Onder
rioolstelsel (riool v. Fr. rigole = greppel) verstaan we het stelsel
van ondergrondse buizen voor het op snelle en economische wijze
afvoeren van afvalwater en/of regenwater. Aanvankelijk loosde de
riolering direct op oppervlaktewater. Door tussenschakeling van een
sceptictank, waarin door gisting een groot deel van de in het
afvalwater aanwezige organische materialen wordt afgebroken, werd
een verbetering bereikt in de kwaliteit van het te lozen water.
Inmiddels zijn in West-Europa de rioleringen van woningen en andere
gebouwen aangesloten op openbare rioolstelsels, die vrijwel overal
aansluiting geven op rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Geschiedenis
Uit opgravingen in de Indus-vallei is gebleken dat steden uit ca.
2500 v.C. reeds waren voorzien van riolering. Ook van oude
Assyrische, Egyptische en Minoïsche culturen zijn overblijfselen
gevonden van rioolstelsels. In het oude Rome kwam een onderaards
ontwateringskanaal (cloaca) voor, waarvan de cloaca maxima enorme
afmetingen had; uit dezelfde tijd heeft men ook in Keulen en Trier
resten van riolering aangetroffen. Uit de middeleeuwen zijn in
West-Europa weinig sporen gevonden van rioolstelsels. Een
uitzondering is o.a. het uit de 12de eeuw daterende klooster te
Canterbury in Engeland, dat niet alleen een eigen riolering had,
maar ook een waterleidingnet met watertoren. Pas in de loop van de
19de eeuw werden in grote steden als Hamburg, Berlijn, Parijs en
Londen op grote schaal centrale rioolstelsels ontworpen en
aangelegd.
Rioleringstelsels zijn vaak van oude makelij. Verschillende
materialen hebben het door wijziging van de chemische samenstelling
van het rioolwater laten afweten (zie ook rioolgas). Beton, gebakken
klei en kunststoffen zijn de aangewezen materialen voor
rioleringstelsels. Geavanceerde controlesystemen (veelal met
videocamera's) zijn ontwikkeld voor ondergrondse controle. Daarnaast
zijn technieken ontwikkeld om rioleringstelsels ondergronds te
repareren.
Indeling
Men onderscheidt gemengde en gescheiden
rioolstelsels.
Bij het gemengde stelsel worden huishoudelijk en/of industrieel
afvalwater – de zgn. droogweerafvoer (DWA) – en hemelwater
gezamenlijk afgevoerd; het hemelwater van daken en straten wordt via
hemelwaterafvoeren geleid naar de straatriolering, die is
aangesloten op neven- en hoofdriolen die gewoonlijk samenkomen bij
een rioolgemaal, dat het water via persleidingen verder
transporteert naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. De
hoeveelheid en de hoedanigheid van het bij de zuiveringsinstallatie
aangevoerde rioolwater kan bij dit stelsel, afhankelijk van de
hoeveelheid neerslag, zeer sterk variëren. Voor het verwerken van
piekbelastingen is het gemengde rioolstelsel voorzien van zgn.
nooduitlaten op open water (plantsoenvijvers, sloten, enz.).
Het gescheiden stelsel bestaat uit twee van elkaar gescheiden
buizensystemen: één voor het huishoudelijk en/of industrieel
afvalwater (vuilwaterriolen) en een voor het hemelwater
(hemelwaterriolen). De vuilwaterriolen lozen het afvalwater (DWA) op
dezelfde wijze als bij het gemengde stelsel; de hemelwaterriolen
voeren het water van daken en bestrating via een eigen
leidingstelsel rechtstreeks af naar het open oppervlaktewater.
Hoewel het gescheiden stelsel door het dubbele buizennet vaak hogere
kosten vraagt bij aanleg en onderhoud, kan het voordelen hebben ten
opzichte van het gemengde stelsel. Door het afzonderlijk afvoeren
van het hemelwater is de DWA min of meer constant, wat de zuivering
vereenvoudigt. Tevens komt er niet door afvalwater verontreinigd
water in open water terecht.
Om in de bebouwde omgeving hinder door rioolgassen te voorkomen
worden op geschikte punten op de riolering ontluchtingsbuizen
aangesloten die boven de daken van de bebouwing uitmonden. |
|
|
|
|
|