| |
De
patrijs of perdix perdix
Standvogel.
Een kleine, gedrongen veldhoen, nauwelijks half zo groot als een
kip. Bij de snorrende, kleine vlucht worden de korte, ronde
vleugels en de korte staart duidelijk zichtbaar. De
donkerbruine, hoefijzervormige vlek op de buik is bij de hen
vaak minder sterk en ontbreekt soms. De jongen zijn opvallend
bruin. Patrijzen onderscheiden zich van fazantenvrouwtjes en
-jongen door de bijzonder korte staart en korte poten.
Verspreiding en woongebied : bijna geheel Europa. Als
oorspronkelijke steppenbewoner in Midden-Europa, daarna
cultuurvogel en bewoner van het open bouwland. Sinds twee of
drie decennia bedreigd door de intensieve landbouw en het gebrek
aan weinig gebruikte, droge velden. Hagen, struikgewas langs
akkers en heesters zijn nodig ter dekking en voedingsbron.
Voortplanting : legsel in ondiep nest op de grond, verstopt
tussen de struiken. Legtijd : april, mei - één legsel - tien tot
twintig olijfbruine tot bruiniggrijze eieren. De hen broedt
24-26 dagen en voert samen met de haan de jongen, die na een
vijftal weken kunnen vliegen. De familie blijft tot in de winter
bij elkaar. Voedsel : de jongen hebben aanvankelijk kleine
dieren nodig, later alleen nog maar vegetarisch voedsel met veel
groenvoer. (foto : haan) |
|
|
|
|
|
|