| |
De
notenkraker of nucifraga caryocatactes
Stand-
en zwerfvogel. Beduidend kleiner dan een kraai; het
chocoladekleurig verenkleed is dik bezaaid met witte,
druppelvormige vlekken; vleugen en staart zijn zwart. Opvallende
lange, spitse snavel. Komt meestal afzonderlijk of in kleine
troepen voor; zit graag in de kroon van de boom. Door de
ongelijkmatige vleugelslag lijkt de vlucht onrustig.
Verspreiding en woongebied : broedvogel in het Noordoosten van
Europa. Broedt in naald- en gemengde wouden. In de herfst
regelmatig te zien in tuinen en dalen van bergen; houdt zich in
de winter vaak op in het laagland bij het gebergte.
Voortplanting : het nest bevindt zich hoog in een naaldboom,
meestal dichtbij de stam. De legtijd begint eind maart; meestal
één legsel per jaar; drie tot vijf witte tot groenblauwe eieren
met tere grijze en olijfbruine tekening. Het vrouwtje broedt
17-19 dagen; de jongen worden 23-25 dagen in het nest gevoerd,
maar blijven daarna nog een aantal weken bij de ouders. Voedsel
: in de zomer insecten, insectenlarven, kleine dieren, verder
hazelnoten en walnoten, beukennootjes, zaden van coniferen, ook
vruchten en bessen. |
|
|
|
|
|
|