|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Van west naar oost kunnen drie gebieden worden onderscheiden: de Costa,
de Sierra en de Selva. De Costa omvat het vnl. woestijnachtige gebied
langs de steile kust tussen de Grote Oceaan en de westelijke hellingen
van het Andesgebergte. De kustvlakte is alleen in het noorden
(zandwoestijn van Sechura) vrij breed (tot 160 km); zuidwaarts varieert
de breedte van 30 tot 100 km. De Sierra omvat het Andesgebied. Het
huidige reliëf van scherpe kammen en diepe canyons is vooral ontstaan
door vergletsjering in de kwartaire ijstijden. De Andes omvat twee grote
ketens, de Cordillera Occidental en de Cordillera Oriental. In het
noorden van het land liggen deze ketens dicht bij elkaar. In Zuid-Peru
is deze afstand groot en hier ligt de grote hoogvlakte, de Altiplano,
terrasgewijs aflopend naar het Titicacameer. De Cordillera Occidental is
een vrijwel aaneengesloten keten. Het hoogste gedeelte bereikt deze
keten in de Cordillera Blanca, een over 180 km ononderbroken en sterk
vergletsjerde keten met 29 toppen boven de 6000 m, waarvan de Huascarán
met 6768 m de hoogste berg van Peru is. De Cordillera Oriental wordt
onderbroken door een aantal grote dwarsdalen, quebrada's. De Selva omvat
het gebied ten oosten van het Andesgebergte; hierin wordt nog
onderscheid gemaakt tussen de Selva Alta (Hoge Selva) of Montaña, de
oostelijke Andeshellingen, zeer sterk versneden, zodat een landschap van
scherpe bergkammen tussen diepe dalen ontstaan is, en de Selva Baja
(Lage Selva), de Amazonelaagvlakte.
De ligging van Peru aan de rand van een tektonisch actief gebied is de
oorzaak van het optreden van vulkanische verschijnselen en aardbevingen.
In Zuid-Peru zijn nog enkele vulkanen actief, o.a. El Misti (5835 m). De
zwaarste aardbeving sinds eeuwen heeft zich op 31 mei 1970 voorgedaan in
Midden-Peru, waarbij grote verwoestingen werden aangericht in het dal
van de Río Santa (Huaylasvallei) en de steden Huaráz en Yungay van de
aardbodem werden weggevaagd, alsmede rond Chimbote.
1.2 Rivieren en meren
De rivieren aan de westkust zijn, uitgezonderd de Río Santa, van weinig
belang, doordat ze slechts een deel van het jaar water bevatten.
Belangrijk zijn de grote brontakken van de Amazone, welke hoog tussen de
Andesketens ontstaan, de Río Marañón, Río Huallaga en Río Ucayali met
Río Apurímac en Río Urubamba. In Zuid-Peru ontspringt op de oosthelling
van de Cordillera Oriental de Madre de Dios, die oostwaarts via de
Madeira naar de Amazone stroomt. De zuidwaarts stromende Río Ramis is de
belangrijkste bronrivier van het Titicacameer, op 3812 m hoogte het
hoogstgelegen bevaarbare meer ter wereld, waarvan 4996 km2 tot Peru
behoort.
1.3 Klimaat
Het laagland ligt geheel in het gebied van het tropische regenklimaat.
Geheel anders is het klimaat van het hoogland. In de regentijd (oktober-april)
ontvangt de oostelijke helling onder invloed van de passaat nog veel
neerslag. De hoogvlakte en de lengtedalen liggen echter in de
regenschaduw van de hoge Cordillera's. Op de zuidelijke hoogvlakten
komen aanzienlijke temperatuurverschillen tussen dag en nacht voor. De
westkust is droog. De wind waait hier van zuid naar noord parallel aan
de kust, maar heeft onder invloed van de koude Perustroom een geringe
vochtigheid, zodat bij stijging voor de kust slechts nevel en motregen (garúa)
worden gevormd. Door de Perustroom zijn de temperaturen aan de kust ca.
5 °C lager dan die op dezelfde hoogte aan de Atlantische kust van
Zuid-Amerika. De jaarlijkse neerslag bij Lima is gemiddeld 34 mm; vaak
valt er jaren achtereen geen neerslag. Door warme noordenwinden in
december kan gemiddeld eens per zeven jaar zoveel warme en vochtige
lucht worden aangevoerd dat soms in één maand 25 cm valt, waardoor
overstromingen voorkomen.
1.4 Plantengroei
De plantengroei bestaat wegens de klimaatverschillen uit een aantal
vegetatie-eenheden. Waar mist of wolken gedurende enige tijd tegen de
kustbergen of tegen de heuvels aan de voet van de Andes blijven hangen,
kan de loma-vegetatie worden gevormd: een bij uitdroging van de bodem
weer snel verdwijnende, zachtgroene kruidenvegetatie. Ten noorden van 8°
Z.Br. is in de kuststreek nog een restant te vinden van de er vroeger
algemeen voorkomende algarrobowouden. De hoge Sierra is wegens de
geringe regenval overwegend dor (kustwoestijn); een begroeiing van
grassen, cactussen en andere droogtebestendige planten strekt zich er
uit tot aan de sneeuwgrens. Meer naar het oosten, in de Hoge Selva zijn
de hellingen van de valleien met bos begroeid. Op ongeveer 3300 m maakt
het bergwoud van de Montana geleidelijk plaats voor grasland en kale
rotsen. Naar de Amazonelaagvlakte toe, in de Lage Selva, vindt men op de
lagere hellingen hoge tropische wouden (selva's).
1.5 Dierenwereld
De zeer rijke fauna kan ruwweg in vier zones van west naar oost
ingedeeld worden, nl. zeekust, kustwoestijn, Andesgebergte en
Amazone-oerwoud. De koude zee met de noordwaarts gerichte Perustroom is
buitengewoon visrijk en daardoor zeer rijk aan zeevogels (pelikanen,
aalscholvers, enz). De kustwoestijn herbergt een gespecialiseerde fauna,
waaronder een in holen in de grond broedend uiltje. Het Andesgebergte
wordt bewoond door een vormenrijke dierenwereld, die vaak speciale
aanpassingen aan het leven op grote hoogte vertoont; de hoogvlakten
hebben soms uitgestrekte moerassen en meren met o.a. dwergfuten en
reuzenkoeten. Op de hoogvlakten komen o.a. voor guanaco en vicoenja
(twee bedreigde wilde lamasoorten) en tinamoes. In de bergen leven de
brilbeer (zeldzaam) en talrijke merkwaardige knaagdieren als bijv.
pakarana en viscacha; de chinchilla is in het wild vrijwel uitgeroeid.
Bekende vogels van de hoge Andes zijn o.a. condor en Andesgans; de
talrijke soorten kolibries kunnen zich onder deze extreme omstandigheden
alleen handhaven door speciale aanpassingen als het doorbrengen van de
ijskoude nacht in holen en spleten, waarbij de stofwisseling sterk
afgeremd wordt door onderkoeling. Op grote hoogten komen zelfs nog
daaraan aangepaste hagedissen voor. De westelijke uitlopers van het
regenwoud van het Amazonegebied huisvesten een rijke oerwoudfauna (zeer
veel vogels, apen, katachtigen, enz.), die goeddeels aansluit bij die
van Brazilië. De natuurbescherming is in Peru laat op gang gekomen;
jacht- en natuurbeschermingswetten blijken in de praktijk nog van weinig
belang. In 1968 is het Manu National Park gesticht, dat meer dan 1
miljoen ha omvat.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Naar schatting bestaat de bevolking voor 50% uit Indianen, voor 35% uit
mestiezen en 12% uit blanken; 3% is van Aziatische en Afrikaanse
herkomst. De jaarlijkse bevolkingstoename bedroeg in de periode
1980-1989 2,3% per jaar; het inwonertal is van 10,3 miljoen in 1961
gestegen tot 22,3 miljoen in 1990 en zal volgens de prognoses in 2000
ruim 27 miljoen bedragen. Geboorte- en sterftecijfer waren in 1989 30
resp. 9 per duizend; de kindersterfte bedroeg 79‰. Ruim 38% van de
bevolking is jonger dan 15 jaar; de gemiddelde levensverwachting bij
geboorte bedraagt 62 jaar. Van de bevolking woont ca. 55% in de Costa,
35% in de Sierra en 10% in de Selva. De grootste bevolkingsconcentratie
wordt gevormd door de hoofdstad Lima (inclusief Callao en de overige
voorsteden in 1989 ruim 7 miljoen inw.). In 1989 woonde 70% van de
bevolking in steden, tegen nog slechts 46% in 1960.
2.2 Taal
Naast het Spaans heeft sedert 1975 ook het Quechua, gesproken door de
Indianen van het centrale bergland, de status van officiële taal; de
Indianen rond het Titicacameer spreken Aymará en de Amazone-Indianen
spreken weer een veelheid van hieraan niet-verwante talen.
2.3 Religie
Ongeveer 95% van de bevolking is rooms-katholiek. Volgens de Constitutie
van 1933 is er godsdienstvrijheid, maar de Rooms-Katholieke Kerk wordt
door de staat geprotegeerd. Peru heeft 7 aartsbisdommen met 12
bisdommen, 14 vrije prelaturen en 8 apostolische vicariaten. Het aantal
protestanten bedroeg in 1989 ca. 150.000.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de Grondwet van 29 december 1993 is Peru een presidentiële
republiek en berust de wetgevende macht bij het Congres, bestaande uit
een 120 leden tellende Kamer van Afgevaardigden; allen voor een periode
van 5 jaar in directe verkiezingen gekozen. De uitvoerende macht berust
bij de president, die wordt gekozen voor een ambtstermijn van 5 jaar;
behaalt een kandidaat bij de directe verkiezingen 36% of meer van de
stemmen, dan is hij verkozen, bij een lager stemmenpercentage volgt een
tweede stemronde. Er bestaat stemplicht voor burgers van 18 jaar en
ouder (sinds 1980 ook voor analfabeten). De president benoemt de
minister-president.
3.2 Administratieve indeling
Peru is bestuurlijk verdeeld in 24 departementen en een constitutionele
provincie Callao, onderverdeeld in 156 provincies. De departementen
worden bestuurd door benoemde prefecten, de districten door een
rechtstreeks gekozen burgemeester.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Peru is lid van de Verenigde Naties, van de Organisatie van Amerikaanse
Staten (OAS), de Latijnsamerikaanse Associatie voor Integratie (ALADI),
het Andes-Pact en het Latijnsamerikaanse Economische Systeem (SELA); het
land participeert in de Internationale Suikerovereenkomst.
3.4 Politieke organisaties en vakbeweging
Belangrijkste partij is de coalitie Cambiogo/Nueva Mayoría van president
Fujimori, op afstand gevolgd door de Union por el Pueblo de Partido
Aprista, het Frente Independiente Moralizador. Verder zijn er nog negen
partijen actief.
In 1975 waren 2, 5 miljoen arbeiders in vakbonden georganiseerd. De
belangrijkste federatie van vakverenigingen is de uit de jaren dertig
stammende Confederación de Trabajadores del Perú (CTP); daarnaast zijn
van belang de communistische Confederación General de Trabajadores del
Perú (CGTP) en de christen-democratische Confederación Nacional de
Trabajadores (CNT). Sinds 1992 maken ze gedrieën deel uit van de Central
Unica de Trabajadores Peruanos.
4. Economie
4.1 Algemeen
Traditioneel is de Peruaanse economie in sterke mate afhankelijk van de
uitvoer van producten van landbouw, mijnbouw en visserij, waarvan koper,
zilver, suiker, vis en vismeel, koffie, katoen en sinds enige jaren
aardolie de belangrijkste zijn. In 1992 was van de beroepsbevolking (7,2
miljoen) 33% werkzaam in landbouw en visserij, 17% in
industrie,bouwnijverheid en mijnbouw en 50% in de handel- en
dienstensector, die in 1994 de volgende percentages aan het Bruto
Nationaal Product (bnp) bijdroegen: 7, 37 en 56. Na een periode van
relatief stabiele economische ontwikkeling met een jaarlijkse groei van
gemiddeld 4% van het bnp in de periode 1965-1980, kreeg Peru te kampen
met een economische crisis. In de jaren tachtig groeide het bnp nog
slechts met gemiddeld 0,4% per jaar; per hoofd van de bevolking een
daling van het bnp met in totaal 30% tussen 1981 en 1991. Sindsdien
tekent zich weer groei af (ca. 4% per jaar). De inflatie was in de jaren
tachtig en negentig zeer hoog: gemiddeld 495% per jaar. De buitenlandse
schuld bedroeg in 1994 $ 22,6 miljard. De onder het militaire bewind
doorgevoerde nationalisaties en socialisaties van de industriële sector
zijn gedeeltelijk ongedaan gemaakt of functioneren nauwelijks. Het
werkloosheidspercentage, officieel 7,1 in 1994, is in werkelijkheid vele
malen hoger: 77,4% van de bevolking heeft niet genoeg werk om van te
leven.
4.2 Landbouw, visserij, veeteelt en bosbouw
Van het totale landoppervlak is nog geen 3% in gebruik voor akkerbouw,
21% is weidegrond en 54% is met bos bedekt. Van de akkerbouwgrond wordt
bijna de helft bevloeid; voor het grootste deel liggen deze geïrrigeerde
terreinen in de Costa (welke 25% van het areaal omvat); de Sierra omvat
60% van het landbouwareaal, terwijl in de Selva (nu 15% van het areaal)
nog grote gebieden voor landbouw geschikt te maken zijn. Van de veelal
op moderne bedrijven in de Costa verbouwde producten zijn suikerriet en
katoen de belangrijkste, beide voor de export; voorts rijst, druiven,
tabak, groenten en fruit. De overwegend kleine bedrijfjes in de zeer
intensief bebouwde Sierra produceren voedingsgewassen voor de
binnenlandse markt als aardappelen, bonen, maïs, bananen, tarwe, haver,
gerst, knolgewassen, quinoa en in toenemende mate exportgewassen als
coca en koffie. De Selva produceert katoen, rijst, bonen en bananen. De
meeste bedrijven in de Costa zijn als productiecoöperatie opgezet,
terwijl in de Sierra naast de dienstverlenende coöperaties nog ruim de
helft van de grond bewerkt wordt door de inheemse gemeenschappen ( 'Comunidades
Indígenas'). Rundvee- en varkenshouderij vinden vooral plaats in de
kustvlakten (zuivelproductie) en op de hoogvlakten in de Sierra; in de
Sierra overweegt de schapenteelt (naast alpaca en lama).
Van groot economisch belang is de zeevisserij (23, 6% van de
exportwaarde); na een sterke teruggang in de vangsten van ansjovis en
tonijn in 1972 en 1982/1983 (gevolg van overbevissing en veranderingen
in de Humboldtstroom voor de kust, waardoor de visgronden tijdelijk
verdwenen) leefde de visserij toch steeds weer op. Het
staatsvisserijbedrijf Pescaperu heeft sinds 1981 niet langer het
monopolie van vangst, verwerking en verkoop. Ansjovis wordt grotendeels
verwerkt tot vismeel en visolie (centrum Chimbote); overige vis wordt
diepgevroren of als conserven uitgevoerd. Van de aanwezige houtvoorraad
wordt slechts een zeer gering deel geëxploiteerd; de productie van
hardhout is onvoldoende voor de binnenlandse behoefte. Uitbreiding van
de bosbouw heeft grote prioriteit, waarbij vooral het transportprobleem
de aandacht heeft. In de Sierra wordt hout vooral als energiebron
gebruikt, hetgeen al geleid heeft tot grote ecologische problemen
(erosie).
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
De exploitatie van delfstoffen is van groot belang voor de Peruaanse
economie. Peru is vanouds een belangrijke zilverproducent (tweede op de
wereldranglijst) en bekleedt de zevende plaats op de ranglijst van
koperproducenten, terwijl de uitvoer van aardolie een belangrijke
bijdrage aan de deviezenontvangsten levert. De mijnbouw was sedert 1906
in handen van Noord-Amerikaanse maatschappijen en sedert 1974
gedeeltelijk in handen van de staatsmaatschappij CENTROMIN. Het grootste
aandeel in de koperwinning hebben de mijnen van Toquepala en Cuajone.
Het kopererts wordt grotendeels in Peru zelf geconcentreerd en
gesmolten, en voor slechts de helft in het land geraffineerd. Andere
belangrijke kopermijnen zijn die van Tintaya (bij Yauri), La Oraya en
van Cerro Verde. Van belang zijn voorts de winning van zink (vierde op
de wereldranglijst), lood, bismut, goud, cadmium, selenium en nog enkele
andere zeldzame metalen, vaak in combinatie met koper en zink; ijzererts
wordt bij Marcona gewonnen. De winning van uranium (een van de grootste
vindplaatsen in Zuid-Amerika) bij Marochoca (dept. Junín) is van groot
belang, zo ook (nog steeds) die van guano (voor gebruik als meststof) op
enkele eilanden voor de kust. De Sechurawoestijn levert kali en
fosfaten.
De aardoliewinning, verwerking en verkoop is sedert 1968 deels in handen
van de staatsmaatschappij PETROPERÚ. Sinds de ingebruikneming (1977) van
de oliepijpleiding van San José (in de Selva, aan de Río Marañón) naar
Bayóvar aan de kust (835 km), zijn de belangrijke olievelden in de Selva
in productie genomen. De Noord-Amerikaanse oliemaatschappij BELCO wint
offshore aardolie bij Talara. Peru is zelfvoorzienend voor aardolie,
eenderde wordt geëxporteerd.
Bij de energievoorziening van het land speelt de enorme
waterkrachtreserve een grote rol; van het geïnstalleerd elektrisch
vermogen (ca. 14 miljard kWh) bestaat 75% uit waterkrachtcentrales (Río
Mantaro; Huinco). De staatselektriciteitsmaatschappij ELECTROPERÚ heeft
het grootste deel van de openbare elektriciteitsproductie en
-distributie in beheer. Niettemin zit 70% van de bevolking zonder
stroom.
4.4 Industrie
De verwerking van primaire producten uit landbouw, mijnbouw en visserij
neemt nog steeds een belangrijke plaats in de Peruaanse industrie in;
daarnaast is de productie van transportmiddelen en elektronica van
belang. Ondanks de hervorming van de industriële sector en de
nationalisaties sinds 1968 is de invloed van buitenlands kapitaal
belangrijk gebleven en is de invloed van de arbeiders (via winstdeling
en medezeggenschap in Comunidades Industriales en Empresas de Propiedad
Social) beperkt gebleven. De staatsondernemingen en genationaliseerde
bedrijven worden beheerd door het in 1972 opgerichte INDUPERÚ, dat
tevens tot taak heeft een decentralisatie van de industriële
ontwikkeling tot stand te brengen. Lima-Callao is het industriële
centrum van het land (voedingsmiddelen, dranken, tabaksartikelen,
textiel, elektronika, glas, rubber en cement). Andere belangrijke
industriecentra zijn Chimbote (vismeel, visolie, visconserven,
staalindustrie), Chiclayo (suiker) en Trujillo (auto's, tractoren,
machines, motoren en suiker); voorts Arequipa (textiel en
zuivelproducten), Cuzco (textiel, kunstmest), Ilo (koperraffinage) en La
Oroya (koper- en zinksmelterij, metallurgie). Er zijn
aardolieraffinaderijen in Talara, Lima, Tumbes, Iquitos, Conchán,
Pucallpa en Bayóvar. Bij Nazca is een staalcomplex.
4.5 Handel
Tegenwoordig is cocaïne (in de vorm van zowel poeder als pasta) naast
koper Peru's belangrijkste exportproduct, maar de opbrengst daarvan
onttrekt zich voor het grootste deel aan het officiële geldcircuit.
Naast koper zijn ook zilver, vismeel, zink, koffie, ijzer en katoen
belangrijke officiële exportartikelen. De belangrijkste handelspartners
zijn de Verenigde Staten, Japan en de EU, en voorts de buurlanden van
het Andes-Pact. Ingevoerd worden vooral grondstoffen, halffabrikaten,
machines en voedingsmiddelen.
4.6 Bankwezen
De in 1922 opgerichte Banco Central de Reserva del Perú fungeert als
centrale bank. Sinds de bankwet van 1991 is het gehele bankwezen
verregaand geliberaliseerd.
4.7 Economische planning
De regering-Fujimori is teruggekomen op de voorheen min of meer geleide
economie. Liberalisering en privatisering blijken effectiever dan
sturing. Na een periode waarin het economische beleid gekenmerkt werd
door protectie, bevordering van de industrialisatie, landhervorming en
een belangrijke rol voor staatsondernemingen (1968-1975; 1985-1989),
ligt vanaf 1990 de nadruk op liberalisering van de economie, beperking
van subsidies en andere overheidsuitgaven, inflatiebestrijding en de
herintegratie van de Peruaanse economie in het internationale financiële
systeem. Sinds 1993 zit de economie weer in de lift.
4.8 Verkeer
De geografische structuur van het land veroorzaakt grote
transportproblemen. Het grootste deel van het transport geschiedt over
de weg. De lengte van het wegennet bedraagt ca. 70!000 km (11%
geasfalteerd). De belangrijkste verkeersaders zijn de Carretera
Panamericana (ca. 3400 km) van noord naar zuid grotendeels langs de
kust, de Carretera Central Transandino, van Lima-Callao oostwaarts, die
via La Oroya en Pucallpa in de toekomst aansluiting zal geven op de
Braziliaanse Transamazone-snelweg, en de deels voor verkeer geopende,
deels in aanleg verkerende Carretera Marginal de la Selva aan de
oostzijde van het Andesgebergte. Het spoorwegnet (2121 km), voor ruim
70% in handen van de staatsspoorwegmaatschappij ENAFERPERÚ, bestaat uit
negen onderling niet verbonden lijnen. De binnenvaart speelt vooral een
rol in het Amazonegebied (havens zijn Pucallpa en Iquitos) en op het
Titicacameer. Het merendeel van de in- en uitvoer loopt via de zeehaven
Callao; van de overige 25 zeehavens zijn van belang Chimbote (visserij),
Talara (olie), Mollendo, Matarani, Ilo, Pisco, Salaverry, Bayóvar en
Paita. De staatscheepvaartmaatschappij Corporación Peruana de Vapores (CPV)
beschikt over een koopvaardijvloot van ruim 600 schepen, waarvan een
twintigtal tankers.
Behalve de internationale luchthavens van Lima (Jorge Chávez), Iquitos,
Artequipa en Cuzco beschikt het land over ruim 300 vliegvelden en
landingsstrips, waarvan er zeven geschikt zijn voor grotere vliegtuigen.
De luchtvaartmaatschappij AEROPERÚ verzorgt het internationale
vliegverkeer en een deel van het binnenlandse luchtverkeer, dit laatste
samen met de particuliere Faucett. Bijna het gehele net voor
telecommunicatie is in handen van de staatsmaatschappij ENTELPERÚ, die
in 1993 werd geprivatiseerd.
5. Geschiedenis
5.1 Prehistorie; Peru tot 1532
De oudste inheemse bewoners hadden deel aan een cultuur die te
lokaliseren is in een gebied dat groter was dan de huidige republiek
Peru en dat ter onderscheiding hiervan wel Groot-Peru wordt genoemd. Dit
omvatte in een brede strook het grootste deel van het westelijk
kustgebied en het aangrenzende hoogland van Zuid-Amerika. Groot-Peru
leverde wat Zuid-Amerika betreft het belangrijkste aandeel in de
precolumbiaanse kunst.
De oudste opgegraven voorwerpen (bewerkte stenen messen) wijzen op een
jagerscultuur. Bij Lauricocha in het hoogland konden vondsten worden
gedateerd op het 7de millennium v.C. Het begin van een hogere cultuur
valt met het begin van de akkerbouw samen. Tot de plantaardige
overblijfselen behoorde reeds katoen (ook weefselresten). Andere
organische vondsten wijzen op het bestaan van andere nederzettingen aan
de kust, vnl. uit het 4de millennium. Opvallend is het ontbreken van
keramiek in de oudste lagen, op grond waarvan men de tijd van de oude
jagers en landbouwers wel de prekeramische noemt.
De eerste tekenen van het bestaan van een cultureel georganiseerde
maatschappij die tot gemeenschappelijke arbeid en eredienst (van een
katachtige godheid) in staat was, werden in het noorden in het hoogland
in Chavín de Huántar, in het zuiden aan de kust op het cultureel jongere
Parácas gevonden. Met Chavín nam in het eerste millennium v.C. een hoge
cultuur met ook een artistieke productie vrij plotseling een aanvang.
Gelijktijdig bloeide aan de noordkust een aantal culturen, o.a.
Cupisnique. Elementen van de Chavín-cultuur zijn terug te vinden in de
Mochica sprekende cultuur in de dalen van de Moche en de Chicama (zie
Moche). In het zuiden bloeide terzelfder tijd de Nazca-cultuur. Op het
einde van het eerste millennium n.C. nam voor enkele eeuwen de bloei van
de Tiahuanaco geheten en in het zuidelijke hoogland geconcentreerde
cultuur een aanvang. In het tweede millennium n.C. bestonden aan de
zuid-, midden- en noordkust resp. de Ica-, Chancay- en Chimu-culturen,
alle in de 15de eeuw onder de voet gelopen door de Inka, afkomstig uit
het centrale hoogland (centrum: Cuzco), die, toen zij in de 16de eeuw
zelf door de Spanjaarden werden onderworpen, geheel Groot-Peru
beheersten.
5.2 De Spaans-koloniale periode
Gebruik makend van de strijd tussen de beide koningszonen Atahualpa en
Huascar, onder wie in 1526, na de dood van hun vader, Huayna Capac, het
Inkarijk was verdeeld, landde Francisco Pizarro in 1532, na twee eerdere
mislukte pogingen (1524 en 1527). Hij vermoordde Atahualpa, bezette de
stad Cuzco en stelde een derde zoon van Huayna Capac, Manco, tot Inka
aan. De grenzeloze wreedheid van de Spanjaarden bracht Manco tot opstand
(1535-1544), terwijl ook Pizarro's onderbevelhebber Almagro aan het
muiten sloeg (1537-1538). Pizarro werd in 1541 vermoord. Zijn
gelijknamige zoon eigende zich de functie van kapitein-generaal toe. De
door Karel V gezonden rechter Vaca de Castro zette hem af en liet hem
terechtstellen. De aanstelling van Nuñez de Vela tot vice-koning, met de
opdracht de Indianen te beschermen, was de aanleiding tot een nieuwe
opstand van de conquistadores onder Pizarro's broer Gonzalo (1544-1548),
die door Pedro La Gasca werd overwonnen en onthoofd. Zware dwangarbeid
deed de Indiaanse bevolking wegkwijnen. In 1739 werd het vice-koninkrijk
Nieuw-Granada (Colombia, Venezuela en Panama) en in 1776 dat van Río de
la Plata (Argentinië, Uruguay, Paraguay) van het vice-koninkrijk Peru
afgescheiden. Zoals geheel Spaans Amerika leed ook Peru sterk onder het
monopolie van handel en nijverheid van het moederland. De zilvermijnen
in het huidige Bolivia vormden nagenoeg de enige bron van inkomsten.
Lima was het centrum van het koloniaal gezag. Een mislukte
Indianenopstand onder Inka Tupac Amaru (1780-1781) had tot gevolg dat
van regeringswege pogingen werden ondernomen de assimilatie van de
Indianen te bevorderen. Een landing van revolutionairen uit Argentinië
en Chili onder José de San Martín (1820) maakte ten slotte de
onafhankelijksheidsverklaring mogelijk (28 juli 1821). Daarop volgde een
strijd met de Spanjaarden, die zich in het zuiden hadden teruggetrokken.
Pas na de hulp die Bolivar verleende, kon de onafhankelijkheid bevestigd
worden; in 1824 werden de Spanjaarden bij Ayacucho verslagen.
5.3 Onafhankelijk Peru
Peru werd opgenomen in Bolivars Groot-Colombia, waaruit Peru zich in
1827 losmaakte. Na een rustperiode onder generaal Ramón Castilla
(1845-1851 en 1855-1862) brak een conflict uit met Spanje
(1863-1871/1879). Fataler was echter de strijd, aan de zijde van
Bolivia, tegen Chili in de Guerra del Pacífico, de zgn. salpeteroorlog
(1879-1883), waarbij het land de provincie Tarapaca verloor en feitelijk
ook de voor tien jaar afgestane provincies Tacna en Arica. Door het
verlies van de rijke guanolagen werd het land vrijwel geruïneerd. Van de
elkaar nu snel opvolgende militaire dictaturen bracht pas die van
generaal Piérola (1895-1899) enig herstel, dat zich onder de presidenten
Pardo (1904-1908 en 1915-1919) en Leguía (1908-1912 en 1919-1930)
doorzette, zij het dat de buitenlandse schuld zich in de tweede
regeringsperiode van deze laatste meer dan vertienvoudigde. Na een
nieuwe chaotische periode herstelde generaal Benavides een krachtig
gezag (1933-1939), dat een zekere bijdrage leverde tot de overwinning
van de economische depressie die, mede als gevolg van de wereldcrisis
van 1930, was ontstaan. Zijn regime, alsook dat van zijn opvolger Manuel
Prado (1939-1945), werd echter geconfronteerd met de sinds 1924
opgekomen APRA-beweging, een linkse, niet-communistische massapartij,
hoofdzakelijk steunend op de jonge radicaal gezinde middenklasse. Na
eerst elke vorm van politieke samenwerking met de heersende klassen te
hebben afgewezen, bleek de APRA in 1945 bereid om de officiële
hervormingsgezinde kandidaat Bustamante te ondersteunen. Aan diens
precaire bewind kwam reeds in 1948 een einde door een staatsgreep van de
latere dictator Odría (1948-1956), die - gebruik makend van de gunstige
exportconjunctuur en buitenlandse investeringen - een op de steden
georiënteerd welvaartsbeleid voerde, dat echter met toenemende inflatie
gepaard ging. In 1956 kwam Manuel Prado opnieuw aan de macht. Uit de
verkiezingen van 1962 kwam voor de eerste maal de leider van de APRA,
Haya de la Torre, met een kleine - zij het geen absolute - meerderheid
te voorschijn. Nieuwe verkiezingen van 1963 brachten de overwinning van
de gematigd progressieve kandidaat Belaúnde Terry, wiens regering veel
aandacht besteedde aan de verbetering van de economische infrastructuur.
5.4 Het militaire bewind (1968-1978)
Zijn bewind werd echter in 1968 omvergeworpen door het leger dat -
geleid door de nieuwe president, Juan Velasco Alvarado, - een
revolutionair-nationalistisch bewind vestigde en een diepgaand
structuurprogramma entameerde, waarin o.a. de nationalisatie van
Amerikaanse aardoliebelangen, de landhervorming en de radicale
industriewetgeving waren opgenomen. Ondanks de vergaande hervormingen
brak eind 1971 een periode aan van sociale onrust in het land, mede
veroorzaakt door de ambivalente houding van de militaire junta van
Velasco: aan de ene kant achtte zij publieke steun belangrijk voor het
slagen van de 'Peruaanse Revolutie', aan de andere kant vreesde zij dat
de volksbeweging een eigen, niet meer door haar te controleren dynamiek
zou krijgen. In aug. 1975 vond een staatsgreep plaats, waarbij Velasco
werd afgezet en vervangen door generaal Francisco Morales Bermudez.
Onder druk van het IMF begon Morales Bermudez de hervormingen van zijn
voorganger terug te draaien. Zijn rigoureuze bezuinigingen riepen
toenemend verzet bij de bevolking op, dat met harde hand werd
onderdrukt. In 1977 kondigde hij de terugkeer naar de burgerlijke
democratie aan.
5.5 Terugkeer naar burgerlijk bestuur
De verkiezingen voor de grondwetgevende vergadering in 1978 werden
gewonnen door de APRA. Voor de presidentsverkiezingen van 1980 steunden
de militairen de kandidatuur van APRA-leider Haya de la Torre. Diens
dood (aug. 1979) veroorzaakte grote verdeeldheid binnen de beweging en
maakte de weg vrij voor de overwinning van ex-president Belaúnde Terry
en zijn partij, de Acción Popular. De nieuwe regering zette het liberale
economische beleid van haar voorganger voort. In jan. 1981 laaide het
oude territoriale dispuut met Ecuador over een deel van het
Amazonegebied op tot een korte grensoorlog. Een ernstiger bedreiging
voor de politieke stabiliteit vormden de toename van de illegale handel
in cocaïne (Peru is de voornaamste producent van de grondstof coca) en
de gewapende strijd waartoe de maoïstische guerrillabeweging Sendero
Luminoso ( 'Lichtend Pad') vanaf 1980 overging. De ontevredenheid van de
bevolking over het beleid van president Belaúnde leidde tot een
groeiende aanhang voor de APRA en de IU (Izquierda Unida = Verenigd
Links). De verkiezingen van april 1985 werden gewonnen door de APRA. Op
28 juli 1985 werd Alan García Pérez van de APRA als president
geïnstalleerd. Hij beloofde het terrorisme te verslaan en de economische
teruggang te stoppen. Na een aanvankelijke opleving in 1986 en 1987
klapte de economie in 1988 volledig ineen. De ernstige daling van het
levenspeil maakte een einde aan de aanvankelijk grote populariteit van
García. Ook het feit dat onder zijn bewind de schendingen van de
mensenrechten door het regeringsleger toenamen en de acties van Sendero
Luminoso zich vanuit de regio rond Ayacucho verder uitbreidden over
grote delen van het land, waaronder ook Lima, leidden tot zijn
voortijdig aftreden in 1988. Nadat IU door interne tegenstellingen aan
belang had ingeboet, kwam de voornaamste oppositie van de door de
schrijver Mario Vargas Llosa aangevoerde rechts-liberale beweging
Libertad. De onbekende kandidaat van de beweging Cambio 90, Alberto
Fujimori, veroverde echter, dankzij de steun van de APRA en de linkse
partijen, die fel gekant waren tegen de economische plannen van Vargas
Llosa, in 1990 het presidentschap. De levensomstandigheden
verslechterden echter verder, waardoor in 1991 de helft van de
bevolking, merendeels Indianen, onder de absolute armoedegrens kwam te
verkeren. In april 1992 trok Fujimori alle macht aan zich door het
Congres te ontbinden (autogolpe of 'zelfcoup'). Ruim een week voor de
verkiezingen in nov. 1992 was er een poging tot staatsgreep die werd
verijdeld. Fujimori's partij won de verkiezingen.
De in sept. 1992 door de politie gearresteerde leider van Sendero
Luminoso, Abimael Guzmán Renoso, en enkele andere kopstukken werden tot
levenslang veroordeeld. De guerrillabeweging, die inmiddels vele
duizenden doden op haar geweten had, zette een nieuw offensief in.
De gemeenteraadsverkiezingen van jan. 1993 leverden veelal een
overwinning op voor onafhankelijke kandidaten. De oude partijen
behaalden slechts eenderde van de stemmen. Na de terugval van de
economie in het begin van de jaren negentig bedroeg de groei in 1993
ruim 6% en in 1994 zelfs meer dan 10%. De lonen waren in 1994 echter nog
maar 40% van die in 1987. Een terugval van de economische groei tot
minder dan 4% dwong Fujimori in 1996 tot een nieuw akkoord met het IMF.
In 1995 werd de autoritaire Fujimori met ruime meerderheid herkozen als
president. Ook bij de parlementsverkiezingen behaalde Fujimori's partij
een absolute meerderheid. De traditionele partijen, zoals de APRA en de
Acción Popular (AP), kwamen er in het geheel niet aan te pas.
Nadat Sendero Luminoso enkele zware slagen was toegebracht (tot tweemaal
toe werd een groot deel van de leiding gearresteerd) kreeg Fujimori eind
1996 te maken met de Revolutionaire Beweging Tupac Amaru (MRTA). De
stedelijke guerrilleros gijzelden in de residentie van de Japanse
ambassadeur aanvankelijk ruim 400 personen. Maandenlang hielden zij meer
dan 70 hooggeplaatste functionarissen in gijzeling, die, zo luidde de
eis, geruild zouden moeten worden tegen honderden gevangengenomen Tupac
Amaru-strijders. De regering-Fujimori weigerde op die eis in te gaan. De
sociale tegenstellingen in Peru zijn schrijnend. De Indiaanse
meerderheid van de bevolking leeft in zeer armelijke omstandigheden.
Telefoongids Peru
Postcodes
Peru
|