|
Van een Romeinse kunst is
sprake vanaf het midden van de 2de eeuw v.C. Het is een samensmelting van enerzijds
Etruskische en Midden-Italische kunst en anderzijds Griekse kunst. Uit deze combinatie
ontstond een stijl die voortduurde tot in de 6de eeuw n.C., waarna de Romeinse kunst
overging in de Byzantijnse kunst in het Oosten en de Merovingische kunst in het
Westen. Naast sterke Grieks-Hellenistische invloeden bleef ook een onderstroom uit de
volkskunst van invloed op de Romeinse kunst. Met de consolidatie van het keizerrijk
ontwikkelde de Romeinse kunst zich meer en meer als hofkunst. De Romeinse kunst wordt
wel eclectisch genoemd, vanwege de veelvuldige samensmeltingen van genres en stijlen
in een enkel kunst- of bouwwerk.
De Romeinse kunst kan
ruwweg in tien perioden worden onderverdeeld:
1. Republikeinse periode (ca.
500–30 v.C.);
2. Augusteïsche periode (ca. 30 v.C.–14 n.C.);
3. Neronisch-Flavische tijd (ca. 50–100 n.C.);
4. Trajaanse tijd (98–117 n.C.);
5. Hadriaanse tijd (117–138 n.C.);
6. Antonijnse tijd (138–193 n.C.);
7. Severische tijd (193–235 n.C.);
8. periode van de Soldatenkeizers (235–284 n.C.);
9. Tetrachentijd (284–305 n.C.);
10. tijd van Constantijn (305–337 n.C.).
De Romeinse bouwkunst heeft
een geheel eigen karakter. Vele elementen zijn ontleend aan de Griekse bouwkunst, maar
het wezen ervan is totaal verschillend. Een van de belangrijkste verschillen met de
Griekse bouwkunst betreft het ontbreken van vastomlijnde proportiewetten of
maatverhoudingen in zowel de bouwkunst als de beeldhouwkunst. De Romeinse bouwkunst
wordt gekenmerkt door symmetrie en axialiteit, een ander gebruik van ruimte,
frontaliteit van de façades (vooral met zuilen) en een gevoel voor monumentaliteit.
Aan de bestaande (Griekse) bouwordes werd de Toscaanse bouworde toegevoegd.
Ook in de toepassing van bouwmaterialen waren de
Romeinen vernieuwers. Baksteen en beton verschaften de architecten nieuwe mogelijkheden om
grotere ruimten te bouwen. Het Romeinse beton (opus caementicium) was een mengsel van
steengruis en steenbrokken met kalk, zand en Pozzolana-aarde, dat gestord werd en
vervolgens tot een steenharde massa uithardde. Typische Romeinse bouwelementen zijn de
boog, de koepel en het gewelf. Deze nieuwe technieken en materialen maakten het mogelijk
grote ruimten te overdekken. Griekse bouwelementen zoals zuilen, kapitelen en frontons
werden nog slechts als ornamenten gebruikt. De nieuwe technieken werden vooral gebruikt in
de utiliteitsbouw.
In de representatieve bouw werd nog lang aan
uiterlijke Griekse vormen vastgehouden. Dit was bijv. het geval bij de tempel; deze was
geplaatst op een hoog podium (zgn. podiumtempel); een grote trap aan de voorzijde en een
diepe voorgalerij accentueerden de ingangszijde en trokken als het ware de blik naar
binnen. Aan de voorkant werd een zuilengaanderij naar Griekse trant aangebracht, maar aan
zij- en achterkant werd de zuilenomgang vervangen door halfzuilen of pilasters met
uitsluitend decoratieve functie. Vaker dan bij de Grieken kwam de ronde tempel voor. In de
laat-Romeinse tijd werd het uitwendige van de tempels zeer sober en kwam de nadruk te
liggen op het interieur. Dit geldt ook voor de basilica.
De Romeinen hebben groot aantal nieuwe bouwvormen
ontwikkeld. Met name diverse openbare gebouwen als de basilica (rechtshal en beurs, later
kerk; zie basilica), amfitheater, circus, triomfboog, aquaduct en gebouwencomplexen als
thermen (badhuis) en keizerlijke paleizen hebben een blijvende betekenis voor de westerse
bouwkunst.
De Romeinse woning- en stedenbouw wordt
gekenmerkt door de axialiteit van de plattegronden. Nieuwe Romeinse steden werden de
Grieks-Hellenistische schaakbordpatronen van rechthoekige huizenblokken gecombineerd met
de indeling van het Romeinse legerkamp ( castra).
Hierbij werd de stad in vieren verdeeld door de twee elkaar in het centrum kruisende
hoofdwegen, die beide uitliepen op grote stadspoorten. In het centrum van de stad, op het
kruispunt van de hoofdwegen, bevond zich het forum,
het bestuurlijke en religieuze centrum van de stad. Typisch Romeinse vernieuwingen zijn de
geplaveide straten, karresporen en oversteekplaatsen en complexe rioleringssystemen.
Het Romeinse woonhuis
(domus) was van het atriumtype (zie
atrium [bouwkunst]).
De vertrekken waren gegroepeerd rondom een overdekt hof (atrium). In de 2de eeuw n.C. werd
dit uitgebreid, naar Grieks voorbeeld, met een zuilengalerij (peristylium). In Pompeji
zijn vele huizen van dit type bewaard gebleven. Aan de straatzijde bevonden zich doorgaans
winkels en werkplaatsen. Het interieur van deze luxueuze wooonhuizen was vaak uitbundig
gedecoreerd met wandschilderingen.
Naast deze woonhuizen voor de gegoede burgerij
hadden vele Romeinse steden grotere woonblokken (insulae) van huurkazernes, waar meer
families appartementen bewoonden. Rome telde in de 1ste eeuw ca. 40!000 huurkazernes en
slechts ca. 1000 eengezinswoningen. In Ostia, de havenstad van Rome, zijn voorbeelden van
deze wooncomplexen bewaard gebleven. Buiten de stad bestond een ander typisch Romeins
huis, de villa rustica, de boerenhof met stallen, schuren en hoven.
In de beeldhouwkunst werd het vrijstaande beeld
gewoonlijk opgenomen in een groot, architectonisch geheel en bijv. in een nis geplaatst;
als gevolg hiervan werd de achterkant dikwijls slechts summier bewerkt. Verreweg het
belangrijkst en origineelst zijn de portretten; de beelden stellen de geportretteerde voor
als lid van de gemeenschap, in de functie van magistraat of militair, in toga of in
uniform. De meeste zorg werd aan het gezicht besteed en naast het portretbeeld kwam dan
ook spoedig de portretbuste. Tijdens de Republiek hadden de portretten een realistisch
karakter. Het keizerportret was geïdealiseerd. Op de godenbeelden bleef de Griekse invloed
sterk. De talrijke variaties en kopieën van Griekse sculpturen werden vaak gebruikt als
decoratieve tuinbeelden.
In de reliëfkunst neemt het zgn. historisch
reliëf, waarop de magistraat c.q. de keizer in functie is uitgebeeld, de voornaamste
plaats in. Het had een officiële functie, zoals het keizerportret, en er werden vooral
actuele gebeurtenissen uitgebeeld, zoals bijv. de inwijdingsstoet op de Ara Pacis (Augustae).
De reliëfs die zich om de zuilen van Trajanus en van Marcus Aurelius kronkelen (zgn.
continuerende voorstellingen), geven het succesvol verloop van hun oorlogen weer. Op de
triomfbogen werden in reliëfs de grote daden van de keizer op civiel en militair gebied
verheerlijkt. Naast en samen met deze uitbeeldingen van werkelijke voorvallen komen
allegorische voorstellingen voor en dikwijls mengen zich ook goden of personificaties in
het actueel gebeuren.
Tot de historische reliëfs behoren ook de grote,
in wit- en bruingelaagde agaat gesneden cameeën, zoals de Gemma Augustea (Kunsthist. Mus.,
Wenen) en de zgn. Grand Camée de France (Cabinet des Médailles, Parijs) uit de vroege
keizertijd. In de particuliere sfeer zijn vooral de reliëfs aan de sarcofagen opmerkelijk,
daterend uit het tweede kwart van de 2de eeuw, toen men weer aan begraven boven
lijkverbranding de voorkeur gaf. De mythologische voorstellingen en decoratieve motieven
hebben symbolische betekenis en zinspelen op dood en herrijzenis.
De Romeinse schilderkunst is vnl. bekend van
wandschilderingen, met name die in de gebouwen die door de uitbarsting van de Vesuvius
bewaard bleven in de steden Pompeji, Herculaneum en Stabiae. Op basis van de vele
voorbeelden in Pompeji zijn vier pompejaanse schilderstijlen te onderscheiden. De eerste
stijl, de zgn. incrustatiestijl (ca. 200–90 v.C.), wordt gekenmerkt door het nabootsen van
kostbare steensoorten op de wanden, geschilderd in horizontale geledingen boven een
typische Romeins toevoegsel, de sokkel.
De tweede stijl, de architectuurstijl (ca.
90–20/15 v.C.), bestaat uit de weergave van van architectonische vormelementen zoals
zuilen, en balken op de wanden, waardoor een ruimtelijk effect werd verkregen. Deze stijl
is onderverdeeld in diverse fasen. Ook figuratieve voorstellingen komen voor. De derde, de
ornamentale stijl (ca. 20/15 v.C. – 45 n.C.) is een voortzetting van de laatste fase in de
tweede stijl, waarbij de architectonische elementen veranderden van hoofdthema naar
hulpmiddelen voor een evenwichtige verdeling van het vlak. De wand werd een schildering,
omringd door lijsten en andere decoratieve elementen, zoals zuiltjes, palmetten, bloem- en
diermotieven.
De vierde, de fantastische stijl (ca. 45–200
n.C., in de steden bij de Vesuvius tot 79 n.C.) laat een terugkeer zien naar de
schijnarchitectuur waarbij een woekering van barokke beeldelementen kenmerkend is.
Perspectivische effecten en theatercoulissen vormen de bronnen voor deze stijl. Latere
wandschilderingen vertonen een verdergaande vereenvoudiging en versobering van het
beeldvlak. Het wandmozaïek en wanden gevuld met marmeren platen zijn in deze laatste
periode (3de eeuw n.C.) de belangrijkste vormen van wanddecoratie.
In navolging van de Griekse voorbeelden
ontwikkelde de mozaïekkunst bij de Romeinen van eenvoudige geometrische vloerdecoraties
tot meer complexe composities met mythologische, historische en allegorische
voorstellingen. Er werd gebruik gemaakt van verschillende materialen, zoals glas, voor
speciale effecten. In de provincies ontstonden verschillende lokale stijlen, bijv. in
Trier. Een van de beroemdste voorbeelden van Romeinse mozaïekkunst is te vinden in Piazza
Armerina op Sicilië.
In de stad Rome hebben de op witte achtergrond
geschilderde decoraties van Nero's paleis, de Domus Aurea, menig renaissancekunstenaar
geïnspireerd tot
grotesken.
Uit de 2de en de 3de eeuw dateren vele van de wandschilderingen in Ostia. De
catacombeschilderingen sluiten wat vorm betreft hierbij aan, al geven zij een nieuwe
inhoud. Van bijzondere kwaliteit zijn de plafondschilderingen van het 4de-eeuwse
keizerlijke paleis te Trier, met afwisselend portretten en eroten. Een geheel aparte groep
vormen de levendige mummieportretten (zgn. Fajoemportretten) uit Romeins Egypte.
Geschilderde boekillustraties komen veelvuldig voor vanaf het moment dat in de 4de eeuw
het manuscript in boekvorm, de codex, de boekrol van papyrus had verdrongen.
Veel van het Romeinse
aardewerk werd vervaardigd om vloeistoffen en andere producten in te vervoeren en te
bewaren, bijv. de amforen van ruw aardewerk, die bij duizenden in scheepswrakken worden
gevonden. Een luxueuzer type aardewerk was het zgn.
terra sigillata
(rood geglazuurd aardewerk) of Arretijns aardewerk. Het werd in diverse ateliers in het
Romeinse Rijk vervaardigd. Belangrijke productiecentra lagen in Gallië en Noord-Afrika.
Deze ateliers zijn geïdentificeerd aan de hand van de ateliermerken die op het aardewerk
werden gestempeld. Door deze merken zijn een gedetailleerde classificatie en datering
mogelijk. Dit maakt terra sigillata tot een van de belangrijkste hulpmiddelen bij het
dateren van Romeinse archeologische vindplaatsen.
Naast aardewerk werd veelal glas gebruikt, vooral
nadat, omstreeks het begin van onze jaartelling, de techniek van glasblazen – hetzij vrij,
hetzij in vorm – was uitgevonden. De handwerkslieden, die aanvankelijk uit het Oosten
kwamen, waar allang glas werd vervaardigd, vestigden zich eerst in Italië en daarna ook in
de westelijke provincies. Keulen werd een beroemd centrum. Dikwijls werd het glas, dat van
nature troebel was, gekleurd. Geheel doorzichtig, kleurloos glas kon men pas in de 2de
eeuw maken.
Kleine voorwerpen van edelsmeedkunst zijn in
grote hoeveelheden in het Romeinse Rijk vervaardigd, vooral in Zuid-Italië. Kostbare
sieraden van goud en zilver zijn bij opgravingen aangetroffen. Bijzondere
decoratietechnieken van metalen voorwerpen waren de
niëllotechniek en de
emailtechniek, de laatste vooral op bronzen voorwerpen zoals fibulae (mantelspelden).
|