| |
De
rode wouw of milvus milvus
Gedeeltelijke trekvogel, plaatselijk overwinterend. Iets groter
dan de buizerd, met beduidend langere, duidelijk gevorkte
staart. In de vlucht zijn de onderkanten van de vleugels
constrasterend licht-donker getekend. Zeilt vaak met loodrecht
gespreide (niet hoger geplaatste) vleugels. Verspreiding en
leefgebied : klein broedgebied in het midden en zuiden van
Europa. Minder aan het water gebonden dan de zwarte wouw ; jaagt
in open veld. In de winter vormen zich hier en daar slaapgroepen
in het struikgewas bij het veld. Voortplanting : nest op hoge
bomen, vaak bekleed met lompen, papier en ander afval. Legtijd :
april, mei. Eén legsel. De twee tot drie witte tot groenige
eieren worden 33-38 dagen door het vrouwtje bebroed; de jongen
blijven 45-55 dagen in het nest. Voedsel : kleine zoogdieren,
kadavers, afval en ook vis. |
|
|
|
|
|
|