|

|
Of de menselijke geest in
kaart gebracht. Tegen het einde van de negentiende eeuw begonnen
wetenschappers meer te begrijpen van de complexe werking van het menselijk
lichaam en hadden ze de hersenen omzichtig geanalyseerd. Toch bleef de aard
van de menselijke geest een mysterie. Veel gerespecteerde artsen klampten
zich vast aan het pseudowetenschappelijke geloof van de frenologie, een
studie gebaseerd op de vooronderstelling dat de vorm van de schedel het
karakter en de geestelijke vermogens beïnvloedt. Geestesziekte werd
nauwelijks begrepen en soms zelfs afgedaan als ongeneeslijk.
De studie van de hysterie - waarbij patiënten aan fysieke symptomen lijden
als verlamming of doofheid zonder organische oorzaak - leverde de sleutel
tot onze huidige kennis van de geest. Het begint bij Jean-Martin
Charcot
(1825-1893),
professor in zenuwziekten aan het Salpétrièreziekenhuis in Parijs, die
pionierde met het gebruik van hypnose om hysterie te behandelen. Charcot
bracht patiënten in trance en gaf ze een aantal hypnotische suggesties
waardoor ze zich beter voelden en waardoor hun symptomen soms volledig
verdwenen. Dit proces fascineerde één van Charcots studenten, een 29-jarige
Weense neuroloog met de naam Sigmund Freud (1865-1939) -zie
foto. Freud merkte op dat als Charcots patiënten ontwaakten ze geen
enkele herinnering hadden aan wat hen verteld was. Hun problemen wortelden
in hun onbewustzijn en konden alleen door hypnose worden aangeroerd.
Freud nam Charcots lessen over hypnose mee terug naar Wenen en begon nauw
samen te werken met een andere arts, Josef Breuer (1842-1925). Met een van
hun gevallen, 'Anna O.', legden ze de basis van de moderne psychologie.
Breuer was in staat om Anna's gespleten persoonlijkheid en hysterie te
genezen door haar aan te moedigen zich haar verleden onder hypnose te
herinneren. Door het opnieuw beleven van het moment waarop een bepaald
symptoom zich voor het eerst had voorgedaan, was Anna in staat om zich ervan
te bevrijden.
Breuer en Freud beschrijven hun 'praatkuur' voor zenuwziekten in Studiën
über Hysterie (1895). Het boek stelt voorop dat we de neiging hebben om
pijnlijke of beschamende herinneringen te onderdrukken. Later kan dat
innerlijke conflicten opleveren die zich uiten als obsessies, fobieën of
andere psychische problemen.
De remedie is om deze herinneringen naar buiten te brengen, waar ze
geanalyseerd en verwerkt kunnen worden. |
|
|
|
|
|
|