|

|
Tegen het midden van de
twintigste eeuw waren er een aantal structurele theorieën over het menselijk
bestaan in omloop. De Zwitserse linguïst Ferdinand de Saussure
(1857-1913) suggereerde dat betekenis gevonden zou moeten worden in de
structuur van een taal in plaats van in de analyse van individuele woorden.
Voor marxisten kon de waarheid van het menselijk bestaan begrepen worden
door economische structuren. Psychoanalitici poogden de structuur van de
psyche te beschrijven. In de jaren '60 poogde de structuralistische
beweging, die zijn basis had in Frankrijk, de ideeën van
Marx, Freud
en De Saussure te synthetiseren. Zij vonden dat individuen vorm krijgen door
taalkundige, sociologische en psychologische structuren waarover zijn geen
controle hebben.
De Franse filosoof en historicus Michel Foucault (1926-1984),
oorspronkelijk aangemerkt als structuralist, bleek de belangrijkste
vertegenwoordiger te zijn geworden van de poststructuralistische beweging.
Hij was het eens met de opvatting dat taal en maatschappij vorm krijgen via
door regels geleide systemen, maar hij was het met de structuralisten op
twee gebieden oneens. Ten eerste meende hij dat er geen onveranderde
structuren bestonden die de menselijke conditie kunnen verklaren, en ten
tweede vond hij het onmogelijk de situatie objectief te onderzoeken.
Jacques Derrida ontwikkelde de zogeheten 'deconstructie' als een
techniek voor het analyseren van teksten. Derrida, beïnvloed door
Heidegger en
Nietzsche, betoogde dat alle tekst dubbelzinnigheid bezit en dat hierom
een uiteindelijke, complete interpretatie onmogelijk te bereiken is.
Poststructuralisme en deconstructie kunnen gezien worden als de theoretische
formuleringen van de postmoderne gesteldheid. De moderniteit, die op
intellectueel niveau met de Verlichting inzette, probeerde de wereld in
rationele, empirische en objectieve termen te beschrijven. Dit
veronderstelde dat de onontdekte waarheid blootgelegd moest worden, een
manier om antwoorden te verkrijgen op de vraag omtrent het menselijk
bestaan. Postmodernisme laat deze zekerheid niet zien - de rede zelf wordt
nu gezien als een specifieke historische vorm.
Het postmoderne subject heeft geen rationele manier om een voorkeur te
evalueren in relatie tot uitspraken over waarheid, moraal, esthetische
ervaring of objectiviteit. Omdat de oude hiërarchieën omver zijn geworpen is
er een nieuwe ruimte geschapen op de grenzen van het begrip; welke
gedachtenmengsels hierin zullen samenkomen, kruisen en groeien, zal de
toekomst ons leren. |
|
|
|
|
|
|