|
Vlinders
uit gematigde streken krijgen te maken met de winter, een periode
met zeer lage temperaturen, waarbij er geen bloemen, kruiden of
bladeren aan de bomen zijn. In tropische en subtropische gebieden is
er dan wel geen winter, maar daar zijn regelmatig perioden met een
grote droogte, die eenzelfde nadelig effect hebben op de
plantengroei. Dat soort ongunstige perioden moeten de vlinders op de
één of andere manier zien te overleven.
Om de barre wintertijden goed door te komen lassen vlinders een
soort rustperiode in, die diapauze wordt genoemd. Groei en
ontwikkeling staan dan volledig stil en met de in het lichaam
aanwezige reserves wordt zo zuinig mogelijk omgesprongen. In welk
stadium van de levenscyclus de diapauze wordt doorgemaakt, verschilt
van soort tot soort.
Heel wat vlinders in Europa zien het levenslicht in het
Middellandse-Zeegebied en trekken vervolgens naar het noorden tot in
Zweden toe. Dergelijke grote afstanden worden ieder jaar weer
afgelegd door grote aantallen distelvlinders, luzernevlinders en
gamma-uiltjes, om er maar een paar op te noemen. Deze dieren gaan in
de herfst dood zonder voor een overwinterende generatie te zorgen.
Elk jaar opnieuw zijn die vlindersoorten dus uit warme streken
afkomstig. Bij sommige soorten trekken de vlinders wel weg uit een
bepaald gebied om elders een plekje te zoeken om de winter door te
komen. De beroemdste trekvlinder is de monarchvlinder in
Noord-Amerika. Die komt in bijna heel de wereld voor, maar het
trekgedrag is speciaal voor de vlinders die vliegen van Canada tot
Midden-Amerika. Na de zomer trekken de vlinders van grote delen van
het continent over afstanden van soms meer dan drieduizend kilometer
naar het zuiden. Ze vliegen overdag met snelheden van 35 kilometer
per uur via vaste routes naar enkele bossen, onder andere in Mexico,
om juist daar de winter door te brengen. Met miljoenen tegelijk
hangen ze in de bomen dicht bij elkaar gepakt in enorme trossen (zie
foto). |
|
|
|
|
|