|
rendier (in Noord-Amerika kariboe [caribou]
genoemd), de soort Rangifer tarandus, een enigszins afwijkende
vertegenwoordiger van de familie Herten
uit de herkauwers.
Het rendier is een bewoner van de toendra
en noordelijke bosgebieden van zowel Eurazië als Noord-Amerika. Het
rendier is de enige hertensoort die gedomesticeerd is. Rendieren worden
in Europa tot 225 cm lang bij een schouderhoogte van maximaal 125 cm,
gewicht tot 300 kg; eilandvormen als die van Spitsbergen zijn veel
kleiner. Het grote verspreidingsgebied maakt het mogelijk een aantal
geografische vormen te onderscheiden, die echter niet scherp af te
grenzen zijn. De Amerikaanse rendieren zijn als regel groter en
zwaarder. De kleur van de vacht, die met de seizoenen varieert, is
vrijwel altijd grijzig of bruinig, hoewel vrijwel geheel witte en bruine
vormen bekend zijn. Beide geslachten dragen een als regel (zeer) groot
en wijd uitstaand
gewei, dat (zeer) sterk vertakt kan
zijn en vnl. gekenmerkt is door een schoffelvormige oogtak. De hoeven
zijn breed en plat, zodat de dieren vrijwel met vier tenen per poot op
de grond staan, wat het lopen op sneeuw en moerassige grond
vergemakkelijkt. Bij het lopen wordt een merkwaardig knakkend geluid
gemaakt, wat een signaalfunctie in het sociale verkeer zou kunnen
hebben. De dieren kunnen uitstekend zwemmen, iets wat ze bij het
oversteken van rivieren en zeearmen tijdens de trek vaak massaal doen.
Rendieren zijn uitgesproken kuddedieren; geen andere
soort onder de herten vormt zulke enorme kudden. Meestal gaat het om
koeien met hun kalveren en halfwas dieren; de mannetjes vormen kleinere
groepen, die pas in de vroege herfst in de
bronsttijd
grote harems
bijeenbrengen. Na een draagtijd van 7–8 maanden worden de ongevlekte
kalveren (één per worp) laat in het voorjaar of in de voorzomer geboren.
Maximale levensduur 9–12 jaar. Rendieren voeden zich voor een belangrijk
deel op de grond met kruiden en kruidachtige planten, waaronder het rendiermos
dominant kan zijn; daarnaast worden boombast, knoppen, bladeren en
twijgen gegeten. Bij de Lappen
zijn de rendieren al eeuwen geleden (half) gedomesticeerd; het houden
van deze dieren heeft het leven in het hoge noorden voor deze mensen
mogelijk gemaakt. Rendieren worden gebruikt als trek-, last- en
rijdieren en als leveranciers van melk, geweien, beenderen, huiden,
pezen, vet en vlees. De huisdierstatus van het rendier kan vergeleken
worden met die van een rund in een zeer extensieve veehouderij. In wezen
zijn de rendierhoudende Lappen nomadische herders; de kudden worden
slechts voortgedreven of gevolgd en tegen roofvijanden (vnl. de wolf)
beschermd. Het invoeren van tamme rendieren in Noord-Amerika is niet als
een groot succes te beschouwen. Wilde rendieren worden graag bejaagd,
vooral in Noord-Amerika. Tijdens de laatste ijstijden
bewoonde het rendier ook zuidelijker streken, waaronder Nederland;
heringevoerd in Schotland.
Afhankelijk van de soort zijn de haren zwart, bruin, grijs of wit van
kleur. De volwassen rendiermannetjes leven alleen, de moeders en de
jongen vormen roedels.
► Het rendier of de kariboe is de enige hertensoort waarbij beide
geslachten een gewei dragen. De vorm van de geweien is ongeveer gelijk. De
onderste tak, het aanhechtingspunt van het gewei, is nogmaals vertakt. Het
gewei van de vrouwtjes is kleiner.
► Het tamme rendier is voor
de noordelijke, zwervende herdersvolken (de Lappen) het belangrijkste
huisdier. Het rendier levert melk, kaas en vlees. De beenderen en huiden
worden gebruikt voor allerlei voorwerpen en kleding. Verder kan men het
rendier als lastdier gebruiken door het voor een slee te spannen.
► Wilde rendieren, die over
het geheel genomen wat sierlijker gebouwd zijn, leggen in de herfst en in
het voorjaar enorme afstanden af met hun kudde. Voor de winter trekken ze
naar het zuiden, in het voorjaar keren ze weer terug naar het noorden.
► 's Zomers voeden ze zich
hoofdzakelijk met gras en andere planten van de toendra. 's Winters zoeken
ze naar mossen en korstmossen. Hiervoor moeten ze dikwijls de sneeuw met
hun hoeven aan de kant schrapen.
► Rendieren komen in Noord-Europa, Azië, Canada,
Groenland en Alaska voor.
► In de herfst strijden de
rendiermannetjes om de gunst van de vrouwtjes. 240 dagen na de paring werpt
een rendierkoe een jong, soms twee. De jongen kunnen al enkele uren na de
geboorte met de kudde meetrekken. |
|