|

|
De familie van de
Nymphalidae, of vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders,
is één van de grootste dagvlinderfamilies. Hij omvat vele duizenden
soorten vlinders, die voorkomen in alle delen van de wereld. In
grootte variëren ze van vlinders met een spanwijdte van 25 mm. tot
vlinders met een spanwijdte van maar liefst 150 mm. Vlinders van
deze familie hebben een kenmerkende manier van vliegen. Na elke
vleugelslag houden ze de vleugels helemaal recht uitgestrekt naast
hun lichaam en blijven een poosje zweven zonder hun vleugels verder
te bewegen.
De vlinders worden op de grond vaak aangetroffen in de buurt van
dode dieren, uit een boom gevallen fruit of rottende delen van een
plant. Daar zuigen ze allerlei bijzondere sappen uit die ze nodig
hebben om er bijvoorbeeld hun feromonen van te maken. Als een
vlinder van deze familie zich te rusten heeft gezet op een plant,
staan ze vaak met hun kop naar beneden gericht en houden hun
vleugels boven hun lichaam tegen elkaar aan. Ze houden zich vast met
vier poten. Het voorste pootpaar valt helemaal niet op en lijkt er
vaak niet eens te zijn. Dat is natuurlijk maar schijn. De voorste
twee poten zijn alleen veel kleiner dan de andere vier. Ze dienen
dan ook niet om ermee te lopen of om zich ermee vast te houden, maar
om er hun antennes en andere delen van hun lichaam mee schoon te
poetsen. De eieren zijn rond tot ovaal en meestal voorzien van
groeven en ribbels. Soms worden ze in grote aantallen bij elkaar
gelegd op de waardplant. Het landkaartje bijvoorbeeld zet de eitjes
af in stapels van zes tot tien. De meeste rupsen van vlinders die
behoren tot deze familie zijn voorzien van grote en soms ook veel
kleine stekels. De poppen hangen aan stengels of onder bladeren en
zijn prachtig vermomd als vruchten, zaden of andere delen van een
plant. |
|
|
|
|
|