïmporteerd kunnen worden. Voor huisbrand wordt nog
steeds op grote schaal gebruik gemaakt van hout.
4.5 Industrie
Het aandeel van de industrie aan het bnp bedroeg in 1993 35% en 23% van
de beroepsbevolking vindt er emplooi. Kleine bedrijven overheersen. De
aluminiumindustrie is de belangrijkste tak. Andere belangrijke producten
zijn stikstof, kalksalpeter en zwaarwater. Verder zijn van belang de
houtveredelings- en papierindustrie, scheepsbouw, cementindustrie,
aardolieraffinage en petrochemische industrie. De belangrijkste
raffinaderijen bevinden zich te Bamble, Rafsnes en Mongstad. Van groot
belang is de bouwsector.
4.6 Handel
Noorwegen heeft sinds 1989 een overschot op de handelsbalans, vnl. door
de aardolie-export. Belangrijke exportproducten zijn verder machines,
metalen (aluminium), papier en cellulose, vis en chemische producten.
Geïmporteerd worden vooral machines, grondstoffen en halffabrikaten,
aardolie en aardolieproducten, voedingsmiddelen, auto's en schepen.
Belangrijkste handelspartners zijn de EU, de Scandinavische buurlanden,
en de Verenigde Staten.
4.7 Bankwezen
Nationale bank is de Bank van Noorwegen.
4.8 Verkeer
Van oudsher zijn er weinig wegen geweest en heeft de kustscheepvaart de
centrale rol bij het transport gespeeld. Sinds de komst van de
spoorwegen zijn er in het binnenland typische 'stationssteden' ontstaan.
Het spoorwegnet is niet uitgebreid en reikt in het noorden tot Bodø.
Vanuit Narvik bestaat een aansluiting op het Zweedse spoorwegnet
(ertslijn naar Kiruna). In het personenvervoer over zee neemt de
Hurtigrute ( 'expresdienst', van Bergen naar Kirkenes) een centrale
plaats in. Het vervoer door de lucht wordt verzorgd door SAS (ook
internationaal), Braathens SAFE en Widerøe. Vanuit Noorwegen zijn er
veerverbindingen naar Denemarken, Duitsland, Nederland en Engeland.
Noorwegen bezit de vijfde koopvaardijvloot in grootte ter wereld met
meer dan 1600 schepen van 100 brutoton en groter. De rederijen hebben
grote belangen in de aardolie-industrie. Noorwegen is een van de eerste
landen die zich in supertankers hebben gespecialiseerd.
5. Toeristische gegevens
Noorwegen is een van de uitgestrektste gebieden van natuurschoon in
Europa. Het bekendst is de door fjorden ingesneden westkust (Hardangerfjord,
Sognefjord) met vele eilanden (vogeleiland Runde bij Ålesund). In de
fjorden monden de rivieren veelal met watervallen uit (zoals die bij
Åndalsnes, die tot de hoogste van Europa behoren). Interessante steden
in het fjordengebied zijn Trondheim (o.m. de in oorsprong 11de-eeuwse
dom) met in de omgeving het zeer goed bewaard gebleven 18de-eeuwse
mijnbouwstadje Røros (twee musea), Bergen, Stavanger en Flekkefjord met
het schilderachtige Hollenderbyen (Hollandersstad). Aan de zuidoostkust:
Kristiansand, Risør (kerk met barokinterieur, 18de eeuw), Oslo, met in
de omgeving het oude mijnbouwstadje Kongsberg (drie watervallen, twee
musea); voorts Fredrikstad bij de Zweedse grens.
In het binnenland van Zuid-Noorwegen, met zijn vele meren, ligt het
berggebied Jotunheim (tot ruim 2400 m hoog), in het noordoosten begrensd
door het idyllische Gudbrandsdal met vele boerderijen uit de 16de en
17de eeuw met rosemaling (volksschilderkunst); centrum van dit dal is
Otta, tevens uitgangspunt voor Jotunheim. Het kenmerkendste
hooggebergtetype van Noorwegen is echter de fjell (hoogvlakte), bijv. de
Dovrefjell waar men 's zomers kan skieën (centrum Dombås). Noorwegen
telt vele gletsjers, o.a. de Jostedalsgletsjer, de grootste van Europa;
uitgangspunt is Flåm, ook bekend als eindpunt van de 'Flåm-trein' die
vanaf Myrdal zigzaggend de berghelling afrijdt. Voss is centrum van een
gebied met ongerepte eeuwenoude dorpen. In Zuid-Noorwegen vindt men de
meeste stavkirken, o.a. in Borgund (een van de mooiste, 12de eeuw), in
Heddal bij Kongsberg (de grootste, uit 1148) en in Lom nabij Otta (1200,
in 1660 verbouwd tot kruiskerk).
Zeer boeiend is Finnmark, Noorwegens noordelijkste provincie, het land
van Lappen, rendieren en middernachtzon, o.m. te zien vanaf de Noordkaap.
Vanuit Tromsø kan men per boot Svalbard (Spitsbergen) bezoeken. O.a. in
de omgeving van Alta (volkenkundig museum) vindt men rotstekeningen en
opgravingen van nederzettingen uit de steentijd. Karasjok (museum) is
een typisch Lappendorp. Meer naar het zuiden ligt Rana (Lappenmuseum)
met in de omgeving gletsjergebieden en de kristalgrot Grønli met
onderaardse waterval.
Van de Noorse openluchtmusea is dat van Lillehammer het bekendst.
6. Geschiedenis
6.1 Middeleeuwen
De historische tijd begint in Noorwegen met de Vikingtochten (ca.
800-1030), die grote delen van West-Europa binnen de Noorse
invloedssfeer brachten. Hun tochten leidden tot de kolonisatie van
IJsland en Groenland en de ontdekking van Vinland (Amerika) door Erik de
Rode in 1002. In de 9de eeuw had het Oostnoorse Ynglingengeslacht samen
met een noordelijk gravengeslacht zijn macht naar het westen en noorden
uitgebreid. Een overwinning in de Havsfjord (ca. 890) verschafte de
Yngling Harald Harfagri ( 'Schoonhaar') de macht over West-Noorwegen.
Over land stootte hij door naar Trøndelag, tot dan toe ressorterend
onder de jarl van Hålogaland. Jarl Haakon sloot een pakt met Harald
Harfagri en vestigde zich op de hoeve Lade (nu een wijk van Trondheim).
Er was nu een soort rijkseenheid ontstaan. Na Haralds dood gingen zijn
zoons elk een deel van Noorwegen besturen; de oudste, Erik, bekleedde
het oppergezag. Hij heeft in de oude koningssaga's een slechte naam;
zijn bijnaam Blodyx ( 'Bloedbijl') heeft hij te danken aan de op zijn
broers gepleegde moordaanslagen. De jarl van Lade haalde uit Engeland
Haralds jongste zoon Haakon terug, die daar werd opgevoed aan het hof
van koning Aethelstan. Vanuit Trøndelag wist hij al spoedig zijn gezag
uit te breiden over grote delen van Noorwegen. Zijn poging om het
christendom in te voeren mislukte. Wel realiseerde hij belangrijke
verbeteringen in de defensie en het rechtsstelsel. Hij was geliefd bij
het volk, om welke reden hij de bijnaam 'de Goede' verwierf. De oudste
zoon van Erik, Harald Graafäll ( 'Grauwpels') en diens broers legden
zich niet neer bij het koningschap van Haakon de Goede. Toen hun oom, de
Deense koning Harald Blaatand ( 'Blauwtand'), zich in de strijd mengde
om een oude claim op het gebied rond de Oslofjord kracht bij te zetten,
werd de overmacht te groot. Wel won Haakon in 961 nog de Slag bij Fitjar,
maar hij overleed korte tijd later aan een in die slag opgelopen
verwonding. Harald Graafäll en zijn broers zetten de politiek van hun
vader voort. Ook de jarlen van Lade moesten het ontgelden: Sigurd
Haakonsson doodden zij. Aangezien Harald al spoedig het gebied rond de
Oslofjord weer onder Noorwegen bracht, had Harald Blaatand er weinig
moeite mee Sigurds zoon Haakon toestemming te geven voor het leggen van
een hinderlaag in Deense vaarwateren, waar Harald Graafäll zijn einde
vond. Harald Blaatand riep zichzelf uit tot koning van Denemarken en
Noorwegen en jarl Haakon werd zijn vazal in Noorwegen. Nadat ook deze
zich van de banden met Denemarken had ontdaan, brak er echter in
Trøndelag een opstand uit tegen de tirannieke jarl, waarbij hij werd
gedood. Zijn dood bood nieuwe kansen voor de Ynglingen. Olaf I
Tryggvasson begaf zich op het bericht van de moord vanuit Engeland naar
Noorwegen. Hij werd in heel Noorwegen als koning erkend. Noch hem, noch
zijn bloedverwant Olaf Haraldsson is het echter gelukt een duurzame
rijkseenheid te vestigen. Hun pogingen de Noren te bekeren tot het
christelijk geloof dat zij in Engeland hadden leren kennen, hebben de
tegenstand eerder verscherpt dan verzacht. Olaf I streed in het jaar
1000 tegen de verenigde vloten van Denemarken, Zweden en de jarl Erik
Haakonsson, waarschijnlijk in de Sont, en sneuvelde. Na een interregnum
van opnieuw de Deense koning en de jarlen van Lade kwam in 1015 Olav
Haraldsson naar Noorwegen. Hij werd door de Trondheimers erkend als
koning Olaf II en streed in 1030 bij Stiklastad tegen de legerscharen
van nagenoeg alle Noorse landsdelen. Ook hij sneuvelde en werd niet lang
nadien heilig verklaard.
Met de dood van koning Knut van Denemarken (1035) viel Denemarken
voorlopig weg als machtsfactor in Noorwegen. Olafs zoon Magnus werd
koning in heel Noorwegen, dat zowel in als buiten Scandinavië nu erkend
werd als een onafhankelijk, soeverein koninkrijk. Onder de regering van
Harald Hardhrádi ( 'de resolute bestuurder'), volgens de overlevering
ook een Yngling, kwam een kerkelijke indeling tot stand en werden wetten
opgetekend; Oslo en Bergen verrezen in de nabijheid onder de bescherming
van koninklijke burchten. Een reeks familietwisten zorgde voor een
nieuwe periode van onrust. Omstreeks het midden van de 13de eeuw scheen
het alsof de Ynglingendynastie was uitgestorven; een afstammeling van
een van de voornaamste geslachten van West-Noorwegen, de vijfjarige
Magnus Erlingsson, werd door de aartsbisschop van Nidaros (Trondheim)
tot koning gekroond (1163). Voortaan, zo bepaalde men, zou slechts de
oudste wettige zoon tot de opvolging zijn gerechtigd. Maar plotseling
dook een nieuwe pretendent op: Sverre, die beweerde een zoon te zijn van
een van de laatste Ynglingen die tijdens de familietwisten was
omgekomen. Onder diens voortreffelijke leiding behaalden de birkebeiner
grote overwinningen op hun tegenstanders, de bagler. In 1184 gelukte het
Sverre zich meester te maken van de macht, maar de clerus, aangevoerd
door de bisschop van Oslo, Nikolas Arnesson, zette de strijd voort en
bewerkte dat de koning werd geëxcommuniceerd. Eerst onder de regering
van Sverres kleinzoon Haakon IV Haakonsson kwam de verzoening tot stand.
Het bestuur van de laatste Ynglingen, Haakon IV, Magnus Lagabøte ( 'Wetshervormer')
en diens zoons Erik en Haakon (gest. 1319), verliep relatief rustig. Het
rijk was machtiger dan ooit; de koloniën, in de loop van de 9de en 10de
eeuw gesticht op de Orkaden, Shetland, de Faeröer, IJsland en Groenland,
hadden de opperheerschappij van het moederland erkend. Toch was een
culturele en economische achteruitgang reeds toen, en in de 14de en 15de
eeuw ook in politiek opzicht, onmiskenbaar. Vermindering van het aantal
handels- en oorlogsschepen bemoeilijkte de verbindingen tussen de
rijksdelen onderling, de betekenis van de hanze voor de in- en uitvoer
nam toe. Belangrijke oorzaak van een en ander was de pestepidemie in de
14de eeuw die de bevolking halveerde en onder de maatschappelijke
bovenlagen nog ernstiger huis hield: het aantal adellijke families (de
bestuurlijke ruggengraat) werd gereduceerd van 300 tot 60 en de clerus
(belangrijk voor onderwijs en cultuur) werd gedecimeerd.
Na het uitsterven van de dynastie was Noorwegen in een personele unie
verenigd met Zweden (1319-1380) en vervolgens met steeds hechtere banden
met Denemarken (tot 1814). Toen in 1533 de naar de Nederlanden
uitgeweken Deense koning Christiaan II trachtte zijn heerschappij over
de Noordse rijken te heroveren, waagde tevens de aartsbisschop Olaf
Engelbrechtsson een poging de Noorse autonomie te herstellen. De strijd
tegen de Reformatie werd hiermee dienstbaar gemaakt aan het Noorse
verlangen naar autonomie. Maar na Olafs vlucht legde de zegevierende
Christiaan II het land de Deense kerkordening op, benoemde hij in
Noorwegen Deense geestelijken en beval het gebruik van de Deense
bijbelvertaling. Denen verdrongen Noren in de Rijksraad en Deense
ambtenaren regeerden het land.
6.2 Provincie van Denemarken
In het kroningscharter van 1536, ondertekend door de nieuwe koning
Christiaan III, hield Noorwegen op een zelfstandig koninkrijk te zijn.
In de komende eeuwen bleef het echter gebruikelijk te spreken van de
'tweelingrijken' of de 'dubbelmonarchie'. Vanaf de 16de eeuw was er een
vooruitgang merkbaar in economisch en cultureel opzicht. De eigen
scheepvaart groeide. In de economische betrekkingen ging de Republiek
der Verenigde Nederlanden een belangrijke plaats innemen: daar leerden
de Noren de moderne scheepsbouwtechnieken kennen en de Republiek was een
belangrijke afnemer van vis en hout. Ook de mijnbouw (koper, ijzer,
zilver) kwam op, met in haar voetspoor een verwerkende industrie (vooral
gieterijen). In 1660 werd het koningschap erfelijk en absoluut. De adel
werd in het bestuur vervangen door embetsmenn.
Meegesleept in de wervelwind van de Napoleontische oorlogen koos
Kopenhagen in 1807 de Franse kant. Dit leidde tot een Britse blokkade
van Denemarken en Noorwegen, met funeste gevolgen voor handel en export.
Ook de verbindingen met Denemarken waren moeilijk. Maar dat isolement
versterkte het nationale bewustzijn. En in 1811 stemde de koning in met
de oprichting van een nationale universiteit in Christiania. Om het
groeiend verlangen naar zelfstandigheid in Noorwegen een halt toe te
roepen, zond koning Frederik VI zijn neef en kroonprins Christiaan
Frederik in 1813 als stadhouder naar Noorwegen; zijn opdracht was te
doen wat voor de instandhouding van het tweelingrijk nog mogelijk was.
Maar al in 1814 moest Frederik VI bij de Vrede van Kiel Noorwegen aan
Zweden afstaan. De oorspronkelijke Noorse koloniën IJsland, de Faeröer
en Groenland bleven bij Denemarken (de Orkaden en Shetland waren al in
de 15de eeuw door Christiaan I aan zijn dochter als bruidschat
geschonken bij haar huwelijk met de Schotse koning).
6.3 Personele Unie met Zweden
De Noren waren niet van zins te berusten in wat te Kiel over hen was
beschikt. Prins Christiaan Frederik weigerde gevolg te geven aan het uit
Kopenhagen ontvangen bevel zijn functies over te dragen aan de inmiddels
door de Zweedse koning benoemde gouverneur-generaal. Reeds in febr. 1814
belegde hij in Eidsvoll een bijeenkomst met Noorse notabelen; de
vergadering verzocht de prins het ambt van regent waar te nemen tot een
constituerende vergadering had kunnen beraadslagen over de toekomstige
regeringsvorm. De grondwetgevende vergadering kwam in april bijeen en
reeds op 17 mei werd het door een commissie opgestelde ontwerp van een
grondwet aangenomen en door de inmiddels tot koning uitgeroepen
Christiaan Frederik bekrachtigd. De grondwet maakte een einde aan de
absolute macht van de koning. De ministers waren voortaan
verantwoordelijk. De ministers waren juridisch (niet politiek)
verantwoording verschuldigd aan een gekozen volksvertegenwoordiging, het
Storting. Inmiddels bedreigde de nieuwe onafhankelijke staat een groot
gevaar: de Zweedse kroonprins Karel Johan (de vroegere Franse maarschalk
Bernadotte) wilde, met het Congres in Wenen in het vooruitzicht, de
bepalingen van het vredesverdrag van Kiel effectueren en opende de
vijandelijkheden tegen Noorwegen. Een buitengewone vergadering van het
Storting toonde zich nu bereid de koning van Zweden als soeverein te
aanvaarden, mits hij de grondwet waarborgde. Daarop kwam een
wapenstilstand tot stand. De Zweedse koning Karel XIII benoemde een
commissie die met gedelegeerden uit het Storting overlegde over in de
Noorse grondwet in verband met een Unie aan te brengen wijzigingen; er
werd o.a. overeengekomen dat de koning in Noorwegen door een stadhouder
zou worden vertegenwoordigd en dat drie Noorse ministers permanent in
Stockholm zouden resideren en daar de Noorse belangen zouden behartigen.
Toen de wijzigingen door het Storting waren goedgekeurd, werd Karel XIII
op 4 nov. 1814 tot koning van Noorwegen gekozen. In het jaar daarop werd
een Rijksakte opgesteld en goedgekeurd door de Zweedse Rijksdag en het
Noorse Storting. Bepaald werd dat de twee rijken één koning zouden
hebben en in geval van oorlog als een eenheid zouden optreden. Verder
zouden ze onafhankelijk zijn en op voet van gelijkheid staan. In de
praktijk was Zweden echter de machtigste partij, al was het alleen maar
omdat Zweden de buitenlandse betrekkingen behartigde. In het midden van
de eeuw kwam er een kentering in de economisch moeilijke situatie, toen
mechanisering en industrialisering ook Noorwegen bereikten. Op
staatkundig gebied ontstonden er herhaaldelijk wrijvingen tussen koning
en Storting; de post van stadhouder, een functie die de Noren een
belediging achtten voor hun nationale waardigheid, werd ten slotte in
1873 door koning Oscar II opgeheven, nadat het Storting daar
herhaaldelijk op had aangedrongen. Opheffing van de bepalingen die de
ministers beletten lid te zijn van het Storting, wenste de koning alleen
te bekrachtigen op voorwaarde dat hem absoluut veto- en ontbindingsrecht
werd toegestaan. Eerst in 1884 sanctioneerde Oscar II een wijziging van
de grondwet in die zin en hij kon nu Johan Sverdrup, de leider van de
liberalen die bij achtereenvolgende parlementsverkiezingen telkens een
grote meerderheid hadden behaald, belasten met de vorming van een
parlementair kabinet. Zijn partij, die van het begin af aan een
merkwaardige combinatie was geweest van piëtistische boeren en
radicaal-liberale stedelingen, viel echter korte tijd later uiteen.
Belangrijkste geschilpunt was of het Storting aan de als vrijdenker
bekend staande schrijver Alexander Kielland een eregeld zou toekennen
(zoals ook Ibsen, Bjørnson en Lie hadden gekregen). De boeren vonden dat
dit niet moest gebeuren. Doordat Sverdrup, om toch een meerderheid te
halen, steun zocht bij de conservatieven, nam zijn prestige nog verder
af. Nu het parlementaire stelsel een feit was geworden, verschenen ook
de politieke partijen op het toneel. Sverdrups partij Venstre ( 'Links')
was al in 1883 opgericht, de conservatieven stichtten in 1884 Høyre (
'Rechts'). De Arbeiderspartij volgde in 1887. De interne tegenstellingen
geraakten enigszins op de achtergrond door de steeds slechter wordende
betrekkingen met Zweden. In 1844 had Oscar I de Noren o.m. toegestaan
een eigen vlag te voeren. Het was echter moeilijk verteerbaar voor hen
dat zij, omdat Zweden Buitenlandse Zaken beheerde, geen zeggenschap
hadden over hun eigen consulaatwezen, een zaak van groot belang voor de
Noorse scheepvaart en visserij. Een onder leiding van Christiaan
Michelsen in 1905 gevormde coalitieregering bood Oscar II een door het
Storting met algemene stemmen goedgekeurd wetsontwerp, dat het
consulaatwezen op een voor Noorwegen acceptabele manier regelde, ter
sanctie aan; dit ontwerp verwijderde tevens het gehate Uniemerk uit de
vlag. De koning weigerde het te bekrachtigen, waarop de
regering-Michelsen ontslag vroeg. De koning vond niet één Noorse
staatsman bereid een nieuwe regering te vormen. Op 7 juni 1905 besliste
het Storting met algemene stemmen dat het uitvoerend gezag niet in staat
was zijn functie uit te oefenen en het verzocht de ministers tijdelijk
de constitutionele plichten van de koning te vervullen. Deze beslissing
werd korte tijd later door een referendum met grote meerderheid
goedgekeurd. De twistende partijen knoopten te Karlstad onderhandelingen
aan. Zweden stemde toe in de opheffing van de Unie, mits de
grensvestingen werden gesloopt. En nadat bij volksstemming de republiek
als staatsvorm was verworpen, koos het Storting - de Zweedse koning had
geweigerd een prins uit het huis Bernadotte toe te staan de Noorse kroon
te aanvaarden - de Deense prins Karel, een zoon van koning Christiaan IX,
tot koning. Hij nam de naam Haakon VII aan en koos als lijfspreuk Alt
for Norge (Alles voor Noorwegen). De vele fricties met Zweden waren zo
overheersend dat zij gemakkelijk de aandacht afleidden van andere zaken.
Op cultureel gebied werden de banden met Denemarken, in 1814 geenszins
verbroken, geleidelijk losser zonder dat daar banden met Zweden voor in
de plaats kwamen. De schrijftaal, in de eerste jaren van de scheiding
nog Deens, ontwikkelde zich deels spontaan, deels gestuurd, steeds meer
in Noorse richting. Daarnaast kreeg Noorwegen in het midden van de eeuw
een tweede - eigen - schrijftaal, het 'landsmål' (later 'nynorsk'
genoemd), door de autodidactische taalgeleerde Ivar Aasen
gereconstrueerd op basis van vooral Westnoorse dialekten. De twee talen
werden volledig gelijkgesteld in 1885. Een opmerkelijk verschijnsel in
het nog weinig geïndustrialiseerde Noorwegen was de eerste
arbeidersorganisatie, gesticht door Marcus Thrane (1849). In korte tijd
groeide het aantal leden tot 20!000, maar de beweging was geen lang
leven beschoren. Het parlement, dat vanaf 1814 slechts eenmaal per
wetgevende periode (van drie jaar) kon vergaderen, kon vanaf 1869 zijn
rol als volksvertegenwoordiging beter gaan spelen doordat het jaarlijks
bijeen mocht komen. Hoewel scheepvaart, visserij, industrie en mijnbouw
vooral in de tweede helft van de 19de eeuw de welvaart deden toenemen,
werd het toch nog overwegend agrarische land te klein om al zijn
onderdanen goede bestaansmogelijkheden te bieden. Er kwam een
omvangrijke emigratie op gang, vooral naar de Verenigde Staten (het
Midden-Westen): van 1866 tot 1915 emigreerden ruim 700!000 Noren. De
infrastructuur van het land onderging enorme veranderingen door de
aanleg van wegen en spoorlijnen en het instellen van bootverbindingen.
6.4 Noorwegen als onafhankelijke staat
In de eerste jaren van de onafhankelijkheid bleef uiteraard de
verhouding tot Zweden koel. Het verdrag van 2 nov. 1907 met Engeland,
Frankrijk, Rusland en het Duitse Rijk, waarbij Noorwegen beloofde niets
van zijn grondgebied te zullen afstaan, terwijl de grote mogendheden
zich verplichtten diezelfde territoriale integriteit en zelfstandigheid
te zullen beschermen, werd in Zweden als een uiting van wantrouwen
beschouwd en wekte daar grote wrevel. Na de verkiezingen van 1906 werd
de Arbeiderspartij met een fractie van tien leden een factor van
betekenis. Centraal punt in de binnenlandse politiek was de exploitatie
van de watervallen. Deze zaak werd in 1909 door een liberale regering
(met steun van de socialisten) bij wet gebonden aan concessies die na
hun looptijd van 60-80 jaar weer aan de staat vervielen. Ook de verkoop
van bossen werd geregeld. In 1907 werd het vrouwen(census)kiesrecht
ingevoerd. De verkoop van alcoholische dranken werd met steun van vooral
socialisten en piëtisten in 1919 volledig verboden. De Eerste
Wereldoorlog bracht een toenadering tussen de Scandinavische landen. Als
neutrale staten hadden zij in veel opzichten dezelfde politieke en
economische belangen. Na de driekoningensamenkomst te Malmö, waar
besloten werd tot samenwerking voor het geval een van de drie landen
aangevallen werd, volgden nog verscheidene conferenties tussen de
staatshoofden, de regeringsleiders en de ministers van Buitenlandse
Zaken. Economisch was de oorlog voor de reders, de industriëlen en de
boeren een zeer voordelige tijd. De consumenten droegen de lasten
doordat de eerste levensbehoeften sterk in prijs stegen. De buitengewone
volmachten van de regering wekten alom grote ontevredenheid. Min of meer
samenhangend met de vredesbesprekingen in Versailles verwierf Noorwegen
in 1925 de soevereiniteit over Svalbard (Spitsbergen). In 1919 werd het
districtenstelsel afgezwakt en het algemeen kiesrecht ingevoerd. Daarmee
kwam een einde aan de ondervertegenwoordiging van de Arbeiderspartij.
Een omvangrijke staking in 1921 tegen plannen tot loonsverlaging, geleid
door de revolutionaire krachten in de arbeidersbeweging die toen de
boventoon voerden, leidde tot een nederlaag voor de vakbeweging. De
conservatieve krachten in de maatschappij werden versterkt. In deze tijd
viel de Arbeiderspartij uiteen. In 1919 werd de partij lid van de
Komintern. De groep die de halfsyndikalistische volksbeweging niet wilde
ombouwen tot een elitepartij naar leninistisch model, kreeg echter
geleidelijk aan weer de overhand, met als gevolg een breuk met de
Komintern in 1923. De Moskou-gezinden stichtten de Noorse Communistische
Partij. In 1927 werd de nu gematigde Arbeiderspartij de grootste partij.
Na een socialistisch regeringsintermezzo in 1928 (kabinet-Hornsrud) kwam
er in 1935 met het kabinet-Nygaardsvold een einde aan de jarenlange
afwisseling van liberale en conservatieve kabinetten. De
sociaal-democraten behielden de macht tot 1963. Voornaamste taak van de
regering-Nygaardsvold was de economie uit het slop te halen en de
werkgelegenheid te herstellen. De eerste aanzetten voor een
sociaal-democratische welvaartsstaat werden gegeven, maar de Tweede
Wereldoorlog doorkruiste alle plannen. De in de jaren dertig opkomende
fascistische beweging Nasjonal Samling onder leiding van Vidkun Quisling
wist niet veel aanhang te verwerven.
6.5 Duitse bezetting
Na het uitbreken van de oorlog wist Noorwegen tot april 1940 neutraal te
blijven. Op 8 april kondigden de geallieerden aan, door het leggen van
mijnen binnen de drie-mijlszone, een einde te zullen maken aan de vaart
van Duitse schepen onder de Noorse kust. De dag daarop volgde de,
kennelijk reeds lang voorbereide, Duitse invasie. Duitse troepen gingen
aan land in Oslo, Bergen, Trondheim en Narvik. Koning en regering weken
uit naar Londen, vanwaar de strijd werd voortgezet. Ondanks slechte
organisatie wisten Noorse troepen ca. zes weken tegenstand te bieden, in
Narvik geholpen door Engelsen en Fransen. Direct bij de inval koos
Nasjonal Samling de kant van de Duitsers. Na enige dagen werd er een
burgerlijk bezettingsbestuur gevormd met Terboven als rijkscommissaris.
Op 1 febr. 1942 werd een nieuwe regering gevormd, met Quisling als
minister-president. In het land ontwikkelde zich een actieve
verzetsbeweging. In okt. 1944 drongen Sovjet-troepen op Noors gebied
door en bezetten Kirkenes. Een groot deel van Finnmark viel weldra in
hun handen. De Duitsers trokken zich uit het noorden terug onder het
aanrichten van zware vernielingen. Met de Duitse capitulatie herkreeg
Noorwegen zijn vrijheid (7 mei 1945).
6.6 EG-debat
Direct na de oorlog vormde de sociaal-democraat Einar Gerhardsen
een nationale regering, die in functie bleef tot de verkiezingen in het
najaar. Deze verkiezingen leverden een absolute meerderheid op voor
Gerhardsens Arbeiderspartij. De sociaal-democraten behielden de
meerderheid tot 1961, maar konden ook toen aan de macht blijven dankzij
gedoogsteun van de (nieuw opgerichte) Socialistische Volkspartij. In
1965 kwam een burgerlijke coalitieregering onder leiding van Per Borten
(Centrumpartij) op het kussen. In 1971 bezweek deze coalitie aan interne
verdeeldheid over de toetreding tot de EG. De Arbeiderspartij vormde een
minderheidsregering en maakte het voortbestaan ervan afhankelijk van de
uitslag van het EG-referendum. Noorwegen sprak zich uit tegen de EG, de
pro-EG-regering-Bratteli werd afgelost door een minderheidsregering van
EG-tegenstanders (regering-Korvald, 1972-1973). In 1973 kon Trygve
Bratteli opnieuw een sociaal-democratische minderheidsregering vormen.
Hij werd in 1976 opgevolgd door zijn partijgenoot Odvar Nordli.
De verkiezingen van 1977 leverden een meerderheid van 1 zetel op voor de
coalitie van de Arbeiderspartij en de Socialistische Linkspartij. In
1981 werd Nordli opgevolgd door mevr. Gro Harlem Brundtland, de eerste
vrouwelijke minister-president van Noorwegen. De verkiezingen van dat
jaar resulteerden in een conservatieve minderheidsregering (de eerste
conservatieve regering sinds 1928) onder Kåre Willoch. Deze ging in 1983
een coalitie aan met de centrum-rechtse partijen. Na de verkiezingen in
1985 verloor de conservatieve coalitie weliswaar haar meerderheid, maar
mocht dankzij de steun van de rechtse Vooruitgangspartij (2 zetels)
doorregeren. In 1986 werd Willoch, als gevolg van arbeidsonrust (de
ergste sinds 55 jaar) en de veel tegenwerking ondervindende
staatsbezuinigingen (noodzakelijk geworden door de daling van de
aardolieprijs), genoopt zijn ontslag te nemen. G.H. Brundtland vormde
een minderheids-Arbeiderspartijregering, die de bezuinigingsmaatregelen
wel wist door te zetten. In 1989 verloor de Arbeiderspartij de
verkiezingen en gedurende een jaar werd het land door een centrum-rechts
minderheidskabinet van de conservatief J.P. Syse geregeerd. Zijn
regering viel in okt. 1990 op het vraagstuk van Noorwegens eventuele
toetreding tot de Europese Gemeenschap (EG), een probleem waarover al
sinds 1970 grote verdeeldheid in Noorwegen heerst. Brundtland, die haar
derde minderheidsregering vormde, stond een nauwere band met de EG voor.
In okt. 1992 werd het met de overige landen van Europese
vrijhandelsassociatie (EVA) en de twaalf EG-lidstaten bereikte akkoord
over de Europese Economische Ruimte (EER) aanvaard. In 1993 werden de
onderhandelingen met de EG over toetreding heropend. Op 17 jan. 1991
overleed koning Olaf V. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Harald V, die
op 23 juni van dat jaar officieel werd ingehuldigd.
Grote verliezers bij de parlementsverkiezingen van sept. 1993 waren de
conservatieven en de kleine rechtse Vooruitgangspartij. De
verkiezingswinst was voor premier Brundtland voldoende om haar
minderheidsregering - Noorwegen wordt sinds 1981 vrijwel ononderbroken
geregeerd door socialistische minderheidskabinetten - te kunnen
voortzetten. Herhaaldelijk hadden de Noren het lidmaatschap van de EU
afgewezen en ook het eind nov. 1994 gehouden referendum was hierop geen
uitzondering: ruim 52% stemde tegen.
Economisch ontwikkelde Noorwegen zich in de eerste helft van de jaren
negentig bijzonder gunstig. De aanhoudende groei was vooral te danken
aan de inkomsten uit olie en aardgas, hetgeen de eenzijdigheid en
kwetsbaarheid van de economie onderstreepte.
Geheel onverwacht trad eind 1996 premier Brundtland af. Zij was in de
voorbije 15 jaar 10 jaar regeringsleider geweest.
Telefoongids Noorwegen
Postcodes
Noorwegen
|