header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Saoedi-ArabiŽ

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 


 

Saoedi-ArabiŽ (al-Mamlaka al-'Arabžya as-Sa'udžya = Saoedi-Arabisch Koninkrijk), koninkrijk in Zuidwest-AziŽ, op het Arabisch Schiereiland, 2.240.000 km2, met (schatting) 17.498.000 miljoen inw., 8 inw. per km2; hoofdstad: al-Riaad. Munteenheid is de Saoedi riyal (SAR), onderverdeeld in 100 halalah.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Saoedi-ArabiŽ bestaat uit een in het westen, oosten en zuiden door randgebergten omgeven plateaugebied van ca. 600-1000 m hoogte, dat naar het zuiden afdaalt naar de Grote Arabische Woestijn en in het noorden naar de Syrische Woestijn. De Rode-Zeekust is tot aan Janboe, de haven van Medina, vlak, doch wordt ten noorden daarvan steil.
Het binnenland van bestaat vrijwel geheel uit woestijngebieden, grotendeels van het type zandwoestijn. Van noord naar zuid gaande vindt men hier de Syrische Woestijn, de Grote en Kleine Noefoed, het woestijngebied van Nedzjed en de Grote Arabische Woestijn, waarvan het noordelijk deel wordt gevormd door el-Dahna en het zuidelijke el-Roeb el-Chali (Arab., = het lege kwartier) wordt genoemd. Tussen de Sahara en het Perzische woestijngebied gelegen, vormt ArabiŽ de schakel in de keten van woestijngebieden op het noordelijk halfrond.
1.2. Geologie
Geologisch sluit het Arabisch Schiereiland aan bij Noordoost-Afrika, waarvan het is gescheiden door de Rode Zee, die deel uitmaakt van de grote Afrikaanse breukzone. Het grondgebergte bestaat uit kristallijne gneis en schisten; op vele plaatsen komen oude intrusieve gesteenten voor (graniet, dioriet, porfier, enz.). De oudere lagen worden over grote oppervlakten bedekt door vrijwel horizontaal gelegen sedimentgesteenten, o.a. door de Nubische zandsteen, in het noordoosten en zuiden door gesteenten uit het Krijt en het Paleogeen. In het westen en zuidwesten zijn de vroegere sedimentpakketten verdwenen en ligt het kristallijne grondgebergte aan de oppervlakte.
1.3 Klimaat
Er heerst een woestijnklimaat, met hete dagen en koude nachten. Temperaturen tot 50į C komen voor, o.a. aan de Golf van Oman. In het noorden valt sporadisch winterregen. Het woestijnkarakter van het klimaat moge blijken uit enkele temperatuur- (warmste maand) en neerslagcijfers (jaargemiddelde): Jedda: 33į C (juli), 80 mm; Riaad: 34įC (juni), 82 mm.
1.4 Plantengroei
De vegetatie vertoont vrij sterke overeenkomst met die van het aangrenzende deel van Noord-Afrika. De plantensoorten in de diverse vegetatietypen zijn duidelijk aangepast aan de hoge temperaturen en geringe regenval. In het zuiden en westen komen savannen voor, waarin o.a. Acacia-soorten een belangrijke plaats innemen. In de hogere delen van deze gebieden worden tropische gebergtebossen gevonden met onder meer de Afrikaanse olijf (Olea africana) en coniferen uit de geslachten jeneverbes en Podocarpus. In het centrale deel komen woestijnvegetaties voor met een zeer geringe bodembedekking. Karakteristiek hierin zijn o.a. dwergstruiken en grassen. Plaatselijk in dit centrale gebied is de bodem sterk zouthoudend. Kenmerkende soorten voor de op deze plaatsen voorkomende zoutplantenvegetaties zijn diverse Tamarisken en verschillende vertegenwoordigers van de Ganzenvoetfamilie.
1.5 Dierenwereld
Ondanks het feit dat het grootste deel bestaat uit zandwoestijnen, is er een gevarieerd dierenleven. Behalve insecten, schorpioenen en spinnen komen in de woestijn ook veel reptielen voor, o.a. diverse hagedissoorten, cobra's, adders en andere slangen. Raven en gieren vindt men over het gehele schiereiland, evenals zwaluwen en leeuweriken. De sakervalk wordt veel gevangen en door valkeniers getraind voor de jacht op hoenders. Grote zoogdieren zijn sterk in aantal teruggelopen sinds er gejaagd wordt met moderne wapens vanuit motorvoertuigen. Drie soorten gazellen, die vůůr de Tweede Wereldoorlog in groten getale in dit gebied leefden, zijn er bijna verdwenen, terwijl de steenbok in aantal gedecimeerd is en de Arabische oryx sinds 1960 in het wild is uitgeroeid. De wolf, panter en gestreepte hyena zijn de grootste roofdieren. De natuurbescherming staat nog in de kinderschoenen.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Bijna de gehele bevolking bestaat uit Arabieren. In het zuidwesten leven de Jemenitische Arabieren, in het overige deel de Arabieren van de hooglanden. In Jedda en Mekka leven veel buitenlandse pelgrims en hun nakomelingen, vnl. afkomstig uit Afghanistan, IndonesiŽ, Pakistan en andere islamitische landen. Zoals de volkstelling van 1992 aantoonde, wonen er 4,7 miljoen buitenlanders in het land (op een totaal van 17,5 miljoen is dat 27%), van wie ca. 100.000 afkomstig uit West-Europa en Amerika, vnl. werkzaam bij westerse maatschappijen. Daarnaast wonen er grote aantallen gastarbeiders afkomstig uit de buurlanden en Pakistan, IndonesiŽ, de Filippijnen en Zuid-Korea. Van de bevolking woont 80% in steden als al-Riaad (1,9 miljoen inw.), Jedda (1,5 miljoen), Mekka (550.000), Ta'if (300.000), Medina (290.000) en Dammam (200.000). De bevolkingstoename in de periode 1985-1994 bedroeg gemiddeld 3,6% per jaar, waarmee het land de snelst groeiende bevolkingen van de wereld bezit. Ruim 45% is jonger dan 15 jaar. De levensverwachting bij geboorte bedraagt 69 jaar voor mannen en 72 jaar voor vrouwen.
2.2 Taal
De gesproken en geschreven taal is bijna uitsluitend Arabisch. Engels is de tweede taal.
2.3 Religie
Staatsgodsdienst is de soennitische richting van de islam (85% van de bevolking), m.n. die van de puriteinse sekte van de wahhabieten, met aan het hoofd de koning. In het noordoosten (prov. al-Hasa) woont een sji'itische minderheid (15%). Saoedi-ArabiŽ is met de twee heilige steden Medina en Mekka het religieuze centrum van de islamitische wereld.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Wapen van LandSaoedi-ArabiŽ heeft geen grondwet. De sjari'a, en wel volgens de uitleg van de hanbalitische school, is toonaangevend voor de politieke en sociale verhoudingen. Het staatsgezag (wetgevend, uitvoerend en rechtsprekend) wordt uitgeoefend door de koning, die zijn legitimiteit ontleent aan het feit dat hij de hoogste geestelijk leider (imam) is. Zijn macht is evenwel niet absoluut. Zijn wetgevende bevoegdheid wordt beperkt door de sjari'a, die als goddelijk recht onveranderbaar is en waaraan niets toegevoegd kan worden. Alleen gebieden die de sjari'a niet bestrijkt, zoals het handelsrecht en het arbeidsrecht, kunnen voorwerp van wetgeving zijn. Verder dient de koning de steun te hebben van de oelama's, die de sjari'a uitleggen, de sjeiks van de belangrijkste stammen en de familieraad van de koninklijke familie, die uiteindelijk bepaalt wie koning wordt. De koninklijke familie, die enkele duizenden leden telt, is door de huwelijkspolitiek van haar stichter, Abd al-Aziz, verwant met alle invloedrijke stammen, die op deze wijze hun belangen bij het centrale gezag vertegenwoordigd weten. Belangrijke posten in de regering en het bedrijfsleven worden door leden van de koninklijke familie bezet.
Er bestaan geen parlement, politieke partijen of vakbonden. In 1958 werd een ministerraad in het leven geroepen die de koning bijstaat in zijn uitvoerende taak. Door de snelle economische ontwikkeling krijgt de ministerraad steeds meer bevoegdheden, vaak ten koste van de invloed van de sjeiks en de oelama's. In 1992 kondigde de koning de instelling van een adviesraad (Majlis as-Shura) aan, bestaande uit 60 benoemde leden. De koning houdt per traditie wekelijks een audiŽntie, de majlis, waar alle onderdanen toegang hebben om klachten en wensen voor te leggen.
3.2. Administratieve indeling
Het land is sinds 1993 in dertien provincies verdeeld. Ze worden bestuurd door gouverneurs, die bijgestaan worden door 210 provincieraadslieden; de leden worden benoemd door de minister van Binnenlandse Zaken en bestaan uit vertegenwoordigers van de provincie en de centrale regering.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Saoedi-ArabiŽ is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties, de OPEC en de OAPEC, de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC) en de Arabische Liga, de Wereldbank en het IMF.

4. Economie
4.1 Algemeen
De, vooral tussen 1974 en begin jaren tachtig, enorme inkomsten uit de aardoliewinning hebben de economische en sociale structuur in korte tijd sterk veranderd.
Het Bruto Nationaal Product (bnp) per hoofd van de bevolking was in 1994 $ 7240. De gemiddelde reŽle groei van het bnp per hoofd was in 1994 0, 6%. Het land heeft een vrijemarkteconomie, waarin de particuliere sector overheerst. De overheid steunt het particuliere bedrijfsleven, dat vooral wat de grotere bedrijven betreft veelal in handen van leden van de koninklijke familie is. Er worden renteloze leningen verstrekt, de aanleg van de infrastructuur is voor rekening van de overheid, er is geen prijs- en inkomstencontrole en inkomsten uit investeringen in het buitenland hebben belastingvrijdom. De rol van het Saoedische particuliere kapitaal in de productieve sector is echter gering. De Saoedi-ArabiŽrs zelf houden zich vnl. met handel en import bezig, terwijl buitenlandse ondernemingen, overigens wel vaak in joint venture met Saoedi-Arabisch kapitaal, in de productieve sector bezig zijn. Dit geldt ook voor de werkgelegenheid. Zowel het ongeschoolde als het zeer geschoolde werk in de productieve sector wordt door buitenlanders verricht, terwijl de Saoedi-ArabiŽrs zelf de voorkeur geven aan een werkkring in de ambtenarij, het leger of de handel en de dienstverlenende sector. Een niet te verwaarlozen bijdrage aan de economie leveren de honderdduizenden pelgrims die de heilige plaatsen Mekka en Medina bezoeken. De inkomsten van de overheid uit de aardoliewinning worden allereerst besteed aan de verbetering van de infrastructuur: aanleg van wegen, de bouw van havens en nieuwe steden, aanleg van telecommunicatiesystemen en het bevorderen van industriŽle projecten. Daarnaast wordt veel geld uitgegeven voor onderwijs en volksgezondheid. Via de Saudi Arabian Monetary Agency wordt voor grote bedragen in het buitenland geÔnvesteerd. Door de grote omvang en levenswijze van de koninklijke familie en ondanks de corruptie heeft het land een aanzienlijke buitenlandse schuld van meer dan $ 5 miljard.
4.2 Landbouw, veeteelt en visserij
In 1990 was, naar schatting, 25% van de bevolking in de landbouw werkzaam (in 1970 nog 40%). Slechts 1% van het totale oppervlak is direct geschikt voor akkerbouw, maar door de toepassing van (kostbare) moderne irrigatie- en cultivatietechnieken kon het areaal worden uitgebreid en steeg de landbouwopbrengst tussen 1985 en 1990 jaarlijks met ca. 14%. Van belang zijn verder de akkerbouwgronden in de oasen, die zeer intensief bebouwd worden en waarvan de voornaamste producten groenten, voedingsgewassen, fruit en dadels zijn. De terrasbouw in de lager gelegen bergstreken van Azier levert granen, aardappels en groenten (tomaten). In hoger gelegen bergstreken worden koffie (arabicakoffie), citrusvruchten, olijven, mango's, granaatappelen, perziken, appels en vijgen verbouwd. Nog hoger komen graancultures voor. Saoedi-ArabiŽ streeft naar zelfvoorziening op voedselgebied. Vooral de graanopbrengst is aanzienlijk toegenomen.
Er bestaan verschillende vormen van grondeigendom, zoals familie-eigendom, staatseigendom en eigendom van religieuze of caritatieve instellingen. De bewerking van de grond geschiedt bijna altijd door pachters, die naar gelang van de eigendomsvorm een groter of kleiner deel van de oogst als pacht aan de eigenaars moeten afdragen. De overheid geeft subsidie voor de aankoop van landbouwmachines en kunstmest.
Een groot deel van het oppervlak wordt voor nomadische en halfnomadische veehouderij gebruikt. De producten, melk, vlees en wol, zijn in de eerste plaats voor eigen gebruik van de rondtrekkende groepen bestemd. Veel nomaden zijn in de jaren zestig, zeventig en tachtig tot een sedentaire levenswijze overgegaan. De overheid tracht door aanleg van bronnen en mechanisering de sedentaire veehouderij te bevorderen (Harad Scheme for Settlement of Bedouins). De veestapel bestaat uit ezels, runderen, schapen en geiten, kippen en kamelen. Hoewel de Arabische Golf en de Rode Zee zeer visrijk zijn, beperkt de visserij zich tot vangsten voor de binnenlandse behoefte.
4.3 Mijnbouw en energie
De bewezen aardoliereserves (in 1991/92 vastgesteld op 300 miljard vaten) van Saoedi-ArabiŽ zijn de grootste ter wereld. Bij Mazalidj, ten zuidoosten van al-Riaad, ligt het grootste veld van het land. De belangrijkste olievelden zijn daarna die van al-Ghawar, Chursanja en Aboe Hadriya in het oosten, met Dhahran als commercieel centrum. Begin jaren negentig schommelde de productie rond de 5,4 miljoen vaten per dag (OPEC-quotum). De grootste oliemaatschappij, waarin de staat een meerderheidsaandeel heeft, is de American Oil Company (ARAMCO). Daarnaast zijn de Amerikaanse Getty Oil Company en de Japanse Arabian Oil Company actief. De Franse maatschappij Auxerab en de Amerikaanse maatschappijen Sun Oil en Natomas verrichten off-shore exploraties in de Rode Zee. De voornaamste raffinaderijen zijn in Jedda, Ras Tanura, al-Riaad, Jubail en Yenbo.
De bewezen aardgasreserves bedroegen eind 1989 5020 miljard m3. Grote hoeveelheden gas worden afgefakkeld. De aangetroffen goud- en fosfaatvoorraden worden (nog) niet geŽxploiteerd, zomin als het gevonden zilver, ijzer, bauxiet, koper en tin. De elektriciteitsvoorziening vindt plaats in centrales die aangedreven worden door aardolie en aardgas.
4.4 Industrie
De industrie kwam vooral na 1975 tot ontwikkeling. Het merendeel van de industriŽle producten, zoals bouwmaterialen, consumptiegoederen en van aardolie afgeleide producten, wordt op de binnenlandse markt afgezet. De kleinere industriŽle bedrijven produceren cement, plastic buizen, bakstenen, marmer, meubels, textiel en tapijten, schoeisel, chemische producten, alcoholvrije dranken en voedingsmiddelen. Na de aardolie-industrie is de cementindustrie het belangrijkst. Het belangrijkste instrument voor het realiseren van een veelsoortige industrie is Petromin geweest, een staatsinstelling die in 1962 werd opgericht.
4.5 Handel
De uitvoer bestaat voor 85% uit aardolie, die vnl. geleverd wordt aan West-Europa, de Verenigde Staten en Japan. De import bestaat uit machines, personen- en vrachtauto's en voedingsmiddelen. Voorts nog bouwmaterialen, chemische producten en textiel. De belangrijkste leveranciers zijn de Verenigde Staten, Japan, Groot-BrittanniŽ en Duitsland. De waarde van de export overtreft die van de import verre.
4.6 Bankwezen
Centrale bank is de in 1952 opgerichte Saudi Arabian Monetary Agency. Daarnaast bestaat er een kredietbank voor de landbouw.
4.7 Verkeer
Er loopt een 610 km lange spoorlijn van de Perzische Golf naar al-Riaad. De historische Hedzjaz-spoorweg, die tijdens de Arabische opstand onklaar raakte, is in Saoedi-ArabiŽ weer hersteld. Er is een uitgebreid net van geasfalteerde wegen, met een totale lengte van 151.532 km. De belangrijkste havens zijn Jedda en Janboe in het westen, voor goederen en pelgrims, en Dammam en Ras Tanoera aan de oostkust. Ras Tanoera is de belangrijkste aardoliehaven van het land. Het vliegverkeer is van bijzondere betekenis. De belangrijkste internationale luchthavens zijn in Jedda, Dhahran en al-Riaad. Er zijn 23 kleinere vliegvelden (waaronder een bij Medina). De nationale luchtvaartmaatschappij Saudi Arabian Airlines onderhoudt verbindingen met belangrijke internationale luchthavens.

5. Geschiedenis
Toen het Osmaanse rijk in okt. 1914 aan de zijde van Duitsland en Oostenrijk aan de Eerste Wereldoorlog ging deelnemen, verbraken de onder Brits gezag staande sjeiks en emirs van de vorstendommen langs de Perzische Golf tot aan de aan de Indische Oceaan gelegen kroonkolonie Aden de laatste banden die zij nog onderhielden met de Osmaanse regering. De Turken konden rekenen op de trouw van de leider van de machtige stammenconfederatie van de Sjammar-bedoeÔenen, Ibn Rasjid, en van de imam van Jemen, Jahja.
5.1 Strijd tussen Ibn Sa'oed en Hoesein
In het hart van ArabiŽ was sjeik Ibn Sa'oed, imam van de fanatieke en puriteins-islamitische sekte van de wahhabieten, bezig zijn gezag te consolideren in geheel Nedzjed en in het in 1913 op de Turken veroverde, aan de Perzische Golf gelegen kustgebied Hasa. Engeland wist in ruil voor beloften van Arabische onafhankelijkheid en het zenden van militaire adviseurs (T.E. Lawrence) de Hasjemitische sjarif van Mekka, Hoesein, te bewegen tot een opstand tegen het Osmaanse gezag (juni 1916). De vredesregeling na de geallieerde overwinning werd door Hoesein - inmiddels koning van Hedzjaz geworden - als een Britse trouwbreuk tegenover de Arabieren gebrandmerkt. Hij verspeelde hierdoor de Britse bescherming.
Een reeds geruime tijd bestaand grensgeschil tussen Ibn Sa'oed en Hoesein bracht in mei 1919 een gewapende botsing teweeg bij Toeraba, waar Hoeseins troepenmacht, aangevoerd door zijn zoon Abdoellah (de latere koning van JordaniŽ), een verpletterende nederlaag leed. Onder Britse diplomatieke druk zag Ibn Sa'oed er echter voorlopig van af zijn overwinning uit te buiten. Na een snelle militaire campagne veroverde Ibn Sa'oed in 1921 het grondgebied van de Sjammar-bedoeÔenen, dat bij Nedzjed werd gevoegd. In 1922 veroverde hij het gebied van de Roewalla-bedoeÔenen.
Nadat het nieuwe Turkije van Kemal AtatŁrk het kalifaat had afgeschaft (maart 1924) proclameerde Hoesein zich tot kalief, hetgeen in het merendeel van de islamitische wereld grote verontwaardiging verwekte. Ibn Sa'oeds fanatieke wahhabitische krijgsscharen, die in aug. 1924 de Hedzjaz binnenvielen, waren verre superieur aan Hoeseins strijdmacht. In okt. 1924 abdiceerde de sjarif ten behoeve van zijn oudste zoon Ali. Deze wist zich nog tot dec. 1925 in Jedda te handhaven; toen staakte ook hij de strijd.
5.2 Koningschap Ibn Sa'oed (zie foto)
Click to view high resolution versionOp 8 jan. 1926 werd Ibn Sa'oed in Mekka tot koning van de Hedzjaz uitgeroepen, waarmee hij tevens beheerder werd van de heilige plaatsen Mekka en Medina - een in de islamitische wereld in hoog aanzien staande positie. De Britse erkenning kwam in de vorm van het Brits-Saoedische verdrag van Jedda van mei 1927, krachtens hetwelk Ibn Sa'oed zich verbond de grenzen van zijn rijk met de onder Britse politieke beheersing staande vorstendommen Irak, TransjordaniŽ en Koeweit te eerbiedigen.
In sept. 1932 werd Ibn Sa'oed uitgeroepen tot koning van Saoedi-ArabiŽ: het samengevoegde grondgebied van de Hedzjaz, Nedzjed en Hasa. Nog eenmaal werd zijn machtspositie op het Arabisch schiereiland betwist: in 1934 leidden de aanspraken van de imam van Jemen op het ten zuiden van de Hedzjaz gelegen sjeikdom Azier, dat onder Ibn Sa'oeds protectie stond, tot een gewapend conflict tussen beide vorsten. De imam werd verslagen, maar door Ibn Sa'oed werd geen gebiedsafstand of oorlogsschatting van hem geŽist; in het vredesverdrag werd zelfs gesproken van 'islamitische vriendschap' en 'Arabische broederschap'.
5.3 Sedentarisering bedoeÔenen
Reeds vůůr de Eerste Wereldoorlog, toen hij alleen nog maar over Nedzjed heerste, had Ibn Sa'oed een beleid gevoerd gericht op sedentarisering van de nomaden rond watervindplaatsen. Daar werden zgn. Ichwan-(Broederschaps)gemeenschappen gesticht, die uit verschillende stammen afkomstige leden omvatten. Door dit beleid nu op grotere schaal voort te zetten, slaagde Ibn Sa'oed erin de stamloyaliteit in veel gevallen te doorbreken. Voorts had Ibn Sa'oed, om zijn rijk beter te kunnen beheersen en tot een functionerende eenheid te maken, reeds vroeg gebruik gemaakt van moderne, westerse communicatiesystemen. Door de vorming van een luchtmacht slaagde hij erin de uiterst beweeglijke bedoeÔenen onder militaire controle te brengen en stamoorlogen, rooftochten e.d. tegen te gaan en de karavaanwegen en de grenzen van het rijk te beveiligen.
5.4 Aardolievondsten
Uiterst belangrijk voor het land was de ontdekking van rijke aardolievoorraden in de woestijn. Via de Arabian American Oil Company (ARAMCO), die sedert 1944 de olieproductie verzorgde, kregen de Verenigde Staten een zeer duidelijke greep op de politiek in Saoedi-ArabiŽ, waar Ibn Sa'oed dankzij de gestaag stijgende olierevenuen in staat was een voorzichtig moderniseringsprogram op te zetten. Zijn bewind schonk het land politieke stabiliteit, zij het ook ten koste van iedere vorm van democratie, en ook enige welvaart, al bleef er een groot verschil bestaan tussen een kleine klasse van rijken (voor een groot deel familie van de koning) en de arme massa.
Wat de buitenlandse politiek betrof, was Ibn Sa'oed een groot aanhanger van de Arabische solidariteitsgedachte, maar als medeoprichter van de Arabische Liga (22 maart 1945) raakte hij juist verwikkeld in de inter-Arabische tegenstellingen. De dynastieke vete met de Hasjemitische vorsten van JordaniŽ en Irak dreef hem tot een nauwe samenwerking met het Egypte van koning Faroek, in een gezamenlijke poging machtsuitbreiding van de Hasjemieten te voorkomen. Tijdens de eerste Arabisch-IsraŽlische oorlog (1948) nam Ibn Sa'oed weliswaar een uitgesproken anti-IsraŽlisch standpunt in, maar hij beperkte zich tot het zenden van een kleine, symbolische Saoedische strijdmacht.
Zijn opvolger (nov. 1953) en oudste zoon, Sa'oed ibn Abd al-Aziz, was een zwakke figuur. Diens jongere broer, Faisal ibn Abd al-Aziz, werd dan ook verscheidene malen met het premierschap of met de zorg voor 's lands financiŽn of defensie belast. Na de val van de Iraakse monarchie in 1958 werd Saoedi-ArabiŽ het belangrijkste nog resterende bolwerk van conservatieve machten en westerse invloed in het Midden-Oosten. De coup van Nassergezinde officieren in het buurland Jemen in sept. 1962 had in Saoedi-ArabiŽ een overdracht van de 'de facto'-bewindvoering van Sa'oed aan zijn broer Faisal tot gevolg.
5.5 Moderniseringsbeleid onder Faisal
In nov. 1964 werd Sa'oed officieel afgezet en Faisal (zie foto) tot koning uitgeroepen. Deze zette zich aan een versneld moderniseringsproces, vooral wat betreft de economische infrastructuur, het bestuurs- en het militaire apparaat en het onderwijs. Hierdoor ontstond een klasse van modern opgeleide technologen, specialisten, beoefenaars van vrije beroepen en militairen, die het ontbreken van elke vorm van politieke inspraak een onduldbare zaak achtte. De klachten over de corruptie en over de extravagante uitgaven van leden van het koninklijk huis namen toe en in commerciŽle kringen heerste ontevredenheid over allerlei beperkende bepalingen. Faisal kon zich tegenover revolutionaire stromingen echter vrij gemakkelijk staande houden door de steun van de religieuze leiders, alsmede dankzij een sinds 1965 met Britse steun opgeleide lijfwacht, de Witte Garde, gerekruteerd uit de aan de koning onvoorwaardelijk trouwe bedoeÔenen.
Faisal ontwikkelde zich tot grote tegenspeler van de Egyptische president Nasser. Het uitbreken van de tweede Arabisch-IsraŽlische oorlog (1967) riep aan de voortschrijdende controverse tussen beiden echter een voorlopig halt toe, doordat de verslagen Arabische buurlanden van IsraŽl, met inbegrip van Egypte, nu waren aangewezen op Saoedische financiŽle steun. Na de dood van Nasser (sept. 1970) werden de banden met het Sadat-regime in Egypte aangehaald en trad Faisal verscheidene malen op als bemiddelaar in inter-Arabische conflicten. In 1973, vůůr, tijdens en na de Oktoberoorlog, paste Saoedi-ArabiŽ samen met andere OAPEC-landen zijn aardolie toe als politiek wapen. Op 25 maart 1975 werd koning Faisal door een neef vermoord; hij werd opgevolgd door zijn halfbroer Chalid ibn Abd al-Aziz.
5.6 Chalid aan de macht
De politieke lijn van Faisal werd bijna ongewijzigd voortgezet. Saoedi-ArabiŽ reageerde in felle bewoordingen op de vredesonderhandelingen tussen Egypte en IsraŽl en de daarop volgende akkoorden van Camp David (1978). Toen in 1979 het regime van de sjah van PerziŽ (Iran) ten val kwam en een militant islamitisch bewind werd gevestigd, namen Saoedi-ArabiŽ en de aangrenzende Golfstaten uitvoerige veiligheidsmaatregelen. De aardolie-uitvoer naar het Westen werd opgevoerd om de teruggelopen leveranties uit Iran op te vangen. De militaire samenwerking tussen de Golfstaten werd verder geÔntensiveerd na de Sovjet-Russische invasie van Afghanistan, waartegen vooral door Saoedi-ArabiŽ heftig werd geprotesteerd, en na het uitbreken van de oorlog tussen Irak en Iran, waarin Saoedi-ArabiŽ de kant van Irak koos. In okt. 1981 lanceerde vice-premier kroonprins Fahd, de sterke man in het land, een vredesplan voor het Midden-Oosten dat de impliciete erkenning van de staat IsraŽl inhield. Toen koning Chalid in juni 1982 overleed, werd zijn broer Fahd door de familieraad tot koning gekozen.
5.7 Islamitisch protest
Binnenslands werd het aanzien van het regime een gevoelige klap toegebracht door de bezetting van de Grote Moskee in Mekka in nov. 1979 door een groep orthodoxe islamieten, die vergaande hervormingen eisten van de in hun ogen decadente en de wetten van de islam schendende machthebbers. Aan de bezetting werd gewapenderhand en met de hulp van buitenlandse militaire specialisten een eind gemaakt. Saoedi-ArabiŽ vreesde de uitstraling van de islamitische revolutie in Iran o.a. op de eigen achtergestelde sji'itische minderheid. Tijdens de jaarlijkse bedevaart naar Mekka zorgden anti-Amerikaanse demonstraties van Iraanse pelgrims jaarlijks voor grote onrust. In juli 1987 liepen die uit op ongeregeldheden, waarbij meer dan 400 IraniŽrs om het leven kwamen. Saoedi-ArabiŽ stelde daarop een quotum in voor het aantal pelgrims, waarop Iran de betrekkingen verbrak. Op de achtergrond speelden mee de Saoedische steun aan Irak in de oorlog tegen Iran (Eerste Golfoorlog, 1980-1988) en de pro-Amerikaanse koers van de Saoedische buitenlandse politiek. Tijdens deze oorlog had Saoedi-ArabiŽ het initiatief genomen voor de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC), een militair bondgenootschap met Koeweit, Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en Oman. Binnen de GCC werd tevens economische en politieke samenwerking gezocht.
5.8 Golfoorlog
Fel bekritiseerd vanuit delen van de islamitische wereld riep koning Fahd in verband met de Iraakse bezetting van Koeweit in aug. 1990 de hulp in van (o.a.) een omvangrijke Amerikaanse troepenmacht. Tijdens de Tweede Golfoorlog (jan.-febr. 1991) namen de Saoedische strijdkrachten deel aan de bevrijding van Koeweit, terwijl Irak o.a. de Saoedische stad Dhahran met Scud-raketten bestookte. Na afloop van de oorlog verzekerde Saoedi-ArabiŽ zich van verdere Amerikaanse steun. Tevens werden de betrekkingen met Iran en de Sovjet-Unie hersteld. Saoedi-ArabiŽ speelde op de achtergrond een belangrijke rol bij de totstandkoming van de door de Verenigde Staten geÔnitieerde vredesconferentie over het Midden-Oosten in 1991.
5.9 Begin democratisering
Mede onder Amerikaanse druk besloot koning Fahd in 1992 een Consultatieve Raad (Majlis a-Shura) in te stellen als voorzichtig begin van democratisering. Tevens waarschuwde hij de religieuze leiders zich verre te houden van de politiek. Een groep die zich in mei 1993 vormde om zich met de mensenrechten in Saoedi-ArabiŽ bezig te houden (CDLR), werd vanaf het begin tegengewerkt.
In 1994 werd een aantal leden van het verboden (ten dele fundamentalistische) Comitť voor de Verdediging van de Legitieme Rechten (CDLR) opgepakt en in sept. van dat jaar werden honderden fundamentalisten gearresteerd. Tegelijkertijd probeerde de regering de fundamentalisten de wind uit de zeilen te nemen door islamitische regels strikter toe te passen. Niet alleen tegen fundamentalisten, maar ook tegen vrijzinnigen werd met harde hand opgetreden.
Begin 1995 werd een serie maatregelen genomen om het sinds de Golfoorlog ontstane miljardentekort op de overheidsbegroting terug te dringen. Een lage olieprijs, de onkosten van de Golfoorlog en het zeer buitensporige uitgavenpatroon van de koninklijke familie lagen ten grondslag aan dit tekort. Ook werden enkele ministers vervangen door meer hervormingsgezinden en werd een grondige bestuurlijke hervorming doorgevoerd.
Saoedi-ArabiŽ verzette zich nadrukkelijk tegen verlichting van de VN-sancties tegen Irak - als olie-exporteur een belangrijke concurrent -, maar in 1995 distantieerden Oman en Qatar zich op de topconferentie van de Gulf Cooperation Council in Riaad van het Saoedische standpunt, welk voorbeeld later werd gevolgd door de Verenigde Arabische Emiraten.
Radicale moslims pleegden in juni 1996 een aanslag op de Amerikaanse luchtmachtbasis bij de stad Dhahran.

Telefoongids Saoedi-ArabiŽ
Postcodes Saoedi-ArabiŽ

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009