|

|
De vlinders die
behoren tot de familie van de Satyridae of zandoogjes, zijn
in de regel onopvallend en bruin van kleur. Aan de onderkant van de
vleugels hebben ze de cirkelvormige oogvlekjes, waaraan ze hun
familienaam te danken hebben. Deze beschrijving gaat op voor vrijwel
alle bijna drieduizend leden van de zandoogjesfamilie.
Alleen in tropische delen van Zuid-Amerika vliegen wat uitbundiger
gekleurde exemplaren van deze familie rond. Het is niet altijd
eenvoudig om een vlinder uit deze familie van de juiste soortnaam te
voorzien. Dat gaat bijvoorbeeld op voor de vlinders die behoren tot
het geslacht Erebia. Deze komen met name in bergachtige gebieden van
Europa en Azië voor in een zeer groot aantal sterk op elkaar
lijkende soorten.
Zeer veel vlinders zijn te vinden op rottende vruchten en ze
schijnen met het spa ook schimmels op te nemen. Honingdauw is ook
een belangrijke bron van voedsel. Voor tal van vlinders staat nectar
veel minder in de belangstelling. De meeste soorten vliegen dicht
bij de grond en gaan graag zitten op een door de zon beschenen
plekje. De waardplant van een zandoogje is vrijwel altijd een plant
die behoort tot de grassen. Sommige vlindervrouwtjes zetten de
eitjes niet echt af op planten, maar vliegen boven een graspol en
laten de eieren vallen. Uit de bolvormige eitjes, die van smalle
lengtegroefjes voorzien kunnen zijn, kruipen de rupsen, waaraan de
gevorkte staart opvalt. Ze zijn glad of voorzien van vele kleine
ronde uitsteeksels en niet uitbundig gekleurd. De rupsen groeien
uiterst langzaam, een groeiperiode van vier tot zes maanden is geen
uitzondering. Dat is een gevolg van het moeilijk verteerbaar zijn
van de grassen. De gehele ontwikkeling van ei tot vlinder kan bij
sommige soorten wel twee jaar in beslag nemen. De grassen en bamboes
waar de rupsen van eten, zijn planten die geen gifstoffen bevatten.
De rupsen en vlinders zijn dan ook allemaal eetbaar voor vogels en
andere insecteneters.
Poppen van sommige Europese soorten, zoals de heivlinder, hebben een
veilig plekje onder de grond. Daar weten ze de zomer door te komen
zonder dat ze het risico lopen uit te drogen. Een dergelijke plaats
voor een pop komt bij een dagvlinder uiterst zelden voor. |
|
|
|
|
|