|

|
De familie van
de witjes omvat meer dan tweeduizend soorten, met daarin in
tegenstelling tot wat hun naam doet vermoeden, een grote
verscheidenheid aan kleuren. Heel veel witjes zijn namelijk
allesbehalve wit. Geel en oranje zijn kleuren waarmee zeer veel
witjes getooid zijn. De Engelse naam voor vlinder, butterfly, is een
afkorting van 'butter-coloured fly', waarmee de citroenvlinder wordt
aangeduid. In veel gevallen is het zo dat in een bepaald gebied de
witjes de meest voorkomende vlinders zijn. Ook in Nederland zijn het
juist de verschillende koolwitjes die in zeer grote aantallen
voorkomen.
De eieren van witjes zijn spoelvormig en meestal wit of gelig
gekleurd. De rupsen die eruit kruipen, zijn glad. In veel gevallen
eten ze in gezelschap van vele soortgenoten hun waardplant kaal.
Voor ze verpoppen, maken ze eerst een gordel om zich daarmee aan een
stengel vast te maken. De poppen lijken altijd op iets plantaardigs,
zoals een blaadje, een bloem of een knop. Mannetjes- en
vrouwtjesvlinders bezoeken bloemen om er nectar te drinken. Alleen
de mannetjes komen regelmatig met honderden bij elkaar op zandige of
modderige rivieroevers om er water en daarin opgeloste mineralen te
drinken. Het zijn vooral de frisgekleurde, onbeschadigde en dus de
pas uit de pop gekomen mannelijke witjes die op die drinkplaatsen
samenkomen. Pas wanneer ze een hoeveelheid mineralen opgenomen
hebben kunnen ze feromonen maken en de vrouwelijke witjes het hof
maken.
Verschillende soorten witjes, met name de leden van de geslachten
Pieris en Colias, vertonen trekgedrag. Waarom ze dat doen, is in de
meeste gevallen niet duidelijk. |
|
|
|
|
|