header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Polen

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

 

Polen (officieel: Rzeczpospolita Polska = Poolse republiek), republiek in Oost-Europa, 312.685 km2, met 38.341.000 inw. (123 inw. per km2); hoofdstad: Warschau (Warszawa). Munteenheid is de zloty, onderverdeeld in 100 grosze. Nationale feestdagen zijn 3 mei, de dag waarop in 1791 de eerste grondwet werd aangenomen en 11 november (stichting van het onafhankelijke Polen in 1918).

General view of downtown WarsawThe Presidential Palace in WarsawThe old town in WarsawLake in the Mazury districtFishermen in Dyiwnow

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Polen is een vnl. vlak laagland; 54% heeft een hoogte beneden 150 m, 37% een hoogte van 150 tot 300 m. Gebergten komen slechts aan de zuidgrenzen voor. Qua reliŽf kan Polen in drie ongeveer oost-west verlopende gordels worden verdeeld, van noord naar zuid: a. Langs de Oostzee strekken de kustvlakten zich uit; in de laagvlakte van de Wisla ligt het laagste punt van het land: -1,8 m. Hierop sluiten aan de iets hoger gelegen (tot ruim 300 m) Pommerse en Mazoerische Meervlakten. b. De weer wat lager gelegen centrale vlakten en de oerstroomdalen bestaande uit het Silezische Bekken, de Kujawy, de Grootpoolse Meervlakte, het laagland van Mazowsze en van PodlachiŽ. c. Ten zuiden van de centrale vlakten strekt zich een aantal hooggelegen plateaus uit. Hiervan is de Kleinpoolse Hoogvlakte geleed in de Gůry SwiŽtokrzyskie (Heiligekruisbergen, tot 611 m hoog), de plateaus van SileziŽ en Krakůw-CzŽstochowa en de synclinale van de Nida. Het plateau van Lublin strekt zich op 200-300 m hoogte uit tussen Wisla en Bug. De Karpaten bestaan uit middelgebergten en hooggelegen plateaus van alpine oorsprong, doorsneden door de bovenlopen van de Odra en de Wisla. De Poolse Karpaten zijn een onderdeel van de West-Karpaten, afgezien van de Bieszczady (Woudkarpaten). Het hoogste punt van Polen (Rysy, 2499 m) ligt in het Tatramassief. De noordelijkste keten is de kalkachtige Pieniny. Verder westelijk, van de Karpaten gescheiden door de Moravische Poort, liggen de Sudeten, een granietmassief van Variscische oorsprong. Het hoogste deel is het Reuzengebergte (Karkonosze).
De bodem bestaat voor ca. 55% uit podzolbodems. Ten noorden van de lijn Lublin-Katowice-Wroclaw wordt dit bodemtype afgewisseld door alluviale bodems langs de waterlopen, kleine oppervlakten zeer vruchtbare zwarte veengronden en bruine bosbodems. Dit laatste bodemtype (in totaal 20% van de oppervlakte) komt ook ten zuiden van bovengenoemde lijn voor, waar het zich op lŲss heeft ontwikkeld. Naast de bruine bodem komen op de plateaus van Zuid-Polen nog rendzina's en tsjernozjoms (zwarte aarden) voor. Van de bodems bestaat 8% uit gebergtebodems, vnl. leem en zand.
1.2 Rivieren en meren
De meren bedekken ca. 1% van de oppervlakte van Polen. 9266 meren hebben een oppervlakte van meer dan 1 ha; hun totale oppervlakte bedraagt bijna 3200 km2. De grootste zijn het Sniardwymeer (109, 7 km2) en het Mamrymeer (102,3 km2), beide in MazoeriŽ. De meeste meren zijn postglaciaal van oorsprong en komen voor op de Pommerse, Mazoerische en Grootpoolse Meervlakten, alsook in de Kujawy. De rivieren wateren vrijwel alle af op de Oostzee. De stroomgebieden van de twee hoofdrivieren, de in zuidoost-noordwestelijke richting stromende Wisla (Weichsel) en Odra (Oder), beslaan 56% resp. 34% van de oppervlakte van Polen; 9% valt toe aan de stroomgebieden van de kustrivieren, die direct in de Oostzee stromen. De belangrijkste zijrivier van de Wisla is de Bug, die van de Odra de Warta. Door het regenregime varieert de waterhoogte sterk. De rivierstelsels van Wisla en Odra worden met elkaar verbonden door het Bydgoszczkanaal tussen de Brda, zijrivier van de Wisla, en de NoteÁ, zijrivier van de Warta.
1.3 Klimaat
Het klimaat staat afwisselend onder invloed van Atlantische, oceanische en Aziatische, continentale luchtmassa's. Westenwinden overwegen over oostenwinden. De Atlantische invloed neemt naar het oosten toe af; dientengevolge valt er in het westen meer neerslag dan in het oosten. De neerslag bedraagt in de Karpaten en de Sudeten meer dan 800 mm per jaar; op de plateaus en meervlakten 600 tot 800 mm per jaar en in Centraal-Polen 450 mm. In de zomer (juni, juli, augustus) stijgt de temperatuur tot boven 15 įC; in de winter (december, januari, februari) daalt het kwik tot ver onder 0 įC. De laagste temperatuur werd in de middelgebergten gemeten: -42 įC; de hoogste in Neder-SileziŽ (40,2 įC). De gemiddelde julitemperatuur bedraagt 16 tot 19 įC; de gemiddelde januaritemperatuur varieert regionaal van -1 įC tot -6 įC. De duur van de vegetatieperiode (het aantal dagen met een gemiddelde temperatuur van boven 5 įC) varieert van 190 dagen in het noordoosten en de zuidelijke berggebieden tot 230 dagen in het westen en op de plateaus in het zuiden.
1.4 Plantengroei
De huidige vegetatie dateert vrijwel geheel van na de laatste ijstijd, met uitzondering van die van de Karpaten en het aangrenzende zuiden, waar de begroeiing nog uit het Tertiair stamt. In moerasgebieden en in de bergen treft men nog overblijfselen van de toendraflora uit de tussenijstijden aan. Door ontginningen sinds de 13de eeuw en door de beide wereldoorlogen ging veel bos verloren. Er resteert nog bos op ca. 27% van het grondgebied. Om een deel van de wouden in zijn natuurlijke staat te behouden werd een groot aantal nationale parken en reservaten gesticht. Het minst bosrijke is wojewůdztwo (prov.) Lůdz; het meest bosrijk zijn Zielona Gůra, Koszalin en Rzeszůw. Van de staatsbossen is ca. 80% naaldwoud (vnl. grove den en lariks); het overige gedeelte is loofwoud (vnl. eik, beuk en berk).
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld is Midden-Europees van karakter met een aantal noordelijke elementen als de eland, terwijl Oost-Europese elementen als de vlaktebewonende siezel en soeslik hier hun westgrens bereiken. Het woud van Bialowieza op de grens van Polen en Wit-Rusland is wereldberoemd wegens de er vrij levende wisenten. De uitgestrekte Mazoerische meren zijn zeer belangrijk als broed- en pleisterplaats van waterwild (groot aantal broedende knobbelzwanen; kraanvogel en zwarte ooievaar zijn eveneens broedvogel). In het Tatragebergte op de grens met Tsjechoslowakije ligt een zich over beide landen uitstrekkend nationaal park met o.a. het grootst bekende gemzenras, een aantal bruine beren, wolven, lynxen en wilde katten; ook de alpenmarmot komt hier voor.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
A traditional Easter procession in RadomyslDe bevolking bestaat voor 98% uit Polen (vůůr de Tweede Wereldoorlog 65%). Voorts zijn er Wit-Russische, OekraÔense, Litouwse, Tsjechische, Slowaakse en Duitse minderheden. In de periode 1985-1994 bedroeg de gemiddelde bevolkingstoename 0,3%. In 1993 was het geboortecijfer 13Č; de kindersterfte bedroeg in 1994 16 per 1000 levendgeborenen. Ongeveer 64% van de bevolking woont in steden; de grootste steden zijn: Warschau (1,64 miljoen inw.), Lůdz (833.700), Krakůw (745.100), Wroclaw (= Breslau; 642.330), Poznan (582.800) en Gdansk (463.060).
2.2 Taal
De officiŽle taal is het Pools (zie Poolse taal); de minderheden spreken hun eigen talen.
2.3 Religie
Ongeveer 97, 4% van de bevolking is rooms-katholiek. In 1992 telde de Russisch-Orthodoxe Kerk 573.200 leden. Het aantal protestanten wordt geschat op 267.700, van wie de meeste lutheranen. Voorts zijn er 80.200 oud-katholieken.
De Rooms-Katholieke Kerk is georganiseerd in de aartsbisdommen Gniezno, Krakůw, Poznan, Warschau en Wroclaw, plus twee aartsbisdommen buiten het Poolse grondgebied; Lwow en Vilnius, en 21 bisdommen. Primaat van Polen is de aartsbisschop van Warschau en Gniezno (het oudste bisdom), kardinaal Jozef Glemp. Tijdens het communistische regime bloeide de kerk tegen de verdrukking in. In 1950, 1956 en 1972 sloten kerk en staat overeenkomsten, waarbij de kerk het regime aanvaardde en de staat garanties gaf voor het kerkelijk bestuur en het katholieke onderwijs. Het bezoek van paus Johannes Paulus II aan zijn vaderland in juni 1979 versterkte de positie van de kerk ten opzichte van de overheid. In mei 1989 werd een nieuw akkoord bereikt, waarbij de kerk volledig wettelijk erkend werd. In het akkoord werden de onafhankelijkheid van de kerk en de vrijheid van godsdienst vastgelegd. Bovendien kreeg de kerk recht op eigen scholen en media. Het aantal joden - in 1939 nog 10% van de bevolking - bedroeg in 1993 nog slechts 1300.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de oude Grondwet is het hoogste orgaan de Sejm, het parlement (460 zetels). Daarnaast werd in juni 1989 de Senaat opnieuw ingevoerd (100 zetels). Deze heeft het recht van amendement. Amendementen kunnen door de Sejm worden tegengehouden met een tweederde-meerderheid. De Kieswet van 1991 gaat uit van een stelsel van evenredigheid. In de 36 kiesdistricten worden bij verkiezingen 391 zetels verdeeld. De stemverhoudingen in de districten bepalen de toewijzing van nog eens 69 zetels. Het staatshoofd, de president, wordt rechtstreeks door de bevolking gekozen en heeft vergaande bevoegdheden. Hij kan het parlement ontbinden, heeft vetorecht op beslissingen van de Sejm en kan de minister-president benoemen of ontslaan. Op lokaal niveau is de gecentraliseerde structuur in 1990 vervangen door een systeem van autonome bestuurseenheden. Deze worden direct gekozen door het plaatselijke electoraat, maar zijn ook verantwoording hieraan schuldig.
3.2 Administratieve indeling
Sinds 1975 kent Polen 49 wojewůdztwo's (provincies), waaronder drie steden (Warschau, Krakůw en Lůdz), 822 steden en 2121 gemeenten.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Polen is lid van de Verenigde Naties, de GATT, de Raad van Europa (sinds 1991) en het Internationaal Monetair Fonds (IMF).
3.4 Politieke partijen en vakbondswezen
Sinds in 1989 de vorming van politieke partijen erkend werd, zijn er tientallen partijen opgericht, zodat de Sejm na de verkiezingen van sept. 1993 een versplinterd beeld gaf (ťťn enkele van de 7 in het parlement gekozen partijen behaalde meer dan 20% van de stemmen). De belangrijkste zijn: Verbond van Democratisch Links (SLD), de Poolse Boerenpartij (PSL), de Democratische Unie (UD), de Unie van de Arbeid (UP), de Confederatie voor een Onafhankelijk Polen (KPN), het Onafhankelijk Hervormingsblok (BBWR) en twee partijen van de Duitse minderheid.
De vakbond Solidariteit (SolidarnoŖÁ), opgericht in sept. 1980, werd in okt. 1982 met alle andere vakbonden op last van de overheid ontbonden. In nov. 1984 werd het Overkoepelend Orgaan van Poolse Vakbonden (OPZZ) opgericht (in 1991 ca. 4,5 miljoen leden). In april 1989 werd Solidariteit officieel weer erkend (in 1991 2,3 miljoen leden).

4. Economie
4.1 Algemeen
Harvest in HoniatynPolen heeft na de Tweede Wereldoorlog het economisch model van de Sovjet-Unie gekopieerd. Banken en grote bedrijven werden genationaliseerd en het grootgrondbezit werd opgeheven. Slechts de kleinere boerenbedrijven en de dienstensector bleven in particuliere handen. Het levenspeil bleef lange tijd erg laag, maar wel veranderde Polen geleidelijk van een overwegend agrarisch in een geÔndustrialiseerd land. In 1990 werkten er van een beroepsbevolking van 16,5 miljoen mensen 4,7 miljoen in de landbouw, 8,7 miljoen in de industrie, bouw, handel, verkeer en transport en 1,7 miljoen in de gezondheidszorg en het maatschappelijk werk (In percentages landbouw, industrie en dienstverlening in 1994 resp. 6, 40 en 54.) De onevenwichtige economische ontwikkeling en de verwaarlozing van de consumptieve sector vormden een belangrijke oorzaak voor de sociale onlusten van 1956, 1970 en 1980. Tussen 1980 en 1994 steeg het bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking gemiddeld met 1,6% per jaar (in 1994 al 5,2% en in 1995 liefst 7%); in absolute termen was het bnp echter laag (in 1994 $ 2470).
In 1989 werden de vrije-marktprincipes in de Poolse economie hersteld. Op 1 jan. 1990 nam de regering-Mazowiecki een omvangrijk economisch hervormingsprogramma aan. Het voorzag in het vrijlaten van de prijzen (in 1991 verviervoudigden ze zonder dat er loonstijging tegenover stond), voorts het convertibel maken van de zloty en de invoering van een zware belasting op loonstijgingen die uit zouden gaan boven de vastgestelde norm. Daarnaast was een belangrijk doel het onder controle krijgen van de overheidsuitgaven door vermindering van de uitgaven en een strakker belastingsysteem. Als gevolg van dit beleid daalde de inflatie (19% in 1996) en breidde de particuliere sector zich snel uit, maar negatieve effecten waren een verdere daling van de productie en een sterke stijging van de werkloosheid (eind 1995 14,9%).
4.2 Landbouw, veehouderij en visserij
Het grootgrondbezit werd na de communistische machtsovername opgeheven, dwz. het grondbezit boven de 50 ha (100 ha in de nieuw verworven westelijke gebieden). Aanvankelijk werden de kleinere particuliere bedrijven met rust gelaten, maar na 1949 werd geprobeerd de boeren ertoe te bewegen hun bedrijven samen te voegen in collectieve bedrijven of coŲperaties aan te gaan. In een poging meer greep op de agrarische sector te krijgen werden zgn. landbouwkringen opgericht: instellingen die landbouwmachines verhuren, als gezamenlijk inkoopbureau voor particuliere boeren fungeren en het verenigingsleven op het platteland organiseren. Het particuliere bezit in de agrarische sector heeft gedurende de communistische periode steeds overheerst (tussen de 75 en 85% van het totale landbouwareaal). In okt. 1991 werden de staatsboerderijen opgeheven. De 0,5 miljoen boeren van die bedrijven waren vrij om voor zichzelf te beginnen. Het gemiddelde particuliere bedrijf was in 1989 5 ha groot. De werkloosheid in de landbouw, m.n. in het noorden en noordoosten, is sinds 1989 vrij snel gestegen.
Behalve granen (tarwe, rogge, gerst en haver) produceert Polen traditioneel veel aardappelen en suikerbieten.
De veehouderij omvat vnl. runder- en varkensteelt. Gebrek aan veevoer en een slechte infrastructuur zijn de belangrijkste belemmeringen voor groei in deze sector.
Visserij. De visvangst op de Oostzee en daarbuiten wordt door een grote visserijvloot bedreven. Kabeljauw en haring zijn de voornaamste producten.
4.3 Industrie
De meeste industrie is gevestigd in het zuiden van het land, met als zwaartepunt Opper-SileziŽ (metaal-, elektrotechnische, chemische en houtverwerkende industrie). Grote industriesteden zijn daarnaast Lůdz (chemische industrie en vooral textiel), Warschau (werktuig- en machinebouw, textiel, bouwmaterialen), Poznan (machinebouw, cellulose, bouwmaterialen, textiel) en Gdansk (scheeps- en machinebouw). Sinds 1990 is de particuliere sector sterk gegroeid. Een groot probleem vormt echter nog steeds de privatisering van de grote staatsbedrijven. De privatiseringswet van juli 1990 leidde niet tot het gewenste effect. Bovendien heeft de industrie, die zich op de export naar de Sovjet-Unie richtte, moeite met overschakelen. De daling van de industriŽle productie bedroeg in 1991 36% in vergelijking met 1989. Een bijkomend probleem is de enorme milieuvervuiling die de industrie veroorzaakt.
4.4 Mijnwezen
Polen is rijk aan delfstoffen. Steenkool wordt gewonnen in Opper-SileziŽ, Neder-SileziŽ en het Lublinbassin, ligniet bij Belchatůw. Voorts beschikt het land over rijke koper-, zink- en zwavelvoorraden. Winning van ijzererts, gas en aardolie vindt ook plaats, maar wordt onvoldoende geŽxploiteerd om in de eigen behoefte te voorzien.
4.5 Energie
De elektriciteitsopwekking vindt plaats in warmtekrachtcentrales. Aan een kerncentrale bij Zarnowiec werd gebouwd, maar na vele protesten werd in 1990 de bouw stilgelegd.
4.6 Handel
Polen heeft een chronisch tekort op de handelsbalans. Het 'Pakket 2000' wil de export jaarlijks met 10, 5% doen groeien en de importgroei tot 7,9% beperken, om de handelsbalans in evenwicht te brengen. Belangrijkste exportproducten zijn steenkool, chemische producten en levensmiddelen. Ingevoerd worden o.a. machinerieŽn, aardolie, chemische producten en levensmiddelen. Voornaamste handelspartner is Duitsland, naast ItaliŽ, Rusland, Groot-BrittanniŽ, Nederland en Denemarken.
4.7 Bankwezen
Per 31 dec. 1989 werd het gehele bankwezen gereorganiseerd. De Nationale Bank van Polen werd hierdoor onafhankelijk van de overheid en kreeg vergaande bevoegdheden inzake de wisselkoers en het niveau van de rente. Na 1989 is het aantal commerciŽle banken explosief gegroeid. Ook werd vanaf dat jaar een aantal banken, geheel of gedeeltelijk in privťbezit opgericht. In 1991 werd de beurs in Warschau geopend.
4.8 Verkeer
De ontwikkeling van het spoorwegnet is achtergebleven bij de economische groei. Van het totale net (bijna 25.000 km) is minder dan de helft geŽlektrificeerd. Het wegennet (ca. 368.000 km) is redelijk goed. De koopvaardijvloot omvat 591 schepen (uitgezonderd de visserijvloot). De voornaamste zeehavens zijn Szczecin, Gdynia en Gdansk. Warschau heeft een internationale luchthaven. De nationale luchtvaartmaatschappij is de Polskie Linie Lotnicze (LOT).

5. Geschiedenis
Blijkens archeologische vondsten in het Poolse merengebied moet het land al sinds ca. 700 v.C. bewoond zijn geweest. In de eerste eeuwen n.C. was Polen, althans ten westen van de Weichsel, door de Germanen bevolkt; op hun zwerftocht naar het zuiden zijn de Goten en Vandalen door Polen getrokken. Tegelijkertijd begonnen de Slaven van het oosten uit het land binnen te dringen; tegen het einde van de Grote Volksverhuizing hadden zij het geheel ingenomen.
5.1 De Piasten
Onder de in Polen gevestigde Westslavische stammen namen op den duur de Polanen (van pole = veld) de leidende positie in. Zij bewoonden de streken aan de Warta en hun voornaamste centra waren de burchtsteden van Gniezno en Poznan. Van hun stamvorsten, die hun oorsprong van de legendarische Piast herleidden, is als eerste bekend Mieszko I (gest. 992). Tijdens zijn regering ving, op zijn instigatie, de kerstening van het volk aan, terwijl het Poolse Rijk aanzienlijk werd uitgebreid. Als stichter van de Poolse staat geldt zijn zoon en opvolger Boleslaw I de Dappere (992-1025). Dank zij zijn vriendschappelijke relatie tot keizer Otto III bereikte hij, dat in Polen een aparte kerkelijke provincie werd gevestigd en kort voor zijn dood kreeg hij van de paus zelfs de koninklijke waardigheid. De vele oorlogen die Boleslaw met de buurlanden voerde, werden voor de jonge staat een al te zware belasting. Na zijn dood volgde al spoedig een periode van diep verval; eerst tegen het einde van de 11de eeuw telde Polen weer als een machtig rijk mee. Ten tijde van Boleslaw III (1102-1138) omvatte Polen het gebied tussen de Oostzee en de Karpaten en tussen de Oder en de Bug; het bleek evenwel niet krachtig genoeg om de toenemende politieke en culturele druk van Duitsland te weerstaan. Door zijn rijk onder zijn zoons te verdelen vergemakkelijkte Boleslaw III onwillekeurig nog de Duitse penetratie. De dynastieke verbrokkeling van Polen, die vooral in SileziŽ en MazowiŽ flink doorgezet heeft, had o.a. tot gevolg dat uitgestrekte gebieden aan de Oder en de Oostzee onder het oppergezag van de Duitse koningen en keizers raakten en voor Polen verloren gingen. Inmiddels vond in Poolse vorstendommen een intensieve Duitse kolonisatie van boeren en handwerkslieden plaats, die weliswaar zeer tot de economische en culturele vooruitgang van het land bijdroeg, maar politiek bedenkelijke consequenties had. Nadat VŠclav II van Bohemen (als koning van Polen van 1300 tot 1305) het rijk weer grotendeels had herenigd, slaagde de deelvorst van KujawiŽ, Wladyslaw Lokietek (een 'el lang'), erin de staatseenheid duurzaam te herstellen. Onder zijn zoon en opvolger Kazimierz III de Grote (1333-1370) beleefde het koninkrijk Polen een tijd van grote bloei en na een lange worsteling met het machtig geworden Litouwen werd GaliciŽ bij Polen gevoegd. Met Kazimierz III stierf de heersende linie van het Huis der Piasten uit.
5.2 De Jagiellonen
De opvolger van Kazimierz III, Lodewijk van Anjou (1370-1382), was tegelijk koning van Hongarije. Hij moest de adel bij het Verdrag van KoŖice grote privileges toekennen (1374). Na Lodewijks dood werd zijn dochter Jadwiga in 1384 tot 'koning' van Polen gekroond. Door haar huwelijk met grootvorst Jagiello van Litouwen (= Wladyslaw II) kwam een personele unie tussen beide landen tot stand (1386). Polen werd daardoor bijna viermaal zo groot. Het omvatte nu ook de OekraÔne, PodoliŽ, delen van Rusland, enz., terwijl BessarabiŽ, MoldaviŽ en Walachije vazalstaten werden (zie ook Litouwen ß geschiedenis). Economisch belangrijk was het vrijkomen van de weg naar de Zwarte Zee. Een ongunstige factor was echter dat een groot deel van de nieuwe onderdanen tot de Orthodoxe Kerk behoorde, wat een bron van onrust en conflicten zou worden. Intussen breidde Polen zich ten koste van de Duitse Orde naar de Oostzee uit. Bij de tweede Vrede van Thorn (Torķn, 1466) kwam Pommerellen met Danzig (Gdansk) en een groot deel van Pruisen bij Polen. Voor de rest van Pruisen moest de Duitse Orde de Poolse leenhoogheid erkennen. Kazimierz IV, die dit succes behaalde, wist ook zijn zoon als koning van Bohemen en Hongarije te doen erkennen.
Intussen stond de adel door zijn machtsstreven en egoÔsme een gezonde politieke en economische ontwikkeling in de weg. Polen was sinds de troonsbestijging van de Jagiellonen een kieskoninkrijk geworden. Wel volgde steeds een telg uit de eenmaal heersende dynastie op, maar adel en geestelijkheid, die officieel het kiesrecht hadden, namen een steeds sterkere positie in en matigden zich steeds meer rechten en vrijheden aan. In de tweede helft van de 15de eeuw ontstond de Poolse landdag (Sejm), bestaande uit de koning, een Senaat, die gevormd werd door de magnaten, en een Kamer, die samengesteld werd door de afgevaardigden van de provinciale landdagen, waarin alleen de landadel (szlachta) zitting had. Aan de stedelijke bloei kwam sinds de 15de eeuw een eind. De burgerij ging in betekenis achteruit en verwierf ook geen aandeel in het landsbestuur. Via van de koning afgedwongen privileges werden daarentegen de landdagen steeds machtiger. Geleidelijk ging de szlachta het politieke toneel beheersen. Bij het statuut van Petrikow (1496) en de constitutie van Radom (1505) werden de rechten van de adel zeer uitgebreid; de boeren werden in 1496 aan de grond gebonden en werden daardoor tot lijfeigenen. In de 16de eeuw werd de strijd met MoskoviŽ een belangrijk element in de Poolse geschiedenis.
Ondanks het feit dat door het wegvallen van de burgerij als machtsfactor, door de definitieve organisatie van de horigheid van de boeren (wet van 1511) en door de toenemende veronachtzaming van het nationale belang van de zijde van de adel de hiervoor geschetste euvelen steeds ernstiger werden, geldt de 16de eeuw als de gouden eeuw van Polen. Vooral op geestelijk gebied was er bloei. De Hervorming deed haar intrede en hoewel ze tot veel strijd leidde, stimuleerde ze toch ook het geestelijk leven. De Baltische gebieden en de steden werden de centra van de Hervorming. Sinds 1565 begon echter de jezuÔetenorde haar activiteit in Polen en nergens gelukte het haar zo ten volle als in dit land het protestantisme geheel terug te dringen. Bij de Confederatie van Warschau (1573) werd godsdienstvrijheid gewaarborgd voor de 'dissidenten', dwz. de niet-katholieken, met uitzondering van anabaptisten, socinianen en quakers. De heerschappij van de jezuÔeten op geestelijk gebied en hun grote politieke invloed werden al spoedig zeer drukkend. Bij de Unie van Lublin (1569) werd de personele unie tussen Polen en Litouwen tot een werkelijke unie.
5.3 Het verval
Toen Sigismund II, de laatste van de Jagiellonen, kinderloos stierf (1572), begon een periode van werkelijk kieskoningschap, waarbij de Sejm iedere nieuwe koning bij zijn regeringsaanvaarding een aantal voorwaarden en garanties liet tekenen. Het centrale gezag werd fictief. De invoering van het liberum veto legde de grondslag voor anarchie en wetteloosheid. De eerste gekozen koning was de latere Hendrik III van Frankrijk. Hij werd opgevolgd door IstvŠn BŠthory. In 1587 kwam Sigismund III uit het Zweedse Huis Wasa op de troon. Onder hem zegevierde de Contrareformatie definitief. Sigismunds pogingen om de Zweedse kroon te bemachtigen en in Zweden het katholicisme in te voeren, leidden tot ernstige Pools-Zweedse conflicten, die bijdroegen tot de achteruitgang van Polen. De pogingen om macht of invloed te verkrijgen in MoskoviŽ (steun aan twee valse Dmitri's) mislukten. Het Turkengevaar werd voorlopig gekeerd (oorlog van Chotin, 1621), maar Lijfland ging in 1629 definitief aan Zweden verloren. In 1654 moest de OekraÔne voor het grootste deel aan Rusland worden afgestaan. Frederik Willem van Brandenburg wist aan de Poolse leenhoogheid over Pruisen een eind te maken. Onder Jan II Kazimierz (1648-1668) gingen de laatste Baltische gebieden aan Zweden en de rest van de OekraÔne en Wit-Rusland verloren. In 1672 begon een oorlog met de Turken, die zich tijdelijk meester van PodoliŽ zouden maken.
Onder het bewind van de doortastende Jan III Sobieski (1674-1696) beleefde het oude Polen voor het laatst een tijd van machtspolitiek herstel. De oorlog tegen Turkije werd succesrijk gevoerd en met de herovering van PodoliŽ bekroond. Na het overlijden van Jan III werd Polen weer snel een speelbal van vreemde mogendheden, die de koningskeuze beslisten. Met de steun van Oostenrijk en Rusland werd de keurvorst van Saksen, August II de Sterke (1697-1733), tot koning van Polen gekozen, die al kort na zijn troonsbestijging het land in het avontuur van de Grote Noordse Oorlog (1700-1721) stortte. Na de inval van Zweden, dat jarenlang in Polen de baas zou spelen, werd August afgezet en door Stanislaw Leszczynski vervangen. Deze bekwame vorst kon zich echter na de nederlaag van de Zweden bij Poltava (1709) niet handhaven. Door de Russische troepen geholpen keerde August II op de troon terug. Onenigheden tussen August II en de adel gaven Peter de Grote in 1717 gelegenheid te interveniŽren en de Russische invloed nog weer te versterken. Na de dood van August II brak de Poolse Successieoorlog uit. Onder de regering van August III (1736-1763) werd Polen steeds meer een Russisch protectoraat, terwijl twee grote partijen, onder leiding van de families Potocki en Czartoryski, tot een vernieuwing van het Poolse staatsbestel trachtten te komen, resp. met steun van Frankrijk en van Rusland. Het resultaat was echter alleen maar nieuwe partijstrijd en toenemende interventie van de mogendheden in Polen.
5.4 De Poolse Delingen
In 1764 werd onder zware diplomatieke en militaire druk van Catharina II de Grote Stanislaw II Poniatowski tot koning van Polen gekozen. Hij kon, hoewel sympathiserend met het streven naar staatkundige hervormingen, in de praktijk niet verder gaan dan het door Catharina in haar 'instructie' neergelegde program. Het doordringen van de ideeŽn van de Verlichting en een groeiend nationaal besef inspireerden tot pogingen aan de buitenlandse inmenging en de anarchistische binnenlandse politieke toestand een einde te maken. In 1768 sloten Poolse edelen zich aaneen tot de confederatie van Bar, gericht tegen de Russische machtspositie. Vier jaren burgeroorlog waren het gevolg; de Russische interventie leidde tot onderhandelingen tussen Pruisen en Oostenrijk, die niet wilden toestaan dat de tsarina in feite geheel Polen onder permanente Russische heerschappij bracht. In de periode van 1772 tot 1795 werd Polen geheel opgedeeld (zie Poolse Delingen). Na de eerste deling (1772) behield Rusland zijn hegemoniale invloed in het overgebleven Polen. In 1775 werd de gelijkstelling van de 'dissidenten' doorgezet. De hervormingsgezinde partij slaagde in 1791 erin de landdag een grondwet te doen aannemen die aan de anarchie van het liberum veto een einde moest maken: Polen werd tot een erfelijke constitutionele monarchie verklaard, met een staand leger; de toestand van de lijfeigen boeren werd iets verbeterd, doordat zij tegen arbitraire gezagshandhaving door hun heren werden beschermd. Een deel van de magnaten, de 'Oudpoolse' partij, weigerde evenwel de nieuwe verhoudingen te aanvaarden en sloot de confederatie van Targowica (1792), die door de Russen werd gesteund. In hetzelfde jaar begonnen de hervormingsgezinde Polen onder leiding van KoŖciuszko en van een neef van de koning, Jůzef Poniatowski, de strijd. Toen de koning - weinig meer dan de gevangene van de Russen - zich bij de Oudpoolse partij aansloot, werd de strijd echter gestaakt.
Internationale verwikkelingen werden de aanleiding tot de Tweede Poolse Deling in 1793. Deze leidde in 1794 tot een hernieuwde opstand. De confederatie van Krakůw riep KoŖciuszko tot 'dictator' uit. Na een nederlaag raakte hij in Russische gevangenschap.
Het jaar daarop (1795) werd wat er nog van Polen overgebleven was bij de Derde Poolse Deling door de drie aangrenzende mogendheden geannexeerd.
5.5 Polen tot het Congres van Wenen (1795-1815)
Vele Polen vluchtten naar Frankrijk en namen daar dienst in het leger, in de hoop de onafhankelijkheid van hun land te bevorderen. Bij de Vrede van Tilsit (1807) verloor Pruisen in het oosten al het gebied dat het door de Tweede en de Derde Poolse Deling gewonnen had. Hieruit werd, met uitzondering van het tot een aparte republiek geproclameerde Danzig, het groothertogdom Warschau gevormd, dat in 1809 met de Oostenrijkse aanwinst van 1795 werd uitgebreid. Groothertog werd de koning van Saksen, Frederik August I. In nauwe alliantie met Frankrijk nam het groothertogdom Warschau deel aan de Napoleontische veldtocht tegen Rusland. Na de val van Napoleon werd door het Congres van Wenen (1815) uit het groothertogdom minus de aan Pruisen toegewezen provincie Posen het koninkrijk Polen (het Congres-Polen) gevormd, dat in personele unie met Rusland werd verenigd; het kreeg een eigen constitutie en een eigen leger. Krakůw, over het bezit waarvan Oostenrijk en Rusland het niet eens konden worden, werd een 'vrije stadsrepubliek'. Oostenrijk behield GaliciŽ, dat aanvankelijk - evenals Pruisisch Polen - geen autonomie verkreeg.
5.6 Een eeuw afhankelijkheid (1815-1914)
Tot ver in de 19de eeuw bestond er een merkwaardige relatie tussen enerzijds de West-Europese revolutionaire linkerzijde, die de status quo verwierp, en anderzijds de Polen, die naar herstel van de Poolse onafhankelijkheid streefden, vnl. leden van de adel. Polen streden in 1848-1849 mee in de Duitse, Italiaanse en Hongaarse revoluties en namen in 1871 aan de Parijse Commune deel. De grote Poolse opstanden van 1830-1831 en 1863 werden door de radicale linksen in Europa toegejuicht. In Polen zelf echter mislukten beide opstanden en andere revolutionaire bewegingen niet slechts door de overmacht van de tegenstander, maar ook door het onvermogen van de opstandelingen de boerenmassa's krachtig te activeren. Zowel in Pruisisch Polen als in Russisch Polen waren het de reactionaire regeringen die - tegen de wil van een groot deel van de Poolse adel in - de emancipatie van de boeren bevorderden, wat resulteerde in een grote mate van loyale gezindheid van de boeren ten opzichte van de vreemde heerschappij, waaraan in het Pruisische geval slechts een einde kwam door een scherpe antiklerikale politiek in de jaren zeventig, alsmede door het germaniseringsbeleid, dat een bedreiging van het bestaan der Poolse boeren inhield. In Russisch Polen, het grootste en belangrijkste Poolse gebied, schiep de na de opstand van 1863 op gang gekomen industrialisering een nieuwe situatie: economisch was de opkomende bourgeoisie gebaat bij het handhaven van de Russische rijkseenheid, die haar een tolvrije toegang tot een reusachtige markt verschafte. De Nationaal-Democratische Partij onder leiding van Roman Dmowski, die ook in Pruisisch Polen veel aanhangers kreeg, streefde naar een inlijving van alle Poolse gebieden bij het Russische Rijk en het verwerven van politieke autonomie voor een aldus ontstaan Polen, waarvan de grenzen met die van de Poolse natie identiek zouden zijn. De bestaande staatsgrenzen werden aanvaard door een deel van de socialisten, die aan het einde van de 19de eeuw verenigd waren in de SDKPőL; deze partij werd geleid door internationalistisch gezinde, veelal joodse intellectuelen en vond haar aanhang onder een deel van de industriearbeiders in Russisch Polen. Zij werd geflankeerd enerzijds door de socialistische joodse Bund, die betrekkelijk geÔsoleerd was, anderzijds door de Poolse Socialistische Partij (PPS), die als punt 1 van haar program het herstel van de Poolse onafhankelijkheid had. De PPS was een factor van betekenis in GaliciŽ, waar sinds 1866 het Poolse bevolkingselement in toenemende mate autonomie verkreeg en waar in feite de grootste politieke vrijheid heerste. In de PPS leefde sterk de gedachte aan een Pools rijk, dat ook de bij de Eerste en de Tweede Deling verloren gegane Litouwse, Wit-Russische en OekraÔense gebieden moest omvatten.
Russisch Polen (Congres-Polen, generaal-gouvernement Warschau). Onder het regime van de door prins Czartoryski ontworpen grondwet genoot Congres-Polen aanvankelijk een grote mate van autonomie. Onder tsaar Nicolaas I (1825-1855) werd evenwel de grondwet geschonden om de Russische invloed te versterken. Toen de tsaar in 1830 het Poolse leger tegen de revoluties in Frankrijk en BelgiŽ wilde inzetten, kwam het in november in Warschau tot een opstand. De onderkoning, de Russische grootvorst Constantijn, vluchtte met het garnizoen. Czartoryski vormde een nationale regering; de Poolse landdag verklaarde de Russische dynastie voor afgezet. In het voorjaar van 1831 leed het Poolse leger beslissende nederlagen. De Russische generaal Paskevitsj voerde als stadhouder een meedogenloze russificeringspolitiek. Bijna 10!000 Polen verlieten nu het land (de 'grote emigratie'); de meesten vestigden zich te Parijs. Onder de emigranten vormden zich twee partijen, de vnl. aristocratische witten (Czartoryski), die onafhankelijkheid langs diplomatieke weg wilden bereiken, en de democratische en/of revolutionaire roden (o.a. de historicus Joachim Lelewel), die dit via geheime genootschappen en opstanden wensten te verwezenlijken. De Franse keizer Napoleon III sympathiseerde met de Polen, maar vermeed de Russen concessies te vragen. Hierdoor werd de positie van de witten verzwakt. Op de voorgrond trad in de jaren vijftig Ludwik Mieroslawski, leider van de rechtervleugel van de 'roden', die krachtig op een opstand aanstuurde, ook toen onder tsaar Alexander II (1855-1881) een algemene amnestie werd afgekondigd en (sinds 1861) de Poolse markies Wielopolski een beleid kon voeren gericht op een herstel van een zekere mate van (vooral lokale) autonomie. In 1861 vonden omvangrijke anti-Russische betogingen plaats. Aan de in jan. 1863 uitgebroken opstand (tot welke een conscriptiedecreet de aanleiding vormde) namen bredere lagen van de bevolking dan in 1830-1831 deel, m.n. ook handwerkers en ambtenaren; de massa van de boeren bleef - ondanks enige guerrilla-activiteiten - apathisch. De revolutionairen waren onderling zeer verdeeld. Frankrijk, Engeland en Oostenrijk zonden protestnota's, terwijl Pruisen met de Russen samenwerkte ter onderdrukking van de opstand. Het aantal executies, deportaties en confiscaties overtrof dat van 1831. Russisch Polen, nu generaal-gouvernement Warschau of de tien Weichselgouvernementen genaamd, werd verdeeld in tien gouvernementen en onderworpen aan een strenge russificering. Elk spoor van zelfbestuur verdween. In 1864 voerde graaf Miljoetin een vergaande landhervorming door. De boeren kregen hun pachthoeven in eigendom. Door deze politiek slaagde Rusland erin de polonisering van Wit-Rusland en Litouwen ongedaan te maken en de positie van de adel ook in de zuiver Poolse gebieden ernstig te verzwakken. Onder tsaar Alexander III (1881-1894) werd het russificeringsbeleid met de hulp van kerk en onderwijs geÔntensiveerd. In deze periode bevorderde de economische bloei - althans bij een deel van de bourgeoisie - de neiging de profijtelijke banden met Rusland niet ter wille van een puur nationaal streven te slaken.
In 1892 werd de Poolse Socialistische Partij (PPS) opgericht, waarvan zich reeds in 1893 de SDKP (Sociaal-Democratie van het Koninkrijk Polen, in 1899 na toetreding van Litouwers in SDKPőL omgedoopt) als internationalistisch-marxistische vleugel afsplitste. De PPS bleef onderling sterk verdeeld. De rechterzijde (Pilsudski) beklemtoonde de eis van een wederoprichting van een soevereine Poolse staat en wilde hiervoor in het revolutiejaar 1905 met militaire middelen strijden, terwijl de SDKPőL en de linkervleugel van de PPS zich op de klassestrijd (stakingen) concentreerden. De in 1883 opgerichte burgerlijke Nationaal-Democratische Partij ging ook toen niet verder dan het bepleiten van een constitutionele hervorming van en binnen het Russische Rijk.
Pruisisch Polen. De Pruisische provincies met een sterk aandeel van Polen aan de totale bevolking - Posen, West-Pruisen en Opper-SileziŽ - ontwikkelden zich nogal uiteenlopend. In Posen werd in 1823 de emancipatie van de boeren doorgevoerd, veertig jaar eerder dan in Russisch Polen. In dezelfde provincie was, vooral onder de adel, het Pools nationaal besef het sterkst ontwikkeld. Aansluitend bij de Maartrevolutie in 1848 te Berlijn brak in Posen - waarheen zich ook vele emigranten begaven die hier een operatiebasis voor acties in Russisch Polen wilden vormen - een opstand uit, die twee maanden later werd gedempt. De realisering van de Duitse eenheidsstaat (1871) bracht een versterking van de reeds eerder herhaaldelijk zichtbaar geworden germaniseringstendenties met zich. In 1876 werd het Duits geproclameerd tot de enige taal waarvan men zich in het ambtelijke verkeer mocht bedienen. De kolonisatiewet van 1886 beoogde de vestiging van Duitse boeren in gemengde en in meerderheid Poolse gebieden te bevorderen.
Oostenrijks Polen (zie ook GaliciŽ [geschiedenis]). In 1833 werd een poging GaliciŽ tot opstand te brengen aanleiding voor de Oostenrijkse regering het Duitse element ten koste van het Poolse te versterken. Door verraad werd een plan tot opstand in 1846 in Wenen bekend; de rebellen zagen nu van actie af, behalve in de vrije stad Krakůw, waar men niet tijdig was gewaarschuwd en die nu door Oostenrijk werd geannexeerd. In Oost-GaliciŽ werden Poolse landheren door Roetheense boeren vermoord. De regering schafte, teneinde de Poolse adel te verzwakken, de lijfeigenschap af. Na de Oostenrijkse nederlaag in de oorlog met Pruisen (1866) streefde Wenen naar een akkoord met de Polen. In 1871 werd een speciaal ministerie voor GaliciŽ ingericht, het Pools werd als de taal van het bestuur en het middelbaar onderwijs erkend en een gunstige financiŽle regeling werd getroffen. Het economisch beleid was slecht, stond modernisering in de weg en maakte GaliciŽ tot een producent van goedkoop graan en afnemer van industrieartikelen uit welvarender gewesten. Vijf miljoen boeren leidden er een ellendig bestaan. Evenals uit Russisch Polen was er een sterke emigratie naar overzee, vooral naar de Verenigde Staten.
5.7 De Eerste Wereldoorlog en de vrede (1914-1918)
De Polen, die hoopten als gevolg van de oorlog een zelfstandig staatsbestaan te kunnen bereiken, waren tot op het ogenblik van de unieke constellatie dat de drie delingsmogendheden alle verliezers waren geworden, verdeeld in hun voorkeur. Bij het uitbreken van de oorlog marcheerde vanuit GaliciŽ een door Pilsudski voorbereid en geleid Pools 'legioen' over de Russische grens. Duitse troepen bezetten in 1915-1916 Russisch Polen. De proclamatie van een Poolse staat op 5 nov. 1916 geschiedde in weinig hoopvolle omstandigheden. De tegenstellingen tussen de Centralen, Duitsland en Oostenrijk, ten aanzien van Polens toekomst bleken onoverkomelijk. De 'passieven' onder de Polen (m.n. de nationaal-democraten, die in toenemende mate steun zochten bij de westelijke Entente-landen) werden nooit voor samenwerking met de Centralen gewonnen; de 'activisten' raakten van hen vervreemd en de vrijwilligersbeweging werd geen succes. Nadat bij de Vrede van Brest-Litovsk aan de tot een zelfstandige staat uitgeroepen OekraÔne een gebied (het Cholmer land) werd toebedeeld, dat de Polen voor zich opeisten, viel het Poolse hulpkorps van de Centralen af en begaf een deel ervan zich onder aanvoering van generaal Haller via Moermansk naar Frankrijk, waar het de daar tegen Duitsland strijdende Poolse eenheden versterkte. Het zwaartepunt van de Poolse onafhankelijkheidsbeweging was nu geheel naar de Entente-landen verschoven. Het door de nationaal-democraat Dmowski gevormde Poolse Nationale Comitť te Parijs verkreeg een steeds sterkere positie, vooral na de val van de tsaristische regering. Het dertiende van de 'Veertien Punten' van de Amerikaanse president Wilson (jan. 1918) bevatte de eis van een onafhankelijk Polen binnen zijn nationale grenzen met vrije toegang naar zee. De vertegenwoordigers van het Nationale Comitť in de Verenigde Staten bepleitten de inlijving van overwegend Duitse gebieden in Oost-Pruisen en Opper-SileziŽ. De door de Centralen ingestelde Regentschapsraad zwenkte in de loop van 1918 om naar de door Wilson gestelde eis. In okt. 1918 werd in Krakůw en West-GaliciŽ het bewind overgenomen door een commissie onder leiding van W. Witos, de boerenleider, en I. Daszynski, een medestrijder van Pilsudski. Na strijd met de OekraÔners werd de Poolse macht ook in Oost-GaliciŽ (hoofdstad Lemberg; Pools: Lvov) gevestigd. Op 14 nov. abdiceerde de Regentschapsraad ten gunste van de uit Duitsland teruggekeerde Pilsudski, die als staatshoofd op 17 nov. J. Moraczewski opdroeg een regering te vormen. In een gespannen situatie - de oude politieke en persoonlijke tegenstellingen waren niet verdwenen en de nationaal-democraten gingen zelfs tot een (mislukte) opstand over - werd hij op 16 jan. 1919 door Paderewski vervangen. Met het Parijse Nationale Comitť kwam een vergelijk tot stand; het trad als Poolse delegatie bij de vredesconferentie op. Geleidelijk breidde de regering haar gezag ook over Pruisisch Polen uit. In het Vredesverdrag van Versailles (juni 1919) werd de grens met Duitsland slechts gedeeltelijk vastgelegd; m.n. in Oost-Pruisen en Opper-SileziŽ moesten volkstemmingen worden gehouden, die over de staatkundige toekomst van de betrokken landstreken zouden beslissen.
5.8 De strijd om de Poolse grenzen (1919-1921)
Onder de Poolse leiders heersten verschillende opvattingen omtrent de voor de nieuwe staat na te streven grenzen. Pilsudski wilde een federatieve aanhechting van de Litouwse, Wit-Russische en OekraÔense gebieden, die tot 1772 bij Polen hadden gehoord. De nationale regeringen van de Litouwers en (tot hun verjaging door de bolsjeviki) die van de OekraÔners en Wit-Russen maakten echter front zowel tegen de communisten als tegen Polen. Een groot aantal militaire en semi-militaire acties werd gevoerd, waaronder de Pools-Russische Oorlog de belangrijkste was; voorts gewapende acties en terreurdaden in SileziŽ en de occupatie van Wilna en omgeving, die de geallieerden aan Litouwen hadden toegewezen. Omgekeerd maakten de Tsjechen zich meester van een deel van Teschen (Cieszyn). De volksstemmingen (1920-1921) in de aan Duitsland betwiste gebieden verliepen voor Polen niet zeer gunstig. De grens met de Sovjet-Unie, op 18 maart 1921 bij de Vrede van Riga definitief vastgelegd, verliep ver ten oosten van de etnische grens, die de geallieerden in 1920 hadden goedgekeurd (de Curzon-linie). Een derde van de bevolking van Polen bestond nu uit nationale minderheden. Toch hadden de 'Federalisten' (Pilsudski) hun ambities in genen dele kunnen bereiken. Het overwicht van het Poolse element - in de geest van de 'UnitariŽrs' - kwam ook tot uitdrukking in een politiek van repressie van de minderheden. In de ter wille van Polen gecreŽerde en onder toezicht van de Volkenbond geplaatste 'Vrije Stad' Danzig kreeg het eerstgenoemde land bijzondere rechten, vooral ten aanzien van het gebruik van de haven. Behalve het minderhedenvraagstuk waren de economische en sociale problemen van dien aard, dat de nieuwe staat weinig stabiel was: tegenover het betrekkelijk ontwikkelde westen (het voormalig Pruisische gebied alsmede de industriesteden van Russisch Polen zoals Lůdz) stonden het achterlijke oosten en zuiden.
5.9 De republiek Polen (1922-1939)
In 1921 sloot Polen met Frankrijk een alliantieverdrag, dat de grondslag werd voor zijn buitenlandse politiek, die tegen Duitsland en, onder Pilsudski, aanvankelijk vooral ook tegen de Sovjet-Unie was gericht. In dec. 1922 gaf Pilsudski het staatspresidentschap op. Zijn opvolger werd twee dagen na zijn ambtsaanvaarding vermoord door een nationaal-democraat. President werd toen St. Wojcieckowski; hij benoemde generaal Sikorski tot minister-president. Sikorski begon de bouw van een eigen Poolse haven bij Gdynia, maar zijn regering was niet opgewassen tegen de toenemende inflatie, die ook voor de volgende kabinetten het belangrijkste probleem was. Toen Witos (voor de tweede keer) een regering vormde, waarin voor het eerst ook nationaal-democraten zitting hadden, nam Pilsudski ontslag als chef van de generale staf en trok hij zich op zijn landgoed terug (juli 1923). De weerstanden die de door de nationaal-democraten bedreven poloniseringspolitiek tegenover de minderheden opriep, wekten evenwel de toorn van Pilsudski op, die echter vooral op de werking van de parlementaire regeringsvorm in Polen kritiek had. Toen op 10 mei 1926 Witos weer met de vorming van een regering werd belast, bezette Pilsudski met hem toegedane troepen de voorstad Praga en van daaruit veroverde hij Warschau. Pilsudski vermeed de invoering van een openlijk absolutistisch regime en beperkte zich tot een 'morele dictatuur', die de bestaande staatsinstellingen intact liet, maar deze van binnen uit trachtte te beheersen. In de volgende negen jaar trad Pilsudski, die in 1926 het ambt van staatspresident afwees, in de meeste kabinetten alleen als minister van Oorlog op. De Sejm werd in zijn bevoegdheden besnoeid (ook inzake zijn budgetrecht). Pilsudski, door steun van de linkerzijde aan de macht gekomen, steunde in toenemende mate op krachten van rechts. In verschillende etappen en met verschillende methoden (waaronder die van directe intimidatie) streefde Pilsudski naar een grondwetswijziging, die ten slotte in 1935 tot stand kwam en een beperking van de parlementaire rechten inhield. Inhoudelijk verschilde het Pilsudski-regime niet zoveel van de door de nationaal-democraten gedomineerde kabinetten: de verlangens van de nationale minderheden werden niet gehonoreerd, sociale hervormingen van enige omvang bleven uit. In zijn buitenlandse politiek steunde Pilsudski aanvankelijk op het bondgenootschap met Frankrijk. Ondanks zijn anti-Russische instelling verbeterden de betrekkingen met de Sovjet-Unie geleidelijk, terwijl die met Duitsland eerder verslechterden. In jan. 1934 kwam een niet-aanvalsverdrag tussen Polen en Duitsland tot stand. Na Pilsudski's dood (1935) waren president MoŖcicki en de opperbevelhebber van de strijdkrachten, generaal (later maarschalk) E. Smigly-Rydz, de machtigste personen. Het autoritaire bewind werd voortgezet. De buitenlandse politiek trad sterker op de voorgrond. Minister J. Beck was de kampioen van een 'derde Europa', maar de Duitse en Russische herbewapening werd tot een steeds grotere bedreiging voor Polen, dat - soms trachtend een grote mogendheidsrol te spelen - als magneet voor een bondgenootschap economisch, sociaal en politiek te zwak was. Als gevolg van de Frans-Russisch-Tsjechoslowaakse verdragen van mei 1934 raakte Polen feitelijk nog meer geÔsoleerd. Tijdens de Sudetencrisis van 1938 boekte Beck een schijnsucces door op 1 okt. een deel van Teschen en later een strook in de Karpaten van Tsjechoslowakije te verwerven. Toen in 1939 Hongarije RoetheniŽ (oostelijk Tsjechoslowakije, thans een deel van de OekraÔne) bemachtigde en daarmee de door Polen verlangde gemeenschappelijke grens met dit land had, begon de Duitse agitatie reeds dreigende vormen aan te nemen. Hitlers eis van een corridor naar Oost-Pruisen door Polen en annexatie van Danzig werd door Polen afgewezen; het sloot een verdrag met Engeland, dat samen met Frankrijk naar de wapenen greep, nadat Duitsland op 1 sept. Polen was binnengevallen.
5.10 Polen in de Tweede Wereldoorlog (1939-1945)
De Poolse strijdkrachten werden in zeer korte tijd uitgeschakeld. Op 17 sept. vluchtten MoŖcicki en minister-president Slawoj-Skladkowski naar RoemeniŽ. De senaatspresident Wladislaw Rackiewicz volgde MoŖcicki als president op en benoemde de (tot de oppositie behorende) generaal Sikorski tot minister-president. Eveneens op 17 sept. waren sovjettroepen Polen binnengerukt. In tegenstelling tot Hitler handhaafden de Sovjetautoriteiten de schijn van zelfbeschikking voor de bevolking. Inmiddels werden tal van mensen als 'vijanden des volks' - ambtenaren, rechters, ondernemers, intellectuelen - vervolgd en gedeporteerd.
Terwijl aanvankelijk een stroom vluchtelingen uit het door de Duitsers bezette gebied naar het Russische was getrokken, vluchtten in 1939-1940 honderdduizenden naar het 'Generalgouvernement', het door de Duitsers bezette Poolse gebied minus dat deel dat (onder de naam van 'eingegliederte Ostgebiete') zonder meer door het Groot-Duitse Rijk was geannexeerd en welks grenzen ongeveer het midden hielden tussen die van 1914 en de Pruisische grens na de Derde Poolse Deling van 1795. Na de nederlaag van Frankrijk werd het Gouvernement-Generaal als 'Nebenland' met het rijk verbonden. In de volledig geannexeerde gebieden was Himmler belast met de germaniseringspolitiek. In het bijzonder de joden en de intellectuelen werden meedogenloos vervolgd; de methoden waren uitroeiing en deportatie naar het Gouvernement-Generaal. Ook hier werd bewust gestreefd naar het reduceren van de Poolse bevolking tot een toestand van permanente horigheid. GŲring trachtte de Poolse gebieden zoveel mogelijk economisch uit te buiten; de SS bedreef rassenpolitiek vanuit een ideologie waarin voor de volkeren van het Oosten slechts een plaats van inferioriteit was ingeruimd. Nadat in juni 1941 de oorlog tegen de Sovjet-Unie was begonnen en de Duitsers in snel tempo waren opgerukt, werden zij aanvankelijk door de Wit-Russische en OekraÔense bevolking met gejuich begroet, maar de politiek van het tegen elkaar uitspelen van de verschillende nationaliteiten, de economische uitbuiting en de politieterreur deden de sympathie snel verdwijnen. Sedert 1939 waren in Polen ondergrondse legers opgericht, zoals de Armia Krajowa (= 'leger in het land', zulks ter onderscheiding van de Poolse troepen die buitenslands samen met de geallieerden streden), het - zowel anti-Duitse als anti-bolsjevistische - 'OekraÔense opstandelingenleger' (UPA), dat in VolhyniŽ hele streken onder controle hield en een eigen bestuur alsmede een eigen schoolwezen instelde, en de Armia Ludowa (het 'Volksleger'), de strijdmacht van de in jan. 1942 opgerichte Poolse Arbeiderspartij (PPR), de opvolgster van de tijdens de grote 'zuiveringen' van de tweede helft van de jaren dertig door Stalin geliquideerde Poolse Communistische Partij. Een grotere rol dan de PPR in Polen zelf gingen de in de Sovjet-Unie verblijvende communistische leiders spelen. De kwestie van de grensregeling alsmede de wens van Polen een Russische vazalstaat te maken, veroorzaakten toenemende spanningen tussen de Poolse regering in ballingschap (Londen), die na de dood van Sikorski in juli 1943 onder leiding stond van S. Mikolajczyk, en Moskou. De reeds gespannen situatie werd in april 1943 nog verscherpt door de Duitse onthulling van het bestaan van een massagraf van door de Russen vermoorde Poolse officieren bij Katyn (pas in 1991 kwam het eerste relaas van een getuige van de massamoord, die in opdracht van het Sovjet-Politburo werd uitgevoerd). Op het verzoek van de Poolse regering in Londen om een onpartijdig onderzoek door het Internationale Rode Kruis reageerde Stalin met het verbreken van de diplomatieke betrekkingen met de Polen. Op 22 juli 1944 werd in het toen door de Russen bezette Lublin een Comitť der Nationale Bevrijding gevormd, een tegenregering, die ten opzichte van de Londense het voordeel genoot van directe militaire en politieke steun. De Armia Krajowa - die in de opstand van het Warschause getto (april-juli 1942) het joodse verzet o.m. door wapenleveranties had geholpen (de schatting van het aantal tijdens de oorlog omgekomen Poolse joden ligt bij de drie miljoen) - achtte in aug. 1944, toen de Russen reeds aan de Weichsel stonden, de tijd voor een grote Poolse operatie gekomen en begon de opstand van Warschau. Deze eindigde in september met de door Hitler bevolen systematische verwoesting van de stad. Van januari tot maart 1945 bezetten de Russen heel Polen. Op de conferenties van Teheran (eind 1943) en Jalta (febr. 1945) werden de wissels voor Polens toekomst gesteld. In Teheran werd als oostgrens de Curzon-linie bepaald, terwijl Polen ter compensatie op kosten van Duitsland zich in het westen tot de Oder zou uitbreiden. In Jalta ging het vnl. om de toekomstige Poolse regering en om het regime in het land. Op dit punt prevaleerde het Sovjetstandpunt eveneens: de vooral door Engeland gestelde eis van vrije verkiezingen werd zinloos, doordat werd afgesproken dat de uit het Lubliner Comitť voortgekomen 'Provisorische Regering' slechts zou worden gewijzigd, niet vervangen. Nadat in nov. 1944 Mikolajczyk was afgetreden en opgevolgd door de socialist T. Arciszewski, een consequent tegenstander van concessies aan de Sovjet-Unie, was de positie van de Londense Polen uiterst zwak geworden, ook omdat zij door Amerika en Engeland nauwelijks werden gesteund.
5.11 Volksdemocratie en stalinisme (1945-1953)
Op 28 juni 1945 kwam een 'regering van nationale eenheid' tot stand, waarin de communisten domineerden. Zij beschikten over het staatsveiligheidsapparaat en controleerden de Poolse kolonisatie van de op Duitsland gewonnen gebieden, waaruit de meeste Duitsers op dikwijls gruwelijke wijze werden verdreven. De bolsjevisatie stuitte in Polen op verzet van de hier sterk nationaal-georiŽnteerde Rooms-Katholieke Kerk en van de eerst geleidelijk bedwongen ondergrondse strijdkrachten. Binnen de regering streefde Mikolajczyk naar het behoud van een minimum aan democratie. Ook binnen de PPS, die zich had moeten uitspreken voor een toekomstige fusie met de communistische PPR, werd verzet geboden en het door de minister voor de 'herwonnen gebieden', W. Gomulka, geŽiste 'Democratische Blok', dat als eenheidsfront de verkiezingen had kunnen ingaan, kwam niet tot stand. Nadat verschillende kleinere partijen waren uitgeschakeld, richtte zich de politieterreur tegen Mikolajczyks (uit de regering getreden) Boerenpartij, die bij de verkiezingen van jan. 1947 nog ruim 10% van de stemmen verkreeg tegen 80% voor het 'Democratische Blok'. Dit laatste koos B. Bierut tot president, die J. Cyrankiewicz tot minister-president benoemde. De uitschakeling van Mikolajczyk en de vereniging in 1948 van PPR en PPS tot de Poolse Verenigde Arbeiderspartij (PZPR) brachten de stabilisatie van het nieuwe regime tot uitdrukking, dat zich na de reeds in 1947 begonnen terugdringing van de 'nationale' communisten (in sept. 1948 verving Bierut Gomulka als eerste-secretaris van de partij; met Gomulka vielen in ongenade o.a. M. Spychalski en Z. Kliszko) als volkomen onderhorig aan Moskou manifesteerde. In nov. 1949 werd Sovjetmaarschalk K. Rokossovski (een Pool van geboorte, maar volledig gerussificeerd) tot minister van Defensie en maarschalk van Polen benoemd. In tegenstelling tot de ontwikkelingen in de andere Oost-Europese landen voltrok de collectivisatie van de landbouw zich niet consequent en onvolledig, terwijl het in Polen niet tot spectaculaire terechtstellingen van in ongenade gevallen communistische leiders kwam.
5.12 Dooi, lente en bevriezing (1953-1958)
Na de dood van Stalin begon ook in Polen een periode van aarzelende dooi. Na de arrestatie van kardinaal Wyszynski en andere geestelijken gaf een groot deel van de bevolking blijk van een afwijzende houding tegenover het regime, dat in 1954 geplaagd werd door stakingen en protesten tegen de stijging van de kosten van levensonderhoud. Het tweede congres van de PZPR besloot tot een 'nieuwe koers': meer aandacht zou worden besteed aan de productie van consumptiegoederen en de collectivisatie van de landbouw moest zich meer dan tevoren op basis van vrijwilligheid voltrekken. Naar aanleiding van onthullingen door een naar het Westen gevluchte officier over de methoden van de staatsveiligheidsdienst werd het ministerie waaronder deze ressorteerde in dec. 1954 opgeheven. Gomulka werd in vrijheid gesteld, maar voorlopig niet gerehabiliteerd. Nadat Bierut na het 20ste congres van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie was gestorven, volgde hem als eerste-secretaris E. Ochab op (20 maart 1956). In de pers en in het parlement openbaarde zich een geest van iets vrijmoediger kritiek. In mei 1956 leidde een amnestie tot de vrijlating van 30!000 gevangenen. Protesten van arbeiders in metaalindustrie in Poznan tegen te lage reŽle lonen mondden in juni uit in demonstraties en een algemene staking. Nadat de politie enkele demonstranten had gedood, ging de menigte tot een gewapende opstand over (28 juni 1956). Poolse en Sovjetmilitairen sloegen het verzet neer. In deze tijd van spanning voeren partij en regering geen vaste koers. De leiding was verdeeld: Cyrankiewicz, A. Rapacki, Jedrychowski en Gierek bepleitten voorzichtige hervormingen en een grotere zelfstandigheid ten opzichte van Moskou; Minc, Rokossovski, Z. Nowak - de naar de plaats van samenkomst zo geheten 'Natolin-groep' - wilden een harde koers. Tussen beide groepen in stonden veel aarzelenden en opportunisten. Binnen de partijleiding voltrok zich in oktober een gedeeltelijke ommekeer. Op 9 okt. 1956 trad Minc als lid van het Politburo af, op 19 en 20 okt. werden Gomulka (die Ochab als eerste-secretaris verving), Spychalski en Z. Kliszko formeel in dat college opgenomen. Er bleven evenwel ook aanhangers van de Natolin-groep in de leiding. De marge voor een 'eigen weg' was niet breed. Rokossovski verdween naar de Sovjet-Unie en werd opgevolgd door Spychalski. De Sovjet-Unie bleek tot economische concessies bereid: aan de directe uitbuiting van Polen (dat ver onder de wereldmarktprijs goederen, zoals steenkolen, had moeten leveren) kwam een einde. In de fabrieken en de mijnen waren spontaan arbeidersraden gevormd, die door een wet van 19 nov. 1956 werden geÔnstitutionaliseerd. Deze kregen overigens geen zeggenschap over de productie en werden in snel tempo gedegradeerd tot machteloze adviescolleges, die slechts over kleine bedrijfsproblemen mochten beraadslagen. In jan. 1957 werden parlementsverkiezingen gehouden, waarbij het 'Front der nationale eenheid' een eenheidslijst presenteerde. In de loop van 1957 openbaarden zich binnen de PZPR crisisverschijnselen. Met name onder de jeugd waren er velen die radicale veranderingen nastreefden en volledige vrijheid van meningsuiting opeisten. In de partij vonden zij hun vertegenwoordigers onder de door hun tegenstanders als 'revisionisten' of 'uiterst links' bestempelde intellectuelen (onder wie de filosoof L. Kolakowski). Gomulka keerde zich krachtig tegen deze richting. In 1958 werd de koers nog duidelijker tegen liberalisatietendenties gericht. Op 30 april werd de minister van Onderwijs, W. Bienkowski, ontslagen in verband met zijn verzet tegen een zuivering van de redactie van het als 'revisionistisch' bestempelde blad Nowa Kultura. In december kregen door een wet op de arbeidersraden in deze organen ook zitting representanten van partij en vakverbond en werd uitdrukkelijk het vetorecht van de directie erkend. De hoop, gewekt door de 'lente in oktober', was bevroren.
5.13 Tegenstellingen en conflicten (1959-1991)
Binnen staats- en partijleiding werd de positie van Gomulka, die nu door Moskou zonder reserves werd gesteund, versterkt. In 1960, 1962 en 1966 laaiden hevige spanningen met de kerk op, waarbij kardinaal Wyszynski telkens het doelwit van felle aanvallen was. Herhaaldelijk kwam het tot betogingen van studenten en acties van intellectuelen en kunstenaars, die door de partijleiding werden gewantrouwd en van vijandigheid ten opzichte van het 'socialisme' beschuldigd. In okt. 1966 werd o.m. de filosoof Kolakowski uit de partij gezet. In 1967 leek de 'partizanengroep' onder leiding van de minister van Binnenlandse Zaken, M. Moczar, terrein te winnen. Zijn aanhangers, wel 'anti-Russische stalinisten' genoemd, kwamen voort uit het (communistische) verzet in eigen land en onder hen waren antisemitische gevoelens wijd verbreid. Toen in jan.-maart 1968 studentendemonstraties en botsingen met de politie plaatsvonden, werd de schuld gegeven aan de 'zionisten', de partij werd gezuiverd. Hoewel Moczar tegenover Gomulka het onderspit dolf (in juli 1968 trad hij af als minister), bleef zijn groep een machtsfactor van belang. Polen nam deel aan de invasie van Tsjechoslowakije (aug. 1968) en volgde geheel de Russische lijn. Het grootste probleem voor de leiding was de te geringe en te onevenwichtige economische groei. In 1970 werd de situatie, ook als gevolg van een slechte oogst, kritiek. Op 12 dec. kondigde de regering prijsverhogingen voor levensmiddelen aan, waartegen een verlaging van de prijzen voor duurzame consumptiegoederen niet opwoog. Tot grootscheepse uitingen van verzet kwam het vooral in de Oostzeehavens. Op 13 dec. begonnen in Gdansk demonstraties en stakingen. Zij breidden zich uit over Gdynia, Szczecin en andere steden. De uitroeping van de staat van beleg en dreigementen van de regering voorkwamen dat de beweging zich over heel Polen uitbreidde. Op 18 dec. was het tot een opstand uitgegroeide verzet gebroken. Gomulka, die eerder in de maand met de West-Duitse bondskanselier Brandt het Verdrag van Warschau had ondertekend (feitelijke erkenning van de Poolse westgrens; bereidheid van Polen tienduizenden Duitsers uit het land te laten vertrekken die tot dusverre geen vergunning daartoe konden krijgen), had zich tegen de situatie niet opgewassen getoond. Op 20 dec. trad Gomulka af, samen met Kliszko en Spychalski; enige dagen later werd premier Cyrankiewicz vervangen door P. Jaroszewicz. De nieuwe leidersgroep omvatte E. Giereks 'technocraten' en de 'partizanen' van Moczar, die nu voor het eerst volledig lid van het Politburo werd. De pragmaticus Gierek, opvolger van Gomulka, zorgde ervoor de vriendschap met de Sovjet-Unie te onderstrepen en tegelijk in het binnenland enkele prijsmaatregelen ongedaan te maken. Met behulp van de Sovjet-Unie wist hij de invloed van zijn rivaal Moczar terug te dringen. De eerste jaren van Giereks bewind straalden een optimistisch vooruitgangsgeloof uit. De communistische media begonnen zelfs van een Pools Wirtschaftswunder te spreken. Toch bleven vele sociaal-economische noden, zoals de woningnood en het tekort aan consumptieartikelen, onopgelost. In juni 1976 braken in een aantal Poolse steden (Radom, Katowice, Lůdz, Poznan, Warschau) stakingen uit naar aanleiding van forse prijsstijgingen van de levensmiddelen. De regering trok hierop de prijsverhogingen in, maar de politie arresteerde honderden betogers met geweld. In sept. 1976 richtten veertien prominente schrijvers en wetenschapsmensen (Jerzy Andrzejewski, Jacek Kuron, Edward Lipinski e.a.) het Comitť ter Verdediging van de Arbeiders (het KOR) op. In sept. 1977 verbreedde het KOR zijn doelstellingen tot de behartiging van de mensenrechten in brede zin en noemde zich van toen af aan KSS-KOR, het Comitť voor Sociale Zelfverdediging (dat zich in sept. 1981 ophief). In de periode 1977-1980 ontstond een groot aantal andere onofficiŽle organisaties, zoals het ROPCO, de Beweging voor de Rechten van de Mens en Burger en het zeer anti-Russische KPN, de Confederatie voor een Onafhankelijk Polen. Al deze organisaties gingen in toenemende mate via zelfgemaakte publicaties (die de officiŽle censuur niet gepasseerd waren) hun ideeŽn verbreiden.
Op het 8ste congres van de PZPR (febr. 1980) werd premier Piotr Jaroszewicz voor het economisch wanbeheer aansprakelijk gesteld en door Edward Babiuch vervangen. Babiuch was gedwongen op 1 juli 1980 grote verhogingen van de levensmiddelenprijzen door te voeren. Dit leidde tot een stakingsgolf door heel Polen. Het centrum van de stakingsacties was de Leninwerf in Gdansk. Meer dan 300 bedrijven hadden hier een gezamenlijk comitť gevormd, dat op 21 aug. onder leiding van Lech Walesa onderhandelingen begon met een regeringsdelegatie onder leiding van vice-premier Mieczyslaw Jagielski.
Op 31 aug. kwam het Akkoord van Gdansk tot stand, waarin de Poolse regering de oprichting van vrije vakbonden, een nieuwe wet op de censuur, economische hervormingen, de uitzending van de heilige mis zondags over de radio en vrijlating van politieke gevangenen toestond, en de nieuwe vakbond SolidarnoŖÁ (Solidariteit) de leidende rol van de communistische partij in de staat erkende. Solidariteit (waarbij zich meer dan 10 miljoen Poolse werknemers aansloten) moest echter voor de realisering van het Akkoord van Gdansk in zijn totaliteit hard vechten, waarbij er soms van stakingen sprake was die de hele economie van het land plat legden. De Poolse partijleiding, waarin Gierek op 6 sept. werd opgevolgd door Stanislaw Kania en Babiuch door Jůzef Pinkowski, werd in haar aanvankelijk afwijzende houding gesterkt door de zusterpartijen in de Sovjet-Unie, Tsjechoslowakije en de Duitse Democratische Republiek. Pas begin 1981 kwam de meerderheid van de Poolse partijleiding, waarin generaal Wojciech Jaruzelski Pinkowski als premier had vervangen (okt. 1980), tot de conclusie dat Polen niet langer zonder de medewerking van Solidariteit te regeren viel en dat men alleen gezamenlijk de grote economische problemen kon oplossen. De erkenning van de boerenvakbond in april 1981 was een nieuw bewijs van dat inzicht van de partijtop. Op het in juli 1981 gehouden partijcongres werd de lijn-Kania bevestigd; Kania werd als secretaris-generaal herkozen, deze keer voor het eerst door het congres (tevoren gebeurde dat door het Centraal Comitť). Intussen bleef Solidariteit sterke druk uitoefenen op de sociaal-economische politiek van de regering, o.m. door middel van stakingen. In de gehele conflictueuze periode speelde de Rooms-Katholieke Kerk een bemiddelende rol. In okt. 1981 moest Kania plaatsmaken voor Jaruzelski. Op 13 dec. 1981 kondigde het militair gezag de staat van beleg af. Er werd een Militaire Raad voor de Redding van het Vaderland (PRON) opgericht, vakbondsactiviteiten werden verboden en meer dan duizend vakbondsactivisten en dissidenten, onder wie Walesa, werden geÔnterneerd. Enige leiders van Solidariteit zetten het verzet ondergronds voort, onder meer door de publicatie van illegale tijdschriften, zoals Tygodnik Mazowsze en Wola. In nov. 1982 kwam Walesa weer op vrije voeten; in december werd de staat van beleg opgeschort. De toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan Walesa was een steun in de rug voor Solidariteit en haar verzet tegen de staat van beleg. In okt. 1984 werd de oppositionele priester Jerzy Popieluszko vermoord door leden van de geheime politie. In sept. 1986 kondigde de regering voor vrijwel alle politieke gevangenen amnestie af. Zij weigerde echter onderhandelingen te openen met Solidariteit. Pas na stakingen in mei en aug. 1988 opende de regering het overleg met zijn leider, Lech Walesa. In okt. werd premier Zbigniew Messner opgevolgd door Mieczyslaw Rakowski. Het overleg tussen de regering en Solidariteit mondde uit in een rondetafelconferentie (febr.-april 1989), een voorbeeld dat door een aantal andere Oostbloklanden gevolgd zou worden. Resultaat was een akkoord dat voorzag in de legalisering van Solidariteit, invoering van het recht van vrijheid van meningsuiting en de vorming van politieke organisaties. Bovendien sprak het akkoord over staatkundige hervormingen, zoals de instelling van een tweekamerstelsel en vergroting van de bevoegdheden van de president, en over het in ere herstellen van de vrijemarktprincipes in de Poolse economie.
In juni 1989 werden de eerste vrije verkiezingen gehouden voor het nieuwe parlement, waarbij de communisten werden verpletterd en de oppositie alle beschikbare zetels won. In de Sejm kreeg de oppositie in totaal 35% van de zetels toegewezen. De voormalige bondgenoten van de communisten, de Democratische Partij en de Boerenpartij, kozen echter al snel de zijde van de oppositie. In juli trad Jaruzelski af als partijleider; hij werd opgevolgd door demissionair premier Rakowski. Jaruzelski werd met veel moeite tot president gekozen. Op 19 aug. werd Tadeusz Mazowiecki op voordracht van Walesa tot premier benoemd. Op het elfde partijcongres (jan. 1990) hief de Communistische Partij zichzelf op. Als haar opvolger werd de Poolse Sociaal-Democratische Partij (PSDR) opgericht. Tussen 1990 en 1993 zou het 45!000 man sterke Sovjetleger in Polen zich terugtrekken.
Begin 1990 maakte minister van FinanciŽn, Leszek Balcerowicz, een begin met radicale economische hervormingen ter bestrijding van de hyperinflatie, die in 1989 tot boven de 1000% was opgelopen. De scherpe daling van de inflatie ging gepaard met een sterke daling van de levensstandaard, massale werkloosheid en een recessie. Na een breuk in Solidariteit stelden Mazowiecki en Walesa zich beiden kandidaat voor de presidentsverkiezingen van eind 1990. In de tweede ronde op 9 dec. triomfeerde Walesa met ruim 74%; op 22 dec. werd hij als president beŽdigd. In jan. 1991 trad een nieuw kabinet onder leiding van Jan Krzysztof Bielecki aan. Met Duitsland werd op 14 nov. 1990 een verdrag met betrekking tot de vaststelling van de Oder-Neisse-grens getekend, gevolgd door een vriendschapsverdrag tussen beide landen op 17 juni 1991. Het Warschaupact werd op 1 juli in Praag door de zes overgebleven leden formeel opgeheven.
In juni leed president Walesa een persoonlijke nederlaag, toen de Sejm - ondanks twee maal een presidentieel veto - met het oog op de eerste democratische verkiezingen op 27 okt. 1991 een nieuwe kieswet aannam. Die verkiezingen leverden een versplinterd parlement op, een situatie waarvoor Walesa gewaarschuwd had. Achtereenvolgens formeerden Jan Olszewski (dec. 1991 - juni 1992), Waldemar Pawlak (juni-juli 1992) en Hanna Suchocka (juli 1992 - mei 1993) een regering. Suchocka werd gevraagd aan te blijven tot de nieuwe verkiezingen onder een nieuwe kieswet in sept. 1993. Deze verkiezingen leverden een overwinning op voor de communisten. De Poolse Boerenpartij (PSL) eindigde als tweede. Samen kregen zij tweederde van de zetels in de Sejm en driekwart van de zetels in de Senaat. Sindsdien kent Polen coalitieregeringen van de SLD en de PSL. De coalitie beloofde het beleid van privatiseringen en andere hervormingen voort te zetten. Economisch waren de jaren 1994, 1995 en 1996 gunstige jaren met een groei van rond de 6%. In sept. 1993 verlieten de laatste Russische troepen Polen.
Bij de presidentsverkiezingen van nov. 1995 versloeg SLD-voorman KwaŖniewski met een klein verschil Lech Walesa, de voormalige leider van Solidariteit. In hetzelfde jaar kwam een geldhervorming tot stand (opwaardering van de zloty) en werd een begin gemaakt met de privatisering van kleine en middelgrote staatsbedrijven. In de zomer van 1996 keurde het parlement een hervormingsplan goed om het centrale bestuur te stroomlijnen en de rol van de overheid in de economie te beperken. In dezelfde periode trad Polen als derde voormalig communistisch land toe tot de OESO. Tot groot ongenoegen van de Rooms-Katholieke Kerk ging de Sejm in het najaar akkoord met een verruimde abortuswetgeving.
In aug. werd de scheepswerf in Gdansk failliet verklaard. De werf had in 1980 een belangrijke rol gespeeld bij de oprichting van de onafhankelijke vakbond Solidariteit.

Telefoongids Polen
Postcodes
Polen

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009