|
   
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Het vasteland bestaat uit de westrand van de Spaanse Meseta (tafelland),
welk gebied in Portugal naar het westen toe in brede kustvlakten
overgaat. Hierdoor heeft het land een opvallend gevarieerd landschap,
sterk verschillend van Spanje, waarbij de rivier de Taag (Tejo) de
belangrijke scheidslijn in het landschap vormt. Ongeveer de helft van
het gebied ten noorden van de Taag ligt boven de 400 m; het land ten
zuiden van de rivier bereikt op slechts zeer weinig plaatsen die hoogte.
Het noorden is heuvelachtig en bergachtig en gaat over in een
plateau-achtig binnenland op 500-800 m hoogte (Trás-os-Montes). Het
hoogste reliëf komt voor in de centrale Serra da Estrela, een van
noordoost naar zuidwest verlopende bergketen die tot een hoogte van
bijna 2000 m reikt en uitloopt tot bij de monding van de Taag. De vallei
van de Taag is een vlak, alluviaal gebied dat naar het zuiden toe
geleidelijk aan stijgt in de richting van de vlakten van Alentejo, welke
door de Serra do Caldeirão van de kust van de provincie Algarve worden
gescheiden. De 800 km lange kustlijn is voor het grootste deel vlak en
zanderig en vaak omzoomd met duinen die lagunes omsluiten. In de buurt
van Lissabon (met bij Cabo de Roca het meest westelijke punt van Europa)
en bij Cabo de São Vicente bevinden zich rotsachtige stukken.
De grootste rivieren - de Minho, de Douro, de Taag en de Guadiana -
ontspringen alle in Spanje. De Mondego en de Sado zijn de voornaamste
rivieren die geheel binnen de landsgrenzen stromen.
1.2 Klimaat
Ondanks de invloeden van de betrekkelijk koude Atlantische Oceaan en de
continentale Meseta is het overheersende klimaattype mediterraan.
Tegenover koele, regenachtige winters staan hete, droge zomers, met een
duidelijk verschil tussen het noorden en het zuiden. In het noorden,
waar de naar de wind gekeerde berghellingen jaarlijks 2540 mm regen
ontvangen, heerst een duidelijk regenschaduweffect. In geheel Portugal
ten zuiden van de Taag valt minder dan 813 mm, en in het oosten van
Algarve minder dan 406 mm. De winden zijn over het algemeen westelijk en
langs de kust van de noordelijke provincie Minho komt vaak zeemist voor.
De tegenstelling in temperatuur tussen de kust en het binnenland is
aanzienlijk. Langs de kust liggen de wintertemperaturen tussen 10 en 12
°C (in het zuiden hoger) en in het binnenland tussen 4 en 7 °C. Aan de
kust bedragen de zomertemperaturen gemiddeld 20-24 °C en in het
noordelijke binnenland 18 °C. De warmste maand is augustus. De bewolking
is gering, in Lissabon gemiddeld 40% met een minimum van 20% in
augustus. In het binnenland is de bewolkingsgraad hoger.
1.3 Plantengroei
Flora en vegetatie komen overeen met die van Spanje. Toch zijn er wel
enkele verschillen. De mediterrane flora is minder goed
vertegenwoordigd. Ook ontbreken steppevegetaties en is, mede door de
afwezigheid van hoge bergen (behalve de Serra da Estrela), de bergflora
minder goed ontwikkeld. In de kustgebieden komen evenals in Spanje
zoutmoerassen (marinhas) voor. In het binnenland zijn nog wel resten van
de oorspronkelijke loofhout- en naaldbossen. Veelal zijn ze vervangen
door maquis, heidevelden met o.a. Erica en Cistus, boomgaarden, druiven-
en graanakkers en weidevelden. Vele uitheemse soorten, afkomstig uit
o.a. Afrika en Australië, zijn in Portugal verwilderd.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld van Portugal sluit aan bij die van Spanje en is in het
algemeen gekenmerkt door Zuid-Europese en circummediterrane elementen,
waarnaast een aantal Afrikaanse elementen (kameleon, genetkat, mangoeste
e.a.) noordwaarts dringt. Een van de diergeografisch merkwaardigste
vogels is de blauwe ekster, die verder Zuid-China bewoont. Van de
zoogdieren komen o.a. wild zwijn en wilde kat nog voor. Ontbossing,
erosie en onvoldoende geregelde jacht hebben talloze grote dieren
gedecimeerd (wolf, lynx, damhert, edelhert, ree) of doen uitsterven
(bruine beer, monniksrob e.a.); natuur- en milieubescherming staan nog
in de kinderschoenen. De visrijke zeeën rond Portugal zijn al eeuwenlang
met succes geëxploiteerd (sardine, ansjovis, kabeljauw).
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking bestaat vrijwel geheel uit Portugezen. Veel Portugezen
wonen, veelal om economische redenen, in het buitenland, vnl. in
Frankrijk en Duitsland, Zuid-Amerika, Noord-Amerika en Afrika. Na de
dekolonisatie van Angola en Mozambique zijn honderdduizenden zgn.
retornados naar het moederland teruggekeerd. Een deel van hen is na
enige tijd naar Brazilië geëmigreerd. De jaarlijkse bevolkingsgroei is
negatief (1985 tot 1994 -0,1%). Het geboortecijfer was in 1993 10‰, het
sterftecijfer 11‰. De bevolkingsdichtheid verschilt van streek tot
streek sterk. Grote bevolkingsconcentraties bevinden zich in en om
Lissabon en Porto en op Madeira.
2.2 Taal
Officiële taal is het Portugees.
2.3 Religie
De bevolking behoort formeel vrijwel in haar geheel tot de
Rooms-Katholieke Kerk. Er zijn drie aartsbisdommen, nl. Braga, Évora en
Lissabon, met resp. acht, twee en acht bisdommen. Lissabon is sedert
1716 zetel van een patriarch, die sinds 1736 tevens kardinaal is. De
protestantse kerken tellen 38.000 leden. De moslims zijn met 15.000 en
de joden met 2000 vertegenwoordigd.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
In 1982 trad een nieuwe grondwet, die de oude van 1976 verving, in
werking. Deze schafte de militaire Revolutionaire Raad als bewaker van
de 'geest van de Portugese revolutie van 25 april 1974' af en beperkte
de macht van de president. Voorts werden marxistische en socialistische
elementen uit de grondwet verwijderd. De president, die elke vijf jaar
bij algemeen kiesrecht gekozen wordt, benoemt de premier en heeft het
recht diens regering te ontslaan. De president is tevens
opperbevelhebber van het leger. Als raadgever van de president treedt op
de Staatsraad, bestaande uit tien, deels ex-officio-, deels door de
president benoemde, leden. De regering heeft een relatief zwakke
positie, want zij is politieke verantwoording verschuldigd tegenover de
president en tegenover het parlement. Het parlement bestaat uit één
kamer, de Assembleia da República.
De afgevaardigden (minstens 230, hoogstens 250) worden om de vier jaar
bij algemeen kiesrecht volgens evenredige vertegenwoordiging in een
districtenstelsel gekozen. Vier afgevaardigden vertegenwoordigen de
Portugezen die in het buitenland wonen. Het parlement kan maximaal
driemaal in de vier jaar, op grond van een motie van wantrouwen, een
regering naar huis sturen.
3.2 Administratieve indeling
Historisch is Portugal verdeeld in elf provincies: Minho,
Trás-os-Montes, Alto Douro, Douro Litoral, Beira Alta, Beira Baxia,
Estramadura, Ribatejo, Alto Alentejo, Baixo Alentejo en Algarve. Thans
is Portugal onderverdeeld in 18 districten en twee autonome regio's (de
Azoren en Madeira) met aan het hoofd een benoemde gouverneur. De
districten zijn onderverdeeld in concelhos (vergelijkbaar met
gemeenten).
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Portugal is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties
daarvan, van de NAVO, de Europese Gemeenschap, de Raad van Europa en de
Organisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).
3.4 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
De grootste, en van 1987 tot 1995 met absolute meerderheid regerende,
partij is de Partido Social Democrata (PSD; rechts-liberaal,
sociaal-democratisch) van premier Cavaco Silva. De grootste partij is nu
de Partido Socialista (PS) van Antonio Guterres. Andere partijen zijn de
Partido do Centro Democrático Social (CDS) van Freitas do Amaral,
tegenwoordig de Partido Popular, Partido Renovador Democrático (PRD;
Democratische Vernieuwingspartij) en de Coligaçâo Democrático Unitária
(CDU; een nieuwe linkse coalitie, hoofdzakelijk bestaande uit de Partido
Comunista Português [PCP] van stalinist Alvaro Cunhal).
Sedert 1974 bestaat er een vrije vakbeweging. Oudste organisatie is de
Confederação dos Trabalhadores Portuguêses-Intersindical Nacional (CGTP).
Zij omvat 220 categorale bonden. In 1978 werd de União Geral dos
Trabalhadores Portuguêses (UGTP) opgericht door socialisten en
sociaal-democraten om de grote communistische invloed in de vakbeweging
tegen te gaan. Deze heeft ongeveer de omvang van het CGTP gekregen.
4. Economie
4.1 Algemeen
Na de omwenteling van 1974 werd een groot aantal industriële bedrijven
en banken genationaliseerd, maar aan het eind van de jaren zeventig zijn
veel van deze nationalisaties weer ongedaan gemaakt. De nieuwe grondwet
van 1982 opende de weg naar een verdere liberalisering van de economie.
Een aantal sectoren werd opengesteld voor het bedrijfsleven. Vanaf 1985
was er, na twee jaar van recessie, sprake van enig herstel. Vooral de
toetreding tot de Europese Gemeenschap (EG) in 1986 heeft het land goed
gedaan. Sinds dat jaar lag de gemiddelde jaarlijkse groei van de
economie rond 4,6%. Portugal heeft daarmee de snelst groeiende economie
van de EG. De in het verleden hoge werkloosheid daalde tot 7,2% in 1995.
Schaduwzijde van het economisch herstel zijn de hoge inflatie (1985-1994
11,9%; sindsdien 4% p.j.) en het toenemende tekort op de handelsbalans.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
De landbouw draagt 5% bij aan het bnp en levert aan 12% van de
beroepsbevolking werk. Portugal krijgt financiële steun van de EG om de
landbouwsector te moderniseren. De nadruk wordt gelegd op het verhogen
van de productiviteit. Boeren worden aangespoord weer coöperaties te
vormen. De akkerbouw wordt in het noorden bedreven op kleine
landbouwbedrijven; in het zuiden komt veel grootgrondbezit voor. Hoewel
m.n. het zuiden, de Alentejo, zeer vruchtbaar is, voorziet de landbouw
door de achtergebleven technologie en de slechte infrastructuur niet in
de eigen behoefte en moeten veel voedingsmiddelen ingevoerd worden
(begin jaren tachtig tussen de 50% en 75%). De voornaamste producten van
de akkerbouw zijn: graan, maïs, rogge, rijst, aardappelen, olijfolie en
wijn. De wijnbouw is vnl. geconcentreerd in de dalen van de rivieren
Minho (frisse, zgn. groene wijnen), Douro (port en roséwijnen) en Taag
(met Lissabon als centrum). De veehouderij wordt vnl. in het noorden
bedreven. Aan de kust in de provincies ten zuiden van de Taag wordt aan
schapen- en varkensteelt gedaan. Ongeveer 40% van het grondoppervlak is
met bos bedekt. Voornaamste product is kurk. Portugal dekt de helft van
de wereldbehoefte aan kurk. De visserij is van oudsher van groot belang,
zowel voor de voedselvoorziening als voor de uitvoer. De kustvisserij
levert sardines en tonijn op. De zeevisserij die voor de kust van
Noord-Amerika wordt bedreven, levert o.a. schelvis.
4.3 Mijnbouw
Portugal beschikt amper over rijke delfstoffenvoorraden. Van belang zijn
alleen de productie van wolframiet, tin, lood en zink, pyriet,
steenkool, ijzererts (ijzergehalte 50%), kaolien, magnetiet en mangaan.
Voorts is er uraniumerts.
4.4 Industrie
De industrie, die 39% bijdraagt aan het bnp en aan 33% van de
beroepsbevolking werk verschaft, is in vergelijking met andere
West-Europese landen nog vrij slecht ontwikkeld. Kleine bedrijven
overheersen. Petrochemische industrie is gevestigd in Cabo Ruivo aan de
Taag, even ten noorden van Lissabon. In Seixal is de nationale
staalindustrie gevestigd. Verder zijn er o.m.
automobielassemblagebedrijven. De traditionele wolweverijen, gevestigd
in het midden van het land, verwerken wol van de bergschapen. Van belang
zijn voorts textiel- en visconservenindustrie, de met de wijnbouw
verbonden industrie, scheepsbouw (Lissabon), kunstmest-, cement-,
papier- en chemische industrie.
4.5 Energievoorziening
De elektriciteitsvoorziening geschiedt voor eenvijfde door waterkracht,
opgewekt in het bergachtige gebied van Midden- en Noord-Portugal. De
rest wordt opgewekt in warmtekrachtcentrales.
4.6 Handel
Ingevoerd worden: ijzer, staal, chemische producten, transport-
en voedingsmiddelen, aardolie en aardolieproducten. De belangrijkste
leveranciers zijn: Duitsland, Spanje (in toenemende mate) en Frankrijk.
Uitgevoerd worden: textiel, wijn, kurk, papier en visconserven.
Voornaamste afnemers zijn: Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk.
4.7 Bankwezen
In 1975 zijn de meeste banken genationaliseerd. Aan het eind van de
jaren zeventig zijn enkele weer in particuliere handen overgegaan. In
1983 is het bankwezen opengesteld voor particuliere ondernemers.
Nationale bank is de Bank van Portugal.
4.8 Verkeer
Het wegennet (ruim 70.000 km) is goed onderhouden, maar er zijn te
weinig wegen. Het spoorwegnet (ruim 3000 km) wordt geëxploiteerd door de
Companhia dos Caminhos de Ferro Portugûeses (CCFP), die voor de helft in
staatshanden is. De scheepvaart is van oudsher van groot belang; vrijwel
de gehele buitenlandse handel wordt via het zeeverkeer afgewikkeld.
Nationale luchtvaartmaatschappij is Tap-Air Portugal. De belangrijkste
luchthavens zijn Lissabon, Porto, Faro en Funchal.
Van steeds groter belang voor de Portugese economie is het toerisme (in
1993: ruim 20 miljoen bezoekers).
5. Toeristische gegevens
Het milde klimaat, de historische monumenten en het geheel eigen
karakter van het land, dat o.m. tot uiting komt in zang en dans,
uitingen van volkskunst (borduurwerk, aardewerk, o.m. azulejos),
volksvermaak (stierengevecht, waarbij de stier niet in de arena wordt
gedood) en kleurrijke bedevaarten, maken Portugal tot een aantrekkelijk
toeristenland. De accommodatie is gevarieerd, van campings en eenvoudige
'estalagens' (herbergen) tot 'pousada's' (kleine hoteleenheden behorend
aan de staat, gelegen in uitgezochte gebieden en vaak gevestigd in oude
kastelen of paleizen). Veel bezocht worden vooral de landstreek Algarve,
met haar vele natuurschoon en o.a. de bezienswaardige plaatsen Faro,
Lagos [aardrijkskunde]2, Sagres, Silves en Tavira, en voorts Lissabon en
omgeving. Lissabon is uitgangspunt voor tochten naar de kustplaatsen
(met goede stranden) rond de monding van de Taag, aan de zgn. Costa do
Sol, o.m. Cascais, met rijke subtropische plantengroei, oude citadel en
museum (schilderijen, meubelen, zilver), Estoril, voorts naar Sintra,
een zeer bezienswaardig stadje met o.m. een 200 ha groot park, Parque da
Pena, met vele boomsoorten en camelia's, rododendrons en azalea's. Ten
zuidoosten van Lissabon liggen o.m. Setúbal en Évora. Tussen Porto,
schitterend gelegen op de steile oevers van de Douro, en Lissabon ligt
een aantal bezienswaardige plaatsen: Coimbra, met in de nabijheid Luso,
even ten zuidoosten waarvan het prachtige woud van Buçaco (in 1981
ernstig gehavend door bosbrand) begint, beroemd vooral om de ceders
(zowel van de Libanon als Atlantische en Indische soorten), en de resten
van het Romeinse Conimbriga. Tomar, in het vruchtbare landschap Ribatejo,
waar op uitgestrekte weiden paarden, runderen en vechtstieren worden
geweid, Batalha, met het beroemde gotische kloostercomplex (nationaal
monument), en Alcobaça, met de voormalige cisterciënzerabdij, Leiria,
Pombal, met middeleeuwse kerk en de ruïne van een in 1171 door de
kruisvaarders gebouwd kasteel, Santarém, Mafra, met het door Johan V
gebouwde (1717 vv.) immense barokke kloostercomplex, en het pelgrimsoord
Fatima. Ten noorden van Porto liggen badplaatsen als Póvoa de Varzim en
Viana do Castelo, met 16de-eeuws raadhuis en een 15de-eeuwse, in
oorsprong romaanse parochiekerk; meer landinwaarts o.m. Braga, Guimarães,
waar in 1109 de eerste koning van Portugal, Alfons I de Veroveraar, werd
geboren, Vila Real, met o.m. een voormalige kloosterkerk (14de-15de
eeuw), en Lamego, met Moors kasteel (13de eeuw) en gotische kathedraal,
en in het uiterste noordoosten Bragança [aardrijkskunde].
6. Geschiedenis
6.1 Oudheid
De oudste sporen van mens en beschaving reiken tot het 8ste millennium;
de dolmencultuur (2de millennium) is vooral in het noorden
vertegenwoordigd. Kort voor het aanbreken van de historische periode
werd het land bewoond door de Iberiërs, die tussen 600 en 300
geleidelijk verdrongen werden en gedeeltelijk geabsorbeerd door de
opdringende Kelten (Keltiberiërs). De Lusitani waren waarschijnlijk een
agglomeraat van Keltische volken, die zich weinig of niet met de
oorspronkelijke bevolking hadden vermengd; zij woonden vnl. in het
centrum en trachtten hun invloed naar het noorden en het zuiden uit te
breiden. Aan de kust bevonden zich enige factorijen en koloniën van
Feniciërs, Grieken en Carthagers. De feitelijke penetratie van Portugal
door de Romeinen begon eerst na afloop van de Tweede Punische Oorlog (ca.
200 v.C.) en ontmoette veel tegenstand, vooral van de zijde van de
weerbare Lusitani. In 27 v.C. verdeelde Augustus het Iberisch
Schiereiland (in 197 in tweeën verdeeld) in drie provincies:
Tarraconensis (oosten en noorden), Baetica (zuiden) en Lusitania
(westen); de laatstgenoemde provincie viel niet helemaal samen met het
grondgebied van het huidige Portugal: enerzijds omvatte ze niet de
gewesten benoorden de Douro, anderzijds strekte ze zich in het oosten
tot Toledo uit. Het was een keizerlijke provincie, bestuurd door een
propraetor, die resideerde in Augusta Emerita (Mérida). Op de
romanisering van het gebied volgde spoedig de kerstening, vooral die van
de steden.
6.2 Invallen van Germanen en Moren
In 409-410 vielen Germanen het gebied binnen: de Sueven vestigden zich
in het district van Braga, de Alanen in het voormalige Lusitanië. In de
tweede helft van de 5de eeuw werden zij gedwongen de hegemonie van de
Visigoten (hoofdstad Toledo) te erkennen, die er geleidelijk in slaagden
het gehele schiereiland in hun invloedssfeer te brengen. De fusie van de
katholieke inheemse bevolking met de ariaanse Germanen begon eerst na
589, toen koning Reccared op het Concilie van Toledo tot het
katholicisme overging. Na een vrij kortstondige bloei verzwakte het Rijk
van de Visigoten ten gevolge van dynastieke veten. Voor de geschiedenis
van de Portugese taal (Germaanse leenwoorden) en het Portugese recht
(o.a. Lex Romana Wisigothorum) is de Visigotische periode niet
onbelangrijk geweest; ook kan men er het begin van een spiritueel
kerkelijk leven constateren, vooral te Braga (Orosius, Martinus,
Fructuosus e.a.).
Gebruik makend van de verdeeldheid van de Germaanse overheersers stak de
Moorse veldheer Tarik in 711 naar Spanje over en versloeg de laatste
Visigotische koning, Roderik. Binnen tien jaar waren de Moren meesters
van het schiereiland, op enige onherbergzame streken van het bergachtige
Asturië na, waar sinds 718 het verzet tegen de indringers zich
concentreerde. De heerschappij van de Moren heeft eeuwenlang geduurd en
is in het eigenlijke Portugal, m.n. in het gebied ten zuiden van de
Taag, van grote betekenis geweest (mentaliteit, taal, economie,
landbouw, enz.); in het noorden kon de Romaans-Germaanse bevolking haar
eigen karakter beter bewaren, doordat de bezetting er uiterst dun was en
van korte duur. Zuid- en Midden-Portugal vormden een eenheid met
Andalusië en zijn in de Moorse tijd als het westelijk deel daarvan te
beschouwen. Zo viel het gebied onder het kalifaat van Córdoba en - na de
tijd van kleine autonome vorstendommen , de Taifa's in de 11de eeuw -
behoorde het tot het Rijk der Almoraviden, die in 1094-1096 het Moorse
gebied veroverden en in de 12de eeuw opgevolgd werden door de Almohaden.
6.3 Het Bourgondische Huis
Koning Alfons VI van Léon en Castilië (1065-1109) ondernam met wisselend
succes aanvallen op Moorse bevelhebbers in Portugal. Hij liet zijn
onwettige dochter Teresa huwen met de Bourgondische graaf Hendrik, die
hij belastte met het graafschap Portucalense, het gebied dat in naam
alles omvatte tussen de Taag en de Douro. Zijn zoon Alfons I (1128-1185)
slaagde erin het gebied belangrijk uit te breiden en zijn macht te
consolideren (1147 definitieve verovering van Lissabon, met hulp van de
kruisvaarders) en nam de koningstitel aan, die na veel strubbelingen
door Castilië en Rome erkend werd. Zijn opvolgers, beurtelings Sancho en
Alfons geheten, breidden het gebied uit en wisten zich als soevereine
vorsten te handhaven. Alfons III veroverde in 1249 de laatste bolwerken
van de Moren in Algarve, waarmee Portugal de huidige grenzen kreeg.
Alfons' zoon Dinis I (1279-1325) bracht het land rust, orde en welvaart.
Zijn zoon Alfons IV nam deel aan de vermaarde expeditie tegen de Moren
in Andalusië (1340, Slag aan de Salado). Koning Ferdinand (1367-1383)
stelde alles in het werk om de kroon van Portugal met die van Castilië
te verenigen; de oorlogen die hij daarvoor voerde, liepen alle slecht af
voor Portugal. Kort voor zijn dood verloofde hij zijn dochter met een
Castiliaanse prins, waardoor het gevaar ontstond van het verlies van de
Portugese onafhankelijkheid; mannelijke opvolgers waren in het regerende
koningshuis niet meer aanwezig.
6.4 Het Huis van Avis
Voor enige leden van de hoge adel en vooral voor de hoofdstedelijke
burgerij was Castilië onaanvaardbaar. Zodoende werd Johan I, meester van
de Orde van Avis en onwettig zoon van Peter I, tot koning van Portugal
uitgeroepen (1385). In hetzelfde jaar werd de onafhankelijkheid van het
land door de Slag van Aljubarrota tegen de Castilianen bevestigd. Johan
I omringde zich met een staf van bekwame medewerkers en moderniseerde
het rijk. Steunend op de burgerij, centraliseerde hij de macht, creëerde
een nieuwe adel en bevorderde de politieke zeggenschap van de gilden in
de steden. Zijn zoon Hendrik de Zeevaarder (1394-1460) heeft de
grondslag gelegd voor het Portugese imperium. Bij zijn dood waren
Madeira en de Azoren al ontdekt (1424 resp. 1431-1432) en waren de
Portugezen in Afrika al tot Sierra Leone doorgedrongen. Portugal was de
voornaamste maritieme mogendheid van Europa geworden.
Johan II (1481-1495) was energiek en bekwaam; hij beknotte hardhandig de
weerbarstige adel, gedroeg zich als een absoluut vorst en bevorderde de
ontdekkingen (B. Diaz). Zijn opvolger, Emanuel I de Grote (1495-1521),
wordt ook wel 'de Gelukkige' genoemd; onder zijn regering werd de zeeweg
naar Oost-Indië ontdekt (da Gama, 1498/1499) en Brazilië (Cabral, 1500).
Hij werd meester van een uitgestrekt imperium in het oosten, waarvan de
invloedssfeer zich uitstrekte van de Rode Zee tot China, en van
uitgestrekte gebieden in Amerika, die ten oosten van de in 1494 te
Tordesillas vastgestelde demarcatielijn lagen. Lissabon was tijdens zijn
regering de voornaamste haven van Europa en er was een weelderig hof.
Tijdens Johan III (1521-1557) kondigden zich de symptomen van het verval
aan: de Portugese kroon raakte in de schuld bij buitenlandse bankiers,
het platteland raakte ontvolkt; enige forten in Marokko moesten aan de
Moren worden prijsgegeven. Portugal was te klein om een groot imperium
in stand te kunnen houden; de veroveringen zogen het land leeg en kwamen
slechts ten goede aan weinige families; de overzeese expedities waren
een zaak van de kroon en er ontstond, anders dan in Engeland en
Nederland, geen commerciële middenklasse die de overzeese bezittingen op
doelmatige wijze had kunnen exploiteren; een volksklasse die daartoe in
staat zou zijn geweest, was die van de zgn. nieuw-christenen (de
afstammelingen van de in 1498 onder dwang gedoopte joden), die door de
in 1536 opgerichte inquisitie vervolgd werden. De sociale en economische
structuur van het land werd geleidelijk steeds meer archaïsch. Religieus
fanatisme en verouderde kruistochtidealen droegen het hunne bij tot het
verval: de jeugdige koning Sebastiaan (1557-1578) stierf in 1578 op het
slagveld van Alcacer-Kebir in Marokko; met hem sneuvelden 8000
Portugezen en bijna 15!000 werden gevangen gemaakt, die tegen een hoog
losgeld moesten worden vrijgekocht. Hij werd opgevolgd door zijn
bejaarde oom Hendrik, de kardinaal, die begin 1580 reeds overleed. Van
de hieropvolgende verwarring maakte Filips II (kleinzoon van Emanuel I)
gebruik om zijn aanspraken op de Portugese kroon te doen gelden; de
hertog van Alva viel het land binnen en de Cortes riepen Filips uit tot
koning van Portugal in april 1581. Hiermee kwam feitelijk een eind aan
de onafhankelijkheid van Portugal, hoewel het land in naam in het bezit
bleef van zijn eigen wetten en administratie.
6.5 Onder Spaans bewind
Filips II was vrij loyaal in de erkenning van de Portugese
autonomie, maar de vijanden van Spanje, m.n. de Republiek, gingen ertoe
over Portugal eveneens als vijand te beschouwen. De Oost-Indische
Compagnie veroverde grote delen van het Portugese imperium in het
oosten, de West-Indische Compagnie nestelde zich in Noordoost-Brazilië.
Ook was het noodlottig voor Portugal dat het betrokken werd in de
talrijke oorlogen van Spanje met andere Europese mogendheden. Economisch
en sociaal raakte het land steeds meer uitgeput, vooral onder Filips III
en IV, die Portugal eenvoudig als een provincie van Spanje beschouwden.
Maar het Portugese nationalisme, actief bevorderd door de
geestelijkheid, kwam steeds meer in verzet tegen de onderdrukking en
uitbuiting. Eind 1640 maakte een kleine groep van samenzweerders,
profiterend van de moeilijkheden waarin Spanje zich toen bevond, een
eind aan de Spaanse overheersing, wat door het overgrote deel van de
bevolking geestdriftig werd toegejuicht. De hertog van Bragança werd tot
koning Johan IV uitgeroepen.
6.6 Het Huis van Bragança
Johan IV (1640-1656) moest zich voorbereiden op een aanval van Spanje,
bondgenoten zien te krijgen in Europa, de verloren koloniën trachten te
herwinnen en zich de medewerking weten te verschaffen van het door
Spanje beïnvloede Rome. Dank zij het werk van enige bekwame ministers,
de verzwakking van het aan alle kanten bestookte Spanje en de
verdeeldheid van de Europese machten heeft hij een groot deel van dit
program kunnen uitvoeren. De Portugese legers beperkten zich in de
strijd tegen Spanje tot het defensief, en niet zonder succes; onder
Alfons VI kwam in 1668 de vrede tot stand, het jaar daarna erkend door
Rome. Reeds eerder bij de vrede met de Republiek (1661) waren de
Portugese rechten op Brazilië en Angola erkend. De hernieuwde alliantie
met Engeland (1662 huwelijk van Catharina Bragança met Karel II) kostte
Portugal o.a. het bezit van Bombay. Van het Portugese imperium in het
oosten waren slechts restanten overgebleven, maar de onafhankelijkheid
van het land was verzekerd. Toch slaagde Portugal er niet in zich tot
een moderne mogendheid op te werken. Het Methuen-verdrag (1703) maakte
het land politiek en economisch afhankelijk van Engeland; het verdrag
schiep door de economische ongelijkheid die het bestendigde, een soort
neokoloniale verhouding. Het Braziliaanse goud, dat in de 18de eeuw naar
Portugal begon te stromen, werd door de prachtlievende barokvorst Johan
V (1707-1750) aan o.a. pompeuze bouwwerken (o.a. kloosterkerk van Mafra)
besteed. Zijn opvolger Jozef (1750-1777) liet de regering over aan zijn
minister Pombal, een typische vertegenwoordiger van het verlicht
despotisme. Hij liet Lissabon na de aardbeving in 1755 planmatig
herbouwen. Pombal probeerde het land op hardhandige wijze te
moderniseren en hij trachtte de macht van de hoge adel en de kerk te
breken en de staatsmacht te versterken. In 1759 werden de jezuïeten
verdreven. Hoewel veel van Pombals hervormingen door Marian I da Gloria
(1777-1816) ongedaan werd gemaakt, heeft hij een blijvend stempel op het
land gedrukt.
Toen
Napoleons legers in 1809 Portugal binnenvielen, nam de koninklijke
familie de wijk naar Brazilië. Een regentschap bleef achter, maar het
land werd beheerst door de Engels-Spaanse strijdmachten die onder
Wellington de Franse invallers bestreden. Vier jaar oorlog en guerrilla
verwoestte het land. Het hof regeerde vanuit Brazilië tot een liberale
revolutie in 1821 koning Johan VI (1816-1826) dwong naar Europa terug te
keren. Hij had zijn zoon Peter in Brazilië als regent achtergelaten, die
in 1822 de onafhankelijkheid van de kolonie uitriep. Na zijn dood brak
er een burgeroorlog uit tussen de absolutisten (onder leiding van Don
Miguel) en de liberalen, waarin Peter van Brazilië, die inmiddels van
het keizerschap in de voormalige kolonie afstand had gedaan,
intervenieerde ten gunste van de liberalen, en met succes. Kort na de
overwinning overleed hij (als Peter IV van Portugal); zijn dochter Maria
II (1834-1853) volgde hem op.
Portugal was in de 19de eeuw een constitutionele monarchie met een vrij
liberale grondwet; maar van de uitwerking daarvan kwam in de praktijk
weinig terecht: het parlement leefde zich uit in steriele partijtwisten
en trok zich van de reële noden van de bevolking slechts weinig aan;
voor zover de vorsten zich inderdaad met de politiek inlieten, grepen
zij dikwijls naar het bedenkelijke wapen van de dictatuur; de bevolking
op het platteland leefde in vrijwel feodale omstandigheden en in grote
onwetendheid (in 1890 was 76% van het volk analfabeet). Financiële
schandalen van regeringsleiders, onwil en onmacht van de leidende
kringen om de situatie te verbeteren, en politieke echecs in Afrika
brachten de monarchie in diskrediet. Portugal bouwde in de tweede helft
van de 19de eeuw een groot koloniaal rijk op in Afrika, uitgaande van
oude bezittingen langs de kust - het derde imperium na het Aziatische en
het Braziliaanse. In koloniale conflicten met machtiger mogendheden -
Groot-Brittannië (1890), Duitsland - trok het land steeds aan het
kortste eind. In 1878 werd de Republikeinse Partij opgericht. Er
ontstond een arbeidersbeweging waarin, vanaf ca. 1890, de anarchisten
sterk vertegenwoordigd waren. Hun ideeën domineerden ook in de
vakbeweging, de CGT. In 1908 werden koning Karel I (1889-1908) en de
troonopvolger gedood na een aanslag van republikeinen. De jonge Emanuel
II moest na een militaire rebellie en volksopstand op 5 okt. 1910 de
wijk nemen naar Groot-Brittannië. Dezelfde dag werd de republiek
uitgeroepen en Teófilo Braga werd de eerste president.
6.7 De republiek en de corporatieve staat
Het nieuwe regime bracht geen politieke stabiliteit. De financiële
problemen, het analfabetisme, de economische en sociale vraagstukken
bleven bestaan. Antiklerikale maatregelen werkten polariserend. Van 1910
tot 1926 telde Portugal niet minder dan 44 regeringen, maakte het land
twintig staatsgrepen mee en wisselde het twaalf maal van president.
Onder zware Britse druk nam Portugal in 1916 aan de Eerste Wereldoorlog
deel. Het leed aanzienlijke verliezen in Frankrijk, nederlagen in
Mozambique en kwam financieel nog verder ontredderd uit de oorlog te
voorschijn. Regeringscrises, internationale leningen op vernederende
voorwaarden, stakingen en onlusten bepaalden het naoorlogse beeld. In
1926 brak een rechtse nationalistische revolutie uit. Generaal Carmona,
president van 1926 tot 1951, haalde in 1928 de econoom António de
Oliveira de Salazar naar het ministerie van Financiën. Salazar had
absolute volmachten bedongen en saneerde de financiën met drastische
maatregelen dankzij de generaalsdictatuur. De staatstekorten veranderden
in overschotten. In 1932 werd Salazar minister-president en een jaar
later gaf hij het land met een nieuwe grondwet een corporatieve
politiek-sociale grondslag (Estado Novo). Veertig jaar zou Salazar de
Portugese politiek beheersen. De 'Nieuwe staat' van Salazar en zijn
erachter liggende ideeën trokken internationaal - ook in Nederland -
belangstelling als een nieuwe vorm van sociaal-politieke ordening. In
feite ging het om een mengeling van katholiek corporatisme en fascisme.
De ideeënwereld van liberalisme en socialisme, van democratie met
politieke vrijheidsrechten en de arbeidersbeweging werden als subversief
onderdrukt. In de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) verleende Portugal
velerlei diensten aan Franco aan wiens zijde een Portugees legioen
meevocht. Na Franco's overwinning werd met hen een Iberisch Pact
gesloten.
Portugal bleef buiten de Tweede Wereldoorlog; wel bezette Japan
Portugees Timor en verkregen de Britten een militaire basis op de Azoren.
Na de oorlog trad Portugal toe tot de Verenigde Naties en de NATO (1949)
zonder dat het regime gewijzigd werd. Oppositie werd monddood gemaakt.
De opgelegde politieke stabiliteit begon tot sociaal-economische
immobiliteit te leiden.
In 1951 kregen de koloniën de status van 'overzeese gebiedsdelen', maar
zij bleven buiten het dekolonisatieproces dat zich in Azië en Afrika
voltrok. India annexeerde na een militaire actie in 1961 de enclaves Goa,
Daman en Diu. In Afrika begonnen bevrijdingsbewegingen een gewapende
strijd (Angola 1961, Guinea 1963, Mozambique 1964). Portugal verzeilde
in een drievoudige koloniale oorlog, waarin een leger van 100!000
dienstplichtigen betrokken was. Het regime raakte in een internationaal
isolement en hoewel honderdduizenden Portugezen in West-Europa werkten,
stagneerde de economie. Het verzet verdiepte en verbreedde zich. Salazar
werd in 1968 opgevolgd door Caetano, die een zekere mate van
modernisering en liberalisering nastreefde, echter zonder de grondslagen
van het systeem te wijzigen of de politieke oppositie meer kans te
geven. De gruwelijk opererende geheime politie, de PIDE, veranderde van
naam (DGB), maar bleef bestaan en ondanks veroordelingen van de
Verenigde Naties en het steeds meer veldwinnen van de verzetsbewegingen
werd de uitzichtloze strijd in Afrika voortgezet. Een oppositiebeweging
binnen de strijdkrachten, de Beweging der Strijdkrachten (MFA), greep
ten slotte in. President Tomás en Caetano's regering werden op 25 april
1974 afgezet, een junta van de MFA, waarin de oud-gouverneur van Guinea,
generaal Antonío de Spínola, de bekendste figuur was, nam het bewind in
handen.
6.8 De Anjerrevolutie en de democratie
De 'Anjerrevolutie' van 25 april 1974, die zonder bloedvergieten
verliep, deed de 'Nieuwe Staat' als een kaartenhuis uiteenvallen en
bracht een revolutionaire ontwikkeling op gang in de Portugese
samenleving, politiek, sociaal en economisch. Deze ontwikkeling ging de
opzet van de MFA verre te buiten. Oude en nieuwe partijen organiseerden
zich, wijk- en volkscomités ontstonden. Industriële en financiële
ondernemingen werden genationaliseerd of (mede)gecontroleerd door de
werknemers. Landarbeiders namen de grond in bezit en stichtten
coöperatieven, vooral in het zuiden waar veel grootgrondbezit bestond.
De feitelijke machtsverhoudingen en die tussen staat, MFA en nieuwe
organen zoals de COPCON, het militaire operatiecomité, waren lange tijd
onduidelijk en veranderden voortdurend. In de loop van enkele jaren zou
de (sociaal)revolutionaire vloedgolf worden ingedamd en er ontstond,
voor het eerst in de Portugese geschiedenis, een politieke democratie.
In de MFA was in eerste aanleg een breed scala van politieke opvattingen
samengegaan, van autoritair-conservatief (Spínola) tot
sociaal-revolutionair (Otelo Saravia de Carvalho). De primaire
doelstellingen, beëindiging van de koloniale oorlogen en een op het
Westen georiënteerd, democratischer Portugal, werden bereikt. Het eerste
doordat Portugal in de revolutionaire jaren de
onafhankelijkheidsbewegingen erkende en de overzeese gebieden opgaf (Spínola
e.a. hadden een band willen behouden). In sept. 1974 werd Portugees
Guinea het onafhankelijke Guinee-Bissau. In 1975 kregen Mozambique, São
Tomé en Príncipe hun onafhankelijkheid en in 1976 werd die van Angola
erkend. Oost-Timor was in 1975 door Indonesië bezet. Ongeveer een half
miljoen repatrianten kwam naar het moederland. Hier ontwikkelde de
situatie zich snel na de 25ste april 1974. Spínola werd op 14 mei
president. De eerste premier, Palma Carlos, maakte op 18 juli plaats
voor Vasço Gonsalves, die een radicale koers insloeg, zowel met de
dekolonisatie als binnenlands met nationalisaties e.a. maatregelen. De
MFA volgde een linkse koers en de COPCON, waarin Otelo Carvalho een
grote invloed had, nog meer. Spínola trad op 30 sept. af wegens de
radicale ontwikkelingen, generaal Francisco da Costa Gomes volgde hem
op. Het mislukken van een rechtse staatsgreep op 11 maart 1975, waarbij
Spínola betrokken was, versterkte de linkse krachten. De verkiezingen
voor de grondwetgevende vergaderingen op 25 april brachten een grote
overwinning voor de gematigde partijen, de socialisten (SP) onder Mario
Soares (38%) en de Volkspartij (PPD) van Sá Carneiro (26%). De
communisten (PCP) onder Cunhal behaalden 12,5% en de rechtse cdS 7,7%.
De politieke spanningen stegen verder en op 25 nov. greep een 'groep van
negen' militairen in. Het werd een keerpunt, de revolutionaire
structuren verloren snel terrein, formele machtsstructuren werden
hersteld. In 1976 werd de nieuwe grondwet van kracht die socialistische
doelstellingen bevatte; generaal Eanes, die op 25 nov. een rol had
gespeeld, werd tot president gekozen en parlementsverkiezingen
bevestigden de uitslag van 1975, evenals een zekere tweedeling van het
land, het noorden conservatiever, het zuiden linkser. Soares werd
premier en hield de PCP die getracht had zoveel mogelijk sleutelposities
in handen te krijgen, buiten de nieuwe machtsstructuren. Hij, Eanes en
Sá Carneiro, wiens PPD omgedoopt was tot sociaal-democratische partij
PSD, hoewel deze zich eerder naar rechts dan naar links bewoog, zouden
de komende jaren, in soms gespannen onderlinge verhoudingen, de
Portugese politiek bepalen.
Soares richtte zich sterk op Europa, met name op de Duitse zusterpartij
en trachtte het land, dat in grote economische moeilijkheden was, aan te
passen aan zowel de nieuwe Portugese als de Europese verhoudingen.
Revolutionaire verworvenheden als nationalisaties en arbeiderscontrole
werden teruggedrongen en de landbouwcoöperatieven bestreden, wat tot
spanningen in Portugal en in de SP leidde. In 1979 werd Sá Carneiro
premier van een coalitieregering van PSD en rechts. Hij en zijn
opvolgers Francisco Pinto Balsemão en sinds 1985 Anibal Cavaço Silva
volgden, maar op consequentere wijze, de ingeslagen weg naar meer
kapitalistische verhoudingen waarbij de populaire Cavaço Silva
electorale successen behaalde. In 1987 kwam de liberale PSD aan het
bewind. Ook de grondwet werd aangepast (1982 en 1989). Eanes werd in
1986 opgevolgd door de socialist
Mario Soares, die in 1991 werd herkozen. In okt. 1992 behaalde de
PSD bij verkiezingen de meerderheid in het parlement. Portugal, dat in
1977 het lidmaatschap van de Europese Gemeenschap had aangevraagd, werd
in 1986 volwaardig lid.
De ontevredenheid over de slechte economische toestand kwam duidelijk
aan het licht bij de gemeenteraadsverkiezingen van dec. 1993. De linkse
oppositiepartijen, de socialisten en de communisten boekten grote winst
ten koste van de centrum-rechtse regeringspartij. Deze uitslag bleek een
vingerwijzing te zijn voor de parlementsverkiezingen van okt. 1995, die
een grote overwinning opleverden voor de socialisten, wier voorman
Guterres een regering vormde met de onafhankelijken. De
presidentsverkiezingen eindigden in een zege voor de socialistische
kandidaat Jorge Sampaio, de voormalige burgemeester van Lissabon, die
zijn partijgenoot Soares opvolgde. Portugal, dat jarenlang de laagste
levensstandaard had in democratisch Europa, liep in de jaren negentig
deze achterstand geleidelijk in, dankzij een snelle economische groei.
Telefoongids Portugal
Postcodes
Portugal
|