Het indelen van
de biodiversiteit is al zo oud als de mensheid zelf. Vanaf het
moment dat de mens de natuur in zijn omgeving begon waar te nemen,
probeerde hij alle levensvormen in te delen.
Van oudsher verdeelde de mens de levende natuur twee grote groepen,
planten en dieren. De oude classificatiesystemen werden daarom
gebruikt om deze twee groepen verder in te delen. Een voorbeeld van
een oud indelingsysteem is een meer dan 2.000 jaar oud
classificatiesysteem van
Aristoteles, de
Griekse denker en wetenschapper die in de vierde eeuw voor Christus
leefde. Hij deelde dieren in twee hoofdgroepen in; dieren zonder
bloed (ongewervelden) en dieren met bloed (gewervelden). Hij deelde
planten in volgens hun grootte en verschillen in stengels.
Bijvoorbeeld, lange bomen met grote stammen, struiken met een paar
stammen en kruiden met zachte stengels. Dit indelingsysteem werd
zo'n zes eeuwen lang gebruikt.
John Ray,
een Engelse wetenschapper en denker in de zeventiende eeuw,
ontwikkelde in 1693 een nieuw classificatiesysteem,
gebaseerd op dat van Aristoteles. Dankzij de opkomst van de
microscopie in zijn tijd was de classificatiesysteem van Ray beter
en logischer dan dat van Aristoteles. De uitvinding van de
microscoop eind zestiende eeuw was een mijlpaal in de geschiedenis
van de wetenschap. Wetenschappers konden eindelijk kleine dieren en
planten in detail waarnemen en ze nauwkeuriger beschrijven.
Met behulp van microscoop bestudeerde Ray de uiterlijke kenmerken
van dieren en planten om ze in groepen in te delen. Zo keek hij
bijvoorbeeld naar de eigenschappen, aantallen en functie van de
lichaamsdelen (bijvoorbeeld tanden, voeten, tenen) van de dieren.
Verder was Ray de eerste wetenschapper die de eenlobbige planten van
de tweelobbige onderscheidde.
Het indelingsysteem van Ray was een verbetering maar het systeem was
nog lang niet perfect. Omdat iedere wetenschapper meestal ook zijn
eigen methode had om de dieren en planten in te delen, kreeg
hetzelfde organisme vaak verschillende wetenschappelijke namen.
Daardoor ontstond er vaak verwarring tussen wetenschappers. Een
wereldwijd geaccepteerd indelingsysteem was dus echt nodig om de
misverstanden te voorkomen.
In de achttiende eeuw werd een nieuw
classificatiesysteem ontwikkeld door de Zweedse
wetenschapper Carolus Linnaeus (1707-1778). Dit was
een verdere verfijning van de oude indelingssytemen. Linnaeus deelde
dieren en planten in op een systematisch (planmatige) manier en
bedacht een nieuwe naamgeving voor elk beschreven organisme.
Linnaeus voerde voor elk dier en elke plant een Latijnse naam in
bestaande uit twee woorden: de geslachtsnaam en de soortnaam. Omdat
ieder organisme twee namen krijgt, wordt deze naamgeving "binaire
naamgeving" genoemd.
Linnaues begon de geslachtsnaam altijd met een hoofdletter en
onderstreepte of drukte beide namen schuin. De combinatie van deze
twee namen vormde de unieke wetenschappelijke naam van het dier of
de plant. Het werd al snel door wetenschappers van alle landen
gebruikt om de soort aan te duiden. Dit hielp om verwarring en
misverstanden tussen wetenschappers uit verschillende landen te
vermijden.
Hij deelde planten in volgens zijn systematich indelingsysteem en
gaf in 1753 een catalogus uit, "Species Plantarum", met nieuwe
wetenschappelijke namen voor planten. Maar hij is het meest bekend
geworden door zijn boek "Systema Naturae" waarin hij dieren
systematisch indeelde aan de hand van hun gemeenschappelijke
kenmerken. Het systematische classificatiesysteem van Linnaeus was
toen de beste manier om het leven in te delen en daarmee heeft hij
de basis gelegd voor het huidige classificatiesysteem.

|