|

1. Fysische geografie
1.1 Landschap en klimaat
Van Oostenrijks oppervlakte wordt ca. tweederde ingenomen door
de west-oostwaarts lopende Oost-Alpen. Vooral de gletsjers uit de
IJstijden van het Kwartair hebben de vorm van dit landschap beïnvloed.
Zij hebben de bodem plaatselijk sterk geërodeerd en U-vormige dalen met
steile wanden gevormd (trogdalen). De Oost-Alpen zijn te onderscheiden
in drie min of meer parallelle hoofdketens; de Noordelijke Kalkalpen (Nördliche
Kalkalpen), de centrale keten (Zentralalpen) en de Zuidelijke Kalkalpen
(Südliche Kalkalpen). De Zentralalpen, vnl. opgebouwd uit kristallijne
gesteenten (graniet, gneis, glimmerschisten), omvatten van west naar
oost de volgende massieven: Ötztaler Alpen (hoogste top: Wildspitze,
3774 m) en Stubaier Alpen, de Hohe Tauern, het hoogste deel, met de
groepen Zillertaler Alpen, Venedigergruppe en Glocknergruppe (waarin de
Grossvenediger, 3674 m, resp. de Grossglockner, 3797 m, de hoogste berg
van Oostenrijk); ten oosten van de Hohe Tauern buigt de centrale keten
zwak naar het noordoosten en zet zich, afnemend in hoogte, voort in de
Niedere Tauern; de Zentralalpen lopen in het oosten af in de Glein- en
de Fischbacher Alpen, beide niet hoger dan 2000 m; in Oost-Oostenrijk
vormt het tot 483 m hoge Leitha Gebirge een uitloper. De Nördliche
Kalkalpen strekken zich van de Rijn af oostwaarts uit en omvatten van
west naar oost de Allgäuer Alpen, de Nordtiroler Kalkalpen, de
Salzburger Kalkalpen, de Österreichische Alpen, in het oosten aflopend
in het Wiener Wald. De Südliche Kalkalpen liggen voornamelijk in Italië;
in Oostenrijk behoren onder andere de Gailtaler Alpen en de Karawanken
ertoe, beide parallel aan de zuidgrens van het land en beide behorend
tot de Karnische Alpen. De rest van Oostenrijk wordt ingenomen door het
Österreichische Alpenvorland, het tot ca. 1000 m hoge heuvelgebied ten
noorden van de Donau, waarin van west naar oost worden onderscheiden het
Inn-, het Mühl-, het Wald- en het Weinviertel. Geologisch behoort dit
gebied vnl. tot het Boheems Massief, een granietplateau. In het oosten
van het land, ten zuiden van het Weinviertel, vormt een uitloper van de
Kleine Hongaarse Laagvlakte (Wiener Becken, Marchfeld) het enige in
Oostenrijk voorkomende laagland.
Het klimaat is van het Midden-Europese type, maar vertoont sterke
verschillen die samenhangen met hoogteverschillen en voorts met de
ligging ten opzichte van het gebergte, dat invloed uitoefent op wind,
bewolking, neerslag en temperatuur. De neerslag is in het Wiener Becken,
Burgenland en het zuidwesten matig, in de centrale Alpen en aan de
noordelijke Alpenrand rijkelijk; de gemiddelde neerslag bedraagt 620 mm
per jaar.
1.2 Rivieren en meren
Behalve het uiterste westen, dat op de Rijn afwatert, behoort Oostenrijk
geheel tot het stroomgebied van de Donau, die hier in het zuiden en
zuidoosten van het land als zijrivieren de Drau resp. de Mur heeft en in
het noorden van het Alpengebied de Inn, Traun, Enns, Ybbs, Erlauf,
Traisen, Kamp, Göllersbach en Piesting. Oostenrijk telt ca. 90 meren.
Vooral het stroomgebied van de Traun is rijk aan meren, o.a. de Attersee,
het grootste Alpenmeer van Oostenrijk (47 km2, tot 171 m diep), voorts
de Hallstätter See (8,5 km2), de Traun See (24 km2), de Sankt Wolfgang
See (13,5 km2) en de Mond See (14,5 km2). Andere Alpenmeren zijn de
Wallern en de Zeller See (Salzburg), de Achen en de Plan See (Tirol) en
de Millstätter en de Wörther See (Draugebied). In het - vlakke -
Burgenland ligt de 356 km2 grote en gemiddeld slechts 1,5 m diepe
Neusiedler See. In het uiterste westen heeft Oostenrijk een aandeel van
24 km2 in de Boden See. Het land is rijk aan minerale bronnen; bekend
zijn de radioactieve in Badgastein en Bad Hofgastein, de jodiumhoudende
in Bad Hall en de warme zwavelbronnen in Baden bij Wenen.
1.3 Plantengroei
Oostenrijk is met 38% bos een van de bosrijkste landen van Europa. De
vegetatie is overwegend montaan en alpien; de boomgrens, waarboven men
de beroemde alpenflora aantreft, daalt van noordwest naar zuidoost van
2170 m in de Ötztaler Alpen tot 1400 m in de zuidoostelijke Kalkalpen.
Het bos is overwegend - in de hogere regionen uitsluitend - naaldbos. In
het heuvelland en het noordelijk vooralpengebied bestaat het,
grotendeels door ontginning verdwenen, oorspronkelijke woud uit
eikenhaagbeukenbos en eikenbeukenbossen; in het dal van de Donau komen
plaatselijk nog hoogopgaande rivierdalbossen ( 'Auenwälder') voor, zowel
wilgenpeppelbossen als bossen van grauwe els, es en iep. In het oosten,
bijv. in het Wiener Becken en in Burgenland, treden reeds vele
continentale (Pannonische en Illyrische) soorten op, zoals zwarte den,
Quercus conferta, pluimes, Ostrya carpinifolia. In de hogere, montane
zone overheersen in de noordelijke Alpen uitgestrekte beukenbossen,
hogerop gemengd met zilverspar; in de drogere centrale Alpen komt de
beuk echter niet meer voor en wordt hij vervangen door de grove den met
een ondergroei van vleeskleurige dopheide, Polygala chamaebuxus e.a. In
de bovenste montane en de subalpine zone overwegen de wouden van de
fijnspar, gemengd met Europese lariks. In de noordelijke en vooral de
noordwestelijke Alpen is de subalpine zone rijk aan arve en wordt de
bosgrens gevormd door bergen; in de centrale Alpen spelen deze evenwel
geen rol, hier grenst het fijnsparrenbos aan de boomgrens rechtstreeks
aan de gordel van alpenrozen. Boven de naaldhoutgrens komen op natte
hellingen, langs beken en op lawinebanen nog lage, struweelachtige
bossen van alpenels voor. Bijzondere vermelding verdienen: de venen in
het noorden; de droge centrale Alpendalen met hun kleurige, bloemrijke
hooilanden; het Pannonische Burgenland met de rietmoerassen van de
Neusiedler See en zoutsteppen, aansluitend bij de Hongaarse laagvlakte;
de submediterrane dalflora van Steiermark en Karinthië.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld is Midden-Europees-alpien van karakter en sluit in veel
opzichten aan bij die van Zuid-Duitsland en Zwitserland. Typische
bergbewoners als steenbok (ingevoerd), gems, sneeuwhaas en alpenmarmot
bewonen de hoogst gelegen delen van het land. Aan Oost-Europese
elementen dringt o.a. de siezel (een klein knaagdier dat de laagvlakte
bewoont) door. Oostelijke elementen van Pontische afkomst zijn o.a. twee
zoetwatervissen, de sterlet (een aan de steur verwante vis) en de
Donaugrondel. Het grote roofwild (bruine beer, wolf, lynx) is al lang
geleden (vrijwel) uitgeroeid. Het jachtwild (ree, edelhert, wild zwijn)
is nog wijd verbreid. Van het vrij kleine aantal natuurreservaten is de
wereldberoemde Neusiedlersee het bekendst; dit grote en zeer ondiepe
zoetwatermeer met zeer wisselende waterstand ontleent zijn
belangrijkheid aan de enorme vogelrijkdom (broedvogels ooievaar,
lepelaar, purperreiger, kleine zilverreiger, enz.). Het reservaat
Seewinkel sluit hierbij aan. Verder zijn belangrijk het Tauern
Naturschutzpark (berggebied) en Marchauen-Marchegg (Wereld Natuur Fonds,
1970).
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Het Oostenrijkse volk is ontstaan uit vele etnische groepen:
Illyriërs, Raetiërs, Kelten, Germanen, Slaven (Oostbalten en Dinariërs),
Magyaren e.a. Later heeft vooral Wenen, als hoofdstad van een
multinationaal rijk (Oostenrijk-Hongarije), steeds een zeer gevarieerde
bevolking gehad. De bevolking vertoonde tussen 1951 en 1990 een
gemiddelde jaarlijkse groei van slechts 0,3%; van 1985 tot 1994 was dit
0,5%. Het geboortecijfer was in 1994 12‰, het sterftecijfer 10‰. Bijna
40% van de bevolking is ouder dan 45 jaar; 56% woont in de steden. Wenen
herbergt bijna 20% van de bevolking.
2.2 Taal
De bevolking is voor 96% Duitstalig. In Karinthië en Burgenland wonen
twee kleine etnische minderheden, nl. 19!000 Slovenen in Zuid-Karinthië
en 26!000 Kroaten in Burgenland. In enkele delen van Burgenland wonen
Hongaren (6% van de bewoners van dat land). In Wenen woont een kleine
Tsjechische en Slowaakse minderheid (7000). De rechten van deze
volksgroepen zijn in het Staatsverdrag van 1955 gegarandeerd.
2.3 Religie
Van de bevolking wordt ruim 78% tot de Rooms-Katholieke Kerk gerekend,
ca. 5% is protestants (vnl. luthers) en ca. 8,6% is onkerkelijk. De
Rooms-Katholieke Kerk is verdeeld in twee kerkprovincies: het
aartsbisdom Salzburg met vier bisdommen (Feldkirch, Graz-Seckau, Gurk,
Innsbruck) en het aartsbisdom Wenen met drie bisdommen (Eisenstadt, Linz,
Sankt Pölten). In 1925 sloten de luthersen en gereformeerden zich aaneen
tot de Evangelische Kirche Augsburgischen und Helvetischen Bekenntnisses
in Oesterreich met aan het hoofd ervan een bisschop. De nieuwe
Protestantenwet van 1961 verleende aan de Evangelische Kirche volledige
autonomie en de garantie van financiële steun van staatswege. Ook de
oud-katholieken hebben een bisschop in Wenen.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
De
staatsinrichting is gebaseerd op de grondwet van 1920/1929, die na de
Tweede Wereldoorlog weer van kracht werd. De soevereiniteit en
onafhankelijkheid van het land worden gewaarborgd in het Staatsverdrag
van 1955. Volgens de grondwet is Oostenrijk een bondsrepubliek. Aan het
hoofd staat de bondspresident, rechtstreeks gekozen voor een termijn van
zes jaar. De bondsregering bestaat uit een bondskanselier, een
vice-kanselier en ministers, benoemd door de bondspresident en
verantwoordelijk tegenover de Nationalrat. De volksvertegenwoordiging
bestaat uit twee Kamers: de Nationalrat (183 leden), het voornaamste
wetgevende orgaan, iedere vier jaar gekozen via algemeen kiesrecht (19
jaar en ouder) volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging, en
de Bundesrat (64 leden). Deze laatste wordt gekozen door de parlementen
(Landtage) van de bondslanden, die een vrij grote zelfstandigheid
hebben. De wetgevende macht in de bondslanden berust bij de Landtage. De
uitvoerende macht wordt uitgeoefend door de Landesregierungen; deze
bestaan uit een Landeshauptmann, diens plaatsvervanger en een aantal
Landräte, gekozen door de Landtag en aan deze verantwoording
verschuldigd. In Wenen treedt de gemeenteraad als Landtag op; de
Landesregierung heet daar Stadtsenat. De grondwet voorziet in de
mogelijkheid van een referendum. Burgers kunnen via het zgn.
Volksbegehren wetsontwerpen indienen.
3.2 Administratieve indeling
Oostenrijk is administratief verdeeld in negen bondslanden, die zijn
onderverdeeld in 99 districten en die weer in 2553 gemeenten.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Volgens het Staatsverdrag is Oostenrijk een neutraal land, maar het
speelt een actieve rol in tal van internationale organisaties. Het is
lid van de Verenigde Naties, de Europese Vrijhandels Associatie, de Raad
van Europa, de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling
en, sinds 1995, van de Europese Unie. Wenen is de zetel van een aantal
internationale organisaties (zie Wenen).
3.4 Partijwezen, vakbonden en andere organisaties
De vier belangrijkste politieke partijen zijn de Sozialdemokratische
Partei Österreichs (SPÖ; tot 15 juni 1991 Sozialistische Partei
Österreichs geheten), die een gematigd sociaal-democratische, sterk
pragmatische koers vaart; de Österreichische Volkspartei (ÖVP), die een
christelijke samenleving met ruimte voor het particulier initiatief
nastreeft en waarin belangenorganisaties van boeren, arbeiders en de
middenklasse een belangrijke rol spelen; de Freiheitliche Partei
Österreichs (FPÖ), die liberaal-conservatief georiënteerd is en de
links-georiënteerde Grüne Alternative, die zich m.n. voor het behoud van
het milieu inzet. Kenmerkend voor het Oostenrijkse politieke systeem is
de hoge organisatiegraad van de politieke partijen. Op grond van het
principe van het zgn. Proporzsystem zijn de politieke partijen, naar
rato van hun sterkte in het parlement, vertegenwoordigd in de leiding
van tal van staatsbedrijven en publiekrechtelijke organisaties.
De Österreichische Gewerkschaftsbund (ÖGB) is de overkoepelende
organisatie van zestien categorale vakbonden. Binnen de ÖGB bestaan o.a.
een socialistische en een christelijke fractie. De werkgevers zijn
georganiseerd in de Vereinigung Österreichischer Industriellen (VÖI).
Daarnaast bestaan in elk van de landen nog de arbeiders-, handels- en
landbouwkamers, waarin vertegenwoordigers van resp. hand- en
hoofdarbeiders, middenstand en landbouw zitting hebben. Deze kamers
hebben een belangrijk aandeel in de totstandkoming van de wetgeving voor
deze beroepsgroepen. De overkoepelende organisaties van deze kamers, de
ÖGB en de VÖI, worden door de overheid in het kader van de 'Sozialpartnerschaft'
betrokken bij het bepalen van het sociaal en economisch beleid.
4. Economie
4.1 Algemeen
Sinds de jaren zestig werd de Oostenrijkse economie gekenmerkt door een
hoog groeipercentage en een lage werkloosheid. De staat had via de
Österreichische Industrie Verwaltungs Aktiengesellschaft (bestaande uit
70 industriële concerns, de drie grootste commerciële banken en de
elektriciteitsbedrijven) een belangrijk aandeel in het economische
leven. Maar sinds eind 1987 is de overheid bezig een deel van de
staatsbedrijven te privatiseren. Door verkoop van aandelen wil men
uiteindelijk ten hoogste 49% van de aandelen in deze bedrijven in
privébezit onderbrengen. Het binnen het stelsel van de
Sozialpartnerschaft geïnstitutionaliseerde overleg tussen de sociale
partners heeft een stabiel sociaal en economisch klimaat geschapen. De
gemiddelde jaarlijkse groei van het Bruto Nationaal Product (bnp)
bedroeg tussen 1990 en 1994 1,6%. Het bnp per capita bedroeg in 1994 $
24.950. Het aandeel van de verschillende sectoren aan het bnp was in
1994: primaire sector (land- en bosbouw) 2%, secundaire sector
(industrie, mijnbouw, energie) 34% en tertiaire sector (handel, verkeer,
overheid en dienstverlenende sector) 64%.
4.2 Landbouw.
Van de totale oppervlakte is ca. 20% bouwland, 28% weidegrond en 38% bos
(het land is na Finland en Zweden het relatief bosrijkste land van
Europa). De opbrengst van de landbouw voorziet voor ca. 90% in de eigen
behoeften. Tussen 1971 en 1997 liep het aantal personen werkzaam in
land- en bosbouw sterk terug, evenals het aantal bedrijven (17% minder
dan in 1970). Naast de verbouw van aardappelen, granen en suikerbieten
zijn de fruit- en wijndruiventeelt (o.a. in Wachau, Burgenland en
Karinthië) van belang.
Veehouderij wordt vnl. op moeilijk te bereiken almen bedreven (zie
Almwirtschaft), ten behoeve van de zuivelindustrie.
De bosbouw levert hout voor brandstof en de houtverwerkende industrie.
De industrie is goed voor ruim de helft van het bnp en voor eenderde van
de werkgelegenheid.
4.3 Industrie
Na de Tweede Wereldoorlog werden de basisindustrieën genationaliseerd.
De belangrijkste industrietakken zijn de ijzer- en staalindustrie met
als belangrijkste bedrijf de Vereinigte Österreichische Eisen- und
Stahlwerke (VÖEST), ijzer- en metaalverwerkende industrie,
elektro-industrie, textielindustrie, chemische industrie,
papierindustrie, glas- en keramische industrie, voedings- en
genotmiddelenindustrie, machine-industrie, lederverwerkende en
houtverwerkende industrie. De industrie is goed voor ruim eenderde van
het bnp en eveneens voor eenderde van de werkgelegenheid.
4.4 Mijnbouw en energievoorziening
De Alpen in Oostenrijk zijn rijk aan delfstoffen, vooral ijzererts.
Steiermark, Tirol en Karinthië leveren magnesiet; voorts zwavel, zink,
grafiet en antimoon. Bij Salzburg wint men kopererts, ten oosten daarvan
bauxiet, in Karinthië lood, steenzout en gips, in het zuiden en
zuidoosten bruinkool, bij Zistersdorf (Niederösterreich) aardolie en
aardgas, maar de voorraden zijn gering. De mijnbouw is sedert 1946
grotendeels genationaliseerd en heeft als bedrijfstak altijd een
belangrijke plaats in de economie ingenomen, maar de betekenis is thans
sterk afgenomen. Mijnbouw is nog goed voor 0,2% van het bnp en voor 0,3%
van de werkgelegenheid. De energievoorziening is gebaseerd op steenkool,
aardolie, aardgas en waterkracht. Van de 1000 elektrische centrales zijn
de meeste hydro-elektrisch. Beroemd zijn de centrales van
Glockner-Kaprun. Toch moest in 1989 nog 68% van de totale
energiebehoefte geïmporteerd worden.
4.5 Handel
Het aandeel van de handel in het bnp is de laatste twintig jaar vrij
constant gebleven (ca. 17%). De belangrijkste uitvoerproducten zijn
ijzer en staal, kleding, hout, textielproducten, machines,
elektro-energie, vee en papier, ingevoerd worden vooral machines en
gereedschappen, voertuigen, voedingsmiddelen, minerale brandstoffen,
halffabrikaten en grondstoffen. Hoewel Oostenrijk nauwe relaties heeft
met de EG-landen, is het land aangesloten bij de Europese
Vrijhandelsassociatie (EVA), wegens het politiek-neutrale karakter van
deze organisatie. De belangrijkste handelspartners zijn Duitsland,
Italië, Japan, Zwitserland, Frankrijk, Groot-Brittannië, de Verenigde
Staten en Nederland. Het transitoverkeer tussen Oost-Europa en het
Westen door Oostenrijk is voor het land van groot belang.
4.6 Bankwezen
Centrale bank is de Österreichische Nationalbank. De meeste
handelsbanken zijn genationaliseerd, o.a. de grootste bank van het land:
de Creditanstalt-Bankverein.
4.7 Verkeer en toerisme
Oostenrijk heeft naast een uitstekend spoor- en wegennet de beschikking
over een van de belangrijkste waterwegen van Europa, de Donau. De
binnenvaart op de Donau is belangrijk toegenomen na de totstandkoming
van het Rijn-Main-Donaukanaal in de jaren tachtig. De Oostenrijkse
spoorwegen (5745 km Bundesbahn) zijn staatseigendom. De totale lengte
van het federale wegennet bedraagt ruim 9950 km, waarvan bijna 1600 km
Autobahn; het provinciale wegennet omvat 23!472 km. Het belangrijkste
vliegveld is dat bij Wenen (Schwechat); kleinere internationale
vliegvelden zijn er bij Linz, Salzburg, Graz, Klagenfurt en Innsbruck.
Nationale luchtvaartonderneming is de Austrian Airlines (AUA). De
Adria-Wenen-pijpleiding voert ruwe aardolie aan. Door het land gaan
grote aardgasleidingen, van Oost-Europa naar Italië en naar West-Europa.
Het toerisme (vooral uit Duitsland en Nederland) levert veel deviezen op
(in 1994 150 miljard schilling) en is van groot belang voor de
Oostenrijkse economie.
5. Geschiedenis
5.1 Inleiding
De
naam Oostenrijk komt voor het eerst voor in een keizerlijke oorkonde van
Otto III uit 996 (Ostarrichi). In de loop van de geschiedenis heeft het
begrip betrekking gehad op een wisselend aantal gebieden waarvan de
omvang en de politieke betekenis varieerden met het machtsbereik van het
er van het eind van de 13de eeuw tot 1918 regerende Habsburgse
vorstenhuis. De multinationale staat waarover dit in de loop van de 16de
en 17de eeuw zijn macht had weten te vestigen en die gemakshalve met de
naam Oostenrijk aangeduid werd, vond zijn oorsprong in de personele unie
van het uit de middeleeuwen daterende aartshertogdom Oostenrijk, het
koninkrijk Hongarije en het koninkrijk Bohemen. Toen dit 'Oostenrijk' in
1867 bij de Ausgleich door de oprichting van de Oostenrijks-Hongaarse
monarchie een nieuwe staatkundige grondslag gekregen had, werd voor het
niet-Hongaarse deel van deze monarchie (de in de Rijksraad
vertegenwoordigde koninkrijken en landen) de naam Cisleithanië
ingevoerd, waartegenover Hongarije Transleithanië genoemd werd. Eerst in
1915 werd voor Cisleithanië de naam Oostenrijk in ere hersteld. De na de
afschaffing van de monarchie en de afsplitsing van de nationaliteiten
uit de resten van het oude rijk ontstane republiek heette aanvankelijk
Deutsch Österreich, maar na een in het vredesverdrag van St.-Germain
(1919) vastgelegd verbod tot nadere aansluiting bij Duitsland:
Österreich. Tijdens de Anschluss-periode (1938-1945), waarin Oostenrijk
in het Derde Rijk van Hitler was opgegaan, werd het gebied met Ostmark
aangeduid.
5.2 Vroege geschiedenis
In de 1ste eeuw v.C. werd het huidige Oostenrijk, dat al in de
prehistorie bewoond was (Halstattcultuur), bezet door de Romeinen, die
de Donau tot noordgrens van hun rijk maakten. De volksverhuizingen vanaf
het einde van de 4de eeuw maakten een einde aan het Romeinse bewind.
Uiteindelijk bezetten Slavische volken het oosten en midden van het
gebied, terwijl de Germaanse Bajuvaren (Beieren) het westen beheersten.
Zij werden in 788 onderworpen door Karel de Grote, onder wiens bewind
een begin gemaakt werd met de kerstening. Eind 9de eeuw begonnen
invallen van de Magyaren een steeds groter gevaar te vormen; in 907
liepen zij het gebied geheel onder de voet. De Duitse keizer Otto de
Grote bracht, nadat hij de Magyaren in 955 bij Lechfeld verpletterend
had verslagen, het land onder zijn bestuur. Sindsdien is de geschiedenis
ervan tot het begin van de 19de eeuw vast verbonden gebleven met die van
het Duitse keizerrijk.
Door Otto III werden in 976 verschillende delen van het gebied
afzonderlijk in leen gegeven. Vooral het met de Ostmark (de streek rond
Wenen) beleende geslacht Babenberg slaagde erin zijn macht uit te
breiden. Na het uitsterven hiervan kwam dit gebied aan de Boheemse
koning Ottokar II (1251-1278), die het verder uitbreidde. Hij raakte in
conflict met de door hem niet erkende Duitse koning Rudolf van Habsburg
(1273-1291), die hem bij Dürnkrut versloeg. Rudolf kreeg in 1282 van de
Rijksdag toestemming het grootste deel van het bezit van zijn
tegenstander aan zijn zoons in leen te geven.
In 1308 ging voor het Huis Habsburg, nadat Rudolfs zoon Albrecht
vermoord was door een neef, de Duitse koningstitel aanvankelijk
verloren, tot 1438. Sindsdien was de politiek der Habsburgers er met
wisselend succes op gericht hun positie in en om hun eigen bezittingen (
'Hausmacht') uit te breiden en te verstevigen. In 1453 verkregen onder
Frederik III (1440-1493) de Oostenrijkse landen de status van
aartshertogdom en een reeks privileges. Door het huwelijk van Frederiks
zoon
Maximiliaan met
Maria van Bourgondië in 1477 legde hij de basis voor de latere bloei
van het Habsburgse Huis. Ook Maximiliaan zette de huwelijkspolitiek van
zijn vader voort door zijn zoon Filips de Schone (1482-1506) te laten
huwen (1496) met Johanna van Aragón. Zo kon zijn kleinzoon
Karel V in 1515 in de Nederlanden, in 1516 in heel Spanje en in 1519
in het Duitse Rijk en de Oostenrijkse erflanden de regering op zich
nemen.
5.3 Nieuwe geschiedenis (1520-1648)
De Oostenrijkse erflanden werden bij de verdelingsverdragen van Worms en
Brussel in 1521 en 1522 door Karel V overgedragen aan zijn jongere broer
Ferdinand. Deze werd in 1531 gekozen tot Duits koning en volgde in 1556
als Ferdinand I Karel V op als Duits keizer. In Spanje en de
Bourgondische erflanden kwam Karels zoon Filips II op de troon, zodat de
Habsburgse landen in een Spaans en een Oostenrijks deel gesplitst
werden. In de volgende periode zouden de Reformatie, de strijd tegen de
Turken en de verwikkeling via Duitsland in de grote Europese politieke
tegenstellingen vooral tot in het midden van de 17de eeuw de positie van
de Oostenrijkse Habsburgers danig aantasten. De strijd tegen het Turkse
Rijk werd aangewakkerd door de belangen die de beide staten kregen bij
Hongarije. De koning van Hongarije en Bohemen, Lodewijk II, die met een
zuster van Ferdinand I gehuwd was, sneuvelde in 1526 bij Mohács tegen de
Turken. In hetzelfde jaar kozen de Boheemse standen Ferdinand tot hun
koning; in Hongarije echter werd hij slechts door een minderheid van de
adel aanvaard. Zijn tegenkandidaat voor de troon, Jan Zápolya, en later
diens nakomelingen, riepen twee eeuwen lang Turkse steun in (1529 beleg
van Wenen) om zich tegen de Habsburgers te handhaven. Met betrekking tot
de Reformatie voerde Ferdinand I een gematigde politiek. Nadat gebleken
was dat het verzet van de protestantse rijksvorsten niet met geweld te
breken was en nadat in 1555 onder zijn supervisie de Godsdienstvrede van
Augsburg tot stand was gekomen, kon in de tweede helft van de 17de eeuw
een gestadige uitbreiding van het protestantisme plaatsvinden.
Ferdinands opvolger, Maximiliaan II (1564-1576), zette de
godsdienstpolitiek van zijn vader voort. De Contrareformatie kwam pas
goed op gang onder Ferdinand II (1619-1637). Daarmee waren tevens de
laatste gevolgen van de driedeling van de erfenis van Ferdinand I
ngedaan gemaakt. Deze had zijn Oostenrijkse bezittingen verdeeld over
zijn drie zoons: Maximiliaan, Ferdinand en Karel. Deze laatste had zich
in het hem toebedeelde Stiermarken ontpopt als een vurig voorstander van
de Contrareformatie. Zijn zoon Ferdinand II zette in heel het rijk deze
politiek voort, met fatale gevolgen. Zijn optreden in Bohemen leidde tot
een opstand die uiteindelijk de aanleiding zou vormen tot de
Dertigjarige Oorlog.
5.4 De periode 1648-1765
Bij de onder Ferdinand III (1637-1657) in 1648 gesloten Vrede van
Westfalen werd de invloed van de Duitse keizer op de rijksvorsten zeer
beperkt. Hierdoor werd een van de hoofdpijlers van de macht van de
Habsburgers sterk aangetast.
Na de Vrede van Westfalen herstelde Oostenrijk zich van de eerdere
tegenslagen. In een reeks oorlogen - waarbij de Oostenrijkse veldheer
Eugenius van Savoye een hoofdrol speelde - werd de Turkse invloed sterk
teruggedrongen en Hongarije geheel onder Oostenrijkse invloed gebracht.
Ook door de rol die Oostenrijk speelde in de Europese coalitieoorlogen
tegen
Lodewijk XIV werd veel prestige herwonnen.
Onder Leopold I (1657-1705) werd het protestantisme in Hongarije hard
aangepakt en het staatsgezag ten koste van de rijksstanden versterkt.
Het verzet tegen deze politiek leidde tot opstandigheid en hervatting
van de vijandelijkheden met de interveniërende Turken. Nadat dezen nog
in 1683 Wenen belegerd hadden, kwam het initiatief aan de Oostenrijkers.
In 1687 werd door de Hongaarse adel op de Rijksdag van Presburg het
erfelijk koningschap van de Habsburgers erkend. Bij de Vrede van
Karlowitz, in 1699 met de Turken gesloten, verkreeg Oostenrijk
aanzienlijke uitbreiding. Onder Jozef I (1705-1711) en Karel VI
(1711-1740) droeg Oostenrijk in de coalitieoorlogen tegen Frankrijk ten
slotte met zijn bondgenoten ertoe bij aan de ambities van Lodewijk XIV
paal en perk te stellen, zonder echter daarbij in zijn eigen opzet te
slagen: de hereniging van de Spaanse en de Oostenrijkse landen. Bij de
Vrede van Rastatt (1714) kwamen wel de voormalige Spaanse bezittingen in
de (Zuidelijke) Nederlanden en Italië (Napels, Milaan, Sardinië - in
1720 geruild voor Sicilië, dat met Napels in de Poolse Successieoorlog
van 1733-1735 weer verloren ging) onder de Oostenrijkse Kroon. Zo hoorde
het rijk van Karel VI ondanks zijn wonderlijke structuur (de
persoonlijke Unie tussen het aartshertogdom Oostenrijk, het koninkrijk
Bohemen en het koninkrijk Hongarije) weer tot de grote Europese
mogendheden. Dit bleef ook na zijn dood het geval, toen zijn dochter
Maria Theresia zich ondanks de mislukking van de regeling van de
erfopvolging door de Pragmatieke Sanctie toch in de Oostenrijkse
Successieoorlog wist te handhaven. Zij slaagde er in 1745 in haar
echtgenoot Frans van Lotharingen, hertog van Toscane, tot Duitse keizer
te doen verkiezen en in 1772 door de eerste Poolse deling haar gebied
nog aanzienlijk uit te breiden. Van Turkije verwierf zij in 1774 de
Boekovina. Haar pogingen Silezië in de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) te
herwinnen liepen echter op een mislukking uit. De grootste waarde van
haar bestuur lag vooral in de hervormingen die zij op
bestuurlijk-technisch gebied liet doorvoeren. De versterking van het
staatsapparaat had ook haar weerslag op de verhouding tussen Kerk en
Staat, waarbij zij voor de eerste een ondergeschikte positie nastreefde.
5.5 De periode 1765-1815
Jozef II was in 1765 zijn vader op de Duitse troon opgevolgd. Vanaf die
tijd regeerde hij in Oostenrijk samen met zijn moeder, die hij in 1780
opvolgde. Hij bleek een vurig aanhanger van de inzichten van het
verlicht absolutisme. In snel tempo voerde hij een reeks ingrijpende
hervormingen door: persvrijheid, vrijheid van godsdienst, afschaffing
van de horigheid, enz. Zijn broer Leopold II, die hem in 1790 opvolgde,
trok de meeste van zijn overijld ingevoerde maatregelen in, zonder
echter de oude autonomie van de adel geheel te herstellen en de
horigheid van de boeren weer in te voeren. Na diens dood, in 1792, werd
onder zijn zoon Frans II de reactie sterker, ook onder invloed van de
Franse Revolutie en de terechtstelling van Marie Antoinette, zuster van
Jozef II. In zijn eerste regeringsjaar begon Oostenrijks deelname aan de
reeks anti-Franse coalitieoorlogen die weliswaar met de val van Napoleon
zouden eindigen, maar ook van het oude Oostenrijk de kracht en de
samenhang ernstig zouden aantasten. In de volgende jaren verloor het de
Zuidelijke Nederlanden, zijn bezittingen op de linker Rijnoever en zijn
overheersende positie in Italië. De nederlaag bij Austerlitz in 1805
leidde tot het verlies van Tirol en Vorarlberg aan Beieren. Enige
compensatie hiervoor betekende de annexatie van Salzburg. Op 10 aug.
1804 had Frans II, in navolging van Napoleon en ook omdat in Duitsland
zijn positie steeds onbetekenender werd, als Frans I de titel van
'Keizer van Oostenrijk' aangenomen. Op 6 aug. 1806 kwam een eind aan het
Duitse keizerschap.
Nadat in 1809 opnieuw een Oostenrijkse poging Frankrijk te verslaan in
de Slag bij Wagram was mislukt, sloeg het rijk onder Metternich, de
minister van Buitenlandse Zaken, een meer Frans gezinde koers in,
waarvan het huwelijk van aartshertogin Marie Louise met Napoleon het
symbool werd. Napoleons nederlaag in Rusland maakte een nieuwe
koerswijziging mogelijk, een kans die Metternich dankbaar aangreep. Zijn
politiek tussen 1813 en 1815 was erop gericht het Europese evenwicht te
herstellen en in Duitsland tot een machtsverdeling met Pruisen te komen.
Op het Congres van Wenen, waar Oostenrijk alle tussen 1805 en 1809
verloren gebieden weer terugkreeg, wist hij dit doel te bereiken.
Oostenrijk kreeg de erefunctie van voorzitter van de Duitse Bond, die
het oude keizerrijk verving.
5.6 De periode 1815-1866
Na 1815 zette een politiek aftakelingsproces in. Tegen de in de 19de
eeuw opgekomen nieuwe, de keizerlijke machtspositie aantastende,
politieke stromingen en het nationalisme van de verschillende in het
rijk levende volken zou de regering in Wenen op den duur machteloos
blijken. In Duitsland was in 1834 de Zollunion opgericht - zonder
Oostenrijk, dat onvoldoende in staat bleek de economische belangen van
de verschillende rijksdelen te integreren. Na zijn dood in 1835 werd
Frans I opgevolgd door Ferdinand I (1835-1848); de feitelijke macht lag
echter in handen van de 'Geheime Staatskonferenz': aartshertog Lodewijk,
aartshertog Frans Karel en de ministers Kolowrat en Metternich. Het
revolutiejaar 1848 bleek voor het verstarde regime desastreus: in Wenen,
Praag, Boedapest, Milaan en Venetië groeiden de verzetshaarden tegen het
keizerlijke bewind. In Frankfurt vergaderde een Duits parlement dat de
Duitse Bond bleek te willen vervangen door een federale Duitse staat
waarin voor de Habsburgers helemaal geen plaats meer zou zijn. Op 13
maart 1848 trad Metternich af, op 15 maart werd in Wenen een nieuwe
liberale Grondwet beloofd en op 2 dec. 1848 deed Ferdinand afstand ten
gunste van zijn neef Frans Jozef.
De nieuwe leider van de Oostenrijkse regering, prins Felix Schwarzenberg,
en de jonge keizer poogden de monarchie te redden door sociale
hervormingen in te voeren en door het verzet van de nationaliteiten met
geweld te breken. In Praag werd reeds in juni 1848 het Tsjechisch verzet
neergeslagen, vervolgens werd door veldmaarschalk Radetzky Italië
onderworpen en als laatste werd Hongarije, dat zich onder Kossuth
onafhankelijk had verklaard, weer in het gareel gedwongen (13 aug.
1849). Toch zou Oostenrijk in Duitsland zijn vroegere positie tegenover
Pruisen niet meer herwinnen. Pogingen van de Oostenrijkse regering in de
volgende jaren de opheffing van de Zollverein af te dwingen, mislukten.
Pruisen zou er door bekwaam manoeuvreren zelfs in slagen op economisch
terrein Oostenrijk in Duitsland nog verder buiten spel te zetten. Vooral
toen het na de nederlaag in Italië, waar het na Franse interventie in
1859 Lombardije had moeten opgeven en later het koninkrijk Italië had
moeten erkennen, economisch dermate verzwakt was geraakt dat het Pruisen
in zijn voor de andere Duitse staten zeer aantrekkelijke
vrijhandelspolitiek niet meer kon volgen.
5.7 De periode 1866-1914
Het optreden van
Bismarck en de nederlaag in de zgn. Pruisisch-Oostenrijkse oorlog
van 1866 bezegelden in dat opzicht Oostenrijks uitsluiting uit de
interne Duitse politiek. De Duitse Bond werd opgeheven en vervangen door
Noord-Duitse Bond onder Pruisische leiding. Aan Italië verloor
Oostenrijk bij de Vrede van Wenen van 1866 met Venetië zijn laatste
Italiaanse bezit. De nederlaag tegen Pruisen veroorzaakte o.m. een
verzwakking van het Duitse element in de multinationale monarchie. De
regering in Wenen trok daaruit slechts zeer ten dele de logische
conclusie: federalisering van het rijk. Ze stond alleen aan de Hongaren
autonomie toe bij de op 8 febr. 1867 overeengekomen Ausgleich. Voor de
verschillende Slavische volken bleef zo de oude toestand van
onderworpenheid bestaan. De nieuwe dubbelmonarchie (of Donaumonarchie)
was hierdoor al vanaf het begin danig belast. Met de uit de Ausgleich
voortvloeiende kroning van Frans Jozef als koning van Hongarije op 8
juli 1867 kwam de laatste metamorfose van het Habsburgse rijk formeel
tot stand. Sindsdien waren de twee rijksdelen - Transleithanië
(Hongaars) en Cisleithanië (Oostenrijks) - nagenoeg zelfstandige
constitutionele monarchieën onder één staatshoofd.
De binnenlandse ontwikkeling van Cisleithanië tussen 1866 en 1914 werd
in hoge mate beheerst door de spanning tussen Duits en Tsjechisch
nationalisme; de Polen in Galicië steunden in het algemeen wel de
regering in Wenen, omdat deze hun het Pools als bestuurlijke voertaal
toegestaan had en hen in de gelegenheid stelde hun gezag over de
Oekraïense plattelandsbevolking te handhaven. Later kwam bij deze
problematiek nog de opkomst van politieke massabewegingen en een deels
ermee samenhangende radicalisering van het nationalisme.
Van 1867 tot 1879 regeerden in het algemeen Duits-liberale regeringen.
Een van hun eerste activiteiten was erop gericht de na het in 1855
gesloten Concordaat met Rome zeer nauw geworden verhouding tussen Kerk
en Staat weer losser te maken. Zo werden het burgerlijk huwelijk en het
openbaar onderwijs ingevoerd, terwijl in 1871 het Concordaat zelf werd
opgezegd.
Ten aanzien van het Tsjechisch verzet tegen de bestaande rijksstructuur
bleek een oplossing niet bereikbaar. Nadat Bosnië en Hercegovina na het
Congres van Berlijn in 1878 onder bestuur van de dubbelmonarchie waren
geplaatst, werd de liberale regering door de keizer, die haar verzet
tegen deze versterking van het Slavische element in het rijk niet
accepteerde, naar huis gestuurd. De nieuwe regering-Taaffe, die van 1879
tot 1893 aan de macht was, steunde op een coalitie van Duitse
conservatieven, klerikalen en gematigde vertegenwoordigers van het
Slavische bevolkingsdeel: de 'Eiserner Ring'. Zij voerde een politiek
die leidde tot een versterking van de kerkelijke invloed op het
onderwijs en tot zekere concessies aan de Tsjechen.
Na een aantal kiesrechthervormingen werd in 1907, mede onder indruk van
de Russische revolutie van 1905, het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd.
Mede hierdoor kwam een drietal grote nieuwe partijen op. Onder de Duitse
middenklasse ontstond de extreem-nationalistische 'Deutschnationale
Bewegung' onder Georg von Schönerer, antisemitisch, anti-Slavisch, vóór
de 'kleine man' en vol ontzag voor de Duitse leider Bismarck. Haar
opkomst ging vooral ten koste van de oude liberale partij. Deze verloor
ook, evenals de oude klerikale beweging, een deel van haar aanhang aan
de Christelijk Sociale Partij onder leiding van Karl Lueger. De derde
nieuwe partij was de reformistisch Sociaal-Democratische Partij onder
leiding van Viktor Adler en Karl Renner. Na verloop van tijd scheidden
in 1897 de Tsjechen zich af van deze partij.
Na de regering-Taaffe, die tenminste nog een aantal vooruitstrevende
maatregelen (spoorwegbouw, industriebevordering, ziekte- en
ongevallenverzekeringen) had doorgevoerd, kwamen zwakke regeringen aan
het bewind. Door de tegenstellingen tussen Duitsers en Tsjechen was
omstreeks de eeuwwisseling het parlementaire bestel vrijwel verlamd
geraakt. Daarbij kwam nog dat ook de internationale positie van de
dubbelmonarchie sterk verzwakte.
In 1872 kwam onder de - Hongaarse - minister van Buitenlandse Zaken
Andrassy de verzoening met Duitsland tot stand door de oprichting van de
Driekeizersbond, waarin Oostenrijk, Rusland en Duitsland zich
aaneensloten en waarvan Bismarck rugdekking tegen het Franse revanchisme
verwachtte. Al tijdens zijn leven zou echter blijken dat de
belangentegenstellingen tussen Rusland en Oostenrijk op de Balkan te
groot waren, in het bijzonder na het Congres van Berlijn (1878). Door de
oprichting van een samenwerkingsverdrag in 1894 raakten Oostenrijk en
Duitsland steeds meer geïsoleerd en op elkaar aangewezen. Toen na de
revolutie van de Jong-Turken in 1908 de Oostenrijkse regering van de
situatie gebruik maakte om Bosnië en Hercegovina geheel in de
dubbelmonarchie te incorporeren, dreigde een gewapend conflict met
Rusland.
5.8 De periode 1914-1918
In 1914 werd de moordaanslag op aartshertog Ferdinand de aanleiding tot
de Eerste Wereldoorlog. Deze zou voor het rijk een te zware belasting
blijken. De regering in Wenen werd meer en meer gehaat door de
bevolking, die vrijwel geheel onder militair gezag was gekomen. Op 21
okt. 1916 werd de Oostenrijkse minister-president, graaf Karl von
Stürghk, vermoord door Friedrich Adler. De nationaliteitenkwestie raakte
in een acuut stadium, doordat onder de geallieerden activisten voor
nationale zelfstandigheid begonnen te ijveren. Op een congres van
'Onderdrukte Oostenrijkse nationaliteiten', in april 1918 in Rome
gehouden, proclameerden Italiaanse, Poolse, Roemeense, Tsjechische en
Joegoslavische afgevaardigden hun recht op zelfbeschikking. Militair
kwam het einde van de dubbelmonarchie eind sept. 1918, toen Roemenië
zich uit de oorlog terugtrok. Op 7 okt. volgde ze het Duitse voorbeeld
en werd de geallieerden om een wapenstilstand en vredesonderhandelingen
gevraagd. Pogingen het rijk in sterk gefederaliseerde vorm nog in stand
te houden bleken midden okt. zinloos geworden, toen in Washington
verklaard werd dat men stond op onafhankelijkheid voor Tsjechoslowakije
en Joegoslavië. Deze werd op resp. 28 en 29 okt. 1918 geproclameerd. In
Hongarije werd op 1 nov. 1918 een zelfstandige Hongaarse regering
gevormd. Hierop traden op 3 nov. de drie gemeenschappelijke ministers
die de dubbelmonarchie traditioneel had, af en op 11 nov. stelde keizer
Karel I zijn bevoegdheden met betrekking tot het rijk, zonder formeel af
te treden, ter beschikking. Op 12 nov. werd door de voormalige Duitse
leden van de Reichsrat de eerste Oostenrijkse Republiek uitgeroepen.
5.9 Nieuwste geschiedenis (1919-1945)
De nieuwe republiek, waarvan de oprichters uitdrukkelijk alle
continuïteit met het verleden wilden verbreken, stond voor grote
problemen. De Weense industrie had veel van haar afzetgebieden verloren;
tussen de verschillende politieke groeperingen in het land bestonden
verre van ideale verhoudingen. Op 14 maart 1919 werd, na een periode van
veel interne chaos, tijdens welke de Oostenrijkse socialisten onder
leiding van Julius Deutsch met hun 'Volkswehr' communistische pogingen
de macht over te nemen hadden weten te verijdelen, een Grondwet aanvaard
waarbij voorzien was dat 'Deutsch Österreich' in Duitsland zou opgaan.
K. Renner werd premier van een kabinet dat op samenwerking tussen
socialisten en christelijk-socialen gebaseerd was. De Vrede van St.-Germain
van 10 sept. 1919 bracht een verdere complicatie, doordat deze de
aansluiting bij Duitsland verbood. Op 10 juni moest het kabinet-Renner,
dat tegen de moeilijkheden niet opgewassen bleek, aftreden en viel de
coalitie tussen socialisten en christelijk-socialen uiteen. Op 1 okt.
1920 kwam een nieuwe Grondwet tot stand, die in grote lijnen tot 1938
van kracht zou blijven. Hierbij werd Oostenrijk tot een Bondsrepubliek
met negen Bondslanden, die elk een eigen bestuur kregen. Een ervan werd
de stad Wenen (ca. 3 van de totale bevolking), waarvan het bestuur werd
beheerst door de socialisten, die met de overwegend katholieke rest van
het land herhaaldelijk in conflict kwamen. Bij de verkiezingen van okt.
1920 behaalden de christelijk-socialen een meerderheid, die ze tot het
einde van de republiek zouden blijven behouden. Tegenover de
verschillende, elkaar vrij snel afwisselende christelijk-sociale
regeringen vormden de sociaal-democraten de enige belangrijke
oppositiepartij.
Op 31 mei 1922 kwam onder Ignaz Seipel een christen-sociaal kabinet aan
de regering, dat de Volkenbond, waarvan Oostenrijk sedert 1920 lid was,
om steun verzocht bij de economische wederopbouw van het land. Op 4 okt.
1922 kreeg Oostenrijk een lening van de Volkenbond, die daarvoor - tot
10 sept. 1925 - toezicht kreeg op de Oostenrijkse staatsfinanciën.
Tegenstellingen tussen katholieken en socialisten kwamen op 15 juli 1927
in Wenen tot een gewelddadige uitbarsting naar aanleiding van de
vrijspraak van drie Duitse nationalisten die bij een treffen tussen
partijgangers van beide richtingen twee socialisten hadden gedood.
Bondskanselier Seipel liet het vuur op de demonstranten openen, waarbij
90 doden vielen. Hierop riepen de socialisten op tot staking, waarmee
een periode van vrijwel openlijke burgeroorlog begon. Tegenover de uit
de Volkswehr voortgekomen Sozialistischer Schutzbund werd vooral de
rechts-radicale Heimwehr actief, waarnaast ook verschillende andere, min
of meer fascistische, organisaties begonnen op te treden. Onder
kanselier Schober kwam op 6 febr. 1930 met het fascistische Italië een
vriendschapsverdrag tot stand. Door de weerslag van de economische
wereldcrisis zagen vooral de Duits-nationalisten hun kans schoon om hun
invloed te vergroten. Op 11 mei 1931 stortten met de grootste
Oostenrijkse bank, de Österreichische Kredit Anstalt, de Oostenrijkse
staatsfinanciën ineen; ten slotte gaf Groot-Brittannië een lening. Op 20
mei 1932 vormde E. Dollfuss zijn eerste kabinet. Het aan de macht komen
van Hitler in Duitsland betekende een nieuwe versteviging van de positie
van de Oostenrijkse rechtse extremisten, zodat Dollfuss door links zowel
als door rechts werd bedreigd. Op 4 maart 1933 poogde hij de situatie te
forceren door zelf alle macht in handen te nemen. In de loop van dat
jaar consolideerde hij zijn positie, maar hij bleek het toch moeilijk
geheel zonder de steun van de Heimwehr te kunnen stellen, terwijl hij
zich met betrekking tot de buitenlandse politiek gedwongen zag zich
tegen Duitsland nauwer op het Italië van
Mussolini te oriënteren. In de eerste maanden van 1934 zette hij
zijn politiek voort door de Schutzbund te doen ontbinden, de
organisaties van de nationaal-socialisten te verbieden en aan de
autonomie van het socialistische bolwerk Wenen door een bloedige
staatsgreep (febr. 1934) een einde te maken. Op 30 april 1934 werd door
de Nationalrat een nieuwe Grondwet aanvaard, die de positie van Dollfuss
legaliseerde en waarbij Oostenrijk een corporatieve staat op
rooms-katholieke grondslag werd, met sterk fascistische kenmerken.
Politiek zocht Dollfuss vooral steun bij de christen-democraten en de
Heimwehr, die een officiële status kreeg. Op 25 juli, bij een mislukte,
door de Duitse nazi's gesteunde greep naar de macht, werd Dollfuss
vermoord. De christen-democraat Schuschnigg, die hem opvolgde, zette
Dollfuss' politiek voort.
Op 1 april 1936 werd in navolging van Duitsland de dienstplicht weer
ingevoerd. Nadat Mussolini in 1936 toenadering tot Duitsland had
gevonden, was echter de zelfstandigheid van Oostenrijk vrijwel
uitzichtloos geworden. In de nacht van 11 op 12 maart 1938 leidde de
intocht van Duitse troepen de 'Anschluss' in, die op 15 maart officieel
werd geproclameerd. De belangrijkste man in het land werd de gouwleider
Joseph Bürckel. Op 1 mei 1939 werd het tot dan door Seyss-Inquart
beklede ambt van rijksstadhouder opgeheven en de integratie binnen het
Derde Rijk nog verder doorgevoerd (zie Anschluss). Zo raakte Oostenrijk
betrokken in de Tweede Wereldoorlog.
5.10 Vanaf 1945
Na de Duitse capitulatie in 1945 werd Oostenrijk door Sovjet-Russische,
Amerikaanse, Britse en Franse troepen bezet; Wenen werd in vijf sectoren
verdeeld (één voor elk van de bezetters, één gemeenschappelijke). In
sept. 1945 werd een geallieerde Raad voor Oostenrijk ingesteld. De
Oostenrijkers kregen een eigen regering, die, behalve met betrekking tot
bezettingsaangelegenheden, alle normale bevoegdheden uitoefende. Na de
verkiezingen van 25 nov. 1945 werd een katholiek-socialistische
coalitieregering gevormd, waarin ook een communist zitting kreeg. De
communisten werden in nov. 1947 in de oppositie gedrongen. Verschillende
door de westelijke geallieerden aan het eind van de jaren veertig
ondernomen pogingen tot een vredesverdrag en beëindiging van de
bezetting te komen, bleven nog steken op de weigerachtige houding van de
Sovjet-Unie. Na de verkiezingen van 1953 werd de katholiek Raab
bondskanselier. Na de val van Sovjet-premier Malenkov bleek dat de
Sovjet-Unie bereid was ten aanzien van het vredesverdrag een andere
koers in te slaan. Op 15 april 1955 kwamen Oostenrijk en de Sovjet-Unie
overeen dat de bezettingstroepen voor het einde van dat jaar uit
Oostenrijk zouden worden teruggetrokken en dat Oostenrijk een neutrale
buitenlandse politiek zou gaan voeren tussen de grote machtsblokken. Op
15 mei 1955 tekenden de ministers van Buitenlandse Zaken van de Grote
Vier te Wenen het vredesverdrag met Oostenrijk, het zgn. Staatsverdrag.
Het punt dat in de volgende jaren de buitenlandse politiek van de
republiek beheerste was de kwestie Zuid-Tirol. Pas in 1969 kwam tussen
Wenen en Rome hierover een definitieve overeenkomst tot stand. De
binnenlandse politiek bleef beheerst door de twee grote partijen, de
(rooms-katholieke) Volkspartij en de (sedert 1957 officieel niet meer
principieel marxistische) socialistische partij. De coalitie tussen
beide partijen, die vanaf het einde van de oorlog bestaan had, werd in
1966 verbroken en een regering van de Volkspartij onder leiding van
Josef Klaus kwam aan de macht. Na de verkiezingen van april 1970, waarin
de Volkspartij een nederlaag leed, werd deze regering vervangen door een
socialistische minderheidsregering onder leiding van Bruno Kreisky. Deze
slaagde erin in drie achtereenvolgende verkiezingen (1971, 1975, 1979)
zijn kwetsbare parlementaire uitgangspositie uit te bouwen tot een
comfortabele kamermeerderheid van 95 zetels voor zijn socialistische
partij (SPÖ). Oostenrijk was onder zijn leiding intern stabiel, wat hem
in toenemende mate populair maakte. Aan die populariteit werd nauwelijks
afbreuk gedaan door een ernstige politieke nederlaag: in nov. 1978 werd
bij referendum het in gebruik nemen van de kerncentrale bij Zwentendorf
verworpen. Daarna werd het gebruik van kernenergie wettelijk onmogelijk
gemaakt. Bedenkelijker voor de regering waren de schandalen waarbij de
socialistische kopstukken betrokken waren. De val van minister van
Financiën Androsch (1981) en de corruptieaffaire rond de bouw van een
algemeen ziekenhuis in Wenen wierpen hun schaduw op de verkiezingen van
1983, die de regering haar meerderheid deden verliezen. Kreisky trad af
en de SPÖ onder leiding van F. Sinowatz vormde een coalitie met de
rechtse FPÖ. Het conflict om de bouw van de hydrocentrale te Hainburg,
waartegen de milieubeweging in opstand was gekomen, liep voor deze
regering echter op een nederlaag uit (1985). In de
presidentsverkiezingen van 1986 won de ÖVP-kandidaat K. Waldheim, zij
het met moeite, van de socialistische mededinger Sinowatz. Deze trachtte
door een onthullingscampagne de verkiezing van Waldheim te verhinderen;
hij slaagde er weliswaar in de vroegere secretaris-generaal van de
Verenigde Naties wegens zijn verzwegen oorlogsverleden internationaal
onmogelijk te maken, maar leed in Oostenrijk zelf een gevoelig
prestigeverlies. In de vervroegde verkiezingen van nov. 1986 leden de
beide grootste partijen, de socialisten en de christendemocraten, een
nederlaag, terwijl de rechtse liberalen, onder de jonge en dynamische
leider J. Haider en de Groenen zetelwinst boekten. Sinowatz werd als
kanselier door partijgenoot Vranitzky afgelost. Deze vormde een
coalitieregering met de ÖVP, waarvan de voornaamste zorg was een in
discrediet geraakte president zo mogelijk buiten schot te houden en
Oostenrijk in het veranderende Midden-Europa een sterkere positie te
verzekeren. In het voorjaar van 1990 ging Oostenrijk deel uitmaken van
een 'pentagulaire entente', samen met Italië, Tsjechoslowakije,
Hongarije en het toenmalige Joegoslavië.
Naar aanleiding van rechts-extremistische uitspraken van de liberale
leider Jörg Haider besloot de Liberale Internationale in 1993 de FPÖ te
royeren. Bij referendum koos tweederde van de Oostenrijkers in juni 1994
voor aansluiting bij de EU en kwam met de toetreding van Oostenrijk,
begin 1995, een eind aan de, het land na de Tweede Wereldoorlog
opgelegde, neutraliteit.
De parlementsverkiezingen van okt. 1995 betekenden een zware nederlaag
voor de beide regeringspartijen, de socialistische SPÖ en de
conservatieve ÖVP. Samen beschikten zij echter nog over een ruime
meerderheid in het parlement. Na een breuk in het kabinet kwam het in
dec. 1995 tot vervroegde verkiezingen, die een grote overwinning
opleverden voor bondskanselier Vranitzky (SPÖ). Na moeizame
onderhandelingen kwam het tot een vierde coalitie van SPÖ en ÖVP. Begin
1997 trad Vranitzky plotseling af. Hij werd opgevolgd door zijn
partijgenoot Viktor Klima.
Telefoongids Oostenrijk
Postcodes
Oostenrijk
|