|
1. Fysische geografie
Panama
vormt een gebogen, ca. 700 km lange en soms slechts 55 km brede landbrug
tussen het Zuid-Amerikaanse continent en Midden-Amerika; het is
overwegend bergachtig. De belangrijkste bergketens lopen parallel aan de
Caribische kust: de vulkanische Cordillera Central (met de 3478 m hoge,
nog actieve vulkaan Chiriquí, het hoogste punt van Panama) in het
westen, en de Cordillera de San Blas en de Serranía del Darién in het
oosten. Tussen de Cordillera Central en de Cordillera de San Blas ligt
de Istmus (landengte) van Panama, een heuvelachtig laagland, dat de
Atlantische Oceaan (Caribische Zee) en de Grote Oceaan over een afstand
van (hemelsbreed) 60 km van elkaar scheidt; hier is het Panamakanaal
aangelegd. Het Darién-laagland in het oosten, tussen de gebergteketens,
is bedekt met tropisch oerwoud; de bergen zijn bebost. De kustvlakten
zijn in het algemeen smal, vooral aan de Caribische-Zeekust, en
moerassig, met grote lagunes (o.a. Lagune van Chiriquí). Van de zeer
vele rivieren zijn de belangrijkste de Río Chagres (via het Lago Madden
en Lago Gatún naar de Caribische Zee) en de Río Chucunaque, Río Tuira,
Río San Pablo en Río Chepo, die alle naar de Grote Oceaan stromen.
De dierenwereld is voornamelijk die van het tropisch regenwoud met o.a.
brulapen, neusberen en toekans. Op een ongerept eiland bedekt met bos in
het Panamakanaal is een befaamd Amerikaans onderzoeksinstituut gevestigd
(Barro Colorado Id.).
Panama heeft een tropisch regenklimaat met de grootste neerslag langs de
kust (Colón, gem. 3250 mm per jaar) en in het oosten. De droge periode
valt tussen mei en december. De temperatuur is het gehele jaar hoog en
gelijkmatig (aan de kust overdag gem. 27 °C, 's nachts gem. 18 °C).
2. Bevolking
Mestiezen
vormen het grootste deel van de bevolking (ca. 60%), blanken vormen een
minderheid (10%); voor het overige is de bevolking van Indiaanse,
Afrikaanse of Aziatische afkomst. De belangrijkste groepen van de
autochtone Indiaanse bevolking (8% van de totale bevolking) leven in de
provincies San Blas en Darién (Cuna-Indianen) en de provincies Chiriquí,
Bocas del Toro en Veraguas (Guaymí-Indianen). De bevolking is vooral
geconcentreerd in de provincie Panamá, aan weerszijden van het
Panamakanaal, en in de westelijke provincie Chiriquí, terwijl de
provincies Bocas del Toro en Darién zeer dun bevolkt zijn. De hoofdstad
Panama-Stad (625!150 inw.) herbergt 25% van de totale bevolking. 54% van
de bevolking woont in steden; na Panama-Stad zijn de grootste steden San
Miguelito 243.000 inw., Colón (137.830 inw.) en David (99.800 inw.). De
jaarlijkse bevolkingstoename bedroeg in de jaren 1985-1994 2%. In 1993
was het geboortecijfer 25‰ en het sterftecijfer 5‰. De officiële taal is
Spaans; Engels wordt in steden als Panama-Stad en Colón als tweede taal
gesproken; de Indiaanse bevolking spreekt aan het Chibcha verwante
talen.
Er is volgens de grondwet vrijheid van godsdienst. 96% van de bevolking
behoort formeel tot de Rooms-Katholieke Kerk. De kerkprovincie omvat een
aartsbisdom, vier bisdommen en één vrije prelatuur. Het merendeel van de
protestanten (ca. 2% van de bevolking) is baptist. De oorspronkelijke
Indianenbevolking is vrijwel niet tot het christendom bekeerd en hecht
aan natuurreligies.
3. Bestuur en samenleving
Volgens de grondwet van 1983 (gewijzigd in 1994) berust de wetgevende
macht bij de Asamblea Legislativa (72 leden, voor vijf jaar gekozen). De
uitvoerende macht ligt in handen van de president en twee
vice-presidenten, die om de vijf jaar in directe verkiezingen worden
gekozen. De president benoemt het kabinet. Kiesgerechtigd zijn alle
burgers van 18 jaar en ouder.
Panama is bestuurlijk verdeeld in negen provincies en een Speciaal
Territorium, met aan het hoofd een door de president benoemde
gouverneur. De provincies zijn onderverdeeld in 67 districten, en deze
in 511 corregimientos. Het feitelijke bestuur van het Panamakanaal en
een smalle strook land aan weerszijden ervan ligt gedurende een
overgangsperiode (tot 2000) in handen van een gemengd
Panamees-Noord-Amerikaanse commissie; in 2000 moet Panama ook dit
laatste gedeelte in volledig eigen beheer krijgen.
Panama is lid van de Verenigde Naties en de onderorganisaties daarvan,
van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), en van het
Latijnsamerikaanse Economische Systeem (SELA); het is een van de
medeoprichters van de Unie van Bananenexporterende landen (UPEB).
In de grondwet van 1994 werd het leger afgeschaft. De Verenigde Staten
handhaven tot het jaar 2000 een belangrijke militaire macht in de
Kanaalzone, zo'n 10!000 man sterk.
Politieke partijen. De in 1978 door generaal Omar Torrijos opgerichte
Partido Revolucionario Democrático (PRD) vormde tot 1989 en sinds 1994
de regeringspartij. Voorts zijn van belang de Alianza Pueblo Unido en de
Alianza Democrática, beide een bundeling van vroegere partijen.
De belangrijkste vakbonden zijn georganiseerd in de Consejo Nacional de
Trabajadores Organizados en de Confederación de Trabajadores de la
República de Panamá (CTRP); de meeste overige vakbonden zijn aangesloten
bij de Central Istmeña de Trabajadores (CIT, christen-democratisch) of
de communistische Confederación Nacional de Trabajadores Panameños (CNTB).
Sinds 1964 hebben de ondernemers zich georganiseerd in de Consejo
Nacional de la Empresa Privada (CONEP), welke een aanzienlijke invloed
heeft op het overheidsbeleid.
4. Economie
Bepalend
voor de economische ontwikkeling van het land is het Panamakanaal. In
1992 bedroegen de inkomsten uit de exploitatie van het kanaal $ 368, 7
miljoen, een bijdrage van 6,1% aan het bnp. De bananenteelt, sinds 1899
in handen van de Noord-Amerikaanse United Fruit Company (sinds 1969
opererend onder de naam United Brands), heeft tot 1974 tussen de 50% en
70% van de inkomsten uit export voor haar rekening genomen (in 1994:
38%). In 1980 heeft de overheid de grond van de plantages overgenomen en
aan de voormalige maatschappijen in pacht gegeven, waarmee een einde is
gekomen aan het monopolie van de grootste grootgrondbezitter; wel
behouden de bananenmaatschappijen nog aanzienlijke belangen in de
smalspoorlijnen op de plantages en in de installaties in de
uitvoerhavens van de bananen. Sinds 1970 speelt Panama een belangrijke
rol als internationaal financieel centrum. Het aandeel van de
verschillende sectoren in het bruto nationaal product (bnp) was in 1994
landbouw 11%, industrie en bouwnijverheid 16%, handel en dienstverlening
73%. Van de economisch actieve bevolking was in 1993 23% werkzaam in de
landbouw, 16% in industrie en bouwnijverheid en 61% in handel en
dienstverlening; 13,7% is werkloos. Het bnp groeide tussen 1990 en 1994
met gemiddeld 7,4% per jaar. Panama is sterk afhankelijk van economische
ontwikkelingen in het buitenland; het merendeel van de grotere
industriële bedrijven, de gehele bananenteelt en de financiële
dienstverlening zijn in buitenlandse, veelal Noord-Amerikaanse handen.
In de landbouw is naast de teelt van bananen die van rijst (vooral in
prov. Chiriquí en Veraguas), suikerriet (prov. Coclé, Veraguas, Herrera
en Chiriquí) en maïs (prov. Chiriquí en Veraguas) belangrijk; voorts
cacaobonen, koffie, tabak en tomaten. Ruim de helft van de
voedingsgewassen wordt verbouwd door boeren op zeer kleine bedrijfjes,
die mede daardoor weinig productief zijn en moeilijk aan kredieten
kunnen komen van de Banco de Desarrollo Agropecuario (Agrarische
Ontwikkelingsbank), die primair kredieten verstrekt aan de moderne
landbouw. Veehouderij wordt door de overheid gestimuleerd, waardoor het
veebestand snel is toegenomen, vooral in de prov. Chiriquí, Veraguas en
Coclé. Transportproblemen hebben de exploitatie van het bosareaal
aanzienlijk beperkt. Visserij is van groot belang; de export van
garnalen is na die van bananen het belangrijkst (goed voor 11% van de
export).
Van de aangetoonde minerale reserves (o.a. steenkool, goud en zilver)
leek vooral koper veelbelovend: de enorme voorraden van Cerro Colorado (prov.
Chiriquí) zouden worden ontgonnen door een joint venture van de Panamese
staat en de Britse Rio Tinto Zinc; voor concentratie en smelting van het
product zouden fabrieken worden gebouwd, maar inmiddels is de in 1979
begonnen winning stopgezet. Aardolie is aangetoond in het grensgebied
met Colombia en in de Golf van Panama; met steun van de Wereldbank wordt
onderzocht of exploitatie rendabel is. Sinds de nationalisatie in 1972
is de elektriciteitsproductie in handen van de staat. In 1984 werd de La
Fortuna-waterkrachtcentrale in bedrijf gesteld met een geïnstalleerde
capaciteit van 300 MW. Sindsdien wordt 90% van de elektriciteit
geproduceerd door waterkracht.
De ontwikkeling van een nationale industrie is sterk achtergebleven als
gevolg van de massale invoer van consumptiegoederen via het
Panamakanaal. Kleine en middelgrote bedrijven overwegen. Panama-Stad en
Colón zijn de concentratiepunten. De verwerking van aardolie en van
agrarische producten neemt de belangrijkste plaats in. Daarnaast worden
cement, sigaretten, leerproducten, textiel en chemische producten
vervaardigd. Vooral door de rol van het Panamakanaal zijn handel en
dienstverlening de belangrijkste bronnen van inkomsten van het land; de
invoer bestaat uit ruwe aardolie, en verder uit grondstoffen,
halffabrikaten, machines en consumptiegoederen, terwijl de export uit
aardolieproducten, bananen, garnalen en suiker bestaat. De belangrijkste
handelspartner zijn de Verenigde Staten. Door de ligging op een
kruispunt van internationale luchtlijnen trekken de belastingvrije
winkels in Panama-Stad veel toeristen. De vrijhandelszone van Colón is
na Hongkong de grootste ter wereld. Panama heeft een centrale bank met
een beperkte functie, de Banco Nacional de Panama. Het toezicht op de
banken wordt uitgeoefend door de Comisión Bancaria Nacional. De Panama
Banking Act van 1970 stimuleert vestiging van buitenlandse banken in
Panama; de afwezigheid van controle op deviezen- en kapitaalverkeer en
het gunstige belastingklimaat hebben Panama dan ook tot een van de
belangrijkste internationale financiële centra gemaakt. Alleen al in de
hoofdstad hebben 110 buitenlandse banken een filiaal. Lange tijd heeft
de economische politiek zich overwegend gericht op de stimulering van
buitenlandse investeringen door het toekennen van uitermate gunstige
belastingfaciliteiten. Sedert 1983 wordt het economische beleid
grotendeels gedicteerd door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en
de Wereldbank, die financiële steun verlenen aan structurele
aanpassingsprogramma's. Het beleid is gericht op beperking van de
overheidsuitgaven, herziening van de belastingwetgeving en stimulering
van de export, m.n. van de landbouwproducten. De buitenlandse schuld
bedroeg in 1993 $ 3,8 miljard, waarmee Panama per hoofd van de bevolking
een van de grootste schuldenlanden ter wereld is.
De belangrijkste wegverbinding is de Carretera Transistmica, die
Panama-Stad met Colón verbindt. De Carretera Panamericana, die Panama
met Costa Rica verbindt, zal doorgetrokken worden naar Colombia. Van de
in totaal 10!103 km weg is 3271 km geasfalteerd. De belangrijkste
spoorwegverbindingen zijn de in 1855 in gebruik genomen Panama Railroad
tussen Balboa en Cristóbal en het staatsbedrijf Ferrocarril Nacional de
Chiriquí; voorts beschikken de bananenmaatschappijen nog over een grote
lengte aan smalspoor op de plantages in Chiriquí en Bocas del Toro. De
onder Panamese vlag varende koopvaardijvloot is eerste op de
wereldranglijst; het grootste deel van deze schepen is van buitenlandse
rederijen en slechts om fiscale en arbeidsrechtelijke redenen in Panama
geregistreerd (zgn. 'goedkope vlag'). Behalve de twee havens aan diep
vaarwater, Balboa (bij Panama-Stad) en Cristóbal (bij Colón), zijn nog
van belang Bahía las Minas, Puerto Armuelles, Aguadulce, Alrimante en de
nieuwe visserijhaven Vacamonde. Eind 1982 werd de trans-Panamese
pijpleiding tussen de overslaghavens Puerto Armuelles aan de Grote
Oceaan en Chiriquí Grande aan de Caribische Zee operationeel. Zij is
bestemd voor de doorvoer van uit Alaska afkomstige ruwe aardolie naar de
Amerikaanse Oostkust. De pijplijn, met een lengte van 130 km en een
maximumcapaciteit van 830.000 vaten per dag, vormt een alternatief voor
supertankers die te groot zijn voor het Panamakanaal. Panama-Stad heeft
een internationale luchthaven (bij Tocumen). Voorts zijn er zes
vliegvelden voor binnenlandse lijndiensten.
5. Geschiedenis
5.1 Van 1500 tot 1940
Na eerste verkenningen van de Atlantische kust door De Bastidas (1501)
en Columbus (1502) werd de landengte van Panama door Balboa overgestoken
(1513). Wegens haar geringe breedte werd de landengte, gelegen tussen de
steden Panama en Portobelo, de belangrijkste doorgangsweg over land
tussen de Spaanse bezittingen in Zuid-Amerika aan de Grote Oceaan en aan
de Atlantische Oceaan. Panama behoorde tot het vice-koninkrijk Nieuw
Granada en verwierf zich, als onderdeel daarvan, in 1821
onafhankelijkheid. Het land verzette zich al spoedig tegen het gezag van
de centrale Colombiaanse regering, hetgeen in 1841 tot een afscheiding
leidde, die evenwel slechts een jaar duurde. De separatistische
tendensen verdwenen min of meer toen Panama een bondsstaat werd in de
Colombiaanse federatie, maar na centralisering van het bestuur in
Colombia (1886) was er sprake van voortdurende spanningen. Een met het
oog op nieuwe plannen voor het Panamakanaal door de Verenigde Staten
gesteunde lokale opstand bracht ten slotte in theorie de
onafhankelijkheid (3 nov. 1903), maar in feite een protectoraatsstatus.
Het interventierecht dat hier de grondslag van vormde, werd later sterk
ingeperkt, maar de externe afhankelijkheid is altijd een belangrijke
factor gebleven in de bepaling van het economische leven en de
binnenlandse politiek van het land. Vooral het groeiend nationalisme
heeft voor een grote mate van politieke instabiliteit gezorgd: in het
bijzonder vóór 1940 konden slechts enkele presidenten hun ambtstermijn
normaal uitdienen.
5.2 De periode 1940- 1984
In 1940-1941 en 1949-1951 regeerde Arnulfo Arias op basis van een
fascistisch georiënteerde grondwet. President José Remón (sedert 1952)
werd in 1955 vermoord. Bij de verkiezingen van 1968 won de immer
populaire Arias opnieuw met een krappe meerderheid, die echter door de
aanhangers van de zittende president en de Nationale Garde niet werd
erkend. Kort na de verkiezingen werd Arias door een staatsgreep afgezet.
De macht in het land kwam te liggen bij een militaire junta, geleid door
generaal Omar Torrijos. Torrijos streefde in zijn nationalistisch
buitenlands beleid naar Latijnsamerikaanse solidariteit tegenover de
Verenigde Staten. Hoogste prioriteit kregen de onderhandelingen met
Washington over de soevereiniteitsoverdracht van de Kanaalzone en het
kanaal. Op 7 sept. 1977 werd in de Amerikaanse hoofdstad het nieuwe
verdrag (zie Panamakanaal: § geschiedenis) plechtig getekend in
aanwezigheid van 15 Latijnsamerikaanse staatshoofden. De moeilijkheden
rond de ratificatie van het verdrag door de Amerikaanse senaat brachten
Torrijos er toe zijn binnenlands beleid te liberaliseren. Hij kondigde
amnestie aan voor de politieke ballingen en terugkeer naar de democratie
in 1984. Enkele maanden na de ratificatie (18 april 1978) trad Torrijos
terug als regeringsleider. Hij bleef echter, tot zijn dood in 1981,
commandant van de Nationale Garde en daarmee 'sterke man' van het land.
5.3 Vanaf 1984
De
verkiezingen van mei 1984 werden gewonnen door een coalitie waarin
Torrijos' Democratische Revolutionaire Partij (PRD) domineerde. Nicolás
Ardito Barletto (PRD) versloeg oudgediende Arnulfo Arias. In sept. 1985
werd Ardito gedwongen tot aftreden door de nieuwe 'sterke man' van
Panama, generaal
Manuel Noriega Morena (foto), commandant van de Nationale
Verdedigingsmacht (FDN), de vroegere Nationale Garde. In 1987 kwam
Noriega in opspraak door beschuldigingen in de Amerikaanse pers over
zijn betrokkenheid bij de moord op politieke tegenstanders,
verkiezingsfraude (in 1984) en de smokkel van cocaïne naar de Verenigde
Staten. President Eric Arturo del Valle deed in febr. 1988 een poging
Noriega uit zijn functie te ontzetten, maar werd zelf afgezet en dook
vervolgens onder. Toen uit de voorlopige uitslagen van de verkiezingen
van 7 mei 1989 duidelijk werd dat de oppositie-alliantie ADOC de
verkiezingen ging winnen, werden de verkiezingen ongeldig verklaard. Op
15 dec. wees het parlement Noriega aan als regeringsleider, die
verklaarde dat zijn land in staat van oorlog was met de Verenigde
Staten. In de nacht van 19 op 20 dec. 1989 viel een Amerikaanse
legermacht het land binnen. Guillermo Endara, presidentskandidaat van de
oppositie, werd beëdigd als president en Noriega gaf zich op 3 jan. 1990
over aan de Amerikaanse autoriteiten. In 1992 werd hij in Miami tot
veertig jaar gevangenisstraf veroordeeld. De militaire operatie kostte
ca. 500 Panamezen, vnl. burgers, het leven. De Amerikaanse invasie werd
door de meeste Latijnsamerikaanse landen en de Algemene Vergadering van
de Verenigde Naties veroordeeld als een schending van de soevereiniteit
van Panama.
Onder de burgerregering van Endara duurden de economische crisis en de
politieke instabiliteit voort. Begin 1992 werd een couppoging verijdeld.
Aan de vooravond van de algemene verkiezingen van mei 1994 viel de
regeringscoalitie van president Endara uiteen, toen de beide grootste
coalitiepartijen een eigen kandidaat naar voren schoven voor het
presidentschap. Winnaar van de verkiezingen werd Ernesto Pérez van de
Partido Revolucionario Democrático (PRD). In okt. bekrachtigde de
regering de grondwettelijke afschaffing van het leger, dat werd
vervangen door een politiemacht onder burgerbestuur. In sept. 1995
besprak president Pérez met zijn Amerikaanse ambtgenoot
Clinton de mogelijkheid van een verlenging van de Amerikaanse
militaire aanwezigheid in Panama. Het Panama-kanaal, een joint venture
met de VS, werd volgens verdrag eind 1999 aan Panama overgedragen.
Telefoongids Panama
Postcodes Panama
|