Van deze
soort komt een grote verscheidenheid aan vormen voor in
Australië, Nieuw-Guinea en Indonesië. In Australië komen vier
ondersoorten voor, op de omringende eilanden tien. Die
ondersoorten verschillen in kleuren op de vleugels bij de
mannetjes. Die kunnen variëren van oranje, blauw en groen tot
goudkleurig. De spanwijdte bij de mannetjes is zo'n veertien cm.
Ze vliegen als het ware zeilend rond de boomtoppen en komen
alleen lager in het regenwoud om nectar uit de rode bloemen van
lantana en hibiscus te drinken. Vrouwtjes vliegen regelmatig
laag bij de grond als ze planten zoeken om eitjes op te leggen.