header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Portugal

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

 

 

Portugal (officieel: Repķblica Portuguesa), republiek in het uiterste zuidwesten van Europa, 88.796 km2 (vasteland), inclusief eilanden: 92.270 km2, met 9.832.000 inw. (107 inw. per km2); hoofdstad: Lissabon (Lisboa). Bij het Portugese grondgebied behoren de Azoren en Madeira [aardrijkskunde]1. De vroegere kolonie Macau heeft een bijzondere status. Munteenheid is de Escudo (Esc.), onderverdeeld in 100 centavos. Nationale feestdag is 25 april, de dag waarop in 1974 officieren een eind maakten aan het bewind van Caetano en de 'Anjerrevolutie' begon.

   

1. Fysische geografie
1.1 Landschap

Het vasteland bestaat uit de westrand van de Spaanse Meseta (tafelland), welk gebied in Portugal naar het westen toe in brede kustvlakten overgaat. Hierdoor heeft het land een opvallend gevarieerd landschap, sterk verschillend van Spanje, waarbij de rivier de Taag (Tejo) de belangrijke scheidslijn in het landschap vormt. Ongeveer de helft van het gebied ten noorden van de Taag ligt boven de 400 m; het land ten zuiden van de rivier bereikt op slechts zeer weinig plaatsen die hoogte. Het noorden is heuvelachtig en bergachtig en gaat over in een plateau-achtig binnenland op 500-800 m hoogte (TrŠs-os-Montes). Het hoogste reliŽf komt voor in de centrale Serra da Estrela, een van noordoost naar zuidwest verlopende bergketen die tot een hoogte van bijna 2000 m reikt en uitloopt tot bij de monding van de Taag. De vallei van de Taag is een vlak, alluviaal gebied dat naar het zuiden toe geleidelijk aan stijgt in de richting van de vlakten van Alentejo, welke door de Serra do Caldeir„o van de kust van de provincie Algarve worden gescheiden. De 800 km lange kustlijn is voor het grootste deel vlak en zanderig en vaak omzoomd met duinen die lagunes omsluiten. In de buurt van Lissabon (met bij Cabo de Roca het meest westelijke punt van Europa) en bij Cabo de S„o Vicente bevinden zich rotsachtige stukken.
De grootste rivieren - de Minho, de Douro, de Taag en de Guadiana - ontspringen alle in Spanje. De Mondego en de Sado zijn de voornaamste rivieren die geheel binnen de landsgrenzen stromen.
1.2 Klimaat
Ondanks de invloeden van de betrekkelijk koude Atlantische Oceaan en de continentale Meseta is het overheersende klimaattype mediterraan. Tegenover koele, regenachtige winters staan hete, droge zomers, met een duidelijk verschil tussen het noorden en het zuiden. In het noorden, waar de naar de wind gekeerde berghellingen jaarlijks 2540 mm regen ontvangen, heerst een duidelijk regenschaduweffect. In geheel Portugal ten zuiden van de Taag valt minder dan 813 mm, en in het oosten van Algarve minder dan 406 mm. De winden zijn over het algemeen westelijk en langs de kust van de noordelijke provincie Minho komt vaak zeemist voor. De tegenstelling in temperatuur tussen de kust en het binnenland is aanzienlijk. Langs de kust liggen de wintertemperaturen tussen 10 en 12 įC (in het zuiden hoger) en in het binnenland tussen 4 en 7 įC. Aan de kust bedragen de zomertemperaturen gemiddeld 20-24 įC en in het noordelijke binnenland 18 įC. De warmste maand is augustus. De bewolking is gering, in Lissabon gemiddeld 40% met een minimum van 20% in augustus. In het binnenland is de bewolkingsgraad hoger.
1.3 Plantengroei
Flora en vegetatie komen overeen met die van Spanje. Toch zijn er wel enkele verschillen. De mediterrane flora is minder goed vertegenwoordigd. Ook ontbreken steppevegetaties en is, mede door de afwezigheid van hoge bergen (behalve de Serra da Estrela), de bergflora minder goed ontwikkeld. In de kustgebieden komen evenals in Spanje zoutmoerassen (marinhas) voor. In het binnenland zijn nog wel resten van de oorspronkelijke loofhout- en naaldbossen. Veelal zijn ze vervangen door maquis, heidevelden met o.a. Erica en Cistus, boomgaarden, druiven- en graanakkers en weidevelden. Vele uitheemse soorten, afkomstig uit o.a. Afrika en AustraliŽ, zijn in Portugal verwilderd.
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld van Portugal sluit aan bij die van Spanje en is in het algemeen gekenmerkt door Zuid-Europese en circummediterrane elementen, waarnaast een aantal Afrikaanse elementen (kameleon, genetkat, mangoeste e.a.) noordwaarts dringt. Een van de diergeografisch merkwaardigste vogels is de blauwe ekster, die verder Zuid-China bewoont. Van de zoogdieren komen o.a. wild zwijn en wilde kat nog voor. Ontbossing, erosie en onvoldoende geregelde jacht hebben talloze grote dieren gedecimeerd (wolf, lynx, damhert, edelhert, ree) of doen uitsterven (bruine beer, monniksrob e.a.); natuur- en milieubescherming staan nog in de kinderschoenen. De visrijke zeeŽn rond Portugal zijn al eeuwenlang met succes geŽxploiteerd (sardine, ansjovis, kabeljauw).

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking bestaat vrijwel geheel uit Portugezen. Veel Portugezen wonen, veelal om economische redenen, in het buitenland, vnl. in Frankrijk en Duitsland, Zuid-Amerika, Noord-Amerika en Afrika. Na de dekolonisatie van Angola en Mozambique zijn honderdduizenden zgn. retornados naar het moederland teruggekeerd. Een deel van hen is na enige tijd naar BraziliŽ geŽmigreerd. De jaarlijkse bevolkingsgroei is negatief (1985 tot 1994 -0,1%). Het geboortecijfer was in 1993 10Č, het sterftecijfer 11Č. De bevolkingsdichtheid verschilt van streek tot streek sterk. Grote bevolkingsconcentraties bevinden zich in en om Lissabon en Porto en op Madeira.
2.2 Taal
OfficiŽle taal is het Portugees.
2.3 Religie
De bevolking behoort formeel vrijwel in haar geheel tot de Rooms-Katholieke Kerk. Er zijn drie aartsbisdommen, nl. Braga, …vora en Lissabon, met resp. acht, twee en acht bisdommen. Lissabon is sedert 1716 zetel van een patriarch, die sinds 1736 tevens kardinaal is. De protestantse kerken tellen 38.000 leden. De moslims zijn met 15.000 en de joden met 2000 vertegenwoordigd.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
In 1982 trad een nieuwe grondwet, die de oude van 1976 verving, in werking. Deze schafte de militaire Revolutionaire Raad als bewaker van de 'geest van de Portugese revolutie van 25 april 1974' af en beperkte de macht van de president. Voorts werden marxistische en socialistische elementen uit de grondwet verwijderd. De president, die elke vijf jaar bij algemeen kiesrecht gekozen wordt, benoemt de premier en heeft het recht diens regering te ontslaan. De president is tevens opperbevelhebber van het leger. Als raadgever van de president treedt op de Staatsraad, bestaande uit tien, deels ex-officio-, deels door de president benoemde, leden. De regering heeft een relatief zwakke positie, want zij is politieke verantwoording verschuldigd tegenover de president en tegenover het parlement. Het parlement bestaat uit ťťn kamer, de Assembleia da Repķblica.
De afgevaardigden (minstens 230, hoogstens 250) worden om de vier jaar bij algemeen kiesrecht volgens evenredige vertegenwoordiging in een districtenstelsel gekozen. Vier afgevaardigden vertegenwoordigen de Portugezen die in het buitenland wonen. Het parlement kan maximaal driemaal in de vier jaar, op grond van een motie van wantrouwen, een regering naar huis sturen.
3.2 Administratieve indeling
Historisch is Portugal verdeeld in elf provincies: Minho, TrŠs-os-Montes, Alto Douro, Douro Litoral, Beira Alta, Beira Baxia, Estramadura, Ribatejo, Alto Alentejo, Baixo Alentejo en Algarve. Thans is Portugal onderverdeeld in 18 districten en twee autonome regio's (de Azoren en Madeira) met aan het hoofd een benoemde gouverneur. De districten zijn onderverdeeld in concelhos (vergelijkbaar met gemeenten).
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Portugal is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties daarvan, van de NAVO, de Europese Gemeenschap, de Raad van Europa en de Organisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).
3.4 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
De grootste, en van 1987 tot 1995 met absolute meerderheid regerende, partij is de Partido Social Democrata (PSD; rechts-liberaal, sociaal-democratisch) van premier Cavaco Silva. De grootste partij is nu de Partido Socialista (PS) van Antonio Guterres. Andere partijen zijn de Partido do Centro DemocrŠtico Social (CDS) van Freitas do Amaral, tegenwoordig de Partido Popular, Partido Renovador DemocrŠtico (PRD; Democratische Vernieuwingspartij) en de ColigaÁ‚o DemocrŠtico UnitŠria (CDU; een nieuwe linkse coalitie, hoofdzakelijk bestaande uit de Partido Comunista PortuguÍs [PCP] van stalinist Alvaro Cunhal).
Sedert 1974 bestaat er een vrije vakbeweging. Oudste organisatie is de ConfederaÁ„o dos Trabalhadores PortuguÍses-Intersindical Nacional (CGTP). Zij omvat 220 categorale bonden. In 1978 werd de Uni„o Geral dos Trabalhadores PortuguÍses (UGTP) opgericht door socialisten en sociaal-democraten om de grote communistische invloed in de vakbeweging tegen te gaan. Deze heeft ongeveer de omvang van het CGTP gekregen.

4. Economie
4.1 Algemeen
Na de omwenteling van 1974 werd een groot aantal industriŽle bedrijven en banken genationaliseerd, maar aan het eind van de jaren zeventig zijn veel van deze nationalisaties weer ongedaan gemaakt. De nieuwe grondwet van 1982 opende de weg naar een verdere liberalisering van de economie. Een aantal sectoren werd opengesteld voor het bedrijfsleven. Vanaf 1985 was er, na twee jaar van recessie, sprake van enig herstel. Vooral de toetreding tot de Europese Gemeenschap (EG) in 1986 heeft het land goed gedaan. Sinds dat jaar lag de gemiddelde jaarlijkse groei van de economie rond 4,6%. Portugal heeft daarmee de snelst groeiende economie van de EG. De in het verleden hoge werkloosheid daalde tot 7,2% in 1995. Schaduwzijde van het economisch herstel zijn de hoge inflatie (1985-1994 11,9%; sindsdien 4% p.j.) en het toenemende tekort op de handelsbalans.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
De landbouw draagt 5% bij aan het bnp en levert aan 12% van de beroepsbevolking werk. Portugal krijgt financiŽle steun van de EG om de landbouwsector te moderniseren. De nadruk wordt gelegd op het verhogen van de productiviteit. Boeren worden aangespoord weer coŲperaties te vormen. De akkerbouw wordt in het noorden bedreven op kleine landbouwbedrijven; in het zuiden komt veel grootgrondbezit voor. Hoewel m.n. het zuiden, de Alentejo, zeer vruchtbaar is, voorziet de landbouw door de achtergebleven technologie en de slechte infrastructuur niet in de eigen behoefte en moeten veel voedingsmiddelen ingevoerd worden (begin jaren tachtig tussen de 50% en 75%). De voornaamste producten van de akkerbouw zijn: graan, maÔs, rogge, rijst, aardappelen, olijfolie en wijn. De wijnbouw is vnl. geconcentreerd in de dalen van de rivieren Minho (frisse, zgn. groene wijnen), Douro (port en rosťwijnen) en Taag (met Lissabon als centrum). De veehouderij wordt vnl. in het noorden bedreven. Aan de kust in de provincies ten zuiden van de Taag wordt aan schapen- en varkensteelt gedaan. Ongeveer 40% van het grondoppervlak is met bos bedekt. Voornaamste product is kurk. Portugal dekt de helft van de wereldbehoefte aan kurk. De visserij is van oudsher van groot belang, zowel voor de voedselvoorziening als voor de uitvoer. De kustvisserij levert sardines en tonijn op. De zeevisserij die voor de kust van Noord-Amerika wordt bedreven, levert o.a. schelvis.
4.3 Mijnbouw
Portugal beschikt amper over rijke delfstoffenvoorraden. Van belang zijn alleen de productie van wolframiet, tin, lood en zink, pyriet, steenkool, ijzererts (ijzergehalte 50%), kaolien, magnetiet en mangaan. Voorts is er uraniumerts.
4.4 Industrie
De industrie, die 39% bijdraagt aan het bnp en aan 33% van de beroepsbevolking werk verschaft, is in vergelijking met andere West-Europese landen nog vrij slecht ontwikkeld. Kleine bedrijven overheersen. Petrochemische industrie is gevestigd in Cabo Ruivo aan de Taag, even ten noorden van Lissabon. In Seixal is de nationale staalindustrie gevestigd. Verder zijn er o.m. automobielassemblagebedrijven. De traditionele wolweverijen, gevestigd in het midden van het land, verwerken wol van de bergschapen. Van belang zijn voorts textiel- en visconservenindustrie, de met de wijnbouw verbonden industrie, scheepsbouw (Lissabon), kunstmest-, cement-, papier- en chemische industrie.
4.5 Energievoorziening
De elektriciteitsvoorziening geschiedt voor eenvijfde door waterkracht, opgewekt in het bergachtige gebied van Midden- en Noord-Portugal. De rest wordt opgewekt in warmtekrachtcentrales.
4.6 Handel
Ingevoerd worden: ijzer, staal, chemische producten, transport- en voedingsmiddelen, aardolie en aardolieproducten. De belangrijkste leveranciers zijn: Duitsland, Spanje (in toenemende mate) en Frankrijk. Uitgevoerd worden: textiel, wijn, kurk, papier en visconserven. Voornaamste afnemers zijn: Duitsland, Groot-BrittanniŽ en Frankrijk.
4.7 Bankwezen
In 1975 zijn de meeste banken genationaliseerd. Aan het eind van de jaren zeventig zijn enkele weer in particuliere handen overgegaan. In 1983 is het bankwezen opengesteld voor particuliere ondernemers. Nationale bank is de Bank van Portugal.
4.8 Verkeer
Het wegennet (ruim 70.000 km) is goed onderhouden, maar er zijn te weinig wegen. Het spoorwegnet (ruim 3000 km) wordt geŽxploiteerd door de Companhia dos Caminhos de Ferro PortugŻeses (CCFP), die voor de helft in staatshanden is. De scheepvaart is van oudsher van groot belang; vrijwel de gehele buitenlandse handel wordt via het zeeverkeer afgewikkeld. Nationale luchtvaartmaatschappij is Tap-Air Portugal. De belangrijkste luchthavens zijn Lissabon, Porto, Faro en Funchal.
Van steeds groter belang voor de Portugese economie is het toerisme (in 1993: ruim 20 miljoen bezoekers).

5. Toeristische gegevens
Het milde klimaat, de historische monumenten en het geheel eigen karakter van het land, dat o.m. tot uiting komt in zang en dans, uitingen van volkskunst (borduurwerk, aardewerk, o.m. azulejos), volksvermaak (stierengevecht, waarbij de stier niet in de arena wordt gedood) en kleurrijke bedevaarten, maken Portugal tot een aantrekkelijk toeristenland. De accommodatie is gevarieerd, van campings en eenvoudige 'estalagens' (herbergen) tot 'pousada's' (kleine hoteleenheden behorend aan de staat, gelegen in uitgezochte gebieden en vaak gevestigd in oude kastelen of paleizen). Veel bezocht worden vooral de landstreek Algarve, met haar vele natuurschoon en o.a. de bezienswaardige plaatsen Faro, Lagos [aardrijkskunde]2, Sagres, Silves en Tavira, en voorts Lissabon en omgeving. Lissabon is uitgangspunt voor tochten naar de kustplaatsen (met goede stranden) rond de monding van de Taag, aan de zgn. Costa do Sol, o.m. Cascais, met rijke subtropische plantengroei, oude citadel en museum (schilderijen, meubelen, zilver), Estoril, voorts naar Sintra, een zeer bezienswaardig stadje met o.m. een 200 ha groot park, Parque da Pena, met vele boomsoorten en camelia's, rododendrons en azalea's. Ten zuidoosten van Lissabon liggen o.m. Setķbal en …vora. Tussen Porto, schitterend gelegen op de steile oevers van de Douro, en Lissabon ligt een aantal bezienswaardige plaatsen: Coimbra, met in de nabijheid Luso, even ten zuidoosten waarvan het prachtige woud van BuÁaco (in 1981 ernstig gehavend door bosbrand) begint, beroemd vooral om de ceders (zowel van de Libanon als Atlantische en Indische soorten), en de resten van het Romeinse Conimbriga. Tomar, in het vruchtbare landschap Ribatejo, waar op uitgestrekte weiden paarden, runderen en vechtstieren worden geweid, Batalha, met het beroemde gotische kloostercomplex (nationaal monument), en AlcobaÁa, met de voormalige cisterciŽnzerabdij, Leiria, Pombal, met middeleeuwse kerk en de ruÔne van een in 1171 door de kruisvaarders gebouwd kasteel, Santarťm, Mafra, met het door Johan V gebouwde (1717 vv.) immense barokke kloostercomplex, en het pelgrimsoord Fatima. Ten noorden van Porto liggen badplaatsen als Půvoa de Varzim en Viana do Castelo, met 16de-eeuws raadhuis en een 15de-eeuwse, in oorsprong romaanse parochiekerk; meer landinwaarts o.m. Braga, Guimar„es, waar in 1109 de eerste koning van Portugal, Alfons I de Veroveraar, werd geboren, Vila Real, met o.m. een voormalige kloosterkerk (14de-15de eeuw), en Lamego, met Moors kasteel (13de eeuw) en gotische kathedraal, en in het uiterste noordoosten BraganÁa [aardrijkskunde].

6. Geschiedenis
6.1 Oudheid
De oudste sporen van mens en beschaving reiken tot het 8ste millennium; de dolmencultuur (2de millennium) is vooral in het noorden vertegenwoordigd. Kort voor het aanbreken van de historische periode werd het land bewoond door de IberiŽrs, die tussen 600 en 300 geleidelijk verdrongen werden en gedeeltelijk geabsorbeerd door de opdringende Kelten (KeltiberiŽrs). De Lusitani waren waarschijnlijk een agglomeraat van Keltische volken, die zich weinig of niet met de oorspronkelijke bevolking hadden vermengd; zij woonden vnl. in het centrum en trachtten hun invloed naar het noorden en het zuiden uit te breiden. Aan de kust bevonden zich enige factorijen en koloniŽn van FeniciŽrs, Grieken en Carthagers. De feitelijke penetratie van Portugal door de Romeinen begon eerst na afloop van de Tweede Punische Oorlog (ca. 200 v.C.) en ontmoette veel tegenstand, vooral van de zijde van de weerbare Lusitani. In 27 v.C. verdeelde Augustus het Iberisch Schiereiland (in 197 in tweeŽn verdeeld) in drie provincies: Tarraconensis (oosten en noorden), Baetica (zuiden) en Lusitania (westen); de laatstgenoemde provincie viel niet helemaal samen met het grondgebied van het huidige Portugal: enerzijds omvatte ze niet de gewesten benoorden de Douro, anderzijds strekte ze zich in het oosten tot Toledo uit. Het was een keizerlijke provincie, bestuurd door een propraetor, die resideerde in Augusta Emerita (Mťrida). Op de romanisering van het gebied volgde spoedig de kerstening, vooral die van de steden.
6.2 Invallen van Germanen en Moren
In 409-410 vielen Germanen het gebied binnen: de Sueven vestigden zich in het district van Braga, de Alanen in het voormalige LusitaniŽ. In de tweede helft van de 5de eeuw werden zij gedwongen de hegemonie van de Visigoten (hoofdstad Toledo) te erkennen, die er geleidelijk in slaagden het gehele schiereiland in hun invloedssfeer te brengen. De fusie van de katholieke inheemse bevolking met de ariaanse Germanen begon eerst na 589, toen koning Reccared op het Concilie van Toledo tot het katholicisme overging. Na een vrij kortstondige bloei verzwakte het Rijk van de Visigoten ten gevolge van dynastieke veten. Voor de geschiedenis van de Portugese taal (Germaanse leenwoorden) en het Portugese recht (o.a. Lex Romana Wisigothorum) is de Visigotische periode niet onbelangrijk geweest; ook kan men er het begin van een spiritueel kerkelijk leven constateren, vooral te Braga (Orosius, Martinus, Fructuosus e.a.).
Gebruik makend van de verdeeldheid van de Germaanse overheersers stak de Moorse veldheer Tarik in 711 naar Spanje over en versloeg de laatste Visigotische koning, Roderik. Binnen tien jaar waren de Moren meesters van het schiereiland, op enige onherbergzame streken van het bergachtige AsturiŽ na, waar sinds 718 het verzet tegen de indringers zich concentreerde. De heerschappij van de Moren heeft eeuwenlang geduurd en is in het eigenlijke Portugal, m.n. in het gebied ten zuiden van de Taag, van grote betekenis geweest (mentaliteit, taal, economie, landbouw, enz.); in het noorden kon de Romaans-Germaanse bevolking haar eigen karakter beter bewaren, doordat de bezetting er uiterst dun was en van korte duur. Zuid- en Midden-Portugal vormden een eenheid met AndalusiŽ en zijn in de Moorse tijd als het westelijk deel daarvan te beschouwen. Zo viel het gebied onder het kalifaat van Cůrdoba en - na de tijd van kleine autonome vorstendommen , de Taifa's in de 11de eeuw - behoorde het tot het Rijk der Almoraviden, die in 1094-1096 het Moorse gebied veroverden en in de 12de eeuw opgevolgd werden door de Almohaden.
6.3 Het Bourgondische Huis
Koning Alfons VI van Lťon en CastiliŽ (1065-1109) ondernam met wisselend succes aanvallen op Moorse bevelhebbers in Portugal. Hij liet zijn onwettige dochter Teresa huwen met de Bourgondische graaf Hendrik, die hij belastte met het graafschap Portucalense, het gebied dat in naam alles omvatte tussen de Taag en de Douro. Zijn zoon Alfons I (1128-1185) slaagde erin het gebied belangrijk uit te breiden en zijn macht te consolideren (1147 definitieve verovering van Lissabon, met hulp van de kruisvaarders) en nam de koningstitel aan, die na veel strubbelingen door CastiliŽ en Rome erkend werd. Zijn opvolgers, beurtelings Sancho en Alfons geheten, breidden het gebied uit en wisten zich als soevereine vorsten te handhaven. Alfons III veroverde in 1249 de laatste bolwerken van de Moren in Algarve, waarmee Portugal de huidige grenzen kreeg. Alfons' zoon Dinis I (1279-1325) bracht het land rust, orde en welvaart. Zijn zoon Alfons IV nam deel aan de vermaarde expeditie tegen de Moren in AndalusiŽ (1340, Slag aan de Salado). Koning Ferdinand (1367-1383) stelde alles in het werk om de kroon van Portugal met die van CastiliŽ te verenigen; de oorlogen die hij daarvoor voerde, liepen alle slecht af voor Portugal. Kort voor zijn dood verloofde hij zijn dochter met een Castiliaanse prins, waardoor het gevaar ontstond van het verlies van de Portugese onafhankelijkheid; mannelijke opvolgers waren in het regerende koningshuis niet meer aanwezig.
6.4 Het Huis van Avis
Voor enige leden van de hoge adel en vooral voor de hoofdstedelijke burgerij was CastiliŽ onaanvaardbaar. Zodoende werd Johan I, meester van de Orde van Avis en onwettig zoon van Peter I, tot koning van Portugal uitgeroepen (1385). In hetzelfde jaar werd de onafhankelijkheid van het land door de Slag van Aljubarrota tegen de Castilianen bevestigd. Johan I omringde zich met een staf van bekwame medewerkers en moderniseerde het rijk. Steunend op de burgerij, centraliseerde hij de macht, creŽerde een nieuwe adel en bevorderde de politieke zeggenschap van de gilden in de steden. Zijn zoon Hendrik de Zeevaarder (1394-1460) heeft de grondslag gelegd voor het Portugese imperium. Bij zijn dood waren Madeira en de Azoren al ontdekt (1424 resp. 1431-1432) en waren de Portugezen in Afrika al tot Sierra Leone doorgedrongen. Portugal was de voornaamste maritieme mogendheid van Europa geworden.
Johan II (1481-1495) was energiek en bekwaam; hij beknotte hardhandig de weerbarstige adel, gedroeg zich als een absoluut vorst en bevorderde de ontdekkingen (B. Diaz). Zijn opvolger, Emanuel I de Grote (1495-1521), wordt ook wel 'de Gelukkige' genoemd; onder zijn regering werd de zeeweg naar Oost-IndiŽ ontdekt (da Gama, 1498/1499) en BraziliŽ (Cabral, 1500). Hij werd meester van een uitgestrekt imperium in het oosten, waarvan de invloedssfeer zich uitstrekte van de Rode Zee tot China, en van uitgestrekte gebieden in Amerika, die ten oosten van de in 1494 te Tordesillas vastgestelde demarcatielijn lagen. Lissabon was tijdens zijn regering de voornaamste haven van Europa en er was een weelderig hof. Tijdens Johan III (1521-1557) kondigden zich de symptomen van het verval aan: de Portugese kroon raakte in de schuld bij buitenlandse bankiers, het platteland raakte ontvolkt; enige forten in Marokko moesten aan de Moren worden prijsgegeven. Portugal was te klein om een groot imperium in stand te kunnen houden; de veroveringen zogen het land leeg en kwamen slechts ten goede aan weinige families; de overzeese expedities waren een zaak van de kroon en er ontstond, anders dan in Engeland en Nederland, geen commerciŽle middenklasse die de overzeese bezittingen op doelmatige wijze had kunnen exploiteren; een volksklasse die daartoe in staat zou zijn geweest, was die van de zgn. nieuw-christenen (de afstammelingen van de in 1498 onder dwang gedoopte joden), die door de in 1536 opgerichte inquisitie vervolgd werden. De sociale en economische structuur van het land werd geleidelijk steeds meer archaÔsch. Religieus fanatisme en verouderde kruistochtidealen droegen het hunne bij tot het verval: de jeugdige koning Sebastiaan (1557-1578) stierf in 1578 op het slagveld van Alcacer-Kebir in Marokko; met hem sneuvelden 8000 Portugezen en bijna 15!000 werden gevangen gemaakt, die tegen een hoog losgeld moesten worden vrijgekocht. Hij werd opgevolgd door zijn bejaarde oom Hendrik, de kardinaal, die begin 1580 reeds overleed. Van de hieropvolgende verwarring maakte Filips II (kleinzoon van Emanuel I) gebruik om zijn aanspraken op de Portugese kroon te doen gelden; de hertog van Alva viel het land binnen en de Cortes riepen Filips uit tot koning van Portugal in april 1581. Hiermee kwam feitelijk een eind aan de onafhankelijkheid van Portugal, hoewel het land in naam in het bezit bleef van zijn eigen wetten en administratie.
6.5 Onder Spaans bewind
Filips II was vrij loyaal in de erkenning van de Portugese autonomie, maar de vijanden van Spanje, m.n. de Republiek, gingen ertoe over Portugal eveneens als vijand te beschouwen. De Oost-Indische Compagnie veroverde grote delen van het Portugese imperium in het oosten, de West-Indische Compagnie nestelde zich in Noordoost-BraziliŽ. Ook was het noodlottig voor Portugal dat het betrokken werd in de talrijke oorlogen van Spanje met andere Europese mogendheden. Economisch en sociaal raakte het land steeds meer uitgeput, vooral onder Filips III en IV, die Portugal eenvoudig als een provincie van Spanje beschouwden. Maar het Portugese nationalisme, actief bevorderd door de geestelijkheid, kwam steeds meer in verzet tegen de onderdrukking en uitbuiting. Eind 1640 maakte een kleine groep van samenzweerders, profiterend van de moeilijkheden waarin Spanje zich toen bevond, een eind aan de Spaanse overheersing, wat door het overgrote deel van de bevolking geestdriftig werd toegejuicht. De hertog van BraganÁa werd tot koning Johan IV uitgeroepen.
6.6 Het Huis van BraganÁa
Johan IV (1640-1656) moest zich voorbereiden op een aanval van Spanje, bondgenoten zien te krijgen in Europa, de verloren koloniŽn trachten te herwinnen en zich de medewerking weten te verschaffen van het door Spanje beÔnvloede Rome. Dank zij het werk van enige bekwame ministers, de verzwakking van het aan alle kanten bestookte Spanje en de verdeeldheid van de Europese machten heeft hij een groot deel van dit program kunnen uitvoeren. De Portugese legers beperkten zich in de strijd tegen Spanje tot het defensief, en niet zonder succes; onder Alfons VI kwam in 1668 de vrede tot stand, het jaar daarna erkend door Rome. Reeds eerder bij de vrede met de Republiek (1661) waren de Portugese rechten op BraziliŽ en Angola erkend. De hernieuwde alliantie met Engeland (1662 huwelijk van Catharina BraganÁa met Karel II) kostte Portugal o.a. het bezit van Bombay. Van het Portugese imperium in het oosten waren slechts restanten overgebleven, maar de onafhankelijkheid van het land was verzekerd. Toch slaagde Portugal er niet in zich tot een moderne mogendheid op te werken. Het Methuen-verdrag (1703) maakte het land politiek en economisch afhankelijk van Engeland; het verdrag schiep door de economische ongelijkheid die het bestendigde, een soort neokoloniale verhouding. Het Braziliaanse goud, dat in de 18de eeuw naar Portugal begon te stromen, werd door de prachtlievende barokvorst Johan V (1707-1750) aan o.a. pompeuze bouwwerken (o.a. kloosterkerk van Mafra) besteed. Zijn opvolger Jozef (1750-1777) liet de regering over aan zijn minister Pombal, een typische vertegenwoordiger van het verlicht despotisme. Hij liet Lissabon na de aardbeving in 1755 planmatig herbouwen. Pombal probeerde het land op hardhandige wijze te moderniseren en hij trachtte de macht van de hoge adel en de kerk te breken en de staatsmacht te versterken. In 1759 werden de jezuÔeten verdreven. Hoewel veel van Pombals hervormingen door Marian I da Gloria (1777-1816) ongedaan werd gemaakt, heeft hij een blijvend stempel op het land gedrukt.
Toen Napoleons legers in 1809 Portugal binnenvielen, nam de koninklijke familie de wijk naar BraziliŽ. Een regentschap bleef achter, maar het land werd beheerst door de Engels-Spaanse strijdmachten die onder Wellington de Franse invallers bestreden. Vier jaar oorlog en guerrilla verwoestte het land. Het hof regeerde vanuit BraziliŽ tot een liberale revolutie in 1821 koning Johan VI (1816-1826) dwong naar Europa terug te keren. Hij had zijn zoon Peter in BraziliŽ als regent achtergelaten, die in 1822 de onafhankelijkheid van de kolonie uitriep. Na zijn dood brak er een burgeroorlog uit tussen de absolutisten (onder leiding van Don Miguel) en de liberalen, waarin Peter van BraziliŽ, die inmiddels van het keizerschap in de voormalige kolonie afstand had gedaan, intervenieerde ten gunste van de liberalen, en met succes. Kort na de overwinning overleed hij (als Peter IV van Portugal); zijn dochter Maria II (1834-1853) volgde hem op.
Portugal was in de 19de eeuw een constitutionele monarchie met een vrij liberale grondwet; maar van de uitwerking daarvan kwam in de praktijk weinig terecht: het parlement leefde zich uit in steriele partijtwisten en trok zich van de reŽle noden van de bevolking slechts weinig aan; voor zover de vorsten zich inderdaad met de politiek inlieten, grepen zij dikwijls naar het bedenkelijke wapen van de dictatuur; de bevolking op het platteland leefde in vrijwel feodale omstandigheden en in grote onwetendheid (in 1890 was 76% van het volk analfabeet). FinanciŽle schandalen van regeringsleiders, onwil en onmacht van de leidende kringen om de situatie te verbeteren, en politieke echecs in Afrika brachten de monarchie in diskrediet. Portugal bouwde in de tweede helft van de 19de eeuw een groot koloniaal rijk op in Afrika, uitgaande van oude bezittingen langs de kust - het derde imperium na het Aziatische en het Braziliaanse. In koloniale conflicten met machtiger mogendheden - Groot-BrittanniŽ (1890), Duitsland - trok het land steeds aan het kortste eind. In 1878 werd de Republikeinse Partij opgericht. Er ontstond een arbeidersbeweging waarin, vanaf ca. 1890, de anarchisten sterk vertegenwoordigd waren. Hun ideeŽn domineerden ook in de vakbeweging, de CGT. In 1908 werden koning Karel I (1889-1908) en de troonopvolger gedood na een aanslag van republikeinen. De jonge Emanuel II moest na een militaire rebellie en volksopstand op 5 okt. 1910 de wijk nemen naar Groot-BrittanniŽ. Dezelfde dag werd de republiek uitgeroepen en Teůfilo Braga werd de eerste president.
6.7 De republiek en de corporatieve staat
Het nieuwe regime bracht geen politieke stabiliteit. De financiŽle problemen, het analfabetisme, de economische en sociale vraagstukken bleven bestaan. Antiklerikale maatregelen werkten polariserend. Van 1910 tot 1926 telde Portugal niet minder dan 44 regeringen, maakte het land twintig staatsgrepen mee en wisselde het twaalf maal van president.
Onder zware Britse druk nam Portugal in 1916 aan de Eerste Wereldoorlog deel. Het leed aanzienlijke verliezen in Frankrijk, nederlagen in Mozambique en kwam financieel nog verder ontredderd uit de oorlog te voorschijn. Regeringscrises, internationale leningen op vernederende voorwaarden, stakingen en onlusten bepaalden het naoorlogse beeld. In 1926 brak een rechtse nationalistische revolutie uit. Generaal Carmona, president van 1926 tot 1951, haalde in 1928 de econoom Antůnio de Oliveira de Salazar naar het ministerie van FinanciŽn. Salazar had absolute volmachten bedongen en saneerde de financiŽn met drastische maatregelen dankzij de generaalsdictatuur. De staatstekorten veranderden in overschotten. In 1932 werd Salazar minister-president en een jaar later gaf hij het land met een nieuwe grondwet een corporatieve politiek-sociale grondslag (Estado Novo). Veertig jaar zou Salazar de Portugese politiek beheersen. De 'Nieuwe staat' van Salazar en zijn erachter liggende ideeŽn trokken internationaal - ook in Nederland - belangstelling als een nieuwe vorm van sociaal-politieke ordening. In feite ging het om een mengeling van katholiek corporatisme en fascisme. De ideeŽnwereld van liberalisme en socialisme, van democratie met politieke vrijheidsrechten en de arbeidersbeweging werden als subversief onderdrukt. In de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) verleende Portugal velerlei diensten aan Franco aan wiens zijde een Portugees legioen meevocht. Na Franco's overwinning werd met hen een Iberisch Pact gesloten.
Portugal bleef buiten de Tweede Wereldoorlog; wel bezette Japan Portugees Timor en verkregen de Britten een militaire basis op de Azoren. Na de oorlog trad Portugal toe tot de Verenigde Naties en de NATO (1949) zonder dat het regime gewijzigd werd. Oppositie werd monddood gemaakt. De opgelegde politieke stabiliteit begon tot sociaal-economische immobiliteit te leiden.
In 1951 kregen de koloniŽn de status van 'overzeese gebiedsdelen', maar zij bleven buiten het dekolonisatieproces dat zich in AziŽ en Afrika voltrok. India annexeerde na een militaire actie in 1961 de enclaves Goa, Daman en Diu. In Afrika begonnen bevrijdingsbewegingen een gewapende strijd (Angola 1961, Guinea 1963, Mozambique 1964). Portugal verzeilde in een drievoudige koloniale oorlog, waarin een leger van 100!000 dienstplichtigen betrokken was. Het regime raakte in een internationaal isolement en hoewel honderdduizenden Portugezen in West-Europa werkten, stagneerde de economie. Het verzet verdiepte en verbreedde zich. Salazar werd in 1968 opgevolgd door Caetano, die een zekere mate van modernisering en liberalisering nastreefde, echter zonder de grondslagen van het systeem te wijzigen of de politieke oppositie meer kans te geven. De gruwelijk opererende geheime politie, de PIDE, veranderde van naam (DGB), maar bleef bestaan en ondanks veroordelingen van de Verenigde Naties en het steeds meer veldwinnen van de verzetsbewegingen werd de uitzichtloze strijd in Afrika voortgezet. Een oppositiebeweging binnen de strijdkrachten, de Beweging der Strijdkrachten (MFA), greep ten slotte in. President TomŠs en Caetano's regering werden op 25 april 1974 afgezet, een junta van de MFA, waarin de oud-gouverneur van Guinea, generaal AntonŪo de SpŪnola, de bekendste figuur was, nam het bewind in handen.
6.8 De Anjerrevolutie en de democratie
De 'Anjerrevolutie' van 25 april 1974, die zonder bloedvergieten verliep, deed de 'Nieuwe Staat' als een kaartenhuis uiteenvallen en bracht een revolutionaire ontwikkeling op gang in de Portugese samenleving, politiek, sociaal en economisch. Deze ontwikkeling ging de opzet van de MFA verre te buiten. Oude en nieuwe partijen organiseerden zich, wijk- en volkscomitťs ontstonden. IndustriŽle en financiŽle ondernemingen werden genationaliseerd of (mede)gecontroleerd door de werknemers. Landarbeiders namen de grond in bezit en stichtten coŲperatieven, vooral in het zuiden waar veel grootgrondbezit bestond. De feitelijke machtsverhoudingen en die tussen staat, MFA en nieuwe organen zoals de COPCON, het militaire operatiecomitť, waren lange tijd onduidelijk en veranderden voortdurend. In de loop van enkele jaren zou de (sociaal)revolutionaire vloedgolf worden ingedamd en er ontstond, voor het eerst in de Portugese geschiedenis, een politieke democratie.
In de MFA was in eerste aanleg een breed scala van politieke opvattingen samengegaan, van autoritair-conservatief (SpŪnola) tot sociaal-revolutionair (Otelo Saravia de Carvalho). De primaire doelstellingen, beŽindiging van de koloniale oorlogen en een op het Westen georiŽnteerd, democratischer Portugal, werden bereikt. Het eerste doordat Portugal in de revolutionaire jaren de onafhankelijkheidsbewegingen erkende en de overzeese gebieden opgaf (SpŪnola e.a. hadden een band willen behouden). In sept. 1974 werd Portugees Guinea het onafhankelijke Guinee-Bissau. In 1975 kregen Mozambique, S„o Tomť en PrŪncipe hun onafhankelijkheid en in 1976 werd die van Angola erkend. Oost-Timor was in 1975 door IndonesiŽ bezet. Ongeveer een half miljoen repatrianten kwam naar het moederland. Hier ontwikkelde de situatie zich snel na de 25ste april 1974. SpŪnola werd op 14 mei president. De eerste premier, Palma Carlos, maakte op 18 juli plaats voor VasÁo Gonsalves, die een radicale koers insloeg, zowel met de dekolonisatie als binnenlands met nationalisaties e.a. maatregelen. De MFA volgde een linkse koers en de COPCON, waarin Otelo Carvalho een grote invloed had, nog meer. SpŪnola trad op 30 sept. af wegens de radicale ontwikkelingen, generaal Francisco da Costa Gomes volgde hem op. Het mislukken van een rechtse staatsgreep op 11 maart 1975, waarbij SpŪnola betrokken was, versterkte de linkse krachten. De verkiezingen voor de grondwetgevende vergaderingen op 25 april brachten een grote overwinning voor de gematigde partijen, de socialisten (SP) onder Mario Soares (38%) en de Volkspartij (PPD) van SŠ Carneiro (26%). De communisten (PCP) onder Cunhal behaalden 12,5% en de rechtse cdS 7,7%. De politieke spanningen stegen verder en op 25 nov. greep een 'groep van negen' militairen in. Het werd een keerpunt, de revolutionaire structuren verloren snel terrein, formele machtsstructuren werden hersteld. In 1976 werd de nieuwe grondwet van kracht die socialistische doelstellingen bevatte; generaal Eanes, die op 25 nov. een rol had gespeeld, werd tot president gekozen en parlementsverkiezingen bevestigden de uitslag van 1975, evenals een zekere tweedeling van het land, het noorden conservatiever, het zuiden linkser. Soares werd premier en hield de PCP die getracht had zoveel mogelijk sleutelposities in handen te krijgen, buiten de nieuwe machtsstructuren. Hij, Eanes en SŠ Carneiro, wiens PPD omgedoopt was tot sociaal-democratische partij PSD, hoewel deze zich eerder naar rechts dan naar links bewoog, zouden de komende jaren, in soms gespannen onderlinge verhoudingen, de Portugese politiek bepalen.
Soares richtte zich sterk op Europa, met name op de Duitse zusterpartij en trachtte het land, dat in grote economische moeilijkheden was, aan te passen aan zowel de nieuwe Portugese als de Europese verhoudingen. Revolutionaire verworvenheden als nationalisaties en arbeiderscontrole werden teruggedrongen en de landbouwcoŲperatieven bestreden, wat tot spanningen in Portugal en in de SP leidde. In 1979 werd SŠ Carneiro premier van een coalitieregering van PSD en rechts. Hij en zijn opvolgers Francisco Pinto Balsem„o en sinds 1985 Anibal CavaÁo Silva volgden, maar op consequentere wijze, de ingeslagen weg naar meer kapitalistische verhoudingen waarbij de populaire CavaÁo Silva electorale successen behaalde. In 1987 kwam de liberale PSD aan het bewind. Ook de grondwet werd aangepast (1982 en 1989). Eanes werd in 1986 opgevolgd door de socialist Mario Soares, die in 1991 werd herkozen. In okt. 1992 behaalde de PSD bij verkiezingen de meerderheid in het parlement. Portugal, dat in 1977 het lidmaatschap van de Europese Gemeenschap had aangevraagd, werd in 1986 volwaardig lid.
De ontevredenheid over de slechte economische toestand kwam duidelijk aan het licht bij de gemeenteraadsverkiezingen van dec. 1993. De linkse oppositiepartijen, de socialisten en de communisten boekten grote winst ten koste van de centrum-rechtse regeringspartij. Deze uitslag bleek een vingerwijzing te zijn voor de parlementsverkiezingen van okt. 1995, die een grote overwinning opleverden voor de socialisten, wier voorman Guterres een regering vormde met de onafhankelijken. De presidentsverkiezingen eindigden in een zege voor de socialistische kandidaat Jorge Sampaio, de voormalige burgemeester van Lissabon, die zijn partijgenoot Soares opvolgde. Portugal, dat jarenlang de laagste levensstandaard had in democratisch Europa, liep in de jaren negentig deze achterstand geleidelijk in, dankzij een snelle economische groei.


Telefoongids Portugal
Postcodes Portugal

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009