header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Peru

 

Terug naar overzicht Zuid-Amerika >>

 

 

 

 


Peru (officieel: República del Perú), republiek in Zuid-Amerika, 1.280.219 km2 (exclusief 4996 km2 van het Peruaanse deel van het Titicacameer en exclusief 95 km2 van de eilanden in de Grote Oceaan), met (schatting) 22,3 miljoen inw. (17,4 inw. per km2); hoofdstad: Lima. Munteenheid is de nieuwe sol, die in 1990 de inti (100 céntimos) verving. De inti verving in 1986 de oude sol (100 centavos). Nationale feestdag is 28 juli, Onafhankelijkheidsdag.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Van west naar oost kunnen drie gebieden worden onderscheiden: de Costa, de Sierra en de Selva. De Costa omvat het vnl. woestijnachtige gebied langs de steile kust tussen de Grote Oceaan en de westelijke hellingen van het Andesgebergte. De kustvlakte is alleen in het noorden (zandwoestijn van Sechura) vrij breed (tot 160 km); zuidwaarts varieert de breedte van 30 tot 100 km. De Sierra omvat het Andesgebied. Het huidige reliëf van scherpe kammen en diepe canyons is vooral ontstaan door vergletsjering in de kwartaire ijstijden. De Andes omvat twee grote ketens, de Cordillera Occidental en de Cordillera Oriental. In het noorden van het land liggen deze ketens dicht bij elkaar. In Zuid-Peru is deze afstand groot en hier ligt de grote hoogvlakte, de Altiplano, terrasgewijs aflopend naar het Titicacameer. De Cordillera Occidental is een vrijwel aaneengesloten keten. Het hoogste gedeelte bereikt deze keten in de Cordillera Blanca, een over 180 km ononderbroken en sterk vergletsjerde keten met 29 toppen boven de 6000 m, waarvan de Huascarán met 6768 m de hoogste berg van Peru is. De Cordillera Oriental wordt onderbroken door een aantal grote dwarsdalen, quebrada's. De Selva omvat het gebied ten oosten van het Andesgebergte; hierin wordt nog onderscheid gemaakt tussen de Selva Alta (Hoge Selva) of Montaña, de oostelijke Andeshellingen, zeer sterk versneden, zodat een landschap van scherpe bergkammen tussen diepe dalen ontstaan is, en de Selva Baja (Lage Selva), de Amazonelaagvlakte.
De ligging van Peru aan de rand van een tektonisch actief gebied is de oorzaak van het optreden van vulkanische verschijnselen en aardbevingen. In Zuid-Peru zijn nog enkele vulkanen actief, o.a. El Misti (5835 m). De zwaarste aardbeving sinds eeuwen heeft zich op 31 mei 1970 voorgedaan in Midden-Peru, waarbij grote verwoestingen werden aangericht in het dal van de Río Santa (Huaylasvallei) en de steden Huaráz en Yungay van de aardbodem werden weggevaagd, alsmede rond Chimbote.
1.2 Rivieren en meren
De rivieren aan de westkust zijn, uitgezonderd de Río Santa, van weinig belang, doordat ze slechts een deel van het jaar water bevatten. Belangrijk zijn de grote brontakken van de Amazone, welke hoog tussen de Andesketens ontstaan, de Río Marañón, Río Huallaga en Río Ucayali met Río Apurímac en Río Urubamba. In Zuid-Peru ontspringt op de oosthelling van de Cordillera Oriental de Madre de Dios, die oostwaarts via de Madeira naar de Amazone stroomt. De zuidwaarts stromende Río Ramis is de belangrijkste bronrivier van het Titicacameer, op 3812 m hoogte het hoogstgelegen bevaarbare meer ter wereld, waarvan 4996 km2 tot Peru behoort.
1.3 Klimaat
Het laagland ligt geheel in het gebied van het tropische regenklimaat. Geheel anders is het klimaat van het hoogland. In de regentijd (oktober-april) ontvangt de oostelijke helling onder invloed van de passaat nog veel neerslag. De hoogvlakte en de lengtedalen liggen echter in de regenschaduw van de hoge Cordillera's. Op de zuidelijke hoogvlakten komen aanzienlijke temperatuurverschillen tussen dag en nacht voor. De westkust is droog. De wind waait hier van zuid naar noord parallel aan de kust, maar heeft onder invloed van de koude Perustroom een geringe vochtigheid, zodat bij stijging voor de kust slechts nevel en motregen (garúa) worden gevormd. Door de Perustroom zijn de temperaturen aan de kust ca. 5 °C lager dan die op dezelfde hoogte aan de Atlantische kust van Zuid-Amerika. De jaarlijkse neerslag bij Lima is gemiddeld 34 mm; vaak valt er jaren achtereen geen neerslag. Door warme noordenwinden in december kan gemiddeld eens per zeven jaar zoveel warme en vochtige lucht worden aangevoerd dat soms in één maand 25 cm valt, waardoor overstromingen voorkomen.
1.4 Plantengroei
De plantengroei bestaat wegens de klimaatverschillen uit een aantal vegetatie-eenheden. Waar mist of wolken gedurende enige tijd tegen de kustbergen of tegen de heuvels aan de voet van de Andes blijven hangen, kan de loma-vegetatie worden gevormd: een bij uitdroging van de bodem weer snel verdwijnende, zachtgroene kruidenvegetatie. Ten noorden van 8° Z.Br. is in de kuststreek nog een restant te vinden van de er vroeger algemeen voorkomende algarrobowouden. De hoge Sierra is wegens de geringe regenval overwegend dor (kustwoestijn); een begroeiing van grassen, cactussen en andere droogtebestendige planten strekt zich er uit tot aan de sneeuwgrens. Meer naar het oosten, in de Hoge Selva zijn de hellingen van de valleien met bos begroeid. Op ongeveer 3300 m maakt het bergwoud van de Montana geleidelijk plaats voor grasland en kale rotsen. Naar de Amazonelaagvlakte toe, in de Lage Selva, vindt men op de lagere hellingen hoge tropische wouden (selva's).
1.5 Dierenwereld
De zeer rijke fauna kan ruwweg in vier zones van west naar oost ingedeeld worden, nl. zeekust, kustwoestijn, Andesgebergte en Amazone-oerwoud. De koude zee met de noordwaarts gerichte Perustroom is buitengewoon visrijk en daardoor zeer rijk aan zeevogels (pelikanen, aalscholvers, enz). De kustwoestijn herbergt een gespecialiseerde fauna, waaronder een in holen in de grond broedend uiltje. Het Andesgebergte wordt bewoond door een vormenrijke dierenwereld, die vaak speciale aanpassingen aan het leven op grote hoogte vertoont; de hoogvlakten hebben soms uitgestrekte moerassen en meren met o.a. dwergfuten en reuzenkoeten. Op de hoogvlakten komen o.a. voor guanaco en vicoenja (twee bedreigde wilde lamasoorten) en tinamoes. In de bergen leven de brilbeer (zeldzaam) en talrijke merkwaardige knaagdieren als bijv. pakarana en viscacha; de chinchilla is in het wild vrijwel uitgeroeid. Bekende vogels van de hoge Andes zijn o.a. condor en Andesgans; de talrijke soorten kolibries kunnen zich onder deze extreme omstandigheden alleen handhaven door speciale aanpassingen als het doorbrengen van de ijskoude nacht in holen en spleten, waarbij de stofwisseling sterk afgeremd wordt door onderkoeling. Op grote hoogten komen zelfs nog daaraan aangepaste hagedissen voor. De westelijke uitlopers van het regenwoud van het Amazonegebied huisvesten een rijke oerwoudfauna (zeer veel vogels, apen, katachtigen, enz.), die goeddeels aansluit bij die van Brazilië. De natuurbescherming is in Peru laat op gang gekomen; jacht- en natuurbeschermingswetten blijken in de praktijk nog van weinig belang. In 1968 is het Manu National Park gesticht, dat meer dan 1 miljoen ha omvat.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Naar schatting bestaat de bevolking voor 50% uit Indianen, voor 35% uit mestiezen en 12% uit blanken; 3% is van Aziatische en Afrikaanse herkomst. De jaarlijkse bevolkingstoename bedroeg in de periode 1980-1989 2,3% per jaar; het inwonertal is van 10,3 miljoen in 1961 gestegen tot 22,3 miljoen in 1990 en zal volgens de prognoses in 2000 ruim 27 miljoen bedragen. Geboorte- en sterftecijfer waren in 1989 30 resp. 9 per duizend; de kindersterfte bedroeg 79‰. Ruim 38% van de bevolking is jonger dan 15 jaar; de gemiddelde levensverwachting bij geboorte bedraagt 62 jaar. Van de bevolking woont ca. 55% in de Costa, 35% in de Sierra en 10% in de Selva. De grootste bevolkingsconcentratie wordt gevormd door de hoofdstad Lima (inclusief Callao en de overige voorsteden in 1989 ruim 7 miljoen inw.). In 1989 woonde 70% van de bevolking in steden, tegen nog slechts 46% in 1960.
2.2 Taal
Naast het Spaans heeft sedert 1975 ook het Quechua, gesproken door de Indianen van het centrale bergland, de status van officiële taal; de Indianen rond het Titicacameer spreken Aymará en de Amazone-Indianen spreken weer een veelheid van hieraan niet-verwante talen.
2.3 Religie
Ongeveer 95% van de bevolking is rooms-katholiek. Volgens de Constitutie van 1933 is er godsdienstvrijheid, maar de Rooms-Katholieke Kerk wordt door de staat geprotegeerd. Peru heeft 7 aartsbisdommen met 12 bisdommen, 14 vrije prelaturen en 8 apostolische vicariaten. Het aantal protestanten bedroeg in 1989 ca. 150.000.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de Grondwet van 29 december 1993 is Peru een presidentiële republiek en berust de wetgevende macht bij het Congres, bestaande uit een 120 leden tellende Kamer van Afgevaardigden; allen voor een periode van 5 jaar in directe verkiezingen gekozen. De uitvoerende macht berust bij de president, die wordt gekozen voor een ambtstermijn van 5 jaar; behaalt een kandidaat bij de directe verkiezingen 36% of meer van de stemmen, dan is hij verkozen, bij een lager stemmenpercentage volgt een tweede stemronde. Er bestaat stemplicht voor burgers van 18 jaar en ouder (sinds 1980 ook voor analfabeten). De president benoemt de minister-president.
3.2 Administratieve indeling
Peru is bestuurlijk verdeeld in 24 departementen en een constitutionele provincie Callao, onderverdeeld in 156 provincies. De departementen worden bestuurd door benoemde prefecten, de districten door een rechtstreeks gekozen burgemeester.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Peru is lid van de Verenigde Naties, van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de Latijnsamerikaanse Associatie voor Integratie (ALADI), het Andes-Pact en het Latijnsamerikaanse Economische Systeem (SELA); het land participeert in de Internationale Suikerovereenkomst.
3.4 Politieke organisaties en vakbeweging
Belangrijkste partij is de coalitie Cambiogo/Nueva Mayoría van president Fujimori, op afstand gevolgd door de Union por el Pueblo de Partido Aprista, het Frente Independiente Moralizador. Verder zijn er nog negen partijen actief.
In 1975 waren 2, 5 miljoen arbeiders in vakbonden georganiseerd. De belangrijkste federatie van vakverenigingen is de uit de jaren dertig stammende Confederación de Trabajadores del Perú (CTP); daarnaast zijn van belang de communistische Confederación General de Trabajadores del Perú (CGTP) en de christen-democratische Confederación Nacional de Trabajadores (CNT). Sinds 1992 maken ze gedrieën deel uit van de Central Unica de Trabajadores Peruanos.

4. Economie
4.1 Algemeen
Traditioneel is de Peruaanse economie in sterke mate afhankelijk van de uitvoer van producten van landbouw, mijnbouw en visserij, waarvan koper, zilver, suiker, vis en vismeel, koffie, katoen en sinds enige jaren aardolie de belangrijkste zijn. In 1992 was van de beroepsbevolking (7,2 miljoen) 33% werkzaam in landbouw en visserij, 17% in industrie,bouwnijverheid en mijnbouw en 50% in de handel- en dienstensector, die in 1994 de volgende percentages aan het Bruto Nationaal Product (bnp) bijdroegen: 7, 37 en 56. Na een periode van relatief stabiele economische ontwikkeling met een jaarlijkse groei van gemiddeld 4% van het bnp in de periode 1965-1980, kreeg Peru te kampen met een economische crisis. In de jaren tachtig groeide het bnp nog slechts met gemiddeld 0,4% per jaar; per hoofd van de bevolking een daling van het bnp met in totaal 30% tussen 1981 en 1991. Sindsdien tekent zich weer groei af (ca. 4% per jaar). De inflatie was in de jaren tachtig en negentig zeer hoog: gemiddeld 495% per jaar. De buitenlandse schuld bedroeg in 1994 $ 22,6 miljard. De onder het militaire bewind doorgevoerde nationalisaties en socialisaties van de industriële sector zijn gedeeltelijk ongedaan gemaakt of functioneren nauwelijks. Het werkloosheidspercentage, officieel 7,1 in 1994, is in werkelijkheid vele malen hoger: 77,4% van de bevolking heeft niet genoeg werk om van te leven.
4.2 Landbouw, visserij, veeteelt en bosbouw
Van het totale landoppervlak is nog geen 3% in gebruik voor akkerbouw, 21% is weidegrond en 54% is met bos bedekt. Van de akkerbouwgrond wordt bijna de helft bevloeid; voor het grootste deel liggen deze geïrrigeerde terreinen in de Costa (welke 25% van het areaal omvat); de Sierra omvat 60% van het landbouwareaal, terwijl in de Selva (nu 15% van het areaal) nog grote gebieden voor landbouw geschikt te maken zijn. Van de veelal op moderne bedrijven in de Costa verbouwde producten zijn suikerriet en katoen de belangrijkste, beide voor de export; voorts rijst, druiven, tabak, groenten en fruit. De overwegend kleine bedrijfjes in de zeer intensief bebouwde Sierra produceren voedingsgewassen voor de binnenlandse markt als aardappelen, bonen, maïs, bananen, tarwe, haver, gerst, knolgewassen, quinoa en in toenemende mate exportgewassen als coca en koffie. De Selva produceert katoen, rijst, bonen en bananen. De meeste bedrijven in de Costa zijn als productiecoöperatie opgezet, terwijl in de Sierra naast de dienstverlenende coöperaties nog ruim de helft van de grond bewerkt wordt door de inheemse gemeenschappen ( 'Comunidades Indígenas'). Rundvee- en varkenshouderij vinden vooral plaats in de kustvlakten (zuivelproductie) en op de hoogvlakten in de Sierra; in de Sierra overweegt de schapenteelt (naast alpaca en lama).
Van groot economisch belang is de zeevisserij (23, 6% van de exportwaarde); na een sterke teruggang in de vangsten van ansjovis en tonijn in 1972 en 1982/1983 (gevolg van overbevissing en veranderingen in de Humboldtstroom voor de kust, waardoor de visgronden tijdelijk verdwenen) leefde de visserij toch steeds weer op. Het staatsvisserijbedrijf Pescaperu heeft sinds 1981 niet langer het monopolie van vangst, verwerking en verkoop. Ansjovis wordt grotendeels verwerkt tot vismeel en visolie (centrum Chimbote); overige vis wordt diepgevroren of als conserven uitgevoerd. Van de aanwezige houtvoorraad wordt slechts een zeer gering deel geëxploiteerd; de productie van hardhout is onvoldoende voor de binnenlandse behoefte. Uitbreiding van de bosbouw heeft grote prioriteit, waarbij vooral het transportprobleem de aandacht heeft. In de Sierra wordt hout vooral als energiebron gebruikt, hetgeen al geleid heeft tot grote ecologische problemen (erosie).
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
De exploitatie van delfstoffen is van groot belang voor de Peruaanse economie. Peru is vanouds een belangrijke zilverproducent (tweede op de wereldranglijst) en bekleedt de zevende plaats op de ranglijst van koperproducenten, terwijl de uitvoer van aardolie een belangrijke bijdrage aan de deviezenontvangsten levert. De mijnbouw was sedert 1906 in handen van Noord-Amerikaanse maatschappijen en sedert 1974 gedeeltelijk in handen van de staatsmaatschappij CENTROMIN. Het grootste aandeel in de koperwinning hebben de mijnen van Toquepala en Cuajone. Het kopererts wordt grotendeels in Peru zelf geconcentreerd en gesmolten, en voor slechts de helft in het land geraffineerd. Andere belangrijke kopermijnen zijn die van Tintaya (bij Yauri), La Oraya en van Cerro Verde. Van belang zijn voorts de winning van zink (vierde op de wereldranglijst), lood, bismut, goud, cadmium, selenium en nog enkele andere zeldzame metalen, vaak in combinatie met koper en zink; ijzererts wordt bij Marcona gewonnen. De winning van uranium (een van de grootste vindplaatsen in Zuid-Amerika) bij Marochoca (dept. Junín) is van groot belang, zo ook (nog steeds) die van guano (voor gebruik als meststof) op enkele eilanden voor de kust. De Sechurawoestijn levert kali en fosfaten.
De aardoliewinning, verwerking en verkoop is sedert 1968 deels in handen van de staatsmaatschappij PETROPERÚ. Sinds de ingebruikneming (1977) van de oliepijpleiding van San José (in de Selva, aan de Río Marañón) naar Bayóvar aan de kust (835 km), zijn de belangrijke olievelden in de Selva in productie genomen. De Noord-Amerikaanse oliemaatschappij BELCO wint offshore aardolie bij Talara. Peru is zelfvoorzienend voor aardolie, eenderde wordt geëxporteerd.
Bij de energievoorziening van het land speelt de enorme waterkrachtreserve een grote rol; van het geïnstalleerd elektrisch vermogen (ca. 14 miljard kWh) bestaat 75% uit waterkrachtcentrales (Río Mantaro; Huinco). De staatselektriciteitsmaatschappij ELECTROPERÚ heeft het grootste deel van de openbare elektriciteitsproductie en -distributie in beheer. Niettemin zit 70% van de bevolking zonder stroom.
4.4 Industrie
De verwerking van primaire producten uit landbouw, mijnbouw en visserij neemt nog steeds een belangrijke plaats in de Peruaanse industrie in; daarnaast is de productie van transportmiddelen en elektronica van belang. Ondanks de hervorming van de industriële sector en de nationalisaties sinds 1968 is de invloed van buitenlands kapitaal belangrijk gebleven en is de invloed van de arbeiders (via winstdeling en medezeggenschap in Comunidades Industriales en Empresas de Propiedad Social) beperkt gebleven. De staatsondernemingen en genationaliseerde bedrijven worden beheerd door het in 1972 opgerichte INDUPERÚ, dat tevens tot taak heeft een decentralisatie van de industriële ontwikkeling tot stand te brengen. Lima-Callao is het industriële centrum van het land (voedingsmiddelen, dranken, tabaksartikelen, textiel, elektronika, glas, rubber en cement). Andere belangrijke industriecentra zijn Chimbote (vismeel, visolie, visconserven, staalindustrie), Chiclayo (suiker) en Trujillo (auto's, tractoren, machines, motoren en suiker); voorts Arequipa (textiel en zuivelproducten), Cuzco (textiel, kunstmest), Ilo (koperraffinage) en La Oroya (koper- en zinksmelterij, metallurgie). Er zijn aardolieraffinaderijen in Talara, Lima, Tumbes, Iquitos, Conchán, Pucallpa en Bayóvar. Bij Nazca is een staalcomplex.
4.5 Handel
Tegenwoordig is cocaïne (in de vorm van zowel poeder als pasta) naast koper Peru's belangrijkste exportproduct, maar de opbrengst daarvan onttrekt zich voor het grootste deel aan het officiële geldcircuit. Naast koper zijn ook zilver, vismeel, zink, koffie, ijzer en katoen belangrijke officiële exportartikelen. De belangrijkste handelspartners zijn de Verenigde Staten, Japan en de EU, en voorts de buurlanden van het Andes-Pact. Ingevoerd worden vooral grondstoffen, halffabrikaten, machines en voedingsmiddelen.
4.6 Bankwezen
De in 1922 opgerichte Banco Central de Reserva del Perú fungeert als centrale bank. Sinds de bankwet van 1991 is het gehele bankwezen verregaand geliberaliseerd.
4.7 Economische planning
De regering-Fujimori is teruggekomen op de voorheen min of meer geleide economie. Liberalisering en privatisering blijken effectiever dan sturing. Na een periode waarin het economische beleid gekenmerkt werd door protectie, bevordering van de industrialisatie, landhervorming en een belangrijke rol voor staatsondernemingen (1968-1975; 1985-1989), ligt vanaf 1990 de nadruk op liberalisering van de economie, beperking van subsidies en andere overheidsuitgaven, inflatiebestrijding en de herintegratie van de Peruaanse economie in het internationale financiële systeem. Sinds 1993 zit de economie weer in de lift.
4.8 Verkeer
De geografische structuur van het land veroorzaakt grote transportproblemen. Het grootste deel van het transport geschiedt over de weg. De lengte van het wegennet bedraagt ca. 70!000 km (11% geasfalteerd). De belangrijkste verkeersaders zijn de Carretera Panamericana (ca. 3400 km) van noord naar zuid grotendeels langs de kust, de Carretera Central Transandino, van Lima-Callao oostwaarts, die via La Oroya en Pucallpa in de toekomst aansluiting zal geven op de Braziliaanse Transamazone-snelweg, en de deels voor verkeer geopende, deels in aanleg verkerende Carretera Marginal de la Selva aan de oostzijde van het Andesgebergte. Het spoorwegnet (2121 km), voor ruim 70% in handen van de staatsspoorwegmaatschappij ENAFERPERÚ, bestaat uit negen onderling niet verbonden lijnen. De binnenvaart speelt vooral een rol in het Amazonegebied (havens zijn Pucallpa en Iquitos) en op het Titicacameer. Het merendeel van de in- en uitvoer loopt via de zeehaven Callao; van de overige 25 zeehavens zijn van belang Chimbote (visserij), Talara (olie), Mollendo, Matarani, Ilo, Pisco, Salaverry, Bayóvar en Paita. De staatscheepvaartmaatschappij Corporación Peruana de Vapores (CPV) beschikt over een koopvaardijvloot van ruim 600 schepen, waarvan een twintigtal tankers.
Behalve de internationale luchthavens van Lima (Jorge Chávez), Iquitos, Artequipa en Cuzco beschikt het land over ruim 300 vliegvelden en landingsstrips, waarvan er zeven geschikt zijn voor grotere vliegtuigen. De luchtvaartmaatschappij AEROPERÚ verzorgt het internationale vliegverkeer en een deel van het binnenlandse luchtverkeer, dit laatste samen met de particuliere Faucett. Bijna het gehele net voor telecommunicatie is in handen van de staatsmaatschappij ENTELPERÚ, die in 1993 werd geprivatiseerd.

5. Geschiedenis
5.1 Prehistorie; Peru tot 1532
De oudste inheemse bewoners hadden deel aan een cultuur die te lokaliseren is in een gebied dat groter was dan de huidige republiek Peru en dat ter onderscheiding hiervan wel Groot-Peru wordt genoemd. Dit omvatte in een brede strook het grootste deel van het westelijk kustgebied en het aangrenzende hoogland van Zuid-Amerika. Groot-Peru leverde wat Zuid-Amerika betreft het belangrijkste aandeel in de precolumbiaanse kunst.
De oudste opgegraven voorwerpen (bewerkte stenen messen) wijzen op een jagerscultuur. Bij Lauricocha in het hoogland konden vondsten worden gedateerd op het 7de millennium v.C. Het begin van een hogere cultuur valt met het begin van de akkerbouw samen. Tot de plantaardige overblijfselen behoorde reeds katoen (ook weefselresten). Andere organische vondsten wijzen op het bestaan van andere nederzettingen aan de kust, vnl. uit het 4de millennium. Opvallend is het ontbreken van keramiek in de oudste lagen, op grond waarvan men de tijd van de oude jagers en landbouwers wel de prekeramische noemt.
De eerste tekenen van het bestaan van een cultureel georganiseerde maatschappij die tot gemeenschappelijke arbeid en eredienst (van een katachtige godheid) in staat was, werden in het noorden in het hoogland in Chavín de Huántar, in het zuiden aan de kust op het cultureel jongere Parácas gevonden. Met Chavín nam in het eerste millennium v.C. een hoge cultuur met ook een artistieke productie vrij plotseling een aanvang. Gelijktijdig bloeide aan de noordkust een aantal culturen, o.a. Cupisnique. Elementen van de Chavín-cultuur zijn terug te vinden in de Mochica sprekende cultuur in de dalen van de Moche en de Chicama (zie Moche). In het zuiden bloeide terzelfder tijd de Nazca-cultuur. Op het einde van het eerste millennium n.C. nam voor enkele eeuwen de bloei van de Tiahuanaco geheten en in het zuidelijke hoogland geconcentreerde cultuur een aanvang. In het tweede millennium n.C. bestonden aan de zuid-, midden- en noordkust resp. de Ica-, Chancay- en Chimu-culturen, alle in de 15de eeuw onder de voet gelopen door de Inka, afkomstig uit het centrale hoogland (centrum: Cuzco), die, toen zij in de 16de eeuw zelf door de Spanjaarden werden onderworpen, geheel Groot-Peru beheersten.
5.2 De Spaans-koloniale periode
Gebruik makend van de strijd tussen de beide koningszonen Atahualpa en Huascar, onder wie in 1526, na de dood van hun vader, Huayna Capac, het Inkarijk was verdeeld, landde Francisco Pizarro in 1532, na twee eerdere mislukte pogingen (1524 en 1527). Hij vermoordde Atahualpa, bezette de stad Cuzco en stelde een derde zoon van Huayna Capac, Manco, tot Inka aan. De grenzeloze wreedheid van de Spanjaarden bracht Manco tot opstand (1535-1544), terwijl ook Pizarro's onderbevelhebber Almagro aan het muiten sloeg (1537-1538). Pizarro werd in 1541 vermoord. Zijn gelijknamige zoon eigende zich de functie van kapitein-generaal toe. De door Karel V gezonden rechter Vaca de Castro zette hem af en liet hem terechtstellen. De aanstelling van Nuñez de Vela tot vice-koning, met de opdracht de Indianen te beschermen, was de aanleiding tot een nieuwe opstand van de conquistadores onder Pizarro's broer Gonzalo (1544-1548), die door Pedro La Gasca werd overwonnen en onthoofd. Zware dwangarbeid deed de Indiaanse bevolking wegkwijnen. In 1739 werd het vice-koninkrijk Nieuw-Granada (Colombia, Venezuela en Panama) en in 1776 dat van Río de la Plata (Argentinië, Uruguay, Paraguay) van het vice-koninkrijk Peru afgescheiden. Zoals geheel Spaans Amerika leed ook Peru sterk onder het monopolie van handel en nijverheid van het moederland. De zilvermijnen in het huidige Bolivia vormden nagenoeg de enige bron van inkomsten. Lima was het centrum van het koloniaal gezag. Een mislukte Indianenopstand onder Inka Tupac Amaru (1780-1781) had tot gevolg dat van regeringswege pogingen werden ondernomen de assimilatie van de Indianen te bevorderen. Een landing van revolutionairen uit Argentinië en Chili onder José de San Martín (1820) maakte ten slotte de onafhankelijksheidsverklaring mogelijk (28 juli 1821). Daarop volgde een strijd met de Spanjaarden, die zich in het zuiden hadden teruggetrokken. Pas na de hulp die Bolivar verleende, kon de onafhankelijkheid bevestigd worden; in 1824 werden de Spanjaarden bij Ayacucho verslagen.
5.3 Onafhankelijk Peru
Peru werd opgenomen in Bolivars Groot-Colombia, waaruit Peru zich in 1827 losmaakte. Na een rustperiode onder generaal Ramón Castilla (1845-1851 en 1855-1862) brak een conflict uit met Spanje (1863-1871/1879). Fataler was echter de strijd, aan de zijde van Bolivia, tegen Chili in de Guerra del Pacífico, de zgn. salpeteroorlog (1879-1883), waarbij het land de provincie Tarapaca verloor en feitelijk ook de voor tien jaar afgestane provincies Tacna en Arica. Door het verlies van de rijke guanolagen werd het land vrijwel geruïneerd. Van de elkaar nu snel opvolgende militaire dictaturen bracht pas die van generaal Piérola (1895-1899) enig herstel, dat zich onder de presidenten Pardo (1904-1908 en 1915-1919) en Leguía (1908-1912 en 1919-1930) doorzette, zij het dat de buitenlandse schuld zich in de tweede regeringsperiode van deze laatste meer dan vertienvoudigde. Na een nieuwe chaotische periode herstelde generaal Benavides een krachtig gezag (1933-1939), dat een zekere bijdrage leverde tot de overwinning van de economische depressie die, mede als gevolg van de wereldcrisis van 1930, was ontstaan. Zijn regime, alsook dat van zijn opvolger Manuel Prado (1939-1945), werd echter geconfronteerd met de sinds 1924 opgekomen APRA-beweging, een linkse, niet-communistische massapartij, hoofdzakelijk steunend op de jonge radicaal gezinde middenklasse. Na eerst elke vorm van politieke samenwerking met de heersende klassen te hebben afgewezen, bleek de APRA in 1945 bereid om de officiële hervormingsgezinde kandidaat Bustamante te ondersteunen. Aan diens precaire bewind kwam reeds in 1948 een einde door een staatsgreep van de latere dictator Odría (1948-1956), die - gebruik makend van de gunstige exportconjunctuur en buitenlandse investeringen - een op de steden georiënteerd welvaartsbeleid voerde, dat echter met toenemende inflatie gepaard ging. In 1956 kwam Manuel Prado opnieuw aan de macht. Uit de verkiezingen van 1962 kwam voor de eerste maal de leider van de APRA, Haya de la Torre, met een kleine - zij het geen absolute - meerderheid te voorschijn. Nieuwe verkiezingen van 1963 brachten de overwinning van de gematigd progressieve kandidaat Belaúnde Terry, wiens regering veel aandacht besteedde aan de verbetering van de economische infrastructuur.
5.4 Het militaire bewind (1968-1978)
Zijn bewind werd echter in 1968 omvergeworpen door het leger dat - geleid door de nieuwe president, Juan Velasco Alvarado, - een revolutionair-nationalistisch bewind vestigde en een diepgaand structuurprogramma entameerde, waarin o.a. de nationalisatie van Amerikaanse aardoliebelangen, de landhervorming en de radicale industriewetgeving waren opgenomen. Ondanks de vergaande hervormingen brak eind 1971 een periode aan van sociale onrust in het land, mede veroorzaakt door de ambivalente houding van de militaire junta van Velasco: aan de ene kant achtte zij publieke steun belangrijk voor het slagen van de 'Peruaanse Revolutie', aan de andere kant vreesde zij dat de volksbeweging een eigen, niet meer door haar te controleren dynamiek zou krijgen. In aug. 1975 vond een staatsgreep plaats, waarbij Velasco werd afgezet en vervangen door generaal Francisco Morales Bermudez. Onder druk van het IMF begon Morales Bermudez de hervormingen van zijn voorganger terug te draaien. Zijn rigoureuze bezuinigingen riepen toenemend verzet bij de bevolking op, dat met harde hand werd onderdrukt. In 1977 kondigde hij de terugkeer naar de burgerlijke democratie aan.
5.5 Terugkeer naar burgerlijk bestuur
De verkiezingen voor de grondwetgevende vergadering in 1978 werden gewonnen door de APRA. Voor de presidentsverkiezingen van 1980 steunden de militairen de kandidatuur van APRA-leider Haya de la Torre. Diens dood (aug. 1979) veroorzaakte grote verdeeldheid binnen de beweging en maakte de weg vrij voor de overwinning van ex-president Belaúnde Terry en zijn partij, de Acción Popular. De nieuwe regering zette het liberale economische beleid van haar voorganger voort. In jan. 1981 laaide het oude territoriale dispuut met Ecuador over een deel van het Amazonegebied op tot een korte grensoorlog. Een ernstiger bedreiging voor de politieke stabiliteit vormden de toename van de illegale handel in cocaïne (Peru is de voornaamste producent van de grondstof coca) en de gewapende strijd waartoe de maoïstische guerrillabeweging Sendero Luminoso ( 'Lichtend Pad') vanaf 1980 overging. De ontevredenheid van de bevolking over het beleid van president Belaúnde leidde tot een groeiende aanhang voor de APRA en de IU (Izquierda Unida = Verenigd Links). De verkiezingen van april 1985 werden gewonnen door de APRA. Op 28 juli 1985 werd Alan García Pérez van de APRA als president geïnstalleerd. Hij beloofde het terrorisme te verslaan en de economische teruggang te stoppen. Na een aanvankelijke opleving in 1986 en 1987 klapte de economie in 1988 volledig ineen. De ernstige daling van het levenspeil maakte een einde aan de aanvankelijk grote populariteit van García. Ook het feit dat onder zijn bewind de schendingen van de mensenrechten door het regeringsleger toenamen en de acties van Sendero Luminoso zich vanuit de regio rond Ayacucho verder uitbreidden over grote delen van het land, waaronder ook Lima, leidden tot zijn voortijdig aftreden in 1988. Nadat IU door interne tegenstellingen aan belang had ingeboet, kwam de voornaamste oppositie van de door de schrijver Mario Vargas Llosa aangevoerde rechts-liberale beweging Libertad. De onbekende kandidaat van de beweging Cambio 90, Alberto Fujimori, veroverde echter, dankzij de steun van de APRA en de linkse partijen, die fel gekant waren tegen de economische plannen van Vargas Llosa, in 1990 het presidentschap. De levensomstandigheden verslechterden echter verder, waardoor in 1991 de helft van de bevolking, merendeels Indianen, onder de absolute armoedegrens kwam te verkeren. In april 1992 trok Fujimori alle macht aan zich door het Congres te ontbinden (autogolpe of 'zelfcoup'). Ruim een week voor de verkiezingen in nov. 1992 was er een poging tot staatsgreep die werd verijdeld. Fujimori's partij won de verkiezingen.
De in sept. 1992 door de politie gearresteerde leider van Sendero Luminoso, Abimael Guzmán Renoso, en enkele andere kopstukken werden tot levenslang veroordeeld. De guerrillabeweging, die inmiddels vele duizenden doden op haar geweten had, zette een nieuw offensief in.
De gemeenteraadsverkiezingen van jan. 1993 leverden veelal een overwinning op voor onafhankelijke kandidaten. De oude partijen behaalden slechts eenderde van de stemmen. Na de terugval van de economie in het begin van de jaren negentig bedroeg de groei in 1993 ruim 6% en in 1994 zelfs meer dan 10%. De lonen waren in 1994 echter nog maar 40% van die in 1987. Een terugval van de economische groei tot minder dan 4% dwong Fujimori in 1996 tot een nieuw akkoord met het IMF.
In 1995 werd de autoritaire Fujimori met ruime meerderheid herkozen als president. Ook bij de parlementsverkiezingen behaalde Fujimori's partij een absolute meerderheid. De traditionele partijen, zoals de APRA en de Acción Popular (AP), kwamen er in het geheel niet aan te pas.
Nadat Sendero Luminoso enkele zware slagen was toegebracht (tot tweemaal toe werd een groot deel van de leiding gearresteerd) kreeg Fujimori eind 1996 te maken met de Revolutionaire Beweging Tupac Amaru (MRTA). De stedelijke guerrilleros gijzelden in de residentie van de Japanse ambassadeur aanvankelijk ruim 400 personen. Maandenlang hielden zij meer dan 70 hooggeplaatste functionarissen in gijzeling, die, zo luidde de eis, geruild zouden moeten worden tegen honderden gevangengenomen Tupac Amaru-strijders. De regering-Fujimori weigerde op die eis in te gaan. De sociale tegenstellingen in Peru zijn schrijnend. De Indiaanse meerderheid van de bevolking leeft in zeer armelijke omstandigheden.

Telefoongids Peru
Postcodes Peru

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009