| |
De
pestvogel of bombycilla garrulus
De pestvogel ontleent zijn naam omdat men vroeger dacht dat deze
vogels, die slechts af en toe in de winter naar ons land komen,
de zeer besmettelijke pest hier verspreidden. Pestvogels broeden
in de naald- en berkenbossen van Noord-Europa. Er zijn echte
invasiejaren waarin honderden pestvogels in Noord-Duitsland,
België en Nederland komen overwinteren. Ze zijn niet schuw en
komen tot in de tuinen.
Kenmerken
De pestvogel is een kleurige, niet te missen vogel, met een
puntige kuif, rode lakpuntjes aan de vleugels en met een gele
staartzoom. Het mannetje heeft ook nog gele vleugelvlekken.
Lengte : 18 cm.
Geluid
De roep klinkt als een zacht hoog trillend gefluit.
Voedsel
In de zomer leeft de pestvogel van insecten; ze eten vooral veel
muggen. In de winter schakelen ze over op fruit en bessen.
Lijsterbessen en cotoneaster zijn favoriet, maar tijdens
midwinter, als er maar weinig bessen meer beschikbaar zijn, eten
ze ook bessen van de gelderse roos. Andere vogels lusten die
niet. Tijdens strenge winters komen ze ook wel op de voedertafel
stukjes appel halen.
Nest
Het nest wordt gevlochten van fijne grassen en twijgen. Het
wordt meestal dicht tegen de stam gebouwd. Het wijfje broedt de
eieren uit , maar beide ouders brengen voer.
Broedgegevens
Maanden juni en juli - één legsel - vijf tot zes lichtblauwe,
fijn gespikkelde eieren - broedtijd : 14-15 dagen (door het
vrouwtje) - vliegvlug : na 14-15 dagen; tijdsduur tot
zelfstandigheid is onbekend. |
|
|
|
|
|
|