Is
de buitenste
planeet van ons zonnestelsel, in 1930 door C.W. Tombaugh op de
Lowell-sterrenwacht te Flagstaff in Arizona ontdekt. Reeds
omstreeks 1900 wees de stichter van de sterrenwacht te Flagstaff,
Percival Lowell, op het mogelijk bestaan van een planeet buiten de
baan van Neptunus. In 1906 begon hij de posities van duizenden
lichtzwakke sterren fotografisch vast te leggen om te onderzoeken
of hier zich de planeet onder bevond. Na een speurwerk van tien
jaar, waarbij niets werd gevonden, werd het onderzoek door de dood
van Lowell stopgezet. Na het gereedkomen van een fotografische
kijker met een opening van 33 cm werd het speurwerk in 1929 door
C.W. Tombaugh voortgezet. Door de gebieden langs de equator
systematisch te fotograferen en de opnamen met elkaar te
vergelijken door middel van een blinkcomparator werd de kleine,
zeer zwakke planeet ten slotte in 1930 ontdekt. Naar de
beginletters van Percival Lowell werd de nieuwe planeet Pluto
genoemd.

1. Baan en
rotatie
De halve grote as van de baan van Pluto om de zon is 39, 53 maal die van
de aardbaan en 1,3 maal zo groot als die van de baan van Neptunus. De
excentriciteit is echter zo groot (0,249), dat de planeet zich in een
gedeelte van haar baan dichter bij de zon bevindt dan Neptunus. Dit is
in de periode 1979-1999 het geval. De omlooptijd bedraagt 247, 2 jaar.
Aangezien de omlooptijd van Neptunus 164,8 jaar bedraagt, verhouden de
omlooptijden van Neptunus en Pluto zich als 2.:.3. Wanneer Pluto dus
tweemaal om de zon is gedraaid, heeft Neptunus dat in dezelfde tijd
driemaal gedaan. Dankzij deze resonantie komt Pluto niet in een
gevaarzone van Neptunus en kan hij in een stabiele baan blijven. De baan
maakt een vrij grote hoek met de ecliptica (17°09¢); geen van de andere
planeten vertoont zo'n grote baanhelling. De helderheid van de planeet
is ca. 4000 maal minder dan de zwakste sterren die men met het blote oog
kan waarnemen.
Zelfs in een grote telescoop vertoont Pluto nog geen schijfje, waardoor
men lange tijd heel weinig over de planeet te weten kon komen. De
rotatietijd heeft men uiteindelijk kunnen afleiden uit periodieke
veranderingen in de schijnbare helderheid, veroorzaakt door verschillen
in het reflecterend vermogen van het oppervlak. De rotatietijd, 6,3872
dagen, blijkt veel langer dan die van bijv. Aarde, Mars of Jupiter.
2. Satelliet
In 1978 werd door James W. Christy van het US Naval Observatory
(Verenigde Staten) bij Pluto een maan ontdekt, die de naam Charon kreeg.
Deze satelliet draait op een afstand van 19!000 km in een cirkelvormige
baan om Pluto, in een tijd die precies gelijk is aan de rotatietijd van
de planeet. Dit wijst er op dat óók Charon in die tijd om zijn as draait
en dus steeds dezelfde kant naar Pluto gericht houdt. Pluto en Charon
vormen in dit opzicht een uniek dynamisch systeem, dat het einde moet
zijn van een lange periode van getijdewerking.
2.1 Massa en diameter
Dankzij deze maan kon men de massa van Pluto nauwkeurig bepalen. Deze
massa wordt nu geschat op 1, 3 × 1022 kg en die van Charon op 1,8 × 1021
kg. Gezamenlijk hebben zij een massa van ca. 1/460 van die van de aarde,
ofwel 1/6 van die van de maan. De diameter van Pluto wordt geschat op
2300 km en die van Charon op 1200 km. Neemt men voor beide dezelfde
dichtheid aan, dan bedraagt die 2,0. Deze dichtheid is groot vergeleken
met die van de andere satellieten in ons zonnestelsel. Pluto heeft twee
kleine poolkappen en een brede, grijze equatoriale band, terwijl de
kleur van Pluto roder is dan die van Charon.
3. Atmosfeer
Op 9 juni 1988 schoof Pluto voor een zwakke ster in het sterrenbeeld
Vissen langs, een verschijnsel dat vanuit verschillende plaatsen op
aarde werd waargenomen. Uit het af- en weer toenemen van de helderheid
van Pluto kon men afleiden dat deze planeet een atmosfeer moet hebben,
die uit minstens twee verschillende lagen bestaat: een sluierlaag, met
daarboven een uitgebreide doorzichtige laag die zich tot op 350 km
hoogte uitstrekt. De atmosfeer van Pluto bestaat waarschijnlijk
grotendeels uit methaan. Aan het oppervlak heerst een druk van ca. 3
microbar (3 miljoenste van de druk op aarde). De atmosfeer is
waarschijnlijk een periodiek fluctuerend verschijnsel, samenhangend met
de sterk elliptische baan van Pluto om de zon. In de jaren tachtig en
negentig staat Pluto het dichtst bij de zon en verdampt er wellicht heel
wat meer methaanijs aan het oppervlak dan wanneer de afstand tot de zon
groter is. Pluto gedraagt zich in dit opzicht enigszins als een komeet.
In feite is Pluto dan ook geen 'echte' planeet, maar het grootste lid
van een schare ijswerelden buiten de baan van Neptunus, in de zogeheten
Kuipergordel.
4. Oppervlak
Men denkt dat de oppervlaktelaag van Pluto waarschijnlijk grotendeels
uit methaanijs bestaat en en paar kilometer dik is. Ook ijs van
koolmonoxide en kooldioxide zouden er aanwezig kunnen zijn. Eronder is
een mantel van waterijs tot op een diepte van enkele honderden
kilometers. Gezien zijn vrij hoge gemiddelde dichtheid zou Pluto ook
veel waterhoudend gesteente moeten bevatten. Deze gesteentekern maakt
misschien 70 à 80% van de totale massa van de planeet uit. |