|

|
In de eerste helft van de
19de eeuw veranderde er veel. Europa herstelde zich van de ontwrichting als
gevolg van de Napoleontische oorlogen. De industrialisatie brak de
traditionele gemeenschappen in stukken en smeedde tegelijkertijd nieuwe
stedelijke verbanden; wetenschappelijke uitvingen en technische innovaties
veranderden de visie van de mensen op de wereld. Met politieke onderdrukking
probeerde men smeulende ontevredenheid in de kiem te smoren, met als gevolg
dat er een radicalisme ontstond dat in 1848 in geheel Europa ontvlamde
en zich vertaalde in revolutionaire opstanden.
Romantiek
kon niet langer het antwoord zijn op dit veranderende klimaat : het was te
ontwijkend, emotioneel, elitair. Kunstenaars en schrijvers die de vinger aan
de pols van hun tijd hielden, wilden nu de wereld weergeven zoals zij die
zagen en soms - niet altijd - wilden ze de gloed van het revolutionaire vuur
uitbeelden. Voor deze benadering vonden ze de term realisme.
Het verlangen om de echte wereld af te beelden was niet nieuw : al eerder
hadden schrijvers geprobeerd de illusie van een ooggetuigenverslag te
creëren. Het realisme van de 19de eeuw had echter een heel andere
toonzetting. Die was weliswaar niet overduidelijk politiek van aard, maar
weerspiegelde toch een betrokkenheid met de sociale problemen van deze eeuw.
Dit engagement leidde soms tot de uitbeelding van de kwalijke kanten van het
leven, een onderwerp waarvan men voorheen had gevonden dat het ongeschikt
was voor de kunst. Dergelijk werk kwam als een schok voor het publiek en
werd vaak als schandalig betiteld.
(foto : spotprent van Honoré Daumier - halfweg de 19de eeuw) |
|
|
|
|
|
|