|

|
De
invloed van de Amerikaanse cultuur in het naoorlogse tijdperk bleef niet
beperkt tot de kunst. De impact van de Amerikaanse populaire cultuur - een
uiting van economische macht, consumentisme en democratie van de V.S. -
bestreek een veel groter gebied. In de V.S. was de koopkracht van de massa
een enorme invloedsfactor. Een steeds belangrijker wordende groep waren de
jongeren - de 'teenagers' - die in aantal groot genoeg waren om de aandacht
te trekken van adverteerders, platen- en filmproducenten. De consumptiestijl
van de Amerikanen verspreidde zich al snel over de westerse wereld. Ondanks
ingebouwde vooroordelen en angst voor hun eigen culturele identiteit waren
de Europeanen er volledig klaar voor - de Hollywoodfilms, rock and roll,
denim jeans en Coca Cola. De Verenigde Staten waren de plaats waar de dingen
echt gebeurden.
In de jaren '60 begon Europa eindelijk zelf weer een rol te spelen in de
vernieuwing. Frankrijk ontwikkelde zijn eigen invloedrijke cinema die de
Nouvelle Vague werd genoemd. Met
de Beatles, de
Rolling Stones en andere groepen werd Engeland de bron van de
'popmuziek', en Londen werd het belangrijkste centrum van mode en design
voor de Swinging Sixties. De Britse pop werd echter zwaar beïnvloed door de
Amerikaanse muziek en zelfs de Beatles moesten eerst succes oogsten in de
V.S. voordat ze konden rekenen op een plaatsje op het wereldpodium.
Het fenomeen van de Amerikaanse consumentencultuur had ook zijn invloed op
de kunstwereld. Kunstenaars begonnen er commentaar op te leveren, leenden er
elementen uit en imiteerden de volkscultuur, waardoor dus tegelijkertijd
sprake was van een 'high art' en 'low art'.
( foto : 'popikoon' van Andy Warhol ) |
|
|
|
|
|
|