|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Roemenië
bestaat voor ongeveer even grote delen uit bergland (Karpaten,
Transsylvaanse Alpen en Bihor Massief), hoogvlakten (Transsylvanië) en
laagvlakten (Walachije, Moldavië, Hongaarse Laagvlakte). Ondanks de
geringe gemiddelde hoogte (350 m) en de relatief lage gebergten (hoogste
punt is de Moldoveanu in het Fàgàrasgebergte in de Transsylvaanse Alpen,
2548 m) vertoont Roemenië een typisch bergachtig karakter met
aanzienlijke hoogteverschillen. De Karpatenboog sluit de hoogvlakte van
Transsylvanië in. In het westen scheidt het Bihorgebergte (Curcubàta,
1848 m) de hoogvlakte af van de Grote Hongaarse Laagvlakte. In het
westen van Walachije gaan de Transsylvaanse Alpen (= Zuid-Karpaten) via
een brede zone van voetheuvels (Getische Subkarpaten) en plateaus over
in de Vlakte van Oltenië. Het oostelijke deel van de Walachijse vlakte
wordt ingenomen door de in cultuur gebrachte Bàràgansteppe. In Moldavië
gaat het centrale deel van de Oost-Karpaten via voetheuvels over in het
Bîrladplateau. Ten noorden van dit plateau strekt zich de golvende
vlakte van Iasi uit, ten zuiden ervan de vlakte van Focsani, welke
aansluit bij de Donauvlakte met het plateau van Dobrogea. Roemenië kent
een grote verscheidenheid aan bodems. In de gebergten overheersen
podzolbodems, op de hoogvlakten veenbodems, terwijl in de verschillende
laagten van Transsylvanië bruine bosbodems in verschillende variaties
voorkomen. In de vlakten ontwikkelden zich de voor Oost-Europa
kenmerkende kastanjebruine bodems en (al dan niet gedegradeerde) zwarte
aarde.
1.2 Rivieren en meren
De hydrografie wordt sterk bepaald door de Karpaten en de Donau, waarvan
het stroomgebied geheel Roemenië omvat. De Donau, die bij Bazias het
land binnenkomt, stroomt aanvankelijk als snel stromende bergrivier in
een 150 m breed kloofdal - de IJzeren Poort - tussen het Banatergebergte
en het Balkangebergte. Eenmaal in Walachije, verbreedt de rivierbedding
zich en neemt de stroomsnelheid af van 18 tot 2 à 4 km/uur. De delta van
de Donau (ca. 5050 km2) ligt bijna geheel op Roemeens territoir. De
Donau stroomt over 1075 km op Roemeens grondgebied, vormt daarbij over
230 km de grens met Servië, over 453 km de grens met Bulgarije en over
170 km de grens met de Oekraïne.
De overige rivieren in Roemenië zijn in drie groepen te verdelen, naar
herkomst en richting van afwatering. De eerste groep ontspringt op de
westhelling van de Karpaten en stroomt, hetzij naar de Tisa (Theiss),
hetzij naar het Servische deel van de Donau. De tweede groep wordt
gevormd door de rivieren die in de Zuid-Karpaten ontspringen en door
Walachije in zuidoostelijke tot oostelijke richting naar de Donau
stromen. De derde groep bestaat uit rivieren ontspringende in de
Oost-Karpaten en in Moldavië en in zuidoostelijke richting naar de Donau
afwaterend. De belangrijkste zijrivier van de Donau is hier de Prut, die
in de Oekraïne ontspringt, 950 km lang is en over 716 km de grens met de
Oekraïne vormt. De ca. 2500 meren komen vnl. voor in het Donaudal, de
Donaudelta en de kustvlakte van Dobrogea. De grootste meren zijn lagunes
vlak achter de kustlijn: de Razelm- (394 km2), de Sinoe- (166 km2) en de
Zmeica-lagune (52 km2). Een andere veelvuldig voorkomende groep meren is
die van de limans (verdronken rivierdalen), zowel aan de kust als langs
de Donau in Walachije voorkomend en tot meer dan 30 km2 groot.
1.3 Klimaat
Roemenië heeft een gematigd landklimaat met zeer warme zomers, koude
winters, een kort voorjaar (uitgezonderd in het westen) en een langere,
meestal milde herfst. Duidelijke regionale verschillen kenmerken echter
de zuidelijke Banaat, Walachije, Dobrogea en de Zwarte-Zeekust enerzijds
en de Karpatenboog en Zevenburgen anderzijds. De neerslag kan in de
Karpaten oplopen tot ca. 1400 mm per jaar, voor Boekarest bedraagt deze
580 mm per jaar. De natste maand is juni. De gemiddelde maandtemperatuur
van Boekarest is -2,8 °C in januari en 22,9 °C in juli; voor Cluj is dit
resp. -4,4 en 18,9 °C. In het noorden overwegen oostenwinden, in het
zuiden winden uit het westen.
1.4. Plantengroei
De voetheuvels vormen een overgangszone tussen twee sterk contrasterende
vegetatiegebieden: de dichtbeboste Karpaten en Transsylvaanse Alpen en
de steppen van de vlaktes, die echter grotendeels ontgonnen zijn tot
akkerland. Bos bedekt meer dan 25% van het Roemeense landoppervlak.
Naaldhout overheerst in de oostelijke Karpaten, elders vindt men
loofverliezende soorten. De Donau is omzoomd door wilgen en populieren,
behalve in de wijde delta, waar rietsoorten wijdverspreid zijn.
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld is een typische fauna van de Balkan: een mengsel van
Centraal-, Zuid- en Oost-Europese elementen met vanuit het oosten
opdringende Aziatische soorten als bijv. steppeadder, zeearend, gevlekte
en steppebunzing e.a. Het grote nationale park in de zuidelijke Karpaten
(West-Roemenië) huisvest o.a. nog gems, bruine beer, lynx, wolf,
steenarend en notenkraker. Het grote reservaat in de Donaudelta aan de
Zwarte Zee is terecht beroemd door de rijke vogelwereld (pelikanen,
aalscholvers, ibis, ooievaars, lepelaar, reigers, eenden [o.a. de
witkopeend], zeearend, hop, scharrelaar, ijsvogel, enz.), niet alleen
wat broedvogels, maar ook wat overwinterende soorten betreft; daarnaast
komen hier o.a. beide genoemde bunzingsoorten en de wolf nog voor. De
delta is zeer visrijk en omvat ca. 100 soorten, waaronder 6
steurachtigen.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
bevolking bestaat voor ca. 90% uit Roemenen; voor ca. 7, 9% uit Hongaren
(die in de jaren tachtig ernstig onderdrukt en gediscrimineerd werden en
die na 1989 in groten getale emigreerden naar het buurland Hongarije) en
voor 1,6% uit Duitsers (Zevenburgse Saksen en Donau-Zwaben). Ook hun
aantal neemt gestadig af als gevolg van emigratie. Daarnaast zijn er
minderheden van zigeuners, Oekraïners, Serven, Kroaten, Bulgaren,
Slowaken, Tsjechen, Russen, Tataren, Turken, Grieken, Armeniërs en
Polen.
De bevolkingsdichtheid is buiten het hooggebergte, de Donaudelta en
Dobrigea redelijk gelijkmatig. Het aandeel van de stedelijke bevolking
aan het totaal is de laatste jaren sterk gestegen. Mede als gevolg van
de gewraakte 'urbanisatiepolitiek' van Ceausescu, waarbij hele
plattelandsgemeenten, soms met geweld, in stedelijke conglomeraties
werden gehuisvest, nam het aandeel van de stedelijke bevolking van 32%
in 1969 toe tot 55% in 1994. De jaarlijkse bevolkingstoename bedroeg in
de periode 1985-1994 slechts 0,2%.
2.2 Taal
De officiële taal is het Roemeens; zie hiervoor Roemeense taal. De talen
van de minderheden hebben in hun respectievelijke woongebieden de status
van een officiële taal. Zij hebben dan ook hun eigen onderwijs,
dagbladen en zendtijd op radio en televisie.
2.3 Religie
De nieuwe grondwet uit 1991 garandeert de vrijheid van godsdienst. De
verhouding tussen kerk en staat werd in 1948 bij de wet geregeld. De
staat betaalt voor eenderde de salarissen van alle kerkelijke
voorgangers. Sedert 1990 is de kerk weer van de staat losgekoppeld en
werden geconfisqueerde bezittingen teruggegeven. In 1992 behoorde 86, 8%
van het totale aantal gelovigen tot de Roemeens-Orthodoxe Kerk. De met
Rome geünieerde Grieks-Katholieke Kerk werd op 21 okt. 1948 ontbonden en
ingelijfd bij de Orthodoxe Kerk. Deze bestaat nu uit vijf
metropolitanaten, vier aartsbisdommen (waarvan twee in het buitenland)
en zes bisdommen. Het aantal rooms-katholieken bedraagt ca. 1,3 miljoen,
ingedeeld in zes bisdommen, sinds de normalisering van de betrekkingen
tussen Roemenië en de H. Stoel. De Evangelische Kerk van de Augsburgse
Confessie kent ca. 110.000 volgelingen, de Hervormde (Calvinistische)
Kerk ca. 700.000 gelovigen; er zijn ca. 37.000 Synodale Presbyterianen
(een kerk die Hongaars georiënteerd is), de (eveneens) Hongaars
georiënteerde Unitarische Kerk heeft 70.000 belijdenden en de Oude
Rite-Christelijke Kerk ca. 48.000 volgelingen. Ten slotte kent Roemenië
nog ongeveer 45.000 islamieten en 80.000 tot 100.000 al dan niet
belijdende joden.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Na
de omwenteling in dec. 1989 kwam in 1991 een nieuwe grondwet tot stand.
Hierin wordt Roemenië beschreven als een staat die nationaal, soeverein
en onafhankelijk, één en ondeelbaar is. Tevens is vastgelegd dat
Roemenië een republiek is. In 1990 kwam er een nieuwe kieswet tot stand
waarmee een begin was gelegd voor de eerste vrije democratische
verkiezingen sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Volgens de nieuwe grondwet, die op 13 dec. 1991 van kracht werd, is elke
burger ouder dan 18 jaar stemgerechtigd. Bovendien kunnen burgers van 23
jaar of ouder zich verkiesbaar stellen voor de Kamer van Afgevaardigden
(de voormalige Assemblée); om in de Senaat verkozen te worden, moeten
zij ten minste 35 jaar zijn.
De uitvoerende macht is gelegen in handen van de president en de
regering. In de grondwet van 1991 wordt Roemenië als een
semipresidentiële republiek omschreven. De president wordt via directe
verkiezingen voor een maximum van 8 jaar gekozen. In de eerste ronde
moet de kandidaat meer dan 50% behalen. Is dit niet het geval dan moeten
de twee kandidaten met het hoogste aantal stemmen opnieuw, in een tweede
ronde, om het presidentschap strijden. Een minister-president staat aan
het hoofd van de regering. De president benoemt en ontslaat de
ministers. Tevens kan hij binnen 60 dagen het parlement ontbinden als
dit instituut het vertrouwen in de zittende regering heeft opgezegd. De
president is bevelvoerder van het leger en hij is voorzitter van de
Opperste Raad voor de Nationale Veiligheid of Opperste Defensieraad.
Sedert 1990 zijn de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht
gescheiden.
3.2 Administratieve indeling
Roemenië is ingedeeld in 41 districten, die weer onderverdeeld zijn in
56 gemeenten met uitgebreide bevoegdheden, 189 steden en 2706
landsgemeenten. De overheid wijst voor elk district een prefect aan als
vertegenwoordiger van de regering op lokaal niveau. Deze houdt toezicht
op de activiteiten van de gedecentraliseerde ministeriële en overige
centrale organen.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Roemenië is lid van de Verenigde Naties, alsook van de Wereldbank, het
IMF, de GATT en de Donau-commissie (zie Donau). Tevens is Roemenië
waarnemend lid van de Raad van Europa. Het land kent verschillende
handelsverdragen met de EG.
3.4 Politieke partijen en vakbeweging
De Roemeense Communistische Partij, in 1921 opgericht, werd na de
'Decemberrevolutie' van 1989 in 1990 door het parlement verboden. Tot
dat moment had de partij zowel het politieke als het maatschappelijke
leven ruim 40 jaar lang beheerst. Tot dec. 1989 was de Communistische
Partij de enig toegestane partij in Roemenië. De partij oefende op alle
mogelijke niveaus invloed op de samenleving uit, daarbij gesteund door
de veiligheidsdienst Securitate.
De zgn. Ceausescu-clan, bestaande uit een een groot aantal familieleden
en getrouwen van de dictator, had de belangrijkste officiële posten in
handen.
Het in dec. 1989 opgerichte Comité voor de Nationale Bevrijding, waarin
zich ex-communisten, kunstenaars, intellectuelen, studenten en enkele
hoge legerofficieren hadden verzameld, nam in 1990 de dominante positie
van de Communistische Partij over. Bij de verkiezingen van 1990 haalde
het Comité onder de naam Front van Nationale Redding (FNR) nog ruim 66%
van de stemmen; twee jaar later bij verkiezingen nog 43 van de 263
zetels. De grootste partij werd de nieuwe Partij voor Sociaal-Democratie
met 117 zetels, gevolgd door de Democratische Conventie met 82 zetels.
De belangrijkste partijen zijn verder o.a. de Hongaarse Democratische
Unie van Roemenië (1989), die opkomt voor de grote Hongaarse minderheid
in het land, de Nationaal-Liberale Partij (opgericht in 1876, verboden
in 1947 en weer opgericht in 1989), de christen-democratische Nationale
Boerenpartij (1869), de Roemeense Ecologische Beweging (1990), de
Roemeense Eenheidsalliantie (AUR), een allegaartje van overwegend
rechtse partijen (1990), de Socialistische Democratische Partij, waarin
zich veel (ex-)communisten hebben verenigd en die niet verward mag
worden met de Sociaal-Democratische Partij die in 1893 werd opgericht,
na de Tweede Wereldoorlog werd verboden en sinds 1990 weer aan het
politieke front actief is. In 1991 trad nog een tweetal nieuwe partijen
op de politieke voorgrond, te weten de Alianti Civica (Burgeralliantie),
waarin zich een aantal buitenparlementaire groeperingen heeft gebundeld
en de Partidul Romania Mare (De Partij van Groot-Roemenië), opgericht
door leiders van de extreem-nationalistische organisatie Vatra
Romaneasca.
In nov. 1991 sloten drie vakbondfederaties, Fratia, Alfa en de Nationale
Raad van Vrije Handelsvakbonden, zich aaneen in de Nationale Adviesraad
van Roemeense Vakbonden (NARV). De NARV zei bij haar oprichting 4
miljoen van de in totaal 4,5 miljoen Roemeense vakbondsleden te
vertegenwoordigen.
4. Economie
4.1 Algemeen
Tot 1990 kende Roemenië een sterk centraal geleide economie waarvan de
productiemiddelen in handen van de staat of anders collectief eigendom
waren. Na 1945 werden er ingrijpende landhervormingen doorgevoerd
waardoor er een einde kwam aan het toen alom overheersende
grootgrondbezit. Tot die tijd moest men Roemenië voornamelijk als een
agrarische natie beschouwen. In de jaren vijftig werden naast de
kleinere boerenbedrijven, ook banken en de zware industrie
genationaliseerd. In de jaren zeventig werd er weer wat meer ruimte
gegeven aan het vrije ondernemerschap, wat in de jaren tachtig echter op
alle terreinen werd teruggedrongen. Na de omwenteling werd een proces
van privatisering in gang gezet dat midden jaren negentig het verst
voortgeschreden was in de landbouwsector.
In 1959 werkte nog ongeveer 80% van de beroepsbevolking in de landbouw,
in 1993 36%. De industrie omvat 36%, de bouw 8%, de handel 7%, de
overige diensten 13% van de beroepsbevolking.
4.2 Landbouw, veeteelt, visserij en bosbouw
Roemenië is nog altijd sterk agrarisch georiënteerd, ondanks de
inspanningen van Ceausescu destijds om van zijn land een industriële
samenleving te maken. Van de beschikbare landbouwgronden wordt 60% als
akkerbouwland, 25% als weidegrond, 4% als wijngaarden, 6% als hooiland
en 1,8% als boomgaarden gebruikt. De opbrengsten blijven al vele jaren
achter bij de verwachtingen. Na de val van Ceausescu heeft de overheid
getracht de landbouw te moderniseren. De akkerbouwgebieden zijn:
Dobrogea, de Banaat, de Voor-Karpaten, Zevenburgen, Klein Walachije en
Maramures. De voornaamste producten zijn: graan, aardappelen,
peulvruchten, suikerbieten, zonnebloemen, maïs, vlas, fruit, rijst en
wijn. De veehouderij onderging de laatste dertig jaar ingrijpende
veranderingen. De van oudsher rondtrekkende herders in de Karpaten
werden gedwongen zich te vestigen. Er is veel aandacht besteed aan de
varkensteelt. De visserij op de rivieren en de Zwarte Zee speelt sinds
de laatste jaren een belangrijke economische rol. Ongeveer 28% van het
oppervlak is met bos bedekt. In het bijzonder zijn de zuidelijke en
oostelijke Noord-Karpaten zeer bosrijk. De bosexploitatie is een
belangrijke bron van inkomsten in deze gebieden.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Het belangrijkste mijnbouwproduct is aardolie. Er zijn omvangrijke
aardolievelden in Prahova, Bacau, Gorj Crisgana en in Cuges. De
aardolieproductie in 1990 bedroeg 8,23 miljoen ton. In de jaren tachtig
werden grote hoeveelheden aardolie naar het buitenland geëxporteerd om
zodoende de hoge buitenlandse schuld te vereffenen. Overigens loopt de
productie terug. Er wordt aardgas gewonnen in de Voor-Karpaten en in het
hoogland van Zevenburgen. Deze voorraden zijn echter absoluut niet
voldoende om de binnenlandse behoeften te dekken. Dit geldt ook voor
steenkool, ijzer-, lood-, koper- en mangaanerts. Tevens komen er
bruinkool en bauxiet voor.
De elektriciteitsvoorziening geschiedt door middel van
warmtekrachtcentrales (aardolie en steenkool). In samenwerking met
Joegoslavië is in de Donau bij de IJzeren Poort een waterkrachtcentrale
neergezet. In samenwerking met Bulgarije is een krachtcentrale bij Turnu
Magurele gebouwd. In Cernavada wordt een hydro-elektrische centrale
gebouwd. De eigen producite dekt driekwart van de binnenlandse vraag.
4.4 Industrie
Na de Tweede Wereldoorlog is de industrialisatie grootscheeps aangepakt,
waarbij de nadruk werd gelegd op de ontwikkeling van de zware (in het
bijzonder de chemische) industrie. De industriële structuur is als
volgt: voedingsmiddelen 12%; textiel, kleding en lederwaren 10%; metalen
6%; chemie (incl. aardolieraffinage) 10%; machines (incl.
elektrotechnische industrie) 27% en overige 24%. Sedert 1989 wordt er
meer aandacht geschonken aan de consumptiegoederenindustrie. Industriële
concentraties zijn: Boekarest en omgeving, Galati en Iasi in het oosten,
Brasov, Arad, Timisoara en Oradea.
4.5 Handel
Handel speelt een belangrijke rol in de Roemeense economie. Uitgevoerd
worden: chemische en aardolieproducten, machines, kunstmest,
grondstoffen voor de levensmiddelenindustrie en vee. Voornaamste
afnemers zijn de staten van de voormalige Sovjet-Unie, Duitsland,
Italië, Frankrijk, Iran en Syrië. Ingevoerd worden: grondstoffen,
machines, transportmiddelen en consumptiegoederen. Voornaamste
leveranciers zijn de Oost-Europese landen en Duitsland.
4.6 Bankwezen
De sedert 1880 bestaande Nationale Bank fungeert als centrale bank.
4.7 Verkeer
Vanwege het matig ontwikkelde wegennet zijn de staatsspoorwegen nog
altijd van groot belang voor zowel personen- als het zakelijke vervoer.
In 1989 besloeg het spoorwegennet 11.275 km waarvan 3600 km
geëlektrificeerd was. Pijpleidingen zorgen voor het transport van
aardolie en -gas. De Donau is de belangrijkste waterweg, waarop een
groot deel van het goederentransport tussen Oost- en Centraal-Europa
plaatsvindt. De Zwarte Zee heeft eenzelfde functie. De belangrijkste
internationale luchthavens zijn Boekarest en Constanta.
5. Toeristische gegevens
Roemenië
is een zeer gevarieerd land. Het Karpatengebergte beslaat ongeveer
eenderde van het land. In het plateau van Transsylvanië, dat aan drie
kanten door de Karpaten wordt omsloten, bevinden zich nog tal van
pittoreske middeleeuwse stadjes.
De Dobrogea, de strook tussen de Donau en de Zwarte Zee, wordt
gekenmerkt door een glooiend landschap met vele wijngaarden. Roemenië is
ook bekend om de badplaatsen aan de Zwarte Zee, zoals Mamaia, Eforie en
Constinestie.
Bezienswaardige gebouwen vindt men in Boekarest, Alba Iulia, Brasov,
Cluj-Napoca, Curtea de Arges, Iasi, Orodea, Ploesti, Sibiu, Sighisoara,
Suceava, Timisoara, Tîrgoviste en Ulpia Trajanus.
Adamklissi heeft een beroemd Romeins oorlogsmonument. In Tirgu Jiu is
veel werk van de beeldhouwer Constatin Brancusi te zien. Suceava is het
uitgangspunt voor een rondreis langs de beroemde kerken van Boekovina,
zoals die te vinden zijn in de plaatsen Sucevita, Moldivita, Voronet,
Humor, Arbore, Putna en Agapia. Deze kloosterkerken zijn gebouwd in een
gemengd Byzantijns-gotische stijl, versterkt (tegen de Turken) en
versierd met goed bewaard gebleven wandschilderingen uit de 16de eeuw,
die het gehele in- en exterieur bedekken. Bezienswaardig zijn de
romaanse houten kerken in o.a. Ràdàuti en Babadag, voorts de oude
havenstad Braila, de burcht Prejmer bij Brasov, het centrum van Sibiu en
Sighisoara en de houten huizen in de Maramures. Landschapsschoon is
behalve in de Karpaten vooral te vinden in het Prahovadal en in de
Donaudelta, dat beschermd gebied is. Bekende wintersportplaatsen zijn
o.a. Predeal, Baie Borsa, Sinaia en vooral Poiana Brasov.
6. Geschiedenis
Voor de geschiedenis ten tijde van het Romeinse Rijk: zie Dacia. Toen de
Romeinse Lucius D. Aurelianus na 270 besloten had Dacia aan uit het
noorden en oosten oprukkende volken prijs te geven, werden de daar
gevestigde Romeinse kolonisten en de geromaniseerde elementen van de
inheemse bevolking naar Moesia, ten zuiden van de Donau geëvacueerd. Ook
daar werden zij bedreigd door invallers. De invallen van Visigoten (3de
eeuw), Hunnen (4de eeuw), Slaven (6de eeuw) en anderen, de onderwerping
van delen van het huidige Roemenië aan het Bulgaarse, later aan het
Byzantijnse Rijk (9de resp. 11de eeuw), hebben de etnische samenstelling
van het Roemeense volk beïnvloed. Daarnaast kon zich echter ook een
eigen Roemeense taal en - later - nationaal besef ontwikkelen uit een in
oorsprong Latijns erfgoed.
De kern van de in de 19de eeuw ontstane Roemeense staat werd gevormd
door de zgn. Donauvorstendommen Moldavië [aardrijkskunde]1 en Walachije.
De voor de 19de eeuw zo kenmerkende nationale bewegingen manifesteerden
zich ook op de Balkan. In Boekarest droeg o.m. George Lazàr door zijn
onderwijs in het Roemeens en zijn behandeling van de geschiedenis veel
bij tot de nationale bewustwording (sedert 1816). Eerst in de Krimoorlog
werden de politiek-militaire voorwaarden geschapen voor de
onafhankelijkheid van de beide Donauvorstendommen. Bij de Vrede van
Parijs (1856) werden Moldavië (vergroot met Bessarabië) en Walachije
erkend als zelfbesturende vorstendommen; wel dienden ze de Turkse
suzereiniteit te erkennen. In jan. 1859 werd Alexander Cuza in Moldavië
tot vorst gekozen, in dezelfde maand ook in Walachije. In 1862 werden ze
door hem verenigd onder de naam Roemenië.
6.1 Van schatplichtig vorstendom naar Groot-Roemenië
Onder Cuza's bewind werd een nieuwe constitutie afgekondigd (1864),
waarin voorzien was in algemeen, zij het ongelijk (nl. een drie
klassen)kiesrecht en die de positie van de bojaren (de adel) verzwakte
alsmede de boeren van lijfeigenschap en horigheid (herendiensten)
bevrijdde. Nadat kerk en adel Cuza ten val hadden gebracht, werd een
prins uit het huis Hohenzollern-Sigmaringen op voorspraak van Napoleon
III onder de naam Carol I vorst van Roemenië. Nadat het Congres van
Berlijn (1878) een einde had gemaakt aan de Turkse suzereiniteit en
tevens Bessarabië aan Rusland had toegewezen, waarvoor Roemenië het
noordelijke Dobrogea verwierf, nam Carol de koningstitel aan (1881).
Vijandschap jegens Rusland leidde in 1883 tot het sluiten van een
bondgenootschap met Oostenrijk-Hongarije en Duitsland voor de duur van
vijf jaar. Dit alliantieverdrag, dat geheime clausules tegen Rusland
bevatte, werd herhaaldelijk verlengd en sloot aan bij de Triple
Alliantie (1882) tussen Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië. Ook
economisch was Roemenië sterk gebonden aan de beide keizerrijken in
Midden-Europa; wat er aan industrie was, behoorde voornamelijk aan
Duitsers en Oostenrijkers toe. Van groot belang was de graanexport via
de Donau (in beide richtingen), terwijl de petroleumwinning bij Ploesti
geleidelijk toenam.
De sterk op de Donaumonarchie georiënteerde politiek van adel, liberalen
en conservatieven werd pas in de 20ste eeuw van binnen uit bedreigd door
de wens (o.a. bij de liberalen) naar een hereniging met de Roemenen in
het tot Hongarije behorende Transsylvanië (Zevenburgen) (ca. 21 miljoen
op 51 miljoen inw.). In het begin van het tweede decennium van de 20ste
eeuw werd het Balkanschiereiland geteisterd door oorlogen. Bleef
Roemenië afzijdig in de Eerste Balkanoorlog, in de Tweede keerde het
land zich, met andere mogendheden, tegen Bulgarije, dat spoedig
verslagen was. Bij de Vrede van Boekarest verwierf Roemenië het
zuidelijke Dobrogea.
Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog proclameerde het land zijn
neutraliteit (3 aug. 1914). De zeer Duits- en Oostenrijks-gezinde koning
Carol werd door zijn ministers buitenspel geplaatst; in het algemeen was
de bevolking voor de geallieerden. Na zijn dood in okt. 1914 werd Carol
door zijn neef Ferdinand opgevolgd, die meer voor de geallieerden
opteerde. Op 27 aug. 1916 verklaarde Roemenië, met het oog op het
verkrijgen van die gebieden waarvan de bevolking voor een belangrijk
deel uit Roemenen bestond, de oorlog aan Oostenrijk-Hongarije, waarop de
Centralen het land in korte tijd bezetten. De val van Boekarest in
december maakte een einde aan de oorlog. Na een preliminaire vrede in
maart bezegelden op 7 mei 1918 een in Boekarest gesloten vredesverdrag,
de afstand van enkele Karpatenpassen aan Hongarije en belangrijke
economische concessies de nederlaag van Roemenië. De spoedig hierop
volgende debacle van de Centralen in de Eerste Wereldoorlog en de
verzwakking van de Russische staat maakten het de Roemenen mogelijk, de
meeste nationale aspiraties te verwerkelijken. Met hulp van de
Geallieerden slaagden Roemeense troepen erin Zevenburgen, tweederde van
de Banaat (jarenlang betwistten Roemenië en Joegoslavië elkaar het
bezit) en de Boekovina te veroveren. Bessarabië kwam aan Roemenië na een
referendum. Hiermee was het 'Groot-Roemenië' verwezenlijkt. De
vredesverdragen van St-Germain (met Oostenrijk, 1919) en Trianon (met
Hongarije, 1920) sanctioneerden de verdubbeling van het staatsgebied en
van de bevolking, die nu aanzienlijke nationale minderheden omvatte:
volgens de uitkomst van de volkstelling in 1930 waren ca. 8% Hongaren,
4% Duitsers en 5,5% Roethenen en Groot-Russen; in Transsylvanië vormden
de Roemenen zowel naar nationaliteit als naar moedertaal - zelfs volgens
de officiële cijfers - minder dan 60% van de bevolking. De rechten van
de nationale minderheden werden, hoewel zij in de wet waren vastgelegd,
dikwijls aangetast. In de onderhavige gebieden werd een sterke
romaniseringspolitiek uitgevoerd.
6.2 Roemenië tussen de wereldoorlogen
Met onderbrekingen, o.m. voor de jaren 1919-1922, was sinds 1914 de
liberaal Ion Bràtianu de Jongere minister-president. Binnenlandse
moeilijkheden leidden tot een overname van de regering door een coalitie
van Nationale Democraten en de Boerenpartij. In het voorjaar van 1921
werd een ingrijpende landhervorming doorgevoerd, waardoor bijna
anderhalf miljoen boeren in het bezit werden gesteld van ruim
twintigduizend landgoederen. Partijtwisten deden Bràtianu besluiten tot
het doorvoeren van een kieswet (1926), die door extra-toewijzing van
zetels aan de sterkste partij de toch al zwakke parlementaire democratie
ondermijnde. Bovendien riep zijn politiek van centralisatie, die o.m. in
Transsylvanië tot grote ontevredenheid ten aanzien van de vaak
incapabele bureaucratie leidde, en van geforceerde industrialisatie met
behulp van belastingen, die vooral de boeren troffen, toenemende
weerstanden op, die nog in 1926 gebundeld werden door de fusie van de
beide oppositiepartijen onder de nieuwe naam Nationale Boerenpartij
onder leiding van I. Maniu. Na de dood van koning Ferdinand (1927), die
aanvankelijk door zijn onmondige kleinzoon Michael werd opgevolgd, wist
Maniu in 1928 de verkiezingen te winnen. Hij bewoog Ferdinands in het
buitenland verblijvende zoon Carol in 1930 tot terugkeer en
troonsbestijging (zie Carol II), maar was in 1933 ten gevolge van een
conflict met de koning gedwongen af te treden. Inmiddels had Roemenië
sterk te lijden onder de internationale economische crisis en nam de
invloed van extreem-rechtse groepen, vooral Codreanu's in 1931
opgerichte IJzeren Garde, snel toe. Uit hun midden kwamen de moordenaars
van de liberale minister-president Duca (dec. 1933), wiens partijgenoot
Gheorghe Tàtàrascu hem opvolgde. Deze voerde een autoritair bewind.
Zowel hij als Maniu dong om beurten naar de gunst van de IJzeren Garde,
die in 1937 16% van de stemmen op zich wist te verenigen en na de
liberalen en de Nationale Boeren op de derde plaats kwam. In een
toestand van onrust en terreur benoemde Carol II in 1938 de patriarch
Miron Christea tot minister-president van een regering van 'nationale
concentratie'; in feite voerde hij de koningsdictatuur in. De grondwet
werd opgeheven, politieke partijen (ook de IJzeren Garde) werden
verboden en Codreanu werd 'op de vlucht' doodgeschoten.
De buitenlandse politiek van Roemenië, tot 1936 onder leiding van de
bekwame Titulescu, die door nationalistische druk tot aftreden werd
genoopt, was aanvankelijk gekenmerkt door nauwe samenwerking met
Frankrijk (1926 formeel pact) en met Tsjechoslowakije en (na het
begraven van de strijdbijl over de verdeling van de Banaat) Joegoslavië:
de 'Kleine Entente'. In 1934 sloot Roemenië met Joegoslavië, Griekenland
en Turkije een Balkanpact. Het beleid was gericht tegen
'revisionistische' strevingen, vooral van Hongarije en Bulgarije, die de
vredesverdragen wilden herzien. In de loop der jaren dertig kwam
Roemenië, evenals andere Balkanlanden grondstoffen- en
voedselleverancier van het Derde Rijk (in 1939 werd een veelomvattend
handelsverdrag gesloten), meer in het krachtenveld van 'Groot-Duitsland'
te liggen en nam de invloed van Frankrijk snel af. De verklaring van
Frankrijk en Groot-Brittannië, waarbij de Roemeense integriteit werd
gegarandeerd (1939), werd door de plotseling gesloten vriendschap tussen
de Sovjet-Unie en het nationaal-socialistische Duitsland van hetzelfde
jaar in feite waardeloos gemaakt. Op 28 juni 1940 dwong de Sovjet-Unie
Roemenië tot afstand van Bessarabië en de noordelijke Boekovina, op 30
aug. legden bij de zgn. tweede Weense arbitrage Duitsland en Italië aan
Roemenië het offer van noordelijk Transsylvanië en van zuidelijk
Dobrogea op, ten gunste van resp. Hongarije en Bulgarije. Koning Carol
II trad af ten gunste van zijn zoon Michael; de werkelijke macht kwam op
4 sept. 1940 in handen van de generaal Ion Antonescu, de 'Conducàtor',
die binnenslands een minder terroristisch bewind (o.m. t.a.v. de joden)
voerde dan sommige van zijn collega's. Hij liet zijn land van het begin
af aan deelnemen aan de op 22 juni 1941 begonnen oorlog tegen Rusland.
Het debacle van Stalingrad bevorderde ook bij de Roemenen de
oorlogsmoeheid. In 1944 trachtte vooral Maniu verbindingen met de
westelijke mogendheden tot stand te brengen. Mede door ingrijpen van de
koning kwam het op 23 aug. 1944, toen de Russen al op Roemeens gebied
stonden, tot een staatsgreep, die aan het 'nationaal-legionaire' regime
een einde maakte; Antonescu raakte in gevangenschap. Generaal Sànàtescu,
vertrouwensman van de koning, vormde een nieuwe regering, waarvan als
vice-premiers Bràtianu, Maniu, de socialist Petrescu en de communist
Pàtràscanu deel uitmaakten. Zij proclameerde terstond de Roemeense
neutraliteit. Daarop installeerden de Duitsers een tegenregering onder
Horia Sima, de leider van de IJzeren Garde, en bombardeerden zij
Boekarest. Op 25 aug. verklaarde Michael Duitsland de oorlog. Zes dagen
later hielden de Russen hun intocht in Boekarest. Meer dan vijftien
Roemeense divisies namen deel aan de verovering van het noorden van
Hongarije en van Slowakije. Hierdoor ondersteunde Roemenië zijn
aanspraken op noordelijk Transsylvanië.
Op 4 nov. 1944 opende het aftreden van Bràtianu als minister het proces
van de geleidelijke overgang van het land naar een communistisch bewind.
Petru Groza, leider van het onder communistische invloed staande 'landbewerkersfront'
en een van de leidende figuren in het nieuwe 'Nationaal-democratische
Front', werd vice-premier. Sànàtescu werd in dec. 1944 opgevolgd door
generaal Ràdescu. Op 2 maart 1945 werd de koning door de
Sovjet-Russische minister Vysjinski genoopt Groza met het premierschap
te belasten, nadat Ràdescu procommunistische demonstraties
gewapenderhand had proberen te onderdrukken. Het Nationaal-democratische
Front keerde zich vervolgens openlijk tegen de 'historische partijen' en
hun leiders, Bràtianu en Maniu. Herhaalde pogingen van de westelijke
mogendheden de eis van vrije verkiezingen te realiseren, mislukten. De
officiële uitslagen van de verkiezingen van nov. 1946 wezen 348 van de
414 mandaten aan het 'Front' toe, hoewel volgens andere bronnen de
Nationale Boerenpartij ca. 70% van de stemmen had verkregen. Inmiddels
had de opneming van een liberaal en een lid van de Boerenpartij in de
regering (7 jan. 1946) de erkenning van het bewind door Groot-Brittannië
en de Verenigde Staten opgeleverd (febr. 1946). In juni 1947 werd de
Boerenpartij officieel verboden en Maniu tot levenslange gevangenisstraf
veroordeeld. In de herfst van hetzelfde jaar voltrok zich de obligate
fusie van de sociaal-democratie met de communistische partij (opgericht
in 1921) tot de Verenigde Arbeiderspartij (later, 1965, weer
Communistische Partij). De liberaal Tàtàràscu moest in nov. 1947
aftreden als minister, koning Michael moest in december zijn voorbeeld
volgen en het land verlaten. Het vredesverdrag van Parijs (1947)
bevestigde de Sovjet-Russische annexatie van Bessarabië en de
noordelijke Boekovina; de zuidelijke Dobroedsja bleef Bulgaars en ten
opzichte van de toestand van de zomer van 1940 was de enige territoriale
winst de reeds in 1945 formeel voltrokken herinlijving van noordelijk
Transsylvanië.
6.3 De volksdemocratie Roemenië
Een tiental jaren liep het Roemeense bewind geheel in de pas met dat in
de andere aan de Sovjet-Unie onderhorige Oost-Europese staten.
Verkiezingen gaven op 28 maart 1948 niet minder dan 90% aan wat nu het
Democratisch Volksfront heette (bij volgende gelegenheden werden het er
99). In de nieuwe regering werden de communisten Ana Pauker minister van
Buitenlandse Zaken, Vasile Luca van Financiën en Gheorghe Gheorghiu-Dej
van Economie. De voornaamste industrieën waren in juni 1948
genationaliseerd, de in maart 1945 doorgevoerde landhervorming (maximaal
bezit: 50 ha) werd in 1949 gevolgd door een begin van collectivisatie.
Het eerste vijfjarenplan (concentratie op de steenkolen- en
petroleumwinning en op de staalproductie) ging in 1951 van start. De
economie (o.m. de petroleumwinning en -industrie) was voor een
belangrijk deel in handen van de Sovjet-Unie door middel van zgn.
gemengde maatschappijen, de 'Sovroms'. In 1952, een jaar waarin
grootscheepse zuiveringen plaatsvonden, vielen Luca en Ana Pauker in
ongenade. Gheorghiu-Dej werd onbetwist de machtigste man. In aug. 1953
volgde hij Malenkov in diens 'nieuwe koers': een minder harde
economische politiek, meer aandacht voor de lichte (met name ook de
verbruiksgoederen) industrie en de agrarische productie. In sept. 1954
werd overeengekomen de Sovroms op te heffen; ook de verlangzaming van
het tempo van de collectivisering (voltooid in 1962) droeg tot een
ontspanning bij alsmede tot een relatief snelle stijging van vooral de
industriële productie. Op 3 okt. 1955 trad Gheorghiu-Dej af als
minister-president; als zodanig werd hij door Chivu Stoica opgevolgd,
maar als eerste-secretaris van de partij bleef hij aan de macht. In okt.
1956 werden de lonen verhoogd en kondigde men de afschaffing per 1 jan.
1957 van de gedwongen leveranties van landbouwproducten aan. Weldra werd
echter weer een straffere lijn gevolgd. In aug. 1958 werden twintig
doodvonnissen uitgesproken tegen politieke en economische delinquenten,
kunstenaars die zich niet aan het socialistisch realisme hielden werd
het moeilijk gemaakt en in september teisterde een golf van arrestaties
het land. Wederom werd de partij drastisch gezuiverd.
6.4 De ontwikkeling naar een grotere onafhankelijkheid
In 1959 openbaarden zich de eerste symptomen van een grotere
zelfstandigheid in het buitenlands beleid. De Roemeense partijleiding
poogde de eigen economie zoveel mogelijk onafhankelijk te maken van een
eenzijdige binding aan de COMECON en de Sovjet-Unie. De onder
Gheorghiu-Dej (sinds 1961 president van de nieuw ingestelde Staatsraad)
begonnen politiek van grotere onafhankelijkheid ten opzichte van Moskou
kwam ook tot uitdrukking in voorzichtige contacten met andere landen (in
1955 was Roemenië met vijftien andere staten tot de Verenigde Naties
toegelaten). Nicolae Ceausescu, na de dood van Gheorghiu-Dej (1965)
eerste-secretaris en sedert 1967 voorzitter van de Staatsraad, zette
deze politiek voort. Voorts nam Roemenië (al sedert Gheorghiu-Dej) een
eigen standpunt in ten aanzien van de conflicten binnen de
communistische wereld. De uitbreiding van de culturele contacten met het
Westen was een van de uitingen van distantiëring van een te uitsluitende
oriëntatie op de Sovjet-Unie, evenals het bezoek van Gheorghiu-Dej in
1963 aan Joegoslavië (akkoord over het aanleggen van een stuwdam in de
Donau bij de IJzeren Poort en een elektrische krachtcentrale). De nieuwe
oriëntatie op het gebied van de buitenlandse politiek bleek uit bezoeken
van de West-Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Brandt (in aug.
1967, nadat in jan. 1967 diplomatieke betrekkingen waren aangeknoopt),
De Gaulle (14-18 mei 1968) en
Nixon (2-3 aug. 1969) aan Boekarest, en uit verschillende reizen van
Ceausescu naar China en andere communistische landen in Azië en
Joegoslavië, waarmee de banden steeds hechter werden. Tal van bilaterale
verdragen (meest handels- en culturele akkoorden) kwamen tot stand met
een toenemend aantal landen. Ook in de politiek ten aanzien van Israël
volgde Roemenië een eigen weg door de betrekkingen met dat land volledig
te handhaven. Zowel binnen de COMECON als binnen het Warschaupact toonde
Roemenië zich weinig volgzaam. In 1968 nam Roemenië geen deel aan de
besprekingen van de overige staten van het Warschaupact over de toestand
in Tsjechoslowakije. De inval in dat land (aug. 1968) werd door
Ceausescu veroordeeld. Een streven naar binnenlandse eenheid werd
manifest door de oprichting van een 'Front van de Socialistische
Eenheid', waarin ook - en met nadruk - Hongaarse en Duitse minderheden
waren vertegenwoordigd. In 1970 trad een zekere ontspanning in; het
vriendschapsverdrag met Rusland, dat in 1968 was afgelopen, werd
vernieuwd. Ceausescu slaagde erin elke toespeling op de 'Brezjnev-doctrine',
verplicht element in andere overeenkomsten tussen de Sovjet-Unie en de
met haar verbonden communistische staten, uit het hernieuwde
vriendschapsverdrag te weren. Sinds 1974 zocht Roemenië toenadering tot
de ontwikkelingslanden en in 1976 kreeg het de status van waarnemer in
de beweging van Ongebonden Landen. Ceausescu's positie werd intussen
aanmerkelijk versterkt: in 1974 werd hij officieel Roemeniës eerste
president, terwijl hij in de daaropvolgende jaren voorzitter werd van
het Nationale Front en van de Opperste Raad voor de economische
ontwikkeling. In de pers en de andere media werd hij steeds meer als de
grote leider (conducàtor) voorgesteld en de persoonsverheerlijking nam
ongekende vormen aan. Ook de naaste familie (onder wie Ceausescu's vrouw
Elena) werd meer en meer in de dagelijkse leiding van partij en land
betrokken. De in 1971 ingezette strengere koers in het binnenlandse
beleid, m.n. tegen critici van het systeem en tegen pleitbezorgers voor
meer rechten van de nationale minderheden, werd voortgezet.
De economische ontwikkeling stagneerde in de tweede helft van de jaren
zeventig. Een zware aardbeving in 1977, die ca. 1400 mensen het leven
kostte en grote materiële schade aanrichtte, en tegenvallende oogsten
noodzaakten mede tot bijstelling van de doeleinden van het vijfjarenplan
1976-1980.
De onafhankelijke buitenlandse politiek werd voortgezet. Met westerse
landen werden vooral economische en handelsakkoorden gesloten. Ceausescu
bezocht in 1978 de Verenigde Staten en de Volksrepubliek China en
Roemenië speelde een beslissende rol in de totstandkoming van de
contacten tussen Israël en Egypte, die uiteindelijk tot
vredesbesprekingen leidden. De verhouding met de Sovjet-Unie bleef
aanvankelijk stroef. Ceausescu verzette zich in 1978 nog sterk tegen de
door de Sovjet-Unie voorgestelde verhoging van de defensiebudgetten van
de Warschaupactlanden en hekelde de Sovjet-Russische opstelling inzake
het Midden-Oosten, maar naarmate de economische situatie verslechterde,
werd meer toenadering tot de Sovjet-Unie gezocht.
Het begin van de jaren tachtig werd gekenmerkt door snel op elkaar
volgende wisselingen in de top van staat en partij waarbij steeds meer
familieleden van president Nicolae Ceausescu werden gepromoveerd.
Om de buitenlandse schuld zo snel mogelijk terug te brengen, gingen
sinds 1985 elektriciteit en brandstoffen elke winter op rantsoen. Tevens
besloot Ceausescu de defensiebegroting voor 1987 met 5% te verlagen -
een stap die per referendum werd goedgekeurd. In het voorjaar van 1987
kwam het tot stakingen over voedseltekorten. Hoewel Roemenië voldoende
voedsel produceerde, werd wegens de export van voedsel een voedseltekort
gecreëerd. In november kwam het in de stad Brasov tot demonstraties en
plunderingen door de arbeiders uit protest tegen de dalende
levensstandaard. De onrust werd met harde hand de kop ingedrukt.
In maart 1988 maakte Ceausescu bijzonderheden bekend van een
urbanisatieprogramma voor het platteland, waarbij 8000 dorpen zouden
worden afgebroken en de lokale bevolking moest verhuizen naar
'agro-industriële centra'. Het plan, dat volgens de regering bedoeld was
om de levensstandaard op het platteland te verhogen, leidde in binnen-
en buitenland tot een golf van protest.
In verband met het urbanisatieprogramma en Roemeniës dwarse houding op
de CVSE-conferenties raakte het land diplomatiek steeds meer geïsoleerd,
zowel in het Westen als in het Oostblok. In 1989 riepen Frankrijk en de
Bondsrepubliek Duitsland hun ambassadeurs terug uit Roemenië uit protest
tegen de schending van de mensenrechten. Roemenië verloor tevens de
status van meestbegunstigde natie in de handel met de Verenigde Staten.
In nov. 1989 werd het XIVde partijcongres van de RCP gehouden, waarbij
Ceausescu voor de zesde opeenvolgende keer werd gekozen tot
partijleider.
Val van Ceausescu. De reeds koele betrekkingen tussen Roemenië en
Hongarije, in verband met de positie van de Hongaarse minderheid in
Transsylvanië, verslechterden snel aan het einde van de jaren tachtig
(zie ook Hongarije). Op 16 dec. 1989 leidde de poging om dominee Lásló
Tökays, een etnische Hongaar, te deporteren tot grote onrust en
openlijke demonstraties in Timisoara, waar de veiligheidsdienst
Securitate dagenlang strijd leverde met de bevolking. Op 21 dec. sloegen
de ongeregeldheden over naar Boekarest en Ceausescu's toespraak tot de
bevolking van de hoofdstad op 22 dec. liep uit op een volksopstand tegen
de dictator. Ceausescu en zijn vrouw probeerden het land te ontvluchten,
maar werden door het leger, dat de zijde van het volk had gekozen,
aangehouden en na een 'proces' ter dood veroordeeld en op 25 dec.
geëxecuteerd.
6.5 1990-heden
Na de opstand, die honderden burgers het leven kostte, werd de macht
overgenomen door het Front van Nationale Redding (FSN), waarin zowel
oud-communisten als dissidenten zitting hadden. In de periode voor de
verkiezingen van 20 mei 1990, kwam het tot ernstige botsingen tussen
aanhangers van het Front en leden van andere politieke partijen, alsmede
tussen extreem-nationalistische Roemenen en leden van de Hongaarse
minderheid in Tirgu-Mures in Transsylvanië. De verkiezingen werden een
overweldigende overwinning voor het Front van Nationale Redding, waarna
interim-president Ion Iliescu en interim-premier Petre Roman in hun
ambten werden bevestigd.
In juni 1990 maakten door Iliescu opgeroepen mijnwerkers met bloedig
geweld een einde aan een al weken durende demonstratie van vooral
studenten.
In nov. 1990 koos de regering voor een radicale hervorming van de
economie en werd een begin gemaakt met de liberalisering van de prijzen
en de privatisering van staatsbedrijven. In verband met de daling van de
levensstandaard trokken in sept. 1991 duizenden mijnwerkers naar de
hoofdstad om het ontslag van premier Roman te eisen. Na dagenlange
ongeregeldheden, waarbij doden vielen, werd Roman ontslagen. Hij werd
opgevolgd door de partijloze Theodor Stolojan, die een maand later de
eerste coalitieregering vormde. Stolojan hield vast aan de invoering van
een vrijemarkteconomie.
De in nov. 1991 aangenomen grondwet onderschrijft de principes van een
markteconomie, een meerpartijenstelsel en de naleving van de rechten van
de mens.
In febr. 1992 werden de eerste vrije lokale verkiezingen gehouden. Het
tot dan toe almachtige Front van Nationale Redding leed in meer dan de
helft van de steden een nederlaag tegen de in de Democratische Conventie
verenigde oppositie. Van het Front voor Nationale Redding (FSN) splitste
zich in april het FDSN af (de oud-communisten, onder wie Iliescu). Bij
de parlementsverkiezingen van september behaalde het links-rechtse blok
- FDSN, PUNR, PRM en PDM - de meerderheid. Iliescu werd in oktober tot
president gekozen. In sept. 1993 zette Roemenië de eerste stap naar
lidmaatschap van de Raad van Europa.
Het tweeslachtige beleid van het minderheidskabinet Väcäroiu deed de
onvrede in het land verder toenemen. In economisch opzicht ging het nog
slechter dan in 1992 met een inflatie van meer dan 200% op jaarbasis.
Behalve de onwil om economische hervormingen door te voeren oefende ook
de corruptie, vooral in regeringskringen, een destabiliserende invloed
uit.
Het werd in 1994 steeds duidelijker dat parlement en regering in de
greep kwamen van een verbond van conservatieve leden van de PDSR (de
Partij van de Sociale Democratie Roemenië, vóór 1993 het Democratisch
Front voor Nationale Redding) die elkaar vonden in het verzet tegen
hervormingen. Eind 1994 fuseerden vier liberale partijen tot één nieuwe
liberale partij, die vervolgens toetrad tot de democratische
oppositiepartij CDR, welke laatste nauw samenwerkte met de Democratische
Partij (PD) van oud-premier P. Roman. De privatisering van de
staatsbedrijven verliep moeizaam en de economische onvrede uitte zich in
1994 in talrijke wilde èn georganiseerde stakingen, vooral in de
staalindustrie.
Het buitenlandse beleid bleef gericht op verdere integratie met het
Westen. In jan. 1994 tekende Roemenië als eerste Oost-Europees land het
Partnerschap voor Vrede met de NAVO, waarna in febr. 1995 het
geassocieerd lidmaatschap van de EU volgde. In juni 1995 vroeg Roemenië
het officiële lidmaatschap van de EU aan. In hetzelfde jaar verbeterde
de relatie met Hongarije, maar die met Moldavië verslechterde.
De regeringscoalitie van PDSR en PUNR werd in jan. 1995 uitgebreid met
de PRM en PSM, maar dat bleek geen panacee voor alle interne conflicten.
In sept. fuseerde de PD met de PSRD onder de nieuwe naam USD.
Bij de in juni 1996 gehouden gemeenteraadsverkiezingen won de CDR,
landelijk gezien, meer burgermeestersposten in de grote steden en de
PDSR meer op het platteland. De verkiezingen voor het Huis van
Afgevaardigden werden een succes voor de Democratische Conventie. Bij de
Senaatsverkiezingen verloor, in vergelijking met 1992, vooral de PDSR en
wonnen CDR en USD. Winnaar van de presidentsverkiezingen in nov. was
Emil Constantinescu, die in de tweede ronde Ion Iliescu voor bleef.
Premier van de in dec. door CDR, USD en UDMR gevormde regering werd
Victor Ciorbea. In sept. tekenden in Timisoara Roemenië en Hongarije een
verdrag, waarin beide landen elkaars integriteit erkenden en toezegden
de positie van elkaars minderheden te zullen respecteren.
Telefoongids Roemenië
Postcodes
Roemenië
|