Deze
vlinder komt voor op Nieuw-Guinea en op Java. Hij houdt zich bij
voorkeur op in oerwouden, die liggen op een hoogte van 1.200 tot
1.800 meter. De grootte van de vlinder is bij beide geslachten
zeer variabel. De vleugelspanwijdte bij mannetjes varieert van
zeven tot vijftien cm. en bij vrouwtjes van acht tot achttien
cm. De vlinder is een krachtige vlieger die soms glijdend, dan
duikend op zoek is naar bloemen, zoals die van hibiscusplanten.
Kleine rupsjes eten van de top van de bladeren en de jonge
blaadjes van de waardplant Aristolochia momandul, terwijl de
oudere rupsen de grotere bladeren voor hun rekening nemen. De
waardplant groeit volop langs rivieren en beekjes.