|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Saoedi-Arabië
bestaat uit een in het westen, oosten en zuiden door randgebergten
omgeven plateaugebied van ca. 600-1000 m hoogte, dat naar het zuiden
afdaalt naar de Grote Arabische Woestijn en in het noorden naar de
Syrische Woestijn. De Rode-Zeekust is tot aan Janboe, de haven van
Medina, vlak, doch wordt ten noorden daarvan steil.
Het binnenland van bestaat vrijwel geheel uit woestijngebieden,
grotendeels van het type zandwoestijn. Van noord naar zuid gaande vindt
men hier de Syrische Woestijn, de Grote en Kleine Noefoed, het
woestijngebied van Nedzjed en de Grote Arabische Woestijn, waarvan het
noordelijk deel wordt gevormd door el-Dahna en het zuidelijke el-Roeb
el-Chali (Arab., = het lege kwartier) wordt genoemd. Tussen de Sahara en
het Perzische woestijngebied gelegen, vormt Arabië de schakel in de
keten van woestijngebieden op het noordelijk halfrond.
1.2. Geologie
Geologisch sluit het Arabisch Schiereiland aan bij Noordoost-Afrika,
waarvan het is gescheiden door de Rode Zee, die deel uitmaakt van de
grote Afrikaanse breukzone. Het grondgebergte bestaat uit kristallijne
gneis en schisten; op vele plaatsen komen oude intrusieve gesteenten
voor (graniet, dioriet, porfier, enz.). De oudere lagen worden over
grote oppervlakten bedekt door vrijwel horizontaal gelegen
sedimentgesteenten, o.a. door de Nubische zandsteen, in het noordoosten
en zuiden door gesteenten uit het Krijt en het Paleogeen. In het westen
en zuidwesten zijn de vroegere sedimentpakketten verdwenen en ligt het
kristallijne grondgebergte aan de oppervlakte.
1.3 Klimaat
Er heerst een woestijnklimaat, met hete dagen en koude nachten.
Temperaturen tot 50° C komen voor, o.a. aan de Golf van Oman. In het
noorden valt sporadisch winterregen. Het woestijnkarakter van het
klimaat moge blijken uit enkele temperatuur- (warmste maand) en
neerslagcijfers (jaargemiddelde): Jedda: 33° C (juli), 80 mm; Riaad:
34°C (juni), 82 mm.
1.4 Plantengroei
De vegetatie vertoont vrij sterke overeenkomst met die van het
aangrenzende deel van Noord-Afrika. De plantensoorten in de diverse
vegetatietypen zijn duidelijk aangepast aan de hoge temperaturen en
geringe regenval. In het zuiden en westen komen savannen voor, waarin
o.a. Acacia-soorten een belangrijke plaats innemen. In de hogere delen
van deze gebieden worden tropische gebergtebossen gevonden met onder
meer de Afrikaanse olijf (Olea africana) en coniferen uit de geslachten
jeneverbes en Podocarpus. In het centrale deel komen woestijnvegetaties
voor met een zeer geringe bodembedekking. Karakteristiek hierin zijn
o.a. dwergstruiken en grassen. Plaatselijk in dit centrale gebied is de
bodem sterk zouthoudend. Kenmerkende soorten voor de op deze plaatsen
voorkomende zoutplantenvegetaties zijn diverse Tamarisken en
verschillende vertegenwoordigers van de Ganzenvoetfamilie.
1.5 Dierenwereld
Ondanks het feit dat het grootste deel bestaat uit zandwoestijnen, is er
een gevarieerd dierenleven. Behalve insecten, schorpioenen en spinnen
komen in de woestijn ook veel reptielen voor, o.a. diverse
hagedissoorten, cobra's, adders en andere slangen. Raven en gieren vindt
men over het gehele schiereiland, evenals zwaluwen en leeuweriken. De
sakervalk wordt veel gevangen en door valkeniers getraind voor de jacht
op hoenders. Grote zoogdieren zijn sterk in aantal teruggelopen sinds er
gejaagd wordt met moderne wapens vanuit motorvoertuigen. Drie soorten
gazellen, die vóór de Tweede Wereldoorlog in groten getale in dit gebied
leefden, zijn er bijna verdwenen, terwijl de steenbok in aantal
gedecimeerd is en de Arabische oryx sinds 1960 in het wild is
uitgeroeid. De wolf, panter en gestreepte hyena zijn de grootste
roofdieren. De natuurbescherming staat nog in de kinderschoenen.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Bijna de gehele bevolking bestaat uit Arabieren. In het zuidwesten leven
de Jemenitische Arabieren, in het overige deel de Arabieren van de
hooglanden. In Jedda en Mekka leven veel buitenlandse pelgrims en hun
nakomelingen, vnl. afkomstig uit Afghanistan, Indonesië, Pakistan en
andere islamitische landen. Zoals de volkstelling van 1992 aantoonde,
wonen er 4,7 miljoen buitenlanders in het land (op een totaal van 17,5
miljoen is dat 27%), van wie ca. 100.000 afkomstig uit West-Europa en
Amerika, vnl. werkzaam bij westerse maatschappijen. Daarnaast wonen er
grote aantallen gastarbeiders afkomstig uit de buurlanden en Pakistan,
Indonesië, de Filippijnen en Zuid-Korea. Van de bevolking woont 80% in
steden als al-Riaad (1,9 miljoen inw.), Jedda (1,5 miljoen), Mekka
(550.000), Ta'if (300.000), Medina (290.000) en Dammam (200.000). De
bevolkingstoename in de periode 1985-1994 bedroeg gemiddeld 3,6% per
jaar, waarmee het land de snelst groeiende bevolkingen van de wereld
bezit. Ruim 45% is jonger dan 15 jaar. De levensverwachting bij geboorte
bedraagt 69 jaar voor mannen en 72 jaar voor vrouwen.
2.2 Taal
De gesproken en geschreven taal is bijna uitsluitend Arabisch. Engels is
de tweede taal.
2.3 Religie
Staatsgodsdienst is de soennitische richting van de islam (85% van de
bevolking), m.n. die van de puriteinse sekte van de wahhabieten, met aan
het hoofd de koning. In het noordoosten (prov. al-Hasa) woont een
sji'itische minderheid (15%). Saoedi-Arabië is met de twee heilige
steden Medina en Mekka het religieuze centrum van de islamitische
wereld.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Saoedi-Arabië
heeft geen grondwet. De sjari'a, en wel volgens de uitleg van de
hanbalitische school, is toonaangevend voor de politieke en sociale
verhoudingen. Het staatsgezag (wetgevend, uitvoerend en rechtsprekend)
wordt uitgeoefend door de koning, die zijn legitimiteit ontleent aan het
feit dat hij de hoogste geestelijk leider (imam) is. Zijn macht is
evenwel niet absoluut. Zijn wetgevende bevoegdheid wordt beperkt door de
sjari'a, die als goddelijk recht onveranderbaar is en waaraan niets
toegevoegd kan worden. Alleen gebieden die de sjari'a niet bestrijkt,
zoals het handelsrecht en het arbeidsrecht, kunnen voorwerp van
wetgeving zijn. Verder dient de koning de steun te hebben van de
oelama's, die de sjari'a uitleggen, de sjeiks van de belangrijkste
stammen en de familieraad van de koninklijke familie, die uiteindelijk
bepaalt wie koning wordt. De koninklijke familie, die enkele duizenden
leden telt, is door de huwelijkspolitiek van haar stichter, Abd al-Aziz,
verwant met alle invloedrijke stammen, die op deze wijze hun belangen
bij het centrale gezag vertegenwoordigd weten. Belangrijke posten in de
regering en het bedrijfsleven worden door leden van de koninklijke
familie bezet.
Er bestaan geen parlement, politieke partijen of vakbonden. In 1958 werd
een ministerraad in het leven geroepen die de koning bijstaat in zijn
uitvoerende taak. Door de snelle economische ontwikkeling krijgt de
ministerraad steeds meer bevoegdheden, vaak ten koste van de invloed van
de sjeiks en de oelama's. In 1992 kondigde de koning de instelling van
een adviesraad (Majlis as-Shura) aan, bestaande uit 60 benoemde leden.
De koning houdt per traditie wekelijks een audiëntie, de majlis, waar
alle onderdanen toegang hebben om klachten en wensen voor te leggen.
3.2. Administratieve indeling
Het land is sinds 1993 in dertien provincies verdeeld. Ze worden
bestuurd door gouverneurs, die bijgestaan worden door 210
provincieraadslieden; de leden worden benoemd door de minister van
Binnenlandse Zaken en bestaan uit vertegenwoordigers van de provincie en
de centrale regering.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Saoedi-Arabië is lid van de Verenigde Naties en een aantal
suborganisaties, de OPEC en de OAPEC, de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC)
en de Arabische Liga, de Wereldbank en het IMF.
4. Economie
4.1 Algemeen
De, vooral tussen 1974 en begin jaren tachtig, enorme inkomsten uit de
aardoliewinning hebben de economische en sociale structuur in korte tijd
sterk veranderd.
Het Bruto Nationaal Product (bnp) per hoofd van de bevolking was in 1994
$ 7240. De gemiddelde reële groei van het bnp per hoofd was in 1994 0,
6%. Het land heeft een vrijemarkteconomie, waarin de particuliere sector
overheerst. De overheid steunt het particuliere bedrijfsleven, dat
vooral wat de grotere bedrijven betreft veelal in handen van leden van
de koninklijke familie is. Er worden renteloze leningen verstrekt, de
aanleg van de infrastructuur is voor rekening van de overheid, er is
geen prijs- en inkomstencontrole en inkomsten uit investeringen in het
buitenland hebben belastingvrijdom. De rol van het Saoedische
particuliere kapitaal in de productieve sector is echter gering. De
Saoedi-Arabiërs zelf houden zich vnl. met handel en import bezig,
terwijl buitenlandse ondernemingen, overigens wel vaak in joint venture
met Saoedi-Arabisch kapitaal, in de productieve sector bezig zijn. Dit
geldt ook voor de werkgelegenheid. Zowel het ongeschoolde als het zeer
geschoolde werk in de productieve sector wordt door buitenlanders
verricht, terwijl de Saoedi-Arabiërs zelf de voorkeur geven aan een
werkkring in de ambtenarij, het leger of de handel en de
dienstverlenende sector. Een niet te verwaarlozen bijdrage aan de
economie leveren de honderdduizenden pelgrims die de heilige plaatsen
Mekka en Medina bezoeken. De inkomsten van de overheid uit de
aardoliewinning worden allereerst besteed aan de verbetering van de
infrastructuur: aanleg van wegen, de bouw van havens en nieuwe steden,
aanleg van telecommunicatiesystemen en het bevorderen van industriële
projecten. Daarnaast wordt veel geld uitgegeven voor onderwijs en
volksgezondheid. Via de Saudi Arabian Monetary Agency wordt voor grote
bedragen in het buitenland geïnvesteerd. Door de grote omvang en
levenswijze van de koninklijke familie en ondanks de corruptie heeft het
land een aanzienlijke buitenlandse schuld van meer dan $ 5 miljard.
4.2 Landbouw, veeteelt en visserij
In 1990 was, naar schatting, 25% van de bevolking in de landbouw
werkzaam (in 1970 nog 40%). Slechts 1% van het totale oppervlak is
direct geschikt voor akkerbouw, maar door de toepassing van (kostbare)
moderne irrigatie- en cultivatietechnieken kon het areaal worden
uitgebreid en steeg de landbouwopbrengst tussen 1985 en 1990 jaarlijks
met ca. 14%. Van belang zijn verder de akkerbouwgronden in de oasen, die
zeer intensief bebouwd worden en waarvan de voornaamste producten
groenten, voedingsgewassen, fruit en dadels zijn. De terrasbouw in de
lager gelegen bergstreken van Azier levert granen, aardappels en
groenten (tomaten). In hoger gelegen bergstreken worden koffie (arabicakoffie),
citrusvruchten, olijven, mango's, granaatappelen, perziken, appels en
vijgen verbouwd. Nog hoger komen graancultures voor. Saoedi-Arabië
streeft naar zelfvoorziening op voedselgebied. Vooral de graanopbrengst
is aanzienlijk toegenomen.
Er bestaan verschillende vormen van grondeigendom, zoals
familie-eigendom, staatseigendom en eigendom van religieuze of
caritatieve instellingen. De bewerking van de grond geschiedt bijna
altijd door pachters, die naar gelang van de eigendomsvorm een groter of
kleiner deel van de oogst als pacht aan de eigenaars moeten afdragen. De
overheid geeft subsidie voor de aankoop van landbouwmachines en
kunstmest.
Een groot deel van het oppervlak wordt voor nomadische en halfnomadische
veehouderij gebruikt. De producten, melk, vlees en wol, zijn in de
eerste plaats voor eigen gebruik van de rondtrekkende groepen bestemd.
Veel nomaden zijn in de jaren zestig, zeventig en tachtig tot een
sedentaire levenswijze overgegaan. De overheid tracht door aanleg van
bronnen en mechanisering de sedentaire veehouderij te bevorderen (Harad
Scheme for Settlement of Bedouins). De veestapel bestaat uit ezels,
runderen, schapen en geiten, kippen en kamelen. Hoewel de Arabische Golf
en de Rode Zee zeer visrijk zijn, beperkt de visserij zich tot vangsten
voor de binnenlandse behoefte.
4.3 Mijnbouw en energie
De bewezen aardoliereserves (in 1991/92 vastgesteld op 300 miljard
vaten) van Saoedi-Arabië zijn de grootste ter wereld. Bij Mazalidj, ten
zuidoosten van al-Riaad, ligt het grootste veld van het land. De
belangrijkste olievelden zijn daarna die van al-Ghawar, Chursanja en
Aboe Hadriya in het oosten, met Dhahran als commercieel centrum. Begin
jaren negentig schommelde de productie rond de 5,4 miljoen vaten per dag
(OPEC-quotum). De grootste oliemaatschappij, waarin de staat een
meerderheidsaandeel heeft, is de American Oil Company (ARAMCO).
Daarnaast zijn de Amerikaanse Getty Oil Company en de Japanse Arabian
Oil Company actief. De Franse maatschappij Auxerab en de Amerikaanse
maatschappijen Sun Oil en Natomas verrichten off-shore exploraties in de
Rode Zee. De voornaamste raffinaderijen zijn in Jedda, Ras Tanura,
al-Riaad, Jubail en Yenbo.
De bewezen aardgasreserves bedroegen eind 1989 5020 miljard m3. Grote
hoeveelheden gas worden afgefakkeld. De aangetroffen goud- en
fosfaatvoorraden worden (nog) niet geëxploiteerd, zomin als het gevonden
zilver, ijzer, bauxiet, koper en tin. De elektriciteitsvoorziening vindt
plaats in centrales die aangedreven worden door aardolie en aardgas.
4.4 Industrie
De industrie kwam vooral na 1975 tot ontwikkeling. Het merendeel van de
industriële producten, zoals bouwmaterialen, consumptiegoederen en van
aardolie afgeleide producten, wordt op de binnenlandse markt afgezet. De
kleinere industriële bedrijven produceren cement, plastic buizen,
bakstenen, marmer, meubels, textiel en tapijten, schoeisel, chemische
producten, alcoholvrije dranken en voedingsmiddelen. Na de
aardolie-industrie is de cementindustrie het belangrijkst. Het
belangrijkste instrument voor het realiseren van een veelsoortige
industrie is Petromin geweest, een staatsinstelling die in 1962 werd
opgericht.
4.5 Handel
De uitvoer bestaat voor 85% uit aardolie, die vnl. geleverd wordt aan
West-Europa, de Verenigde Staten en Japan. De import bestaat uit
machines, personen- en vrachtauto's en voedingsmiddelen. Voorts nog
bouwmaterialen, chemische producten en textiel. De belangrijkste
leveranciers zijn de Verenigde Staten, Japan, Groot-Brittannië en
Duitsland. De waarde van de export overtreft die van de import verre.
4.6 Bankwezen
Centrale bank is de in 1952 opgerichte Saudi Arabian Monetary Agency.
Daarnaast bestaat er een kredietbank voor de landbouw.
4.7 Verkeer
Er loopt een 610 km lange spoorlijn van de Perzische Golf naar al-Riaad.
De historische Hedzjaz-spoorweg, die tijdens de Arabische opstand
onklaar raakte, is in Saoedi-Arabië weer hersteld. Er is een uitgebreid
net van geasfalteerde wegen, met een totale lengte van 151.532 km. De
belangrijkste havens zijn Jedda en Janboe in het westen, voor goederen
en pelgrims, en Dammam en Ras Tanoera aan de oostkust. Ras Tanoera is de
belangrijkste aardoliehaven van het land. Het vliegverkeer is van
bijzondere betekenis. De belangrijkste internationale luchthavens zijn
in Jedda, Dhahran en al-Riaad. Er zijn 23 kleinere vliegvelden
(waaronder een bij Medina). De nationale luchtvaartmaatschappij Saudi
Arabian Airlines onderhoudt verbindingen met belangrijke internationale
luchthavens.
5. Geschiedenis
Toen het Osmaanse rijk in okt. 1914 aan de zijde van Duitsland en
Oostenrijk aan de Eerste Wereldoorlog ging deelnemen, verbraken de onder
Brits gezag staande sjeiks en emirs van de vorstendommen langs de
Perzische Golf tot aan de aan de Indische Oceaan gelegen kroonkolonie
Aden de laatste banden die zij nog onderhielden met de Osmaanse
regering. De Turken konden rekenen op de trouw van de leider van de
machtige stammenconfederatie van de Sjammar-bedoeïenen, Ibn Rasjid, en
van de imam van Jemen, Jahja.
5.1 Strijd tussen Ibn Sa'oed en Hoesein
In het hart van Arabië was sjeik Ibn Sa'oed, imam van de fanatieke en
puriteins-islamitische sekte van de wahhabieten, bezig zijn gezag te
consolideren in geheel Nedzjed en in het in 1913 op de Turken veroverde,
aan de Perzische Golf gelegen kustgebied Hasa. Engeland wist in ruil
voor beloften van Arabische onafhankelijkheid en het zenden van
militaire adviseurs (T.E. Lawrence) de Hasjemitische sjarif van Mekka,
Hoesein, te bewegen tot een opstand tegen het Osmaanse gezag (juni
1916). De vredesregeling na de geallieerde overwinning werd door Hoesein
- inmiddels koning van Hedzjaz geworden - als een Britse trouwbreuk
tegenover de Arabieren gebrandmerkt. Hij verspeelde hierdoor de Britse
bescherming.
Een reeds geruime tijd bestaand grensgeschil tussen Ibn Sa'oed en
Hoesein bracht in mei 1919 een gewapende botsing teweeg bij Toeraba,
waar Hoeseins troepenmacht, aangevoerd door zijn zoon Abdoellah (de
latere koning van Jordanië), een verpletterende nederlaag leed. Onder
Britse diplomatieke druk zag Ibn Sa'oed er echter voorlopig van af zijn
overwinning uit te buiten. Na een snelle militaire campagne veroverde
Ibn Sa'oed in 1921 het grondgebied van de Sjammar-bedoeïenen, dat bij
Nedzjed werd gevoegd. In 1922 veroverde hij het gebied van de
Roewalla-bedoeïenen.
Nadat het nieuwe Turkije van Kemal Atatürk het kalifaat had afgeschaft
(maart 1924) proclameerde Hoesein zich tot kalief, hetgeen in het
merendeel van de islamitische wereld grote verontwaardiging verwekte.
Ibn Sa'oeds fanatieke wahhabitische krijgsscharen, die in aug. 1924 de
Hedzjaz binnenvielen, waren verre superieur aan Hoeseins strijdmacht. In
okt. 1924 abdiceerde de sjarif ten behoeve van zijn oudste zoon Ali.
Deze wist zich nog tot dec. 1925 in Jedda te handhaven; toen staakte ook
hij de strijd.
5.2 Koningschap Ibn Sa'oed (zie foto)
Op
8 jan. 1926 werd Ibn Sa'oed in Mekka tot koning van de Hedzjaz
uitgeroepen, waarmee hij tevens beheerder werd van de heilige plaatsen
Mekka en Medina - een in de islamitische wereld in hoog aanzien staande
positie. De Britse erkenning kwam in de vorm van het Brits-Saoedische
verdrag van Jedda van mei 1927, krachtens hetwelk Ibn Sa'oed zich
verbond de grenzen van zijn rijk met de onder Britse politieke
beheersing staande vorstendommen Irak, Transjordanië en Koeweit te
eerbiedigen.
In sept. 1932 werd Ibn Sa'oed uitgeroepen tot koning van Saoedi-Arabië:
het samengevoegde grondgebied van de Hedzjaz, Nedzjed en Hasa. Nog
eenmaal werd zijn machtspositie op het Arabisch schiereiland betwist: in
1934 leidden de aanspraken van de imam van Jemen op het ten zuiden van
de Hedzjaz gelegen sjeikdom Azier, dat onder Ibn Sa'oeds protectie
stond, tot een gewapend conflict tussen beide vorsten. De imam werd
verslagen, maar door Ibn Sa'oed werd geen gebiedsafstand of
oorlogsschatting van hem geëist; in het vredesverdrag werd zelfs
gesproken van 'islamitische vriendschap' en 'Arabische broederschap'.
5.3 Sedentarisering bedoeïenen
Reeds vóór de Eerste Wereldoorlog, toen hij alleen nog maar over Nedzjed
heerste, had Ibn Sa'oed een beleid gevoerd gericht op sedentarisering
van de nomaden rond watervindplaatsen. Daar werden zgn. Ichwan-(Broederschaps)gemeenschappen
gesticht, die uit verschillende stammen afkomstige leden omvatten. Door
dit beleid nu op grotere schaal voort te zetten, slaagde Ibn Sa'oed erin
de stamloyaliteit in veel gevallen te doorbreken. Voorts had Ibn Sa'oed,
om zijn rijk beter te kunnen beheersen en tot een functionerende eenheid
te maken, reeds vroeg gebruik gemaakt van moderne, westerse
communicatiesystemen. Door de vorming van een luchtmacht slaagde hij
erin de uiterst beweeglijke bedoeïenen onder militaire controle te
brengen en stamoorlogen, rooftochten e.d. tegen te gaan en de
karavaanwegen en de grenzen van het rijk te beveiligen.
5.4 Aardolievondsten
Uiterst belangrijk voor het land was de ontdekking van rijke
aardolievoorraden in de woestijn. Via de Arabian American Oil Company (ARAMCO),
die sedert 1944 de olieproductie verzorgde, kregen de Verenigde Staten
een zeer duidelijke greep op de politiek in Saoedi-Arabië, waar Ibn
Sa'oed dankzij de gestaag stijgende olierevenuen in staat was een
voorzichtig moderniseringsprogram op te zetten. Zijn bewind schonk het
land politieke stabiliteit, zij het ook ten koste van iedere vorm van
democratie, en ook enige welvaart, al bleef er een groot verschil
bestaan tussen een kleine klasse van rijken (voor een groot deel familie
van de koning) en de arme massa.
Wat de buitenlandse politiek betrof, was Ibn Sa'oed een groot aanhanger
van de Arabische solidariteitsgedachte, maar als medeoprichter van de
Arabische Liga (22 maart 1945) raakte hij juist verwikkeld in de
inter-Arabische tegenstellingen. De dynastieke vete met de Hasjemitische
vorsten van Jordanië en Irak dreef hem tot een nauwe samenwerking met
het Egypte van koning Faroek, in een gezamenlijke poging
machtsuitbreiding van de Hasjemieten te voorkomen. Tijdens de eerste
Arabisch-Israëlische oorlog (1948) nam Ibn Sa'oed weliswaar een
uitgesproken anti-Israëlisch standpunt in, maar hij beperkte zich tot
het zenden van een kleine, symbolische Saoedische strijdmacht.
Zijn opvolger (nov. 1953) en oudste zoon, Sa'oed ibn Abd al-Aziz, was
een zwakke figuur. Diens jongere broer, Faisal ibn Abd al-Aziz, werd dan
ook verscheidene malen met het premierschap of met de zorg voor 's lands
financiën of defensie belast. Na de val van de Iraakse monarchie in 1958
werd Saoedi-Arabië het belangrijkste nog resterende bolwerk van
conservatieve machten en westerse invloed in het Midden-Oosten. De coup
van Nassergezinde officieren in het buurland Jemen in sept. 1962 had in
Saoedi-Arabië een overdracht van de 'de facto'-bewindvoering van Sa'oed
aan zijn broer Faisal tot gevolg.
5.5 Moderniseringsbeleid onder Faisal
In
nov. 1964 werd Sa'oed officieel afgezet en
Faisal (zie foto) tot koning uitgeroepen. Deze zette zich aan
een versneld moderniseringsproces, vooral wat betreft de economische
infrastructuur, het bestuurs- en het militaire apparaat en het
onderwijs. Hierdoor ontstond een klasse van modern opgeleide
technologen, specialisten, beoefenaars van vrije beroepen en militairen,
die het ontbreken van elke vorm van politieke inspraak een onduldbare
zaak achtte. De klachten over de corruptie en over de extravagante
uitgaven van leden van het koninklijk huis namen toe en in commerciële
kringen heerste ontevredenheid over allerlei beperkende bepalingen.
Faisal kon zich tegenover revolutionaire stromingen echter vrij
gemakkelijk staande houden door de steun van de religieuze leiders,
alsmede dankzij een sinds 1965 met Britse steun opgeleide lijfwacht, de
Witte Garde, gerekruteerd uit de aan de koning onvoorwaardelijk trouwe
bedoeïenen.
Faisal ontwikkelde zich tot grote tegenspeler van de
Egyptische president Nasser. Het uitbreken van de tweede
Arabisch-Israëlische oorlog (1967) riep aan de voortschrijdende
controverse tussen beiden echter een voorlopig halt toe, doordat de
verslagen Arabische buurlanden van Israël, met inbegrip van Egypte, nu
waren aangewezen op Saoedische financiële steun. Na de dood van Nasser (sept.
1970) werden de banden met het Sadat-regime in Egypte aangehaald en trad
Faisal verscheidene malen op als bemiddelaar in inter-Arabische
conflicten. In 1973, vóór, tijdens en na de Oktoberoorlog, paste
Saoedi-Arabië samen met andere OAPEC-landen zijn aardolie toe als
politiek wapen. Op 25 maart 1975 werd koning Faisal door een neef
vermoord; hij werd opgevolgd door zijn halfbroer Chalid ibn Abd al-Aziz.
5.6 Chalid aan de macht
De politieke lijn van Faisal werd bijna ongewijzigd voortgezet.
Saoedi-Arabië reageerde in felle bewoordingen op de
vredesonderhandelingen tussen Egypte en Israël en de daarop volgende
akkoorden van Camp David (1978). Toen in 1979 het regime van de sjah van
Perzië (Iran) ten val kwam en een militant islamitisch bewind werd
gevestigd, namen Saoedi-Arabië en de aangrenzende Golfstaten uitvoerige
veiligheidsmaatregelen. De aardolie-uitvoer naar het Westen werd
opgevoerd om de teruggelopen leveranties uit Iran op te vangen. De
militaire samenwerking tussen de Golfstaten werd verder geïntensiveerd
na de Sovjet-Russische invasie van Afghanistan, waartegen vooral door
Saoedi-Arabië heftig werd geprotesteerd, en na het uitbreken van de
oorlog tussen Irak en Iran, waarin Saoedi-Arabië de kant van Irak koos.
In okt. 1981 lanceerde vice-premier kroonprins Fahd, de sterke man in
het land, een vredesplan voor het Midden-Oosten dat de impliciete
erkenning van de staat Israël inhield. Toen koning Chalid in juni 1982
overleed, werd zijn broer Fahd door de familieraad tot koning gekozen.
5.7 Islamitisch protest
Binnenslands werd het aanzien van het regime een gevoelige klap
toegebracht door de bezetting van de Grote Moskee in Mekka in nov. 1979
door een groep orthodoxe islamieten, die vergaande hervormingen eisten
van de in hun ogen decadente en de wetten van de islam schendende
machthebbers. Aan de bezetting werd gewapenderhand en met de hulp van
buitenlandse militaire specialisten een eind gemaakt. Saoedi-Arabië
vreesde de uitstraling van de islamitische revolutie in Iran o.a. op de
eigen achtergestelde sji'itische minderheid. Tijdens de jaarlijkse
bedevaart naar Mekka zorgden anti-Amerikaanse demonstraties van Iraanse
pelgrims jaarlijks voor grote onrust. In juli 1987 liepen die uit op
ongeregeldheden, waarbij meer dan 400 Iraniërs om het leven kwamen.
Saoedi-Arabië stelde daarop een quotum in voor het aantal pelgrims,
waarop Iran de betrekkingen verbrak. Op de achtergrond speelden mee de
Saoedische steun aan Irak in de oorlog tegen Iran (Eerste Golfoorlog,
1980-1988) en de pro-Amerikaanse koers van de Saoedische buitenlandse
politiek. Tijdens deze oorlog had Saoedi-Arabië het initiatief genomen
voor de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC), een militair
bondgenootschap met Koeweit, Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische
Emiraten en Oman. Binnen de GCC werd tevens economische en politieke
samenwerking gezocht.
5.8 Golfoorlog
Fel bekritiseerd vanuit delen van de islamitische wereld riep koning
Fahd in verband met de Iraakse bezetting van Koeweit in aug. 1990 de
hulp in van (o.a.) een omvangrijke Amerikaanse troepenmacht. Tijdens de
Tweede Golfoorlog (jan.-febr. 1991) namen de Saoedische strijdkrachten
deel aan de bevrijding van Koeweit, terwijl Irak o.a. de Saoedische stad
Dhahran met Scud-raketten bestookte. Na afloop van de oorlog verzekerde
Saoedi-Arabië zich van verdere Amerikaanse steun. Tevens werden de
betrekkingen met Iran en de Sovjet-Unie hersteld. Saoedi-Arabië speelde
op de achtergrond een belangrijke rol bij de totstandkoming van de door
de Verenigde Staten geïnitieerde vredesconferentie over het
Midden-Oosten in 1991.
5.9 Begin democratisering
Mede onder Amerikaanse druk besloot koning Fahd in 1992 een
Consultatieve Raad (Majlis a-Shura) in te stellen als voorzichtig begin
van democratisering. Tevens waarschuwde hij de religieuze leiders zich
verre te houden van de politiek. Een groep die zich in mei 1993 vormde
om zich met de mensenrechten in Saoedi-Arabië bezig te houden (CDLR),
werd vanaf het begin tegengewerkt.
In 1994 werd een aantal leden van het verboden (ten dele
fundamentalistische) Comité voor de Verdediging van de Legitieme Rechten
(CDLR) opgepakt en in sept. van dat jaar werden honderden
fundamentalisten gearresteerd. Tegelijkertijd probeerde de regering de
fundamentalisten de wind uit de zeilen te nemen door islamitische regels
strikter toe te passen. Niet alleen tegen fundamentalisten, maar ook
tegen vrijzinnigen werd met harde hand opgetreden.
Begin 1995 werd een serie maatregelen genomen om het sinds de Golfoorlog
ontstane miljardentekort op de overheidsbegroting terug te dringen. Een
lage olieprijs, de onkosten van de Golfoorlog en het zeer buitensporige
uitgavenpatroon van de koninklijke familie lagen ten grondslag aan dit
tekort. Ook werden enkele ministers vervangen door meer
hervormingsgezinden en werd een grondige bestuurlijke hervorming
doorgevoerd.
Saoedi-Arabië verzette zich nadrukkelijk tegen verlichting van de
VN-sancties tegen Irak - als olie-exporteur een belangrijke concurrent
-, maar in 1995 distantieerden Oman en Qatar zich op de topconferentie
van de Gulf Cooperation Council in Riaad van het Saoedische standpunt,
welk voorbeeld later werd gevolgd door de Verenigde Arabische Emiraten.
Radicale moslims pleegden in juni 1996 een aanslag op de Amerikaanse
luchtmachtbasis bij de stad Dhahran.
Telefoongids Saoedi-Arabië
Postcodes
Saoedi-Arabië
|