header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

RoemeniŽ

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

 

RoemeniŽ (Roem.: Rom‚nia; Duits: Rumšnien; Eng.: Romania; Fr.: La Roumanie), republiek in Zuidoost-Europa, 237.500 km2, met 22.736.000 inw. (95 per km2); hoofdstad: Boekarest (Bucuresti). Munteenheid is de leu (meervoud: lei), onderverdeeld in 100 bani. Nationale feestdag is 1 dec., onafhankelijkheidsdag.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
RoemeniŽ bestaat voor ongeveer even grote delen uit bergland (Karpaten, Transsylvaanse Alpen en Bihor Massief), hoogvlakten (TranssylvaniŽ) en laagvlakten (Walachije, MoldaviŽ, Hongaarse Laagvlakte). Ondanks de geringe gemiddelde hoogte (350 m) en de relatief lage gebergten (hoogste punt is de Moldoveanu in het Fŗgŗrasgebergte in de Transsylvaanse Alpen, 2548 m) vertoont RoemeniŽ een typisch bergachtig karakter met aanzienlijke hoogteverschillen. De Karpatenboog sluit de hoogvlakte van TranssylvaniŽ in. In het westen scheidt het Bihorgebergte (Curcubŗta, 1848 m) de hoogvlakte af van de Grote Hongaarse Laagvlakte. In het westen van Walachije gaan de Transsylvaanse Alpen (= Zuid-Karpaten) via een brede zone van voetheuvels (Getische Subkarpaten) en plateaus over in de Vlakte van OlteniŽ. Het oostelijke deel van de Walachijse vlakte wordt ingenomen door de in cultuur gebrachte Bŗrŗgansteppe. In MoldaviŽ gaat het centrale deel van de Oost-Karpaten via voetheuvels over in het BÓrladplateau. Ten noorden van dit plateau strekt zich de golvende vlakte van Iasi uit, ten zuiden ervan de vlakte van Focsani, welke aansluit bij de Donauvlakte met het plateau van Dobrogea. RoemeniŽ kent een grote verscheidenheid aan bodems. In de gebergten overheersen podzolbodems, op de hoogvlakten veenbodems, terwijl in de verschillende laagten van TranssylvaniŽ bruine bosbodems in verschillende variaties voorkomen. In de vlakten ontwikkelden zich de voor Oost-Europa kenmerkende kastanjebruine bodems en (al dan niet gedegradeerde) zwarte aarde.
1.2 Rivieren en meren
De hydrografie wordt sterk bepaald door de Karpaten en de Donau, waarvan het stroomgebied geheel RoemeniŽ omvat. De Donau, die bij Bazias het land binnenkomt, stroomt aanvankelijk als snel stromende bergrivier in een 150 m breed kloofdal - de IJzeren Poort - tussen het Banatergebergte en het Balkangebergte. Eenmaal in Walachije, verbreedt de rivierbedding zich en neemt de stroomsnelheid af van 18 tot 2 ŗ 4 km/uur. De delta van de Donau (ca. 5050 km2) ligt bijna geheel op Roemeens territoir. De Donau stroomt over 1075 km op Roemeens grondgebied, vormt daarbij over 230 km de grens met ServiŽ, over 453 km de grens met Bulgarije en over 170 km de grens met de OekraÔne.
De overige rivieren in RoemeniŽ zijn in drie groepen te verdelen, naar herkomst en richting van afwatering. De eerste groep ontspringt op de westhelling van de Karpaten en stroomt, hetzij naar de Tisa (Theiss), hetzij naar het Servische deel van de Donau. De tweede groep wordt gevormd door de rivieren die in de Zuid-Karpaten ontspringen en door Walachije in zuidoostelijke tot oostelijke richting naar de Donau stromen. De derde groep bestaat uit rivieren ontspringende in de Oost-Karpaten en in MoldaviŽ en in zuidoostelijke richting naar de Donau afwaterend. De belangrijkste zijrivier van de Donau is hier de Prut, die in de OekraÔne ontspringt, 950 km lang is en over 716 km de grens met de OekraÔne vormt. De ca. 2500 meren komen vnl. voor in het Donaudal, de Donaudelta en de kustvlakte van Dobrogea. De grootste meren zijn lagunes vlak achter de kustlijn: de Razelm- (394 km2), de Sinoe- (166 km2) en de Zmeica-lagune (52 km2). Een andere veelvuldig voorkomende groep meren is die van de limans (verdronken rivierdalen), zowel aan de kust als langs de Donau in Walachije voorkomend en tot meer dan 30 km2 groot.
1.3 Klimaat
RoemeniŽ heeft een gematigd landklimaat met zeer warme zomers, koude winters, een kort voorjaar (uitgezonderd in het westen) en een langere, meestal milde herfst. Duidelijke regionale verschillen kenmerken echter de zuidelijke Banaat, Walachije, Dobrogea en de Zwarte-Zeekust enerzijds en de Karpatenboog en Zevenburgen anderzijds. De neerslag kan in de Karpaten oplopen tot ca. 1400 mm per jaar, voor Boekarest bedraagt deze 580 mm per jaar. De natste maand is juni. De gemiddelde maandtemperatuur van Boekarest is -2,8 įC in januari en 22,9 įC in juli; voor Cluj is dit resp. -4,4 en 18,9 įC. In het noorden overwegen oostenwinden, in het zuiden winden uit het westen.
1.4. Plantengroei
De voetheuvels vormen een overgangszone tussen twee sterk contrasterende vegetatiegebieden: de dichtbeboste Karpaten en Transsylvaanse Alpen en de steppen van de vlaktes, die echter grotendeels ontgonnen zijn tot akkerland. Bos bedekt meer dan 25% van het Roemeense landoppervlak. Naaldhout overheerst in de oostelijke Karpaten, elders vindt men loofverliezende soorten. De Donau is omzoomd door wilgen en populieren, behalve in de wijde delta, waar rietsoorten wijdverspreid zijn.
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld is een typische fauna van de Balkan: een mengsel van Centraal-, Zuid- en Oost-Europese elementen met vanuit het oosten opdringende Aziatische soorten als bijv. steppeadder, zeearend, gevlekte en steppebunzing e.a. Het grote nationale park in de zuidelijke Karpaten (West-RoemeniŽ) huisvest o.a. nog gems, bruine beer, lynx, wolf, steenarend en notenkraker. Het grote reservaat in de Donaudelta aan de Zwarte Zee is terecht beroemd door de rijke vogelwereld (pelikanen, aalscholvers, ibis, ooievaars, lepelaar, reigers, eenden [o.a. de witkopeend], zeearend, hop, scharrelaar, ijsvogel, enz.), niet alleen wat broedvogels, maar ook wat overwinterende soorten betreft; daarnaast komen hier o.a. beide genoemde bunzingsoorten en de wolf nog voor. De delta is zeer visrijk en omvat ca. 100 soorten, waaronder 6 steurachtigen.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking bestaat voor ca. 90% uit Roemenen; voor ca. 7, 9% uit Hongaren (die in de jaren tachtig ernstig onderdrukt en gediscrimineerd werden en die na 1989 in groten getale emigreerden naar het buurland Hongarije) en voor 1,6% uit Duitsers (Zevenburgse Saksen en Donau-Zwaben). Ook hun aantal neemt gestadig af als gevolg van emigratie. Daarnaast zijn er minderheden van zigeuners, OekraÔners, Serven, Kroaten, Bulgaren, Slowaken, Tsjechen, Russen, Tataren, Turken, Grieken, ArmeniŽrs en Polen.
De bevolkingsdichtheid is buiten het hooggebergte, de Donaudelta en Dobrigea redelijk gelijkmatig. Het aandeel van de stedelijke bevolking aan het totaal is de laatste jaren sterk gestegen. Mede als gevolg van de gewraakte 'urbanisatiepolitiek' van Ceausescu, waarbij hele plattelandsgemeenten, soms met geweld, in stedelijke conglomeraties werden gehuisvest, nam het aandeel van de stedelijke bevolking van 32% in 1969 toe tot 55% in 1994. De jaarlijkse bevolkingstoename bedroeg in de periode 1985-1994 slechts 0,2%.
2.2 Taal
De officiŽle taal is het Roemeens; zie hiervoor Roemeense taal. De talen van de minderheden hebben in hun respectievelijke woongebieden de status van een officiŽle taal. Zij hebben dan ook hun eigen onderwijs, dagbladen en zendtijd op radio en televisie.
2.3 Religie
De nieuwe grondwet uit 1991 garandeert de vrijheid van godsdienst. De verhouding tussen kerk en staat werd in 1948 bij de wet geregeld. De staat betaalt voor eenderde de salarissen van alle kerkelijke voorgangers. Sedert 1990 is de kerk weer van de staat losgekoppeld en werden geconfisqueerde bezittingen teruggegeven. In 1992 behoorde 86, 8% van het totale aantal gelovigen tot de Roemeens-Orthodoxe Kerk. De met Rome geŁnieerde Grieks-Katholieke Kerk werd op 21 okt. 1948 ontbonden en ingelijfd bij de Orthodoxe Kerk. Deze bestaat nu uit vijf metropolitanaten, vier aartsbisdommen (waarvan twee in het buitenland) en zes bisdommen. Het aantal rooms-katholieken bedraagt ca. 1,3 miljoen, ingedeeld in zes bisdommen, sinds de normalisering van de betrekkingen tussen RoemeniŽ en de H. Stoel. De Evangelische Kerk van de Augsburgse Confessie kent ca. 110.000 volgelingen, de Hervormde (Calvinistische) Kerk ca. 700.000 gelovigen; er zijn ca. 37.000 Synodale Presbyterianen (een kerk die Hongaars georiŽnteerd is), de (eveneens) Hongaars georiŽnteerde Unitarische Kerk heeft 70.000 belijdenden en de Oude Rite-Christelijke Kerk ca. 48.000 volgelingen. Ten slotte kent RoemeniŽ nog ongeveer 45.000 islamieten en 80.000 tot 100.000 al dan niet belijdende joden.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Na de omwenteling in dec. 1989 kwam in 1991 een nieuwe grondwet tot stand. Hierin wordt RoemeniŽ beschreven als een staat die nationaal, soeverein en onafhankelijk, ťťn en ondeelbaar is. Tevens is vastgelegd dat RoemeniŽ een republiek is. In 1990 kwam er een nieuwe kieswet tot stand waarmee een begin was gelegd voor de eerste vrije democratische verkiezingen sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Volgens de nieuwe grondwet, die op 13 dec. 1991 van kracht werd, is elke burger ouder dan 18 jaar stemgerechtigd. Bovendien kunnen burgers van 23 jaar of ouder zich verkiesbaar stellen voor de Kamer van Afgevaardigden (de voormalige Assemblťe); om in de Senaat verkozen te worden, moeten zij ten minste 35 jaar zijn.
De uitvoerende macht is gelegen in handen van de president en de regering. In de grondwet van 1991 wordt RoemeniŽ als een semipresidentiŽle republiek omschreven. De president wordt via directe verkiezingen voor een maximum van 8 jaar gekozen. In de eerste ronde moet de kandidaat meer dan 50% behalen. Is dit niet het geval dan moeten de twee kandidaten met het hoogste aantal stemmen opnieuw, in een tweede ronde, om het presidentschap strijden. Een minister-president staat aan het hoofd van de regering. De president benoemt en ontslaat de ministers. Tevens kan hij binnen 60 dagen het parlement ontbinden als dit instituut het vertrouwen in de zittende regering heeft opgezegd. De president is bevelvoerder van het leger en hij is voorzitter van de Opperste Raad voor de Nationale Veiligheid of Opperste Defensieraad. Sedert 1990 zijn de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht gescheiden.
3.2 Administratieve indeling
RoemeniŽ is ingedeeld in 41 districten, die weer onderverdeeld zijn in 56 gemeenten met uitgebreide bevoegdheden, 189 steden en 2706 landsgemeenten. De overheid wijst voor elk district een prefect aan als vertegenwoordiger van de regering op lokaal niveau. Deze houdt toezicht op de activiteiten van de gedecentraliseerde ministeriŽle en overige centrale organen.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
RoemeniŽ is lid van de Verenigde Naties, alsook van de Wereldbank, het IMF, de GATT en de Donau-commissie (zie Donau). Tevens is RoemeniŽ waarnemend lid van de Raad van Europa. Het land kent verschillende handelsverdragen met de EG.
3.4 Politieke partijen en vakbeweging
De Roemeense Communistische Partij, in 1921 opgericht, werd na de 'Decemberrevolutie' van 1989 in 1990 door het parlement verboden. Tot dat moment had de partij zowel het politieke als het maatschappelijke leven ruim 40 jaar lang beheerst. Tot dec. 1989 was de Communistische Partij de enig toegestane partij in RoemeniŽ. De partij oefende op alle mogelijke niveaus invloed op de samenleving uit, daarbij gesteund door de veiligheidsdienst Securitate.
De zgn. Ceausescu-clan, bestaande uit een een groot aantal familieleden en getrouwen van de dictator, had de belangrijkste officiŽle posten in handen.
Het in dec. 1989 opgerichte Comitť voor de Nationale Bevrijding, waarin zich ex-communisten, kunstenaars, intellectuelen, studenten en enkele hoge legerofficieren hadden verzameld, nam in 1990 de dominante positie van de Communistische Partij over. Bij de verkiezingen van 1990 haalde het Comitť onder de naam Front van Nationale Redding (FNR) nog ruim 66% van de stemmen; twee jaar later bij verkiezingen nog 43 van de 263 zetels. De grootste partij werd de nieuwe Partij voor Sociaal-Democratie met 117 zetels, gevolgd door de Democratische Conventie met 82 zetels. De belangrijkste partijen zijn verder o.a. de Hongaarse Democratische Unie van RoemeniŽ (1989), die opkomt voor de grote Hongaarse minderheid in het land, de Nationaal-Liberale Partij (opgericht in 1876, verboden in 1947 en weer opgericht in 1989), de christen-democratische Nationale Boerenpartij (1869), de Roemeense Ecologische Beweging (1990), de Roemeense Eenheidsalliantie (AUR), een allegaartje van overwegend rechtse partijen (1990), de Socialistische Democratische Partij, waarin zich veel (ex-)communisten hebben verenigd en die niet verward mag worden met de Sociaal-Democratische Partij die in 1893 werd opgericht, na de Tweede Wereldoorlog werd verboden en sinds 1990 weer aan het politieke front actief is. In 1991 trad nog een tweetal nieuwe partijen op de politieke voorgrond, te weten de Alianti Civica (Burgeralliantie), waarin zich een aantal buitenparlementaire groeperingen heeft gebundeld en de Partidul Romania Mare (De Partij van Groot-RoemeniŽ), opgericht door leiders van de extreem-nationalistische organisatie Vatra Romaneasca.
In nov. 1991 sloten drie vakbondfederaties, Fratia, Alfa en de Nationale Raad van Vrije Handelsvakbonden, zich aaneen in de Nationale Adviesraad van Roemeense Vakbonden (NARV). De NARV zei bij haar oprichting 4 miljoen van de in totaal 4,5 miljoen Roemeense vakbondsleden te vertegenwoordigen.

4. Economie
4.1 Algemeen
Tot 1990 kende RoemeniŽ een sterk centraal geleide economie waarvan de productiemiddelen in handen van de staat of anders collectief eigendom waren. Na 1945 werden er ingrijpende landhervormingen doorgevoerd waardoor er een einde kwam aan het toen alom overheersende grootgrondbezit. Tot die tijd moest men RoemeniŽ voornamelijk als een agrarische natie beschouwen. In de jaren vijftig werden naast de kleinere boerenbedrijven, ook banken en de zware industrie genationaliseerd. In de jaren zeventig werd er weer wat meer ruimte gegeven aan het vrije ondernemerschap, wat in de jaren tachtig echter op alle terreinen werd teruggedrongen. Na de omwenteling werd een proces van privatisering in gang gezet dat midden jaren negentig het verst voortgeschreden was in de landbouwsector.
In 1959 werkte nog ongeveer 80% van de beroepsbevolking in de landbouw, in 1993 36%. De industrie omvat 36%, de bouw 8%, de handel 7%, de overige diensten 13% van de beroepsbevolking.
4.2 Landbouw, veeteelt, visserij en bosbouw
RoemeniŽ is nog altijd sterk agrarisch georiŽnteerd, ondanks de inspanningen van Ceausescu destijds om van zijn land een industriŽle samenleving te maken. Van de beschikbare landbouwgronden wordt 60% als akkerbouwland, 25% als weidegrond, 4% als wijngaarden, 6% als hooiland en 1,8% als boomgaarden gebruikt. De opbrengsten blijven al vele jaren achter bij de verwachtingen. Na de val van Ceausescu heeft de overheid getracht de landbouw te moderniseren. De akkerbouwgebieden zijn: Dobrogea, de Banaat, de Voor-Karpaten, Zevenburgen, Klein Walachije en Maramures. De voornaamste producten zijn: graan, aardappelen, peulvruchten, suikerbieten, zonnebloemen, maÔs, vlas, fruit, rijst en wijn. De veehouderij onderging de laatste dertig jaar ingrijpende veranderingen. De van oudsher rondtrekkende herders in de Karpaten werden gedwongen zich te vestigen. Er is veel aandacht besteed aan de varkensteelt. De visserij op de rivieren en de Zwarte Zee speelt sinds de laatste jaren een belangrijke economische rol. Ongeveer 28% van het oppervlak is met bos bedekt. In het bijzonder zijn de zuidelijke en oostelijke Noord-Karpaten zeer bosrijk. De bosexploitatie is een belangrijke bron van inkomsten in deze gebieden.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Het belangrijkste mijnbouwproduct is aardolie. Er zijn omvangrijke aardolievelden in Prahova, Bacau, Gorj Crisgana en in Cuges. De aardolieproductie in 1990 bedroeg 8,23 miljoen ton. In de jaren tachtig werden grote hoeveelheden aardolie naar het buitenland geŽxporteerd om zodoende de hoge buitenlandse schuld te vereffenen. Overigens loopt de productie terug. Er wordt aardgas gewonnen in de Voor-Karpaten en in het hoogland van Zevenburgen. Deze voorraden zijn echter absoluut niet voldoende om de binnenlandse behoeften te dekken. Dit geldt ook voor steenkool, ijzer-, lood-, koper- en mangaanerts. Tevens komen er bruinkool en bauxiet voor.
De elektriciteitsvoorziening geschiedt door middel van warmtekrachtcentrales (aardolie en steenkool). In samenwerking met JoegoslaviŽ is in de Donau bij de IJzeren Poort een waterkrachtcentrale neergezet. In samenwerking met Bulgarije is een krachtcentrale bij Turnu Magurele gebouwd. In Cernavada wordt een hydro-elektrische centrale gebouwd. De eigen producite dekt driekwart van de binnenlandse vraag.
4.4 Industrie
Na de Tweede Wereldoorlog is de industrialisatie grootscheeps aangepakt, waarbij de nadruk werd gelegd op de ontwikkeling van de zware (in het bijzonder de chemische) industrie. De industriŽle structuur is als volgt: voedingsmiddelen 12%; textiel, kleding en lederwaren 10%; metalen 6%; chemie (incl. aardolieraffinage) 10%; machines (incl. elektrotechnische industrie) 27% en overige 24%. Sedert 1989 wordt er meer aandacht geschonken aan de consumptiegoederenindustrie. IndustriŽle concentraties zijn: Boekarest en omgeving, Galati en Iasi in het oosten, Brasov, Arad, Timisoara en Oradea.
4.5 Handel
Handel speelt een belangrijke rol in de Roemeense economie. Uitgevoerd worden: chemische en aardolieproducten, machines, kunstmest, grondstoffen voor de levensmiddelenindustrie en vee. Voornaamste afnemers zijn de staten van de voormalige Sovjet-Unie, Duitsland, ItaliŽ, Frankrijk, Iran en SyriŽ. Ingevoerd worden: grondstoffen, machines, transportmiddelen en consumptiegoederen. Voornaamste leveranciers zijn de Oost-Europese landen en Duitsland.
4.6 Bankwezen
De sedert 1880 bestaande Nationale Bank fungeert als centrale bank.
4.7 Verkeer
Vanwege het matig ontwikkelde wegennet zijn de staatsspoorwegen nog altijd van groot belang voor zowel personen- als het zakelijke vervoer. In 1989 besloeg het spoorwegennet 11.275 km waarvan 3600 km geŽlektrificeerd was. Pijpleidingen zorgen voor het transport van aardolie en -gas. De Donau is de belangrijkste waterweg, waarop een groot deel van het goederentransport tussen Oost- en Centraal-Europa plaatsvindt. De Zwarte Zee heeft eenzelfde functie. De belangrijkste internationale luchthavens zijn Boekarest en Constanta.

5. Toeristische gegevens
RoemeniŽ is een zeer gevarieerd land. Het Karpatengebergte beslaat ongeveer eenderde van het land. In het plateau van TranssylvaniŽ, dat aan drie kanten door de Karpaten wordt omsloten, bevinden zich nog tal van pittoreske middeleeuwse stadjes.
De Dobrogea, de strook tussen de Donau en de Zwarte Zee, wordt gekenmerkt door een glooiend landschap met vele wijngaarden. RoemeniŽ is ook bekend om de badplaatsen aan de Zwarte Zee, zoals Mamaia, Eforie en Constinestie.
Bezienswaardige gebouwen vindt men in Boekarest, Alba Iulia, Brasov, Cluj-Napoca, Curtea de Arges, Iasi, Orodea, Ploesti, Sibiu, Sighisoara, Suceava, Timisoara, TÓrgoviste en Ulpia Trajanus.
Adamklissi heeft een beroemd Romeins oorlogsmonument. In Tirgu Jiu is veel werk van de beeldhouwer Constatin Brancusi te zien. Suceava is het uitgangspunt voor een rondreis langs de beroemde kerken van Boekovina, zoals die te vinden zijn in de plaatsen Sucevita, Moldivita, Voronet, Humor, Arbore, Putna en Agapia. Deze kloosterkerken zijn gebouwd in een gemengd Byzantijns-gotische stijl, versterkt (tegen de Turken) en versierd met goed bewaard gebleven wandschilderingen uit de 16de eeuw, die het gehele in- en exterieur bedekken. Bezienswaardig zijn de romaanse houten kerken in o.a. Rŗdŗuti en Babadag, voorts de oude havenstad Braila, de burcht Prejmer bij Brasov, het centrum van Sibiu en Sighisoara en de houten huizen in de Maramures. Landschapsschoon is behalve in de Karpaten vooral te vinden in het Prahovadal en in de Donaudelta, dat beschermd gebied is. Bekende wintersportplaatsen zijn o.a. Predeal, Baie Borsa, Sinaia en vooral Poiana Brasov.

6. Geschiedenis
Voor de geschiedenis ten tijde van het Romeinse Rijk: zie Dacia. Toen de Romeinse Lucius D. Aurelianus na 270 besloten had Dacia aan uit het noorden en oosten oprukkende volken prijs te geven, werden de daar gevestigde Romeinse kolonisten en de geromaniseerde elementen van de inheemse bevolking naar Moesia, ten zuiden van de Donau geŽvacueerd. Ook daar werden zij bedreigd door invallers. De invallen van Visigoten (3de eeuw), Hunnen (4de eeuw), Slaven (6de eeuw) en anderen, de onderwerping van delen van het huidige RoemeniŽ aan het Bulgaarse, later aan het Byzantijnse Rijk (9de resp. 11de eeuw), hebben de etnische samenstelling van het Roemeense volk beÔnvloed. Daarnaast kon zich echter ook een eigen Roemeense taal en - later - nationaal besef ontwikkelen uit een in oorsprong Latijns erfgoed.
De kern van de in de 19de eeuw ontstane Roemeense staat werd gevormd door de zgn. Donauvorstendommen MoldaviŽ [aardrijkskunde]1 en Walachije. De voor de 19de eeuw zo kenmerkende nationale bewegingen manifesteerden zich ook op de Balkan. In Boekarest droeg o.m. George Lazŗr door zijn onderwijs in het Roemeens en zijn behandeling van de geschiedenis veel bij tot de nationale bewustwording (sedert 1816). Eerst in de Krimoorlog werden de politiek-militaire voorwaarden geschapen voor de onafhankelijkheid van de beide Donauvorstendommen. Bij de Vrede van Parijs (1856) werden MoldaviŽ (vergroot met BessarabiŽ) en Walachije erkend als zelfbesturende vorstendommen; wel dienden ze de Turkse suzereiniteit te erkennen. In jan. 1859 werd Alexander Cuza in MoldaviŽ tot vorst gekozen, in dezelfde maand ook in Walachije. In 1862 werden ze door hem verenigd onder de naam RoemeniŽ.
6.1 Van schatplichtig vorstendom naar Groot-RoemeniŽ
Onder Cuza's bewind werd een nieuwe constitutie afgekondigd (1864), waarin voorzien was in algemeen, zij het ongelijk (nl. een drie klassen)kiesrecht en die de positie van de bojaren (de adel) verzwakte alsmede de boeren van lijfeigenschap en horigheid (herendiensten) bevrijdde. Nadat kerk en adel Cuza ten val hadden gebracht, werd een prins uit het huis Hohenzollern-Sigmaringen op voorspraak van Napoleon III onder de naam Carol I vorst van RoemeniŽ. Nadat het Congres van Berlijn (1878) een einde had gemaakt aan de Turkse suzereiniteit en tevens BessarabiŽ aan Rusland had toegewezen, waarvoor RoemeniŽ het noordelijke Dobrogea verwierf, nam Carol de koningstitel aan (1881). Vijandschap jegens Rusland leidde in 1883 tot het sluiten van een bondgenootschap met Oostenrijk-Hongarije en Duitsland voor de duur van vijf jaar. Dit alliantieverdrag, dat geheime clausules tegen Rusland bevatte, werd herhaaldelijk verlengd en sloot aan bij de Triple Alliantie (1882) tussen Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en ItaliŽ. Ook economisch was RoemeniŽ sterk gebonden aan de beide keizerrijken in Midden-Europa; wat er aan industrie was, behoorde voornamelijk aan Duitsers en Oostenrijkers toe. Van groot belang was de graanexport via de Donau (in beide richtingen), terwijl de petroleumwinning bij Ploesti geleidelijk toenam.
De sterk op de Donaumonarchie georiŽnteerde politiek van adel, liberalen en conservatieven werd pas in de 20ste eeuw van binnen uit bedreigd door de wens (o.a. bij de liberalen) naar een hereniging met de Roemenen in het tot Hongarije behorende TranssylvaniŽ (Zevenburgen) (ca. 21 miljoen op 51 miljoen inw.). In het begin van het tweede decennium van de 20ste eeuw werd het Balkanschiereiland geteisterd door oorlogen. Bleef RoemeniŽ afzijdig in de Eerste Balkanoorlog, in de Tweede keerde het land zich, met andere mogendheden, tegen Bulgarije, dat spoedig verslagen was. Bij de Vrede van Boekarest verwierf RoemeniŽ het zuidelijke Dobrogea.
Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog proclameerde het land zijn neutraliteit (3 aug. 1914). De zeer Duits- en Oostenrijks-gezinde koning Carol werd door zijn ministers buitenspel geplaatst; in het algemeen was de bevolking voor de geallieerden. Na zijn dood in okt. 1914 werd Carol door zijn neef Ferdinand opgevolgd, die meer voor de geallieerden opteerde. Op 27 aug. 1916 verklaarde RoemeniŽ, met het oog op het verkrijgen van die gebieden waarvan de bevolking voor een belangrijk deel uit Roemenen bestond, de oorlog aan Oostenrijk-Hongarije, waarop de Centralen het land in korte tijd bezetten. De val van Boekarest in december maakte een einde aan de oorlog. Na een preliminaire vrede in maart bezegelden op 7 mei 1918 een in Boekarest gesloten vredesverdrag, de afstand van enkele Karpatenpassen aan Hongarije en belangrijke economische concessies de nederlaag van RoemeniŽ. De spoedig hierop volgende debacle van de Centralen in de Eerste Wereldoorlog en de verzwakking van de Russische staat maakten het de Roemenen mogelijk, de meeste nationale aspiraties te verwerkelijken. Met hulp van de Geallieerden slaagden Roemeense troepen erin Zevenburgen, tweederde van de Banaat (jarenlang betwistten RoemeniŽ en JoegoslaviŽ elkaar het bezit) en de Boekovina te veroveren. BessarabiŽ kwam aan RoemeniŽ na een referendum. Hiermee was het 'Groot-RoemeniŽ' verwezenlijkt. De vredesverdragen van St-Germain (met Oostenrijk, 1919) en Trianon (met Hongarije, 1920) sanctioneerden de verdubbeling van het staatsgebied en van de bevolking, die nu aanzienlijke nationale minderheden omvatte: volgens de uitkomst van de volkstelling in 1930 waren ca. 8% Hongaren, 4% Duitsers en 5,5% Roethenen en Groot-Russen; in TranssylvaniŽ vormden de Roemenen zowel naar nationaliteit als naar moedertaal - zelfs volgens de officiŽle cijfers - minder dan 60% van de bevolking. De rechten van de nationale minderheden werden, hoewel zij in de wet waren vastgelegd, dikwijls aangetast. In de onderhavige gebieden werd een sterke romaniseringspolitiek uitgevoerd.
6.2 RoemeniŽ tussen de wereldoorlogen
Met onderbrekingen, o.m. voor de jaren 1919-1922, was sinds 1914 de liberaal Ion Brŗtianu de Jongere minister-president. Binnenlandse moeilijkheden leidden tot een overname van de regering door een coalitie van Nationale Democraten en de Boerenpartij. In het voorjaar van 1921 werd een ingrijpende landhervorming doorgevoerd, waardoor bijna anderhalf miljoen boeren in het bezit werden gesteld van ruim twintigduizend landgoederen. Partijtwisten deden Brŗtianu besluiten tot het doorvoeren van een kieswet (1926), die door extra-toewijzing van zetels aan de sterkste partij de toch al zwakke parlementaire democratie ondermijnde. Bovendien riep zijn politiek van centralisatie, die o.m. in TranssylvaniŽ tot grote ontevredenheid ten aanzien van de vaak incapabele bureaucratie leidde, en van geforceerde industrialisatie met behulp van belastingen, die vooral de boeren troffen, toenemende weerstanden op, die nog in 1926 gebundeld werden door de fusie van de beide oppositiepartijen onder de nieuwe naam Nationale Boerenpartij onder leiding van I. Maniu. Na de dood van koning Ferdinand (1927), die aanvankelijk door zijn onmondige kleinzoon Michael werd opgevolgd, wist Maniu in 1928 de verkiezingen te winnen. Hij bewoog Ferdinands in het buitenland verblijvende zoon Carol in 1930 tot terugkeer en troonsbestijging (zie Carol II), maar was in 1933 ten gevolge van een conflict met de koning gedwongen af te treden. Inmiddels had RoemeniŽ sterk te lijden onder de internationale economische crisis en nam de invloed van extreem-rechtse groepen, vooral Codreanu's in 1931 opgerichte IJzeren Garde, snel toe. Uit hun midden kwamen de moordenaars van de liberale minister-president Duca (dec. 1933), wiens partijgenoot Gheorghe Tŗtŗrascu hem opvolgde. Deze voerde een autoritair bewind. Zowel hij als Maniu dong om beurten naar de gunst van de IJzeren Garde, die in 1937 16% van de stemmen op zich wist te verenigen en na de liberalen en de Nationale Boeren op de derde plaats kwam. In een toestand van onrust en terreur benoemde Carol II in 1938 de patriarch Miron Christea tot minister-president van een regering van 'nationale concentratie'; in feite voerde hij de koningsdictatuur in. De grondwet werd opgeheven, politieke partijen (ook de IJzeren Garde) werden verboden en Codreanu werd 'op de vlucht' doodgeschoten.
De buitenlandse politiek van RoemeniŽ, tot 1936 onder leiding van de bekwame Titulescu, die door nationalistische druk tot aftreden werd genoopt, was aanvankelijk gekenmerkt door nauwe samenwerking met Frankrijk (1926 formeel pact) en met Tsjechoslowakije en (na het begraven van de strijdbijl over de verdeling van de Banaat) JoegoslaviŽ: de 'Kleine Entente'. In 1934 sloot RoemeniŽ met JoegoslaviŽ, Griekenland en Turkije een Balkanpact. Het beleid was gericht tegen 'revisionistische' strevingen, vooral van Hongarije en Bulgarije, die de vredesverdragen wilden herzien. In de loop der jaren dertig kwam RoemeniŽ, evenals andere Balkanlanden grondstoffen- en voedselleverancier van het Derde Rijk (in 1939 werd een veelomvattend handelsverdrag gesloten), meer in het krachtenveld van 'Groot-Duitsland' te liggen en nam de invloed van Frankrijk snel af. De verklaring van Frankrijk en Groot-BrittanniŽ, waarbij de Roemeense integriteit werd gegarandeerd (1939), werd door de plotseling gesloten vriendschap tussen de Sovjet-Unie en het nationaal-socialistische Duitsland van hetzelfde jaar in feite waardeloos gemaakt. Op 28 juni 1940 dwong de Sovjet-Unie RoemeniŽ tot afstand van BessarabiŽ en de noordelijke Boekovina, op 30 aug. legden bij de zgn. tweede Weense arbitrage Duitsland en ItaliŽ aan RoemeniŽ het offer van noordelijk TranssylvaniŽ en van zuidelijk Dobrogea op, ten gunste van resp. Hongarije en Bulgarije. Koning Carol II trad af ten gunste van zijn zoon Michael; de werkelijke macht kwam op 4 sept. 1940 in handen van de generaal Ion Antonescu, de 'Conducŗtor', die binnenslands een minder terroristisch bewind (o.m. t.a.v. de joden) voerde dan sommige van zijn collega's. Hij liet zijn land van het begin af aan deelnemen aan de op 22 juni 1941 begonnen oorlog tegen Rusland. Het debacle van Stalingrad bevorderde ook bij de Roemenen de oorlogsmoeheid. In 1944 trachtte vooral Maniu verbindingen met de westelijke mogendheden tot stand te brengen. Mede door ingrijpen van de koning kwam het op 23 aug. 1944, toen de Russen al op Roemeens gebied stonden, tot een staatsgreep, die aan het 'nationaal-legionaire' regime een einde maakte; Antonescu raakte in gevangenschap. Generaal Sŗnŗtescu, vertrouwensman van de koning, vormde een nieuwe regering, waarvan als vice-premiers Brŗtianu, Maniu, de socialist Petrescu en de communist Pŗtrŗscanu deel uitmaakten. Zij proclameerde terstond de Roemeense neutraliteit. Daarop installeerden de Duitsers een tegenregering onder Horia Sima, de leider van de IJzeren Garde, en bombardeerden zij Boekarest. Op 25 aug. verklaarde Michael Duitsland de oorlog. Zes dagen later hielden de Russen hun intocht in Boekarest. Meer dan vijftien Roemeense divisies namen deel aan de verovering van het noorden van Hongarije en van Slowakije. Hierdoor ondersteunde RoemeniŽ zijn aanspraken op noordelijk TranssylvaniŽ.
Op 4 nov. 1944 opende het aftreden van Brŗtianu als minister het proces van de geleidelijke overgang van het land naar een communistisch bewind. Petru Groza, leider van het onder communistische invloed staande 'landbewerkersfront' en een van de leidende figuren in het nieuwe 'Nationaal-democratische Front', werd vice-premier. Sŗnŗtescu werd in dec. 1944 opgevolgd door generaal Rŗdescu. Op 2 maart 1945 werd de koning door de Sovjet-Russische minister Vysjinski genoopt Groza met het premierschap te belasten, nadat Rŗdescu procommunistische demonstraties gewapenderhand had proberen te onderdrukken. Het Nationaal-democratische Front keerde zich vervolgens openlijk tegen de 'historische partijen' en hun leiders, Brŗtianu en Maniu. Herhaalde pogingen van de westelijke mogendheden de eis van vrije verkiezingen te realiseren, mislukten. De officiŽle uitslagen van de verkiezingen van nov. 1946 wezen 348 van de 414 mandaten aan het 'Front' toe, hoewel volgens andere bronnen de Nationale Boerenpartij ca. 70% van de stemmen had verkregen. Inmiddels had de opneming van een liberaal en een lid van de Boerenpartij in de regering (7 jan. 1946) de erkenning van het bewind door Groot-BrittanniŽ en de Verenigde Staten opgeleverd (febr. 1946). In juni 1947 werd de Boerenpartij officieel verboden en Maniu tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. In de herfst van hetzelfde jaar voltrok zich de obligate fusie van de sociaal-democratie met de communistische partij (opgericht in 1921) tot de Verenigde Arbeiderspartij (later, 1965, weer Communistische Partij). De liberaal Tŗtŗrŗscu moest in nov. 1947 aftreden als minister, koning Michael moest in december zijn voorbeeld volgen en het land verlaten. Het vredesverdrag van Parijs (1947) bevestigde de Sovjet-Russische annexatie van BessarabiŽ en de noordelijke Boekovina; de zuidelijke Dobroedsja bleef Bulgaars en ten opzichte van de toestand van de zomer van 1940 was de enige territoriale winst de reeds in 1945 formeel voltrokken herinlijving van noordelijk TranssylvaniŽ.
6.3 De volksdemocratie RoemeniŽ
Een tiental jaren liep het Roemeense bewind geheel in de pas met dat in de andere aan de Sovjet-Unie onderhorige Oost-Europese staten. Verkiezingen gaven op 28 maart 1948 niet minder dan 90% aan wat nu het Democratisch Volksfront heette (bij volgende gelegenheden werden het er 99). In de nieuwe regering werden de communisten Ana Pauker minister van Buitenlandse Zaken, Vasile Luca van FinanciŽn en Gheorghe Gheorghiu-Dej van Economie. De voornaamste industrieŽn waren in juni 1948 genationaliseerd, de in maart 1945 doorgevoerde landhervorming (maximaal bezit: 50 ha) werd in 1949 gevolgd door een begin van collectivisatie. Het eerste vijfjarenplan (concentratie op de steenkolen- en petroleumwinning en op de staalproductie) ging in 1951 van start. De economie (o.m. de petroleumwinning en -industrie) was voor een belangrijk deel in handen van de Sovjet-Unie door middel van zgn. gemengde maatschappijen, de 'Sovroms'. In 1952, een jaar waarin grootscheepse zuiveringen plaatsvonden, vielen Luca en Ana Pauker in ongenade. Gheorghiu-Dej werd onbetwist de machtigste man. In aug. 1953 volgde hij Malenkov in diens 'nieuwe koers': een minder harde economische politiek, meer aandacht voor de lichte (met name ook de verbruiksgoederen) industrie en de agrarische productie. In sept. 1954 werd overeengekomen de Sovroms op te heffen; ook de verlangzaming van het tempo van de collectivisering (voltooid in 1962) droeg tot een ontspanning bij alsmede tot een relatief snelle stijging van vooral de industriŽle productie. Op 3 okt. 1955 trad Gheorghiu-Dej af als minister-president; als zodanig werd hij door Chivu Stoica opgevolgd, maar als eerste-secretaris van de partij bleef hij aan de macht. In okt. 1956 werden de lonen verhoogd en kondigde men de afschaffing per 1 jan. 1957 van de gedwongen leveranties van landbouwproducten aan. Weldra werd echter weer een straffere lijn gevolgd. In aug. 1958 werden twintig doodvonnissen uitgesproken tegen politieke en economische delinquenten, kunstenaars die zich niet aan het socialistisch realisme hielden werd het moeilijk gemaakt en in september teisterde een golf van arrestaties het land. Wederom werd de partij drastisch gezuiverd.
6.4 De ontwikkeling naar een grotere onafhankelijkheid
In 1959 openbaarden zich de eerste symptomen van een grotere zelfstandigheid in het buitenlands beleid. De Roemeense partijleiding poogde de eigen economie zoveel mogelijk onafhankelijk te maken van een eenzijdige binding aan de COMECON en de Sovjet-Unie. De onder Gheorghiu-Dej (sinds 1961 president van de nieuw ingestelde Staatsraad) begonnen politiek van grotere onafhankelijkheid ten opzichte van Moskou kwam ook tot uitdrukking in voorzichtige contacten met andere landen (in 1955 was RoemeniŽ met vijftien andere staten tot de Verenigde Naties toegelaten). Nicolae Ceausescu, na de dood van Gheorghiu-Dej (1965) eerste-secretaris en sedert 1967 voorzitter van de Staatsraad, zette deze politiek voort. Voorts nam RoemeniŽ (al sedert Gheorghiu-Dej) een eigen standpunt in ten aanzien van de conflicten binnen de communistische wereld. De uitbreiding van de culturele contacten met het Westen was een van de uitingen van distantiŽring van een te uitsluitende oriŽntatie op de Sovjet-Unie, evenals het bezoek van Gheorghiu-Dej in 1963 aan JoegoslaviŽ (akkoord over het aanleggen van een stuwdam in de Donau bij de IJzeren Poort en een elektrische krachtcentrale). De nieuwe oriŽntatie op het gebied van de buitenlandse politiek bleek uit bezoeken van de West-Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Brandt (in aug. 1967, nadat in jan. 1967 diplomatieke betrekkingen waren aangeknoopt), De Gaulle (14-18 mei 1968) en Nixon (2-3 aug. 1969) aan Boekarest, en uit verschillende reizen van Ceausescu naar China en andere communistische landen in AziŽ en JoegoslaviŽ, waarmee de banden steeds hechter werden. Tal van bilaterale verdragen (meest handels- en culturele akkoorden) kwamen tot stand met een toenemend aantal landen. Ook in de politiek ten aanzien van IsraŽl volgde RoemeniŽ een eigen weg door de betrekkingen met dat land volledig te handhaven. Zowel binnen de COMECON als binnen het Warschaupact toonde RoemeniŽ zich weinig volgzaam. In 1968 nam RoemeniŽ geen deel aan de besprekingen van de overige staten van het Warschaupact over de toestand in Tsjechoslowakije. De inval in dat land (aug. 1968) werd door Ceausescu veroordeeld. Een streven naar binnenlandse eenheid werd manifest door de oprichting van een 'Front van de Socialistische Eenheid', waarin ook - en met nadruk - Hongaarse en Duitse minderheden waren vertegenwoordigd. In 1970 trad een zekere ontspanning in; het vriendschapsverdrag met Rusland, dat in 1968 was afgelopen, werd vernieuwd. Ceausescu slaagde erin elke toespeling op de 'Brezjnev-doctrine', verplicht element in andere overeenkomsten tussen de Sovjet-Unie en de met haar verbonden communistische staten, uit het hernieuwde vriendschapsverdrag te weren. Sinds 1974 zocht RoemeniŽ toenadering tot de ontwikkelingslanden en in 1976 kreeg het de status van waarnemer in de beweging van Ongebonden Landen. Ceausescu's positie werd intussen aanmerkelijk versterkt: in 1974 werd hij officieel RoemeniŽs eerste president, terwijl hij in de daaropvolgende jaren voorzitter werd van het Nationale Front en van de Opperste Raad voor de economische ontwikkeling. In de pers en de andere media werd hij steeds meer als de grote leider (conducŗtor) voorgesteld en de persoonsverheerlijking nam ongekende vormen aan. Ook de naaste familie (onder wie Ceausescu's vrouw Elena) werd meer en meer in de dagelijkse leiding van partij en land betrokken. De in 1971 ingezette strengere koers in het binnenlandse beleid, m.n. tegen critici van het systeem en tegen pleitbezorgers voor meer rechten van de nationale minderheden, werd voortgezet.
De economische ontwikkeling stagneerde in de tweede helft van de jaren zeventig. Een zware aardbeving in 1977, die ca. 1400 mensen het leven kostte en grote materiŽle schade aanrichtte, en tegenvallende oogsten noodzaakten mede tot bijstelling van de doeleinden van het vijfjarenplan 1976-1980.
De onafhankelijke buitenlandse politiek werd voortgezet. Met westerse landen werden vooral economische en handelsakkoorden gesloten. Ceausescu bezocht in 1978 de Verenigde Staten en de Volksrepubliek China en RoemeniŽ speelde een beslissende rol in de totstandkoming van de contacten tussen IsraŽl en Egypte, die uiteindelijk tot vredesbesprekingen leidden. De verhouding met de Sovjet-Unie bleef aanvankelijk stroef. Ceausescu verzette zich in 1978 nog sterk tegen de door de Sovjet-Unie voorgestelde verhoging van de defensiebudgetten van de Warschaupactlanden en hekelde de Sovjet-Russische opstelling inzake het Midden-Oosten, maar naarmate de economische situatie verslechterde, werd meer toenadering tot de Sovjet-Unie gezocht.
Het begin van de jaren tachtig werd gekenmerkt door snel op elkaar volgende wisselingen in de top van staat en partij waarbij steeds meer familieleden van president Nicolae Ceausescu werden gepromoveerd.
Om de buitenlandse schuld zo snel mogelijk terug te brengen, gingen sinds 1985 elektriciteit en brandstoffen elke winter op rantsoen. Tevens besloot Ceausescu de defensiebegroting voor 1987 met 5% te verlagen - een stap die per referendum werd goedgekeurd. In het voorjaar van 1987 kwam het tot stakingen over voedseltekorten. Hoewel RoemeniŽ voldoende voedsel produceerde, werd wegens de export van voedsel een voedseltekort gecreŽerd. In november kwam het in de stad Brasov tot demonstraties en plunderingen door de arbeiders uit protest tegen de dalende levensstandaard. De onrust werd met harde hand de kop ingedrukt.
In maart 1988 maakte Ceausescu bijzonderheden bekend van een urbanisatieprogramma voor het platteland, waarbij 8000 dorpen zouden worden afgebroken en de lokale bevolking moest verhuizen naar 'agro-industriŽle centra'. Het plan, dat volgens de regering bedoeld was om de levensstandaard op het platteland te verhogen, leidde in binnen- en buitenland tot een golf van protest.
In verband met het urbanisatieprogramma en RoemeniŽs dwarse houding op de CVSE-conferenties raakte het land diplomatiek steeds meer geÔsoleerd, zowel in het Westen als in het Oostblok. In 1989 riepen Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland hun ambassadeurs terug uit RoemeniŽ uit protest tegen de schending van de mensenrechten. RoemeniŽ verloor tevens de status van meestbegunstigde natie in de handel met de Verenigde Staten.
In nov. 1989 werd het XIVde partijcongres van de RCP gehouden, waarbij Ceausescu voor de zesde opeenvolgende keer werd gekozen tot partijleider.
Val van Ceausescu. De reeds koele betrekkingen tussen RoemeniŽ en Hongarije, in verband met de positie van de Hongaarse minderheid in TranssylvaniŽ, verslechterden snel aan het einde van de jaren tachtig (zie ook Hongarije). Op 16 dec. 1989 leidde de poging om dominee LŠslů TŲkays, een etnische Hongaar, te deporteren tot grote onrust en openlijke demonstraties in Timisoara, waar de veiligheidsdienst Securitate dagenlang strijd leverde met de bevolking. Op 21 dec. sloegen de ongeregeldheden over naar Boekarest en Ceausescu's toespraak tot de bevolking van de hoofdstad op 22 dec. liep uit op een volksopstand tegen de dictator. Ceausescu en zijn vrouw probeerden het land te ontvluchten, maar werden door het leger, dat de zijde van het volk had gekozen, aangehouden en na een 'proces' ter dood veroordeeld en op 25 dec. geŽxecuteerd.
6.5 1990-heden
Na de opstand, die honderden burgers het leven kostte, werd de macht overgenomen door het Front van Nationale Redding (FSN), waarin zowel oud-communisten als dissidenten zitting hadden. In de periode voor de verkiezingen van 20 mei 1990, kwam het tot ernstige botsingen tussen aanhangers van het Front en leden van andere politieke partijen, alsmede tussen extreem-nationalistische Roemenen en leden van de Hongaarse minderheid in Tirgu-Mures in TranssylvaniŽ. De verkiezingen werden een overweldigende overwinning voor het Front van Nationale Redding, waarna interim-president Ion Iliescu en interim-premier Petre Roman in hun ambten werden bevestigd.
In juni 1990 maakten door Iliescu opgeroepen mijnwerkers met bloedig geweld een einde aan een al weken durende demonstratie van vooral studenten.
In nov. 1990 koos de regering voor een radicale hervorming van de economie en werd een begin gemaakt met de liberalisering van de prijzen en de privatisering van staatsbedrijven. In verband met de daling van de levensstandaard trokken in sept. 1991 duizenden mijnwerkers naar de hoofdstad om het ontslag van premier Roman te eisen. Na dagenlange ongeregeldheden, waarbij doden vielen, werd Roman ontslagen. Hij werd opgevolgd door de partijloze Theodor Stolojan, die een maand later de eerste coalitieregering vormde. Stolojan hield vast aan de invoering van een vrijemarkteconomie.
De in nov. 1991 aangenomen grondwet onderschrijft de principes van een markteconomie, een meerpartijenstelsel en de naleving van de rechten van de mens.
In febr. 1992 werden de eerste vrije lokale verkiezingen gehouden. Het tot dan toe almachtige Front van Nationale Redding leed in meer dan de helft van de steden een nederlaag tegen de in de Democratische Conventie verenigde oppositie. Van het Front voor Nationale Redding (FSN) splitste zich in april het FDSN af (de oud-communisten, onder wie Iliescu). Bij de parlementsverkiezingen van september behaalde het links-rechtse blok - FDSN, PUNR, PRM en PDM - de meerderheid. Iliescu werd in oktober tot president gekozen. In sept. 1993 zette RoemeniŽ de eerste stap naar lidmaatschap van de Raad van Europa.
Het tweeslachtige beleid van het minderheidskabinet Všcšroiu deed de onvrede in het land verder toenemen. In economisch opzicht ging het nog slechter dan in 1992 met een inflatie van meer dan 200% op jaarbasis. Behalve de onwil om economische hervormingen door te voeren oefende ook de corruptie, vooral in regeringskringen, een destabiliserende invloed uit.
Het werd in 1994 steeds duidelijker dat parlement en regering in de greep kwamen van een verbond van conservatieve leden van de PDSR (de Partij van de Sociale Democratie RoemeniŽ, vůůr 1993 het Democratisch Front voor Nationale Redding) die elkaar vonden in het verzet tegen hervormingen. Eind 1994 fuseerden vier liberale partijen tot ťťn nieuwe liberale partij, die vervolgens toetrad tot de democratische oppositiepartij CDR, welke laatste nauw samenwerkte met de Democratische Partij (PD) van oud-premier P. Roman. De privatisering van de staatsbedrijven verliep moeizaam en de economische onvrede uitte zich in 1994 in talrijke wilde Ťn georganiseerde stakingen, vooral in de staalindustrie.
Het buitenlandse beleid bleef gericht op verdere integratie met het Westen. In jan. 1994 tekende RoemeniŽ als eerste Oost-Europees land het Partnerschap voor Vrede met de NAVO, waarna in febr. 1995 het geassocieerd lidmaatschap van de EU volgde. In juni 1995 vroeg RoemeniŽ het officiŽle lidmaatschap van de EU aan. In hetzelfde jaar verbeterde de relatie met Hongarije, maar die met MoldaviŽ verslechterde.
De regeringscoalitie van PDSR en PUNR werd in jan. 1995 uitgebreid met de PRM en PSM, maar dat bleek geen panacee voor alle interne conflicten. In sept. fuseerde de PD met de PSRD onder de nieuwe naam USD.
Bij de in juni 1996 gehouden gemeenteraadsverkiezingen won de CDR, landelijk gezien, meer burgermeestersposten in de grote steden en de PDSR meer op het platteland. De verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden werden een succes voor de Democratische Conventie. Bij de Senaatsverkiezingen verloor, in vergelijking met 1992, vooral de PDSR en wonnen CDR en USD. Winnaar van de presidentsverkiezingen in nov. was Emil Constantinescu, die in de tweede ronde Ion Iliescu voor bleef. Premier van de in dec. door CDR, USD en UDMR gevormde regering werd Victor Ciorbea. In sept. tekenden in Timisoara RoemeniŽ en Hongarije een verdrag, waarin beide landen elkaars integriteit erkenden en toezegden de positie van elkaars minderheden te zullen respecteren.


Telefoongids RoemeniŽ
Postcodes RoemeniŽ

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009