|
1. Fysische geografie
Het
noorden bestaat uit een morenelandschap, dat behoort tot de
stroomgebieden van het Westelijke Dvina en de Neman. De Wit-Russische
Rug, een eindmorene (tot 346 m hoog), die van Brest naar Smolensk loopt,
scheidt dit landschap van de zuidelijke vlakte, de Polesje, die o.a. via
de Berezina en de Pripjat op de Dnepr afwatert, en grotendeels in beslag
wordt genomen door de deels drooggelegde Pripjat- of Rokitnomoerassen.
Arme podzolbodems beslaan 70% van de bodem; de rest wordt ingenomen door
moeras-, kalkhoudende grondmorene- en lössbodems. Het klimaat is
gematigd continentaal.
2. Bevolking
De bevolking bestaat voor 77, 9% uit Wit-Russen, 13,2% Russen, 4,1%
Polen, 2,9% Oekraïners en 1,1% joden. Het geboortecijfer bedroeg in 1993
12‰, het sterftecijfer bedroeg toen eveneens 12‰. De grootste steden
zijn Minsk met 1,661 miljoen inw., Gomel (506.000), Mogilev (366.000),
Witebsk (368.000), Brest (289.000) en Grodno (296.000). In de steden
wordt vnl. Russisch gesproken, al is het vermengd met Belo-Russisch. In
de regio Grodno wordt een mengeling van Belo-Russisch en Pools
gesproken. Er wordt overwogen Wit-Russisch een officiële status te
geven. 60% van de bevolking bekent zich tot de Russisch-orthodoxe
religie; in de voormalige Poolse gebieden in het westen overheerst het
rooms-katholicisme (8% van het totaal).
3. Bestuur en samenleving
Wit-Rusland
is sinds de onafhankelijkheid van 1991 een presidentiële republiek.
Het land is ingedeeld in zes regio's en het hoofdstedelijk gebied.
Eens in de vijf jaar zijn er verkiezingen voor het parlement, de
Opperste Raad, met 260 zetels. Sinds de grondwetsherziening, waarover de
bevolking zich per referendum op 26 november 1996 kon uitspreken, is
voorzien in een lagerhuis met 110 afgevaardigden en een senaat met 64
leden. In de praktijk is het parlement buiten spel gezet en regeert
president Aleksandr Loekasjenko per decreet.
Politieke partijen zijn de Communistische Partij, de Agrarische Partij,
de Sociaal-Democratische Partije, de Verenigde Burgerpartij, de Partij
van Nationale Eendracht en de Partij van de Wit-Russische Eenheid. In
het parlement is eenderde van de leden onafhankelijk.
De vroegere staatsvakbonden zijn opgegaan in de Federatie van
Onafhankelijke Vakbonden, zonder programma- of structuurwijziging. Bij
de vakbond zijn circa vijf miljoen mensen aangesloten. Wit-Rusland is
lid van de Verenigde Naties en haar sub-organisaties en van de
Gemeenschap van Onafhankelijke Staten.
De belangrijkste politieke partijen zijn de Communistische Partij, de
Boerenpartij, de Partij voor Nationale Eenheid en de Verenigde
Democratische Partij van Wit-Rusland.
4. Economie
De
landbouw is de voornaamste bestaansbron. De republiek kan in dit opzicht
in drie gebieden verdeeld worden: het noorden, waar teelt van vlas,
veevoeders, grassoorten en vee (vlees, zuivel) overheersen; het centrale
deel, waar aardappelen en varkensteelt belangrijk zijn; het zuiden, waar
vnl. schapen, vee en hennep geteeld worden. Bijna eenderde van de
oppervlakte is bebost. Ca. eenvijfde van het bouwland is door het
kerncentrale-ongeluk in Tsjernobyl (Oekraïne) radioactief besmet. Het
land kent maar weinig delfstoffen: steen- en kalizout, fosfor en turf,
waarvan het gebruik als brandstof een steeds grotere belasting op het
milieu is. De industrie, met 65% van het bnp de belangrijkste sector, is
minder dan voorheen gericht op de verwerking van landbouwproducten en
hout. Er worden ook landbouwmachines (Gomel) en auto's (Minsk, Borisov)
geproduceerd, terwijl de chemische industrie o.m. kunstvezels (Mogilev
en Svetlogorsk) en kunstmest (Grodno, Soligorsk, Gomel) levert; voorts
is de productie van televisietoestellen, computers, uurwerken, rijwielen
en bouwmaterialen van belang. De Vriendschapsoliepijpleiding ligt voor
een deel op Wit-Russisch grondgebied en vertakt zich bij Mozyr in een
noordelijke en een zuidelijke tak; bovendien leidt de aftakking naar
Ventspils (Letland) over Wit-Russisch gebied.
5. Verkeer
De totale lengte van het wegennet meet (1989) 90.300 km, waarvan 56.000
km verhard. Het spoorwegennet is 5580 km lang.
6. Geschiedenis
De gebieden die thans deel uitmaken van Wit-Rusland, waren al voor de
Grote Volksverhuizing (400-700) geheel door de Slaven bewoond.
6.1 Woongebied Slaven
Toen aan het einde van de 9de eeuw het rijk van Kiëv-Roes gevestigd
werd, leefden hier de Oost-Slavische stammen van de Krivitsjen,
Polotsjanen, Dregovitsjen en Radimitsjen. Onder de heerschappij van de
eerste Rurikiden (9de-11de eeuw) raakte de stamstructuur in verval; zij
werd vervangen door een aantal deelvorstendommen, waarvan dat van
Polotsk het oudste en voornaamste was. Het proces van dynastieke
versnippering zette zich hier snel voort, met als gevolg dat deze
gebieden, die door de Mongoleninval slechts indirect getroffen werden,
in de tweede helft van de 13de eeuw een gemakkelijke prooi werden van de
Litouwse expansie. Gedyminas (1315-1340) lijfde alle Westrussische
vorsstendommen bij zijn rijk in. Na de dynastieke vereniging van Polen
en Litouwen (1569) kwam het huidige Wit-Rusland echter steeds sterker
onder de invloed van westerse beschaving, waardoor het maatschappelijk,
cultureel en ook in taalkundig opzicht van het overige Russische
achterland zou gaan vervreemden. De naam Bjelaja Roes, Wit-Roethenië of
Wit-Rusland, kwam als gemeenschappelijke benaming voor deze streken pas
laat in zwang. Oorspronkelijk werd alleen het land aan de Boven-Dnepr
Wit-Rusland genoemd, terwijl het gebied bezuiden de Neman lange tijd als
Zwart-Rusland bekend stond.
6.2 Onderdeel van Russisch Keizerrijk
Met de Poolse delingen van 1773 en 1793-1795 kwam het huidige
Wit-Rusland geheel bij het tsarenrijk. Pogingen van Russische zijde om
de Wit-Russische bevolking evenals de Oekraïners met het Grootrussische
element te doen versmelten, desnoods door middel van een geforceerde
russificatie, ontmoetten aanvankelijk alleen verzet van de sterk
verpoolste adellijke bovenlaag, maar tegen het einde van de 19de eeuw
ook van de bredere kringen, waarbij een romantische Krivitsjenconceptie
de nationale identiteit van Wit-Rusland moest ondersteunen. Tot een
politieke vertaling van het Wit-Russische nationalisme kwam het pas in
de Russische Revolutie van 1905, toen de Wit-Russische Socialistische
Republiek (Bjeloroeskaja Sotsjalistitsjeskaja Hramada) als voorvechtster
van overigens gematigde verlangens ten aanzien van culturele autonomie
op de voorgrond trad. Na de Oktoberrevolutie (1917) erkenden de
zegevierende bolsjevieken de Wit-Russen als een afzonderlijke natie en
toonden zij zich bereid haar zelfbeschikkingsrecht te honoreren.
6.3 Onderdeel van de Sovjet-Unie
Toen als gevolg van de Vrede van Riga (1920) het westelijk deel van
Wit-Rusland aan Polen moest worden overgedragen, werd van het restgebied
een aparte sovjetrepubliek gevormd, die in 1922 als deelstaat in de
Sovjet-Unie werd opgenomen (Belaroeskaja Sovjetskaja Sotsjalistitsjnaja
Respoeblika; afk.: BSSR). In 1939 werden na de Russische inval in Polen
de voorheen Poolse westgebieden bij de Wit-Russische SSR gevoegd, met
inbegrip van het land rond Bialystok, dat na de Tweede Wereldoorlog weer
bij Polen zou komen. Tijdens de Duitse bezetting (1941-1944) bleek
aanvankelijk een deel van Wit-Russische nationalisten, de Nezalezjniki,
tot een samenwerking met de Duitsers bereid, maar de al in 1942 ontstane
conflicten leidden tot meedogenloze repressies. De Duitse repressies
leidde in dit bosrijke gebied tot het ontstaan van tal van
partizanengroepen, die onderling echter sterk verdeeld waren. Pas op den
duur slaagde Moskou erin de verzetsbeweging onder eigen politieke
controle te krijgen. In de zomer van 1944 werden de Duitsers verdreven,
waarna de Wit-Russische SSR werd hersteld. Bij wijze van beloning voor
het oorlogsleed werd Wit-Rusland, evenals Oekraïne, reeds bij de
oprichting van de Verenigde Naties (1945) als volwaardig lid in deze
organisatie opgenomen, ofschoon het van meet af aan evident was dat het
in zijn hoedanigheid van lidstaat van de Sovjet-Unie geen eigen
buitenlands beleid zou kunnen voeren.
Toen het centrale gezag in de Sovjet-Unie aan het eind van de jaren
tachtig haar greep op de SSR's geleidelijk aan verloor, ontstond ook in
Wit-Rusland een opleving van het nationalisme.
6.4 Onafhankelijkheid
De republiek verklaarde zich eerst soeverein (27 juli 1990), daarna
onafhankelijk (25 aug. 1991) en was in dec. 1991 samen met Oekraïne en
de Russische Federatie een van de oprichters van het Gemenebest van
Onafhankelijke Staten (Akkoorden van Minsk, 8 dec. 1991). Minsk werd
hoofdstad van het GOS. Wit-Rusland zette in 1992 geen grote stappen in
de richting van privatisering. Dit had voor een deel te maken met lokale
bestuurders die hervormingen tegenwerkten. In juni 1993 werd een
privatiseringsprogramma voor een periode van drie jaar goedgekeurd.
Bedoeling was de helft van alle staatsondernemingen te privatiseren.
In jan. 1994 werd de hervormingsgezinde Stanislav Sjoeskjevitsj afgezet
als voorzitter van de Opperste Sovjet op beschuldiging van corruptie.
Het ontslag werd in verband gebracht met zijn onwil de economie van
Wit-Rusland te integreren in die van Rusland. In juni werden de eerste
presidentsverkiezingen gehouden, die in de tweede ronde werden gewonnen
door Aleksandr Loekasjenko, de voorzitter van de parlementaire
anticorruptiecommissie. Een maand later diende de regering-Kebitsj haar
ontslag in. De nieuwe premier werd Michaïl Tsjigir, die werd beschouwd
als een voorstander van marktgerichte hervormingen. De overgang naar een
markteconomie verliep echter uiterst traag. De industriële productie
daalde in de eerste tien maanden van 1994 met bijna 24%. De
levensstandaard daalde eveneens en de maandelijkse inflatie bedroeg
ongeveer 50%. Van privatisering van staatsbedrijven was nauwelijks
sprake, o.a. door verzet vanuit het parlement.
In mei 1995 kreeg president Loekasjenko via een referendum brede steun
voor zijn streven naar integratie met Rusland en de bevoegdheid het
parlement te ontbinden. Tegelijk met het referendum vonden
parlementsverkiezingen plaats. De opkomst was zo laag, dat in nov. en
dec. nieuwe verkiezingen noodzakelijk waren om het quorum van twee derde
van de verkiesbare zetels te halen. Loekasjenko regeerde inmiddels per
decreet en legde verschillende uitspraken van het Hooggerechtshof naast
zich neer, o.a. die waarin het afkondigen, wijzigen en intrekken van
wetten door de president als ongrondwettelijk werden veroordeeld. De
economische vooruitzichten verslechterden in 1995, evenals de
industriële productie en de export naar Rusland. Het economisch volledig
van Rusland afhankelijke Wit-Rusland zette al zijn hoop op de in 1994
met Rusland overeengekomen douane-unie, die echter geen oplossing bood
voor het probleem van de oplopende energieschulden aan Rusland.
President Loekasjenko brak in 1996 het laatste verzet tegen zijn streven
naar onbeperkte regeringsmacht. Hij stelde voor in nov. een referendum
te houden over een gewijzigde grondwet met uitgebreide bevoegdheden voor
de president. Na pogingen van het parlement een compromis te bereiken en
diverse Russische bemiddelingspogingen ging het referendum eind nov.
toch door en bleek Loekasjenko op
ruime
steun te kunnen rekenen. De president kreeg de bevoegdheid het parlement
te ontbinden en referenda uit te schrijven, waarvan hij de inhoud zonder
parlementaire bemoeienis mocht vaststellen. Presidentiële decreten
werden gelijkgesteld aan wetten. Tevens werd de ambtstermijn van
Loekasjenko verlengd tot 2001. In het kader van zijn streven naar
politieke en economische herintegratie met Rusland werd in april met
Rusland een 'gemeenschap van soevereine republieken' opgericht. Het
verdrag leidde tot massale protestdemonstraties in Minsk en de
Russische president
Jeltsin (zie foto) verklaarde dat van integratie tussen beide
landen geen sprake kon zijn zolang de hervormingen niet in hetzelfde
tempo verliepen. Ook leverde Jeltsin kritiek op de schendingen van
mensenrechten in Wit-Rusland.
In economisch opzicht verdiepte de crisis zich in 1996 nog verder. Het
nationaal inkomen en de industriële productie waren sinds 1992
gehalveerd, terwijl er nauwelijks nog werd geïnvesteerd. In 1996
bevroren de IMF, de Wereldbank en de Europese Ontwikkelingsbank alle
kredieten in afwachting van serieuze economische hervormingen.
In april 1997 ondertekenden Jeltsin en Loekasjenko een unieverdrag, dat
echter na bezwaren van Russische liberalen en protestdemonstraties in
Minsk sterk werd ingekort en zodanig werd afgezwakt dat het opvallend
weinig substantieels bevatte.
Telefoongids Rusland
Postcodes
Rusland
|